Van flop tot icoon

Hoe een mislukte basmachine het droomspeeltje werd van elektronische muziekmakers.

De letters ‘TB’ in TB-303 staan niet voor Toolboy; dat is wat ik er zelf van maakte toen een vriend mij uitlegde hoeveel waarde hij hecht aan dat apparaat. Zoveel zelfs dat zijn laatste album er een soort van ode aan werd. “Wat is dat voor een ding?” vroeg ik hem, “de zoveelste synthesizer in je verzameling?” (Zijn thuisstudio staat vol met zulke constructies: geluids- en toongenerators, synths, elektronische keyboards, opname-apparatuur, en dit alles verbonden door een onnavolgbare kluwe aan kabels, met een heel klein gangetje ertussen.) 

Ik stelde dezelfde vraag aan ChatGPT: ‘wat is een TB-303?’. Zo gaat dat als ik Peter aan de lijn heb. Ik zet hem op de speaker. Terwijl we praten zit ik te typen. Door onze gesprekken meanderen muziekbegrippen die voor mij volkomen nieuw zijn. Gedragen op de golven van zijn enthousiasme, heb ik in de loop der tijd kennis verworven over modulaties, filtersweeps, oscillaties, soundscapes, granular synthesis, buitengewone frequenties en andere ongehoorde tonen. Nu werd er een cijfer-letter-combinatie aan mijn begripsvermogen toegevoegd. Ik las:

De TB-303 is een iconische bas-synthesizer, ontwikkeld door Roland in de vroege jaren 1980. Oorspronkelijk bedoeld om basgitaren te simuleren voor oefening, werd het beroemd om zijn unieke squelchy en resonerende geluid, vooral nadat het breed werd overgenomen door acid house-producers. De eenvoudige interface van de 303, met knoppen die parameters zoals cutoff, resonantie en envelope-modulatie regelen, stelde gebruikers in staat het geluid gemakkelijk aan te passen, waardoor de kenmerkende “acid” baslijnen ontstonden die genres zoals acid house en techno definiëren.

De studiosessies waren afgerond, vertelde Peter. Het werk zat er bijna op. Van zo’n 30 elektronische composities, waarin steeds geluiden uit de TB303 te horen waren, had hij er tien uitverkoren voor een album. Bij eerdere platen liet hij het hoesontwerp nog over aan een grafisch designer, maar omdat AI Image Generators een steeds overtuigender indruk maakten, wilde hij ditmaal ‘zelf’ iets ontwerpen. Het is te zeggen: het moest een design worden van hem als prompte opdrachtgever in combinatie met het machtige ‘brein’ van zo’n neurale kunstgenerator. Hij vroeg aan mij – die zich al langer verlaat op creatieve AI – welk programma hij daarvoor het beste kon gebruiken. 

Ik adviseerde hem naar beste weten en trachtte ondertussen wijzer te worden over zijn nieuwste creatie. Het album zou ‘At 3:03 in the morning’ gaan heten. Er stond hem één helder beeld voor ogen: dat van een wekker met digitale cijfers. Platentitel en klokdisplay zouden verwijzen naar Rolands’ beroemde geluidsmachine, waaraan hij zich schatplichtig voelde. Helaas hield zijn visuele inspiratie daar op. Over één ander ding was hij trouwens ook heel uitgesproken: je mocht aan het door AI gegenereerde ontwerp niet zien dat het met behulp van een geautomatiseerde, intelligente, onpersoonlijke beeldgenerator tot stand was gekomen. 

Wat dat laatste betreft had hij aan mij een slechte. Ik kon op het visueel-creatieve vlak niets voor hem betekenen dat voor oorspronkelijk, eigenzinnig of ambachtelijk mocht doorgaan. Ik ben geen beeldend kunstenaar. Ik verlaat mij, bij het creëren van boekomslagen, doorgaans op een kunstmatige plaatjesmaker. Dat blijf je zien, hoeveel eigen scheppingsdrang ik er verder ook aan toevoeg.

Toen Peter de beoogde albumtitel noemde, mij dat beeld van het digitale klokje had geschetst, en ik zo’n beetje begreep wat de TB-303 behelsde, kwamen er wel direct associaties naar boven over hoe zo’n platenhoes er verder uit zou kunnen zien. Ik zag de musicus in bed liggen, omringt door zijn instrumenten. Hij leek nog erg in dromenland. De wekkerradio nam een opvallende plek in op het nachtkastje. Rolands’ synthesizer stond op een ander kastje, eveneens binnen handbereik. Het was drie minuten over drie in de ochtend. Centraal in beeld moest er, vond ik, nog een mensenarm bij. De inspirerende handreiking van een onbekende? Zijn muze misschien?

De anonieme arm strekt zich uit van buiten de afbeelding naar binnen, bijna alsof je als kijker het lichaam zelf bent, waarmee dit ledemaat is verbonden. Zo ontstaat er een bijzonder soort van interactie tussen het kunstwerk en de kijker. Dit effect moet gezien worden als een uitnodiging aan de toeschouwer om zich te integreren in het beeld, of om als verruiming van de ruimte te fungeren, waarin hij zich met deze musicus bevindt. Laat het gebruik van verheven terminologie maar aan mij over; hoewel mijn creatieve capaciteiten beperkt zijn, ben ik in staat om diepgaande overpeinzingen te wijden aan wat ik als esthetisch waardevol beschouw. Ondertussen welt er een compleet plaatje in mij op. Alle details van het geheel staan mij voor de geest. Het moet dan helaas nog wel gemaakt worden.

Verre van origineel misschien, maar die arm van buiten naar binnen blijft een interessante toevoeging. In de beeldende kunst wordt die techniek gebruikt om de grens tussen de kunstenaar, het kunstwerk en de toeschouwer te vervagen. De illusie die het wekt – dat de kijker deel uitmaakt van het kunstwerk – wordt soms aangeduid als een vorm van interactiviteit in de visuele ervaring. Dit heeft veel weg van wat men in theater of film het doorbreken van de ‘vierde wand’ zou noemen, maar in de kunst kun je zeggen dat het de illusie van de ruimte zelf doorbreekt, waarbij het werk zich uitbreidt naar de fysieke ruimte van de kijker.

‘Het moet op een handreiking lijken’, specificeerde ik mijn prompt richting het tekenprogramma. ‘We zien een naar boven gekeerde palm. Door deze openheid wordt het een soort van helpende hand, vind je ook niet?’

Ja, absoluut! antwoordde het taalprogramma, als altijd meelevend. De open hand met de handpalm naar boven kan zeker geïnterpreteerd worden als een symbool van hulp. Dit voegt een interessante laag toe aan de interactie tussen de kijker en het kunstwerk. In de context van de kunstenaar die in bed zijn roes ligt uit te slapen, kan de hand worden gezien als een gebaar van steun of troost, alsof het kunstwerk de kijker uitnodigt om de kunstenaar te helpen, of een moment van empathie te bieden. Het idee van een helpende hand is hier bijzonder krachtig, omdat het zowel fysiek als emotioneel aanspreekt. De Chatbot bleek mijn buitensporige jargon feilloos aan te voelen en over te kunnen nemen.

‘Goed zo. Dan zou ik nu willen dat je een afbeelding creëert waarin alle bovengenoemde overwegingen en elementen worden meegenomen.’ Niet dat Peter mij er om gevraagd had, maar ik wilde inmiddels zelf weten hoe dicht ik het beeld kon benaderen dat mij voor ogen stond. En zie: het resultaat beviel mij best. Natuurlijk klopten de cijfers op het klokje niet, en natuurlijk stond er geen TB-303 op het nachtkastje. Natuurlijk kon de geöpende hand wel een zonnetje gebruiken, en natuurlijk moest ik zelf voor de belettering zorgen. Een beetje beeldvervaging vormde ook geen overbodige luxe. Die ingrediënten en aanpassingen voegde ik toe aan het totaal met behulp van Gimp, mijn favoriete grafische programma. Toen ik die beeldbewerkingen had afgerond, was ik best tevreden.

Overbodig om te zeggen dat Peter verre van enthousiast bleek: “Je ziet het altijd hé?” reageerde hij, “Het is zo uit een computer komen rollen.” Behalve kunstmatig vond hij de afbeelding te ‘homo-erotisch’. Zo wenste hij zijn tweemansformatie niet te afficheren. Ik heb daar begrip voor. Hij houdt van ‘echt’ en van een voorstelling die werkelijk op hem en zijn muziekvriend betrekking heeft. Ja, hij werkt voor dit project met iemand samen. Ze noemen zichzelf INKlings. Ik ken deze persoon niet. Ik beperk dit betoog tot mijn interacties met Peter.

Hoewel ik zijn sterke principes richting taal- en tekenprogramma’s begrijp, heb ik de neiging om zijn houding ten aanzien van deze AI technologieën in verband te brengen met zijn eigen elektronische muziek, waar hij gebruikmaakt van voorzieningen die niet minder kunstmatig zijn. Bij nader inzien lijkt het erop dat de afwijzing van AI-programma’s als ‘nep’ in contrast staat met zijn omarming van de muzikale hulpmiddelen in zijn studio. Elektronische muziek is immers evenzeer afhankelijk van technologie die geluiden synthetiseert en manipuleert op manieren die ver verwijderd zijn van realistische, akoestische compositie. Dit roept de vraag op of hij dezelfde maatstaven hanteert voor zijn eigen creatieve processen, of dat er sprake is van een dubbele standaard.

Tegelijkertijd roept het vragen op over mezelf. Wil ik hem attent maken op een dubbelhartigheid in zijn houding tegenover technologie, waarbij hij het ene accepteert en het andere verwerpt? Gaat het mij echt om de vraag of hij zichzelf bewust is van deze discrepantie, en of zijn afwijzing van ‘oneigenlijke’ programma’s misschien ook op zijn eigen muzikale werkwijze kan worden toegepast? Je zou bijna denken dat ik toch in mijn maag zat met zijn kritiek op mijn hoesontwerp, hoezeer dat ook door AI tot stand was gekomen, met een minimum aan eigen inspanning (om nog maar te zwijgen over het feit dat hij er niet om had gevraagd). Zou ik wraakzuchtig zijn? Tijd om het algemeen te houden. Hier volgt het middelbare-school-opstel van een 62-jarige.

De opkomst van elektronische muziek, aangedreven door synthesizers zoals de TB-303, en later door talloze andere technologische hulpmiddelen en softwareprogramma’s, maakten muzikale creatie algemeen toegankelijk. Dat heeft geleid tot een fundamentele verschuiving in wat het betekent om muzikant te zijn. Waar traditionele muziekvervaardiging afhankelijk was van instrumentbeheersing en vaak jarenlange oefening, heeft technologie het pad geëffend voor een nieuwe generatie artiesten die via machines en software in staat zijn om geluiden te produceren zonder ooit een gitaar of piano aan te raken. Dit roept interessante vragen op over de aard van muzikaal talent, de rol van technologie in het creatieve proces, en zelfs de psychologie van de elektronische muzikant.

Het is verleidelijk om, vanuit een ietwat cynisch perspectief, te stellen dat elektronische muziek wordt omarmd door mensen die wellicht niet over het ‘klassieke’ muzikale talent beschikken. Deze visie, waarin de machine wordt gezien als een compensatie voor gebrek aan technische vaardigheden, kan worden betwist, maar het is een feit dat synthesizers en software de mogelijkheid bieden om zonder diepgaande kennis van muziektheorie toch muziek te maken. Met een paar klikken en draaiknoppen kan een gebruiker rijke, complexe soundscapes creëren die eerder onmogelijk zouden zijn zonder uitgebreide training. Is dat een teken van armoede aan muzikaal talent, of juist een nieuwe vorm van creatief vermogen?

Synthesizers en drumcomputers zijn geen passieve machines die simpelweg geluiden reproduceren, aldus de verdedigers. Ze vereisen nog steeds intuïtie, gevoel voor klank, en vooral een visionaire geest om iets unieks voort te brengen. Hoewel de technologie zelf veel werk kan verrichten, ligt de werkelijke kracht bij de persoon die de knoppen bedient. Het idee dat technologie een gebrek aan talent compenseert, mist, volgens kenners, een belangrijk punt: namelijk dat de creativiteit in het gebruik van technologie zelf als een talent kan worden beschouwd. Componisten van elektronische muziek zouden nieuwe paden banen, nieuwe structuren ontwikkelen en ritmes en melodieën ontdekken in de texturen van de geluidsgolven die zij genereren. Dit vereist geen technische virtuositeit op een viool, maar, zo beweert men: het is ook zeker geen talentloze bezigheid.

Het fenomeen van mannen – ja, ik heb geconstateerd dat het vaak mannen zijn, om niet te zeggen incels – die in de wereld van elektronische muziek duiken, kan in bepaalde mate worden toegeschreven aan wat soms het ‘toys for boys’ effect wordt genoemd. Techniek en gadgets hebben een zekere aantrekkingskracht op deze ‘muzieknerds’ (als ik ze zo mag noemen). De elektronische muziekwereld, met haar knoppen, schuiven, schakelaars, pluggen, kabels, en ondersteunende software, biedt een bijna speelse manier om met geluid om te gaan. Er zit iets verleidelijks in het idee dat je met een simpele machine iets groots kunt creëren, dat je de controle hebt over alle aspecten van een muzikaal universum. De machines maken een directe, tastbare interactie met geluid mogelijk die anders is dan het subtiele, soms abstracte, proces van het leren van een instrument.

Maar om dit te reduceren tot een kinderlijk spel met technologie zou oneerlijk zijn tegenover de vele briljante kunstenaars die elektronische muziek hebben omarmd. Hoewel het ongetwijfeld waar is dat sommige muzikanten hun liefde voor technologie laten zegevieren over hun muzikale diepgang, zijn er talloze voorbeelden van artiesten die diepe emotie, complexiteit en muzikaliteit weten te vinden in de circuits van hun synthesizers. Denk aan pioniers als Brian Eno, die technologie juist gebruikt om nieuwe werelden van geluid te verkennen en traditionele muzikale structuren te doorbreken. Dit soort kunstenaars tonen aan dat technologie, hoewel fascinerend als een speeltje of troosthobby, ook een serieuze rol kan spelen in het herdefiniëren van wat muziek is.

Een andere, meer optimistische kijk op deze kwestie is dat technologie de deuren heeft geopend voor een veel breder publiek. Synthesizers en muzieksoftware hebben de muziekproductie gedemocratiseerd, hoor je dan beweren, waardoor mensen zonder toegang tot dure instrumenten of formele opleiding toch hun artistieke visies kunnen uitdrukken. Dit kan worden gezien als een verrijking van de muziekscene, waarin meer stemmen en stijlen naar voren kunnen komen. Waar muziek ooit het domein was van de getrainde elite, is het nu toegankelijker dan ooit. Iedereen met een laptop kan een wereld van geluiden verkennen en zijn of haar muzikale ideeën vormgeven.

Er blijft bij mij een spanning bestaan tussen wat ik meteen erken als muzikaal talent en deze vorm van muziekproductie. Kan iemand die geen enkele toonladder kan spelen zichzelf nog steeds een musicus noemen? De grens tussen ‘muzikant’ en ‘producer’ wordt, lijkt me, almaar vager in een tijd waarin technologie steeds meer het creatieve proces overneemt. Wat we traditioneel als ‘talent’ beschouwen, wordt hierdoor uitgedaagd. Talent schijnt niet langer het vermogen om bijvoorbeeld een noot te herkennen en die op de juiste manier te spelen, maar lijkt gelijk te staan aan de passie om zich op technologie te storten, daar wat geluiden uit te persen, en dan de indruk te wekken dat men op een vernieuwende manier gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden.

Raakt het gebrek aan muzikale vaardigheden niet iets te vaak versluierd door technologie? Ik denk soms van wel. Dat betekent niet dat de elektronische muziekmaker de mindere is in deze tijd waarin niemand onderdoet voor de ander. Ik hang veel op aan de begrippen musicus en componist, waardoor ik de neiging heb om in sommige muzikanten zichzelf wat al te serieus nemende hobbyisten te zien. Hun enthousiasme valt te prijzen maar vraagt om een ander soort talent: een toewijding die minder fysiek of vaardig is in de klassieke zin, maar daarom niet minder waardevol. Technologie heeft de drempel verlaagd en hoewel ik van mening ben dat drempels een functie hebben, biedt het de mogelijkheid om nieuwe vormen van audioproductie te omarmen, waar een bepaald soort geluidmakers, psychologisch gezien, enorm mee is geholpen. De maatschappij profiteert daar in zekere zin ook van. Want zoals wij weten: jongens die van de straat zijn, zijn minder gevaarlijke jongens.

De Roland TB-303 was een van de eerste synthesizers die een rol speelde in het verschuiven van de manier waarop muziek kon worden gemaakt. Oorspronkelijk ontworpen als een basgitaar-synthesizer werd het ding niet meteen populair omdat het het geluid van een echte basgitaar belabberd nabootste. Later werd het herontdekt in de opkomende house- en techno-scene, vooral in de context van elektronische muziek. Ik heb begrepen dat wat de TB-303 uniek maakte, de eenvoud was waarmee je een ‘sequence’ kon programmeren en ook een karakteristieke, resonante klank door het gebruik van de ingebouwde filter. Dit gaf producers die weinig of geen traditionele muzikale vaardigheden hadden, de mogelijkheid om toch ‘boeiende’ klanken te creëren. De TB-303 zorgde er dus voor dat muzikanten zonder formele muzikale achtergrond een ingang vonden in muziekproductie, vooral omdat het meer ging om het manipuleren van geluid en patronen dan het beheersen van een instrument in de traditionele zin.

Leg dit verhaal naast het verhaal van AI schrijfprogramma’s die schrijvers voortbrengen met literaire ambities, of naast het verhaal van kunstmatige beeldgenerators die kunstenmakers opleveren met de allures van een Rembrandt, en je begrijpt misschien m’n punt. Er bestaan gelijkenissen tussen de drie genoemde ondersteuningsmiddelen en de manier waarop gebruikers daar hun voordeel mee doen. Ik struikel bijna altijd over ijdelheid, niet over het werk dat wordt voortgebracht. Van dat laatste kun je houden of niet; het creatieve proces zelf moet de vrije loop worden gelaten. We hoeven ook heus niet onze scheppingsdrang in te tomen. Laten we vooral veel dingen creëren die we mooi vinden. Misschien moeten we alleen onze pretenties een beetje temperen. Het zou verstandig kunnen zijn om onze zelfoverschatting bij te stellen, zonder de creativiteit in de weg te staan.


Nogmaals: de “TB” in TB-303 staat niet voor Toolboy. Ik verzon het woord, als onderdeel van de titel van dit essay, omdat ik iemand wilde beschrijven die constant afhankelijk is van hulpmiddelen of gereedschappen om problemen op te lossen, of die zich voornamelijk richt op het gebruik van specifieke tools in plaats van creatieve of diepgaande oplossingen te zoeken. In een informele of negatieve context kan het ook verwijzen naar iemand die zichzelf een expert waant vanwege het gebruik van bepaalde tools, zonder de fundamentele kennis of vaardigheid te bezitten. De term kan ook in bredere zin worden toegepast, bijvoorbeeld in de IT-wereld, voor iemand die sterk vertrouwt op software of programma’s om taken te volbrengen zonder diepgaand begrip van de technologie erachter.

‘TB’ in TB-303 staat echter voor Transistor Bass. Ik las ergens dat Roland de synthesizer oorspronkelijk ontwikkelde voor muzikanten die te arm waren om een bassist van vlees en bloed in te huren. Een apparaat waarmee ze die baslijnen konden simuleren, kwam als een geschenk. Dat klinkt bijna sympathiek en het is jammer dat het ding voor dat doel tekort schoot. Maar ziedaar de loop der geschiedenis. TB-303 bleek commercieel niet succesvol in zijn oorspronkelijke rol, maar werd later…Afijn, ik begin mezelf te herhalen; een effect dat succesvol kan zijn in elektronische muziek (denk nu even niet aan de monotone dreun van de ‘warehouse party era’) maar dat dodelijk is in proza.

PS: Ik zou me voor kunnen stellen, dat je na dit verhaal wilt weten voor welk albumontwerp er uiteindelijk is gekozen en hoe de muziek van INKlings klinkt. Meer informatie vind je hier: https://inklings.bandcamp.com/album/at-3-03-in-the-morning