Dankzij één van uw laatste columns weet ik dat de scout van een piepklein voetbalteam in Zweden onopvallende spelers aandraagt waardoor de club Goliaths als IFK Göteborg en AIK Fotboll verslaat. Ondertussen gaat hij als postbode door met postbezorgen want dat moet natuurlijk ook gebeuren.
Na het lezen van uw stukje dacht ik: wie beter dan meneer Wagendorp om mijn postbodeverhalen te waarderen, zodat hij ze eventueel aan de redactie kan doorgeven. U schrijft over een postbode met scoutkwaliteiten; ik hoop een postbode te zijn met schrijfkwaliteiten.
Ik zag opeens de gelijkenis. U zou een schrijver kunnen zijn die zich even als talentontdekker opwerpt. Mijn verhalen gaan niet over sport. Niemand kan u op dat terrein naar de kroon steken. U moet vooral doorgaan met uw prachtige columns over dat veelbewogen thema.
Ik mag minder ervaren zijn dan u, maar ik schrijf deze brief met voldoende zelfvertrouwen om mij aan u te durven presenteren. Ik begrijp dat ik mij alleen maar in de kijker kan spelen door goed te schrijven; dat blijft het eerste en het laatste criterium voor succes.
Wilt u zo vriendelijk zijn om een blik te werpen op de bijgevoegde columns? Ook een postbode met scoringsdrang heeft een scout nodig. In één van mijn toekomstige postbodeverhalen zou sprake kunnen zijn van een voetbalcolumnist die mijn talent zag. Dat stukje zou ik graag een keer schrijven.
Waar bezorg ik geadresseerde reclame voor een naamloze ontvanger zonder huis?
Ik schat in dat zeker tachtig procent van de geadresseerde post die niet op naam staat, reclame is; papier dat zich voordoet als belangrijk maar vaak onnodige aandacht trekt. Ontvangers zitten er meestal niet op te wachten. Op de enveloppen staat ‘aan de bewoners van’. Ongerichte post mag letterlijk geen naam hebben.
Dit verrassingsoffensief is vergelijkbaar met ongevraagde boodschappen die tegenwoordig van alle kanten op ons af komen. De mensen zijn murw geslagen door deze commerciële opdringerigheid. Een postbode komt er mee weg zoals ook een bushokje met reclameposters van schuld gevrijwaard blijft. Iedereen begrijpt dat zij slechts de boodschappers zijn (of zo je wilt: de dragers).
In opdracht van BPD werkte architectenbureau Zecc samen met Orange Architects en Studio Spacious aan het ontwerp voor 287 nieuwbouwwoningen op het terrein van de voormalige Cobercofabriek. Daar kun je nu al 287 reclame-enveloppen naar toe sturen, maar die kunnen met geen mogelijkheid worden bezorgd.
Wat ook helpt? Waarschijnlijk profiteert een PostNL-bezorger nog van een oudvertrouwde reputatie als PTT-er. Ooit waren de posterijen een publieke dienst. De ‘bestellers’ droegen uniformen met koperen knopen. Naast het bezorgen van louter belangrijke informatie, had de beambte een sociale functie. Hij bezat een vaste wijk, lette een beetje op in zijn omgeving en maakte hier en daar een praatje.
Mijn baas verwees onlangs naar deze mooie maatschappelijke taak. Er stond een oproep in het bedrijfsblaadje en er werd een flyer uitgedeeld. Het probeerde bezorgers op het hart te drukken dat we nog steeds zo’n functie hebben. We blijven een soort van ogen en oren van de buurt; wijkwachthonden die niet lopen te kwispelen voor een aai of kwijlen van een koekje maar die alarm kunnen slaan als er iets niet pluis is. Ik vind dat best.
Het kost me geen enkele moeite om een oogje in het zeil te houden, maar er is, vrees ik, wel iets wezenlijks veranderd. De postbode heeft het te slikken – dag in dag uit – dat hij een commerciële bijvracht moet meezeulen. Het is een plicht waarvoor hij niet heeft gekozen. Ik weet niet waarom ik mij altijd zo licht en bevrijd voel als mijn taak als postbezorger er op zit. Is het omdat het best belastend voelt om tot een tussenpersoon in de verleidingseconomie te zijn verworden?
Handige bedrijven hopen onschuldige bewoners te treffen waar ze het meest ontvankelijk zijn: in de leefruimte tussen hun eigen muren. ‘Eigen haard is goud waard’ (ook al zo’n reclameleus) en juist daarom dringen zij zich door deuren, naar de warmste plek in huis, met glimlachend drukwerk dat bewoners wijsmaakt dat geluk te koop is.
De brievenbus is de open wond die wij zelf in onze gevel hebben gekerfd: een gapende gleuf naar de straat toe, waarlangs de buitenwereld naar binnen sijpelt, compleet met alles waar een luchtje aan kan zitten. De postbode onderhoudt die wond; hij laat haar etteren maar verzorgt haar ook, met af en toe iets noodzakelijks, een brief of een pakje waarop de klant echt zat te wachten.
Dat voor wat betreft de bevredigende kant van het werk. Maar goed, dan blijft er dus nog altijd een last aan je kleven van geadresseerde post die een niet geadresseerde stadgenoot met een berg papier opzadelt. Vervelend voor hen, voor mij, en – dit moet gezegd – belastend ook voor het milieu.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over een andere vorm van geadresseerde, op niemands naam gestelde, post; te weten reclame die ergens dient te worden afgeleverd, maar in werkelijkheid helemaal niet kan worden afgeleverd omdat er in de zogenaamde straat op het zogenaamde nummer, nog helemaal geen gebouw staat.
Het bedrijf dat de nieuwe bewoner wilde informeren over haar onmisbare product, was in dit geval te vroeg begonnen met haar verleidingstactieken. We zien een braakliggend terrein. Zelfs dat wat ze de bouwrijpfase noemen, is er nog niet van start gegaan. Het enige dat er tot nu toe werd opgericht, is het informatiebord met de plandatum van de bouw en de namen van projectontwikkelaar en architect.
In mijn bezorgwijk in Arnhem heet die leegte het Cobercokwartier; het terrein van de oude Melkfabriek waar werkelijk nog geen steen van een straat of een huis is gelegd, maar waar de straatnamen wel bekend zijn gemaakt en de commercie zich (dus) ook al laat zien. Zodoende sta ik daar met stapels identieke enveloppen voor het Vermicohof en het Camizhof.
Niemand is tot nu toe boos geworden dat ik dingen bij ze naar binnen smijt die rechtstreeks de papierbak in kunnen. Misschien word ik daar toch een keer op aangesproken. Of erger. Je moet je frustratie toch ergens kwijt als getreiterde brievenbusbezitter.
Soms moet ik denken aan het verweer van die jongeman in de rechtbank die vol liefdesverdriet zat en dagelijks geconfronteerd werd met posters van zijn ex (ze was onverhoeds model geworden). De dader begreep dat de bushokjes, waar zij voor iedereen te zien was, er niets mee te maken had.
Maar hij moest z’n agressie toch ergens kwijt?
Een oproep van het Bijzondere Momenten Fonds aan de postbezorger. Dit lijkt me een lofwaardig streven en daar is dus helemaal niets mis mee. Natuurlijk zal ik in actie komen bij een ‘niet-pluisgevoel’, zoals het hier nog ‘geite-wollen-sokkig’ wordt genoemd.
Een lezer schreef: ‘Wat een mooi inkijkje in het leven van een postbode. Alleen al het woord bode is natuurlijk al ouderwets. Vroeger had je ook ijlbodes voor mondelinge snelle post. Ik woonde in Amsterdam in de ‘Koperen knopen buurt’ waar allemaal ambtenen hadden gewoond die in dienst waren voor de gemeente.’
Mijn antwoord: ‘Alweer bedankt voor jouw reactie. Het woord ‘ijlbode’ vind ik prachtig. Ik heb het in https://ronaldvannoorden.com/2025/06/07/neerlandsch-postbestel-herboren/ over postbodes die in de oorlog zogenaamde ‘witte post’ bezorgden. Zij werden soms ‘stille lopers’ of ‘witte rijders’ genoemd. Dat laatste was een knipoog naar ‘de Zwarte Ruiter’, symbool van het verzet. Interessant wat je vertelt over de ‘Koperen knopen buurt’. Dus jij bent een jongen uit de Staatsliedenbuurt? Ik heb het even opgezocht en lees: ‘in de beginperiode van de 20e eeuw [woonden daar] relatief veel lagere ambtenaren – zoals tramconducteurs, politieagenten, brandweerlieden, spoorwegpersoneel – die uniformen droegen met koperkleurige knopen. Dat leidde ertoe dat de buurt in de volksmond werd aangeduid als ‘Koperen-Knopenbuurt’ of varianten daarvan.’ Fijn dat je me op zulke sporen zet. Blijf lezen, blijf reageren.’
Heiligdommetjes die hoogbejaarden moesten huisvesten?
We kunnen het helaas nog niet over de eerste bewoner van mijn huis hebben. Terwijl dat toch het leukere verhaal is. Het bleek een kerkmeester te zijn. Hij moest toezicht houden op de orde tijdens de mis. Dat vond men een serieuze taak en hij manifesteerde zich dan ook als een ernstige, om niet te zeggen strenge man. In de buurt van meneer Koetsier – want zo heette hij – moest je je koest houden. Sloeg hij koorknaapjes? Dat kan ik niet zeggen. We moeten ons eerst storten op het huis waar hij woonde; het huis dat nu mijn huis is en een aantal vragen oproept. Het spijt me dat dit stukje niet over een potentiële sadist gaat maar over een onschuldig stulpje.
Niet ieder bouwsel in Nederland vermag zich in gelijke mate te verheugen in de zegen, dan wel in de vehoogde aandacht of speciale attentie, van de Paus.
Het adres waar ik woon maakt onderdeel uit van een blokje van serievormige katholieke ‘keurslijfjes’ die in de jaren veertig in gebruik werden genomen. De Roomse kerk mocht zich eigenaar en opdrachtgever noemen, maar natuurlijk heeft er in Vaticaanstad nooit ook maar een penningmeester (laatstaande een paus) naar getaald. De Woningbouwvereniging St. Joseph was nauw betrokken bij de ontwikkeling. Ze werden gerealiseerd als onderdeel van het uitbreidingsplan voor de stad. Ze moesten voorzien in de groeiende behoefte aan een plek voor paapsgezinden: een mooie processie van aan elkaar geplakte doorsneewoningen die misschien net iets meer allure bezaten dan de zoveelste rijtjeshuizen omdat ze bedoeld waren als onderdeel van een hofje.
Als we deze woningen met de nummers 35 t/m 61 denkbeeldig op de lange zijde van een L plaatsen, dan zou er nog een bejaardentehuis worden gerealiseerd op de korte zijde van die letter, en wel het dichtst in de buurt van de St. Josephkerk. Dat is echter niet doorgegaan omdat er toen – welk een tijd – nog te weinig katholieke bejaarden waren! Het vreemde is dat ergens wordt vermeld dat aan de Beatrixstraat in 1940 twee blokken ‘bejaardenwoningen’ werden opgeleverd met de naam ‘Meihof’. De vermelding zegt: ‘Voor de realisatie hiervan had pastoor Van der Loo van de Sint Jozefkerk zich erg ingespannen. De naam en het jaartal 1940 staan op een sluitsteen boven in het verbindingspoortje tussen de twee blokken.’
Dat is waar, die sluitsteen bevindt zich daar. Maar dit zou betekenen dat het blokkencomplex met de naam ‘Meihof’, waarin ik woon, in de analen als ‘bejaardenwoningen’ werden aangeduid. Als dit waar is, waarom werd er dan ook nog over het realiseren van een bejaardenhuis gerept? Ik heb naar het antwoord gezocht. Misschien vormt dit een verklaring: in de katholieke woningbouw uit die tijd werd de term ‘bejaardenwoning’ niet gebruikt in de moderne zin van kleine seniorenwoningen. Men bedoelde vaak: woningen ‘voor ouderen of echtparen op leeftijd’ die nog zelfstandig woonden, maar een zekere rust en nabijheid tot de kerk of hun gemeenschap zochten. Met andere woorden: ‘bejaardenwoningen’ konden toen best redelijk ruime eensgezinswoningen zijn, alleen bedoeld voor een wat oudere doelgroep.
Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke plan inderdaad in een hofje met bejaardenwoningen en eengezinswoningen voorzag, maar dat dit plan is versoberd of samengevoegd. Een bejaardenhuis (in collectieve zin, dus met voorzieningen) werd nooit gebouwd. In plaats daarvan heeft men wellicht de hele reeks huizen als gewone gezinswoningen uitgevoerd, met behoud van de naam ‘Meihof’ als herinnering aan het oorspronkelijke plan. Dat zou verklaren waarom deze wel gerealiseerde woningen ruimer zijn dan ‘bejaardenwoningen’; ze zijn technisch gewoon gezinswoningen, maar historisch ontstaan uit een parochiaal, later losgelaten, plan waarin ouderenzorg en huisvesting verweven waren.
Kijk, dat is nou het rotte van historische werkelijkheden: ze weigeren zich te schikken naar een goed verhaal over een schijnbare schoft. Je wilt iets spannends schrijven over de eerste bewoner van je huis, en belandt in een kluwen van onvolledige archieven en tegenstrijdige bronnen. Ik voel me een halve archivaris nu. Ik moet het stof uit m’n haren kloppen. Waar is de wijn, de geur van wierook, het flakkerende kaarslicht, de kerkmuziek en het hemelse gezang tegen de achtergrond waarvan ik een verhaal over een mogelijke smeerlap kan ontvouwen? Ik zit opeens vast in een moeras van onduidelijkheden, vermoedens en onvolledige bouwplannen uit 1940 en het wordt nergens spannend.
Ik denk dat ik Conclave uit de kast trek van Robert Harris en vandaag vroeg naar bed ga. Het boek schijnt nog beter te zijn dan de film. Nee wacht; maak daar Betrayal van, samengesteld door een journalistenteam van TheBoston Globe (en ook al verfilmd; zie Spotlight).
Een lezer schreef: ‘Koetsier was een prima sympathieke man. Het hele gezin trouwens.’
Ik weet niets meer van Koetsier dan wat ik hierboven over hem heb opgeschreven. Dat de kerkmeester streng was en dat je als kind een beetje zenuwachtig werd als hij zich in je buurt bevond, houd ik voor waar. Die informatie komt namelijk van dezelfde lezer. Maar ik moet toegeven dat tussen strengheid en wreedheid veel verschil zit.
Het stukje dat ik aangaf liever te hebben geschreven dan wat ik hier uit de doeken doe over mijn huis, zal er nooit van komen. Ik gaf een denkbeeldige situatie weer: namelijk die van een valse kerkmeester, of erger. Ik zou het veel leuker vinden om daarover door te gaan omdat zoiets nu eenmaal een plot verschaft en het een zeker vooroordeel zou bevestigen dat ik over kerkmeesters koester (en over het katholicisme in z’n geheel).
Maar of de heer Koetsier ook daadwerkelijk een sadist was, laat ik in het midden door er het bijvoeglijk naamwoord ‘potentiële’ voor te zetten. Later ben ik even voorzichtig als ik het woord ‘smeerlap’ gebruik; daar plaats ik namelijk het woord ‘schijnbare’ voor. De lezer geeft aan dat Koetsier niets kwaads over zich had; hij kan dat absoluut beter weten dan ik.
Ik viel voor het cliché, zei iemand met een ontwikkelde kunstsmaak.
Van de ene dans kwam de andere. En toen bleef ik dus dansen. Althans: ernaar kijken. Ik kwam geen moment uit mijn stoel. Mijn rug deed nog zeer van het sjouwen met boeken. Ernstige titels, zware onderwerpen; dat is een ander verhaal. Het werd tijd voor luchtigheid. En ook, vermoed ik, voor een ander soort van schoonheid. Toen zat ik plotseling naar filmpjes te kijken van zwierige twintigers. Ze trotseerden een draaischijf. Ik zag afgetrainde lijven, tastend, maar evenwichtig. De symboliek droop er van af, voor mij althans, op een manier die me zeldzaam leek.
Celui qui tombe uit 2014 van Yoann Bourgeois – een choreograaf die zichzelf ‘jongleur van het ongrijpbare’ noemt – maakt van dans een spel met de zwaartekracht. Bourgeois gebruikt fysieke instabiliteit als metafoor voor de menselijke conditie: we proberen allemaal in balans te blijven in een wereld die voortdurend beweegt of onder ons wegzakt. De voorstelling toont zes performers op een groot, ronddraaiend, kantelend houten platform. Dat platform is als een levend organisme: het beweegt, schudt, draait, en daagt de dansers uit om hun evenwicht te bewaren. Het is tegelijk acrobaties, dans en existentiële allegorie: het lichaam dat voortdurend probeert niet te vallen, als beeld van het menselijk streven, de strijd tegen chaos en de zoektocht naar harmonie.
Ik weet inmiddels dat een recensente met veel danservaring – nou ja, ook zij is tot kijken bedaard – dit optreden met eerdere, originelere, dansvoorstellingen heeft vergeleken. Ze sprak van een metafoor die de bocht uit dreigde te vliegen (of woorden van die strekking). Het zat hem ook in de muziekkeuze, gaf ze toe. Ik dacht: het bezit van kennis is belangrijk. Het biedt een afgewogen oordeel. Vergelijkingsmateriaal. Maar kan deskundigheid niet ook een belasting vormen?
Ik had een culturele achterstand wat betreft deze kunstvorm. (Lees: ik koesterde nog geen achterdocht.) Dat gaf me, naar mijn gevoel, het voordeel van onervarenheid. Ik bleek plotseling van deze bewegingen te kunnen houden. Het is te zeggen, ik zou nog steeds niet zo snel naar een zaalvoorstelling gaan, maar je weet hoe dat gaat: YouTube doet suggesties in de trant van je eerdere zoekopdracht. Voor je het weet ‘draai’ je het ene na het andere filmpje. En dan gebeurt het: je raakt ‘verslingerd’ aan iets dat voorheen je aandacht ‘niet kon vasthouden’ (pun intended).
Wat mij ‘aantrekt’ in deze dansuitvoering is het spel met de middelpuntvliedende kracht, dat ik een interessant natuurkundig fenomeen vind. Misschien spreekt het, sinds Einstein, iets minder tot de verbeelding dan zwaartekracht, maar laten we de centrifugale kracht in ere houden. Ik maal gemakkelijk door over beide fenomenen. Het zijn verschijnselen waar ik inmiddels wel goed mee uit de voeten kan.
Eerst gravitatie. Einstein heeft aangetoond dat zwaartekracht ‘slechts’ een vervorming is van het ruimte-tijd-continuüm; het weefsel van de lege ruimte, veroorzaakt door de aanwezigheid van een massa. We zijn met en op onze aarde gewoon constant aan het vallen, om de zon heen, en volgen de vervorming die de massa daarvan in het omringende ruimte-tijdweefsel maakt. We gaan dus langs het pad dat in die ruimte-tijd het kortst is.
Daarnaast zorgt rotatie van de aarde om haar as ervoor dat op voorwerpen op aarde, behalve de zwaartekracht, ook een middelpuntvliedende kracht werkt, min of meer tegen de richting van de zwaartekracht in. Hoe verder van de aardas af, hoe groter deze middelpuntvliedende kracht. Op de evenaar is deze werking het grootst, aan de polen is ze nul. De niet-gecorrigeerde, gemeten zwaartekracht is daarom op hogere breedtegraden groter dan op lagere.
De middelpuntvliedende kracht is een niet-bestaande of schijnkracht volgens de zuiver natuurkundige omschrijving. Met ‘schijn’ wordt dan bedoeld dat deze kracht alleen maar bestaat ten opzichte van het voorwerp dat meedraait. Neem een auto die een bocht neemt. Ten opzichte van de vaste grond waarop deze auto zijn draai maakt is er geen sprake van middelpuntvliedende kracht. Dit is slechts fysische preciesheid, maar zowel zwaartekracht als centrifugale kracht hebben de overeenkomst dat ze in nauwe relatie staan tot de omgeving.
De middelpuntvliedende kracht (centrifugale kracht) is dus eigenlijk geen echte kracht, maar een schijnkracht die we ervaren vanuit het standpunt van de draaiende danser zelf. In dat ‘niet-inertiële referentiestelsel’ lijkt het alsof iets hem naar buiten duwt. In werkelijkheid wil zijn lichaam gewoon rechtdoor (traagheid), terwijl het platform hem in een cirkel dwingt.
De echte kracht die op de dansers werkt vanuit het standpunt van de natuurkunde, is de middelpuntzoekende kracht (centripetale kracht). Ze trekt hen naar het midden van de draaiing. Zonder die kracht zouden de dansers door hun traagheid (inertie) rechtdoor willen gaan en dus van het platform vliegen. Deze kracht wordt geleverd door de wrijving tussen hun voeten en het draaiende platform, of door hun spieren als ze zich vasthouden. Wanneer het platform draait, moet er voortdurend een kracht naar binnen werken (richting het middelpunt) om hen in cirkelbeweging te houden. Dat is de centripetale kracht.
Ik keer terug naar het zuivere dansoptreden. Je zou je, heel flauw, van deze uitvoering kunnen afvragen: waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? Een dergelijke gedachte had ik vroeger regelmatig. Dan waren ze mij alweer kwijt, die pathetische springers. Dat is absoluut niet de kritiek die ervaren kijkers op dans hebben. Voor de recensente met haar ontwikkelde smaak kan het juist niet ontoegankelijk en extreem genoeg zijn. Originaliteit is een hoog goed bij kunstminnaars. Juist als er platitudes op de planken prijken, gaan er haren overeind staan.
Ik zei:“Ik zag dit nog nergens. Voor mij is dit heel origineel.”
Zij zei:“Dat begrijp ik, maar ik moest het indertijd beoordelen. Dat was in 2014. Zelfs toen had ik al heel wat draaiplateaus voorbij zien komen.”
Ik bracht mijn liefde voor natuurkunde in. Ik opperde:“Wist je dat er bij middelpuntvliedende krachten ook middelpuntzoekende krachten horen?”
“En?” reageerde zij.
Welk punt was ik van plan te maken?
Met de geïrriteerdheid van iemand wiens pas gecreëerde passie iets te snel wordt gedoofd, vervolgde ik: “Gewoon eens lekker genieten van het overbekende, dat moet toch kunnen? En voor mij was het dat dus NIET, een gemeenplaats bedoel ik. Ik vond dit speciaal en vreemd en wonderbaarlijk. Zoals gezegd, ik was erg onder de indruk. En dan kom jij langs. Jij met je beredeneerde smaak. Jij met je alles overstijgende beschouwing. Die vindt dat kunst moet provoceren, of wakker schudden, of aanzetten tot nieuwe gedachten maar vooral geen herhaling van zetten mag zijn.”
Ze keek me ongenaakbaar en geamuseerd aan.
“Nou, nou, dat moest er even uit, is het niet? Ik heb je vroegtijdig beroofd van je enthousiasme. Tjonge, jonge. Ik heb je wakker geschud en nu moet je weer op zoek naar iets anders moois. Alsof we dat niet allemaal doen. Omdat we geen cultuurbarbaren willen zijn. Omdat we door moeten. Danskunst is geen plaatje dat je grijs kunt draaien. Zal ik je eens wat vertellen, die titel van deze voorstelling, die slaat op jou. ‘Celui qui tombe’, dat ben jij, ten voeten uit. Maar nu moet je opstaan en weer doorgaan. De betovering van deze draaischijf is voorbij.”
Een recensent vergeleek de voorstelling met een vlot. Hij schreef:
‘There’s a point in most French performance pieces when you suspect that Géricault’s famous 19th-century painting The Raft of the Medusa is being referenced, and He Who Falls is no exception. In addition to spinning like a disc on a turntable, the platform acquires a vertiginous tilt. Soon it’s lurching like a ship, or indeed a raft in a storm, and human balances and counterbalances become critical. The individual survives only if the group survives. Bourgeois’s six dancers are, he says, “a mankind in miniature”. These philosophical underpinnings, if weightless, are deftly conveyed. But the performers rarely display anything approaching three-dimensional character; they’re at once hyper-skilled and remote – in this sense more like acrobats than dancers – and in consequence we don’t really engage with them.’
De recensente had deze kritiek misschien gelezen. Zij plakte er in haar stuk nog een andere vergelijking aan vast. Het tableaux vivant van The Raft of the Medusa door Adad Hannah, dat Yoann Bourgeois misschien ook wel kende. En zo associëren we er lekker op los met al onze kennis van zaken.
De zogenaamde vertegenwoordigers van de hogere cultuur, zoeken altijd naar ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Ze verlangen steeds weer nieuwe exceptionele ervaringen; een unieke plek in het centrum van de draaischijf, zeg maar. Natuurkrachten volgen hun eeuwenoude wetten maar mensen, met gevoel voor esthetiek, willen op alle mogelijke manieren afwijken van gebaande paden. Dat is een soort van cultuurkracht waarvoor ik doorgaans waardering heb, maar die ik opeens zo vermoeiend vind.
En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.‘
Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”
Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.
Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.
Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.
Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.
Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.
Waarom Meidas Touch onmisbaar is voor de Amerikaanse (en onze) democratie.
Als Nederlander met een – naar mijn mening – goede passieve beheersing van de Engelse taal, begrijp ik de Amerikaanse politiek beter dan ik kan verwoorden; voor dat laatste ben ik niet welsprekend genoeg. Ik kan alle nuances van politieke debatten moeiteloos volgen, maar als ik zelf het woord moest voeren, zou ik minder scherp en woordrijk overkomen dan ik wilde. Alleen al daarom ben ik onmachig om het lot van Amerika ook maar een jota te beïnvloeden. Ik onderga wat daar gebeurt met de radeloosheid van een waarnemer die slechts door een glazen wand mag toekijken, bewust van de impact van de huidige gebeurtenissen, maar gevangen in een afstand die onoverkomelijk lijkt.
Vanuit Europa zie ik het MeidasTouch Network als het scherpste wapen in de strijd om het discours over de democratie te heroveren.
Die taalbarrière doet niets af aan mijn zorgen over de staat van de democratie in de Verenigde Staten, die ik wel nog steeds als de hoeksteen van de westerse wereld beschouw. Vanuit mijn Europese perspectief is het cruciaal dat er krachten vrijkomen die zich actief verzetten tegen de erosie van democratische normen. En dat is precies waarom ik Meidas Touch Network zo ontzettend belangrijk vind. Voor mij is Meidas Touch veel meer dan alleen een progressief mediakanaal. Het is een digitale verdedigingslinie. Het netwerk, opgericht door de drie broers Ben, Brett en Jordy Meiselas, is ontstaan uit pure noodzaak en frustratie over de politieke chaos. Ze waren geen doorgewinterde politieke operatoren, maar een burgerrechtenadvocaat, een video-editor en een marketingexecutive die vonden dat ze moesten handelen.
De kracht van MTN ligt in hun compromisloze aanpak om het narratief terug te veroveren van de rechtse media. In een tijdperk waarin desinformatie zich met duizelingwekkende snelheid verspreidt, gebruiken zij de moderne mediatools – korte, virale video’s en podcasts – om op heldere en directe wijze te communiceren over de feiten en de gevaren. Ze stellen zichzelf niet op als partijpolitieke influencers, maar als verdedigers van de democratie. En eerlijk gezegd is dat voor mij in deze context hetzelfde. Ze doen wat traditionele media soms te langzaam doen of te voorzichtig: ze benoemen leugens als leugens. Hun content is scherp, gevat en vaak humoristisch, maar altijd met een serieuze, feitelijke ondertoon. Ze ontmaskeren de gaslighting van de MAGA-beweging en degenen die de verkiezingsuitslagen in twijfel trekken.
Als toeschouwer die de Amerikaanse democratie als een essentieel bolwerk beschouwt, zie ik Meidas Touch als een van de meest effectieve checks and balances in het informatietijdperk. Ze mobiliseren een publiek dat snakt naar eerlijke en duidelijke berichtgeving, en ze bieden een digitaal thuis voor mensen die de democratische principes willen verdedigen. Zonder zulke onverschrokken stemmen, die niet bang zijn om hun ongenoegen over de extremen aan de rechterflank luid en duidelijk te uiten, zou het publieke debat in de VS nog verder scheefgroeien. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de broertjes Meiselas met hun netwerk een noodzakelijke en onmisbare rol spelen bij het bewaken van de Amerikaanse democratie. Ze geven de gewone burger een duidelijke stem en een krachtige tool in de strijd voor de waarheid. En dat is van onschatbare waarde.
Laten we proberen hun videokanaal naar 6 miljoen abonnees te brengen (op dit moment is dat 5,51M).
P.S.: We zien hoe politieke figuren die kritiek hebben op Trump steeds vaker doelwit worden van zijn retoriek en acties. Het is beangstigend om te bedenken wat er met het cruciale tegengeluid van de gebroeders Meiselas kan gebeuren. Als er iets gebeurt waardoor hun stem verstomd raakt, vrees ik dat dit het definitieve einde van de democratische waarden in de VS inluidt, waarmee de weg naar autocratie onder Trump definitief zou worden geplaveid. Hun veiligheid is, in zekere zin, de veiligheid van de Amerikaanse democratie zelf.
De psychologische en financiële terreur die critici van Trump de mond snoert.
Wat een droevig nieuws is dit. Ik hoorde het en het sloeg in als een bom, niet alleen vanwege het verlies van twee waardevolle stemmen, maar vooral vanwege de onderliggende motivering. De podcast Shrinking Trump stopt. De makers, psychologen John Gartner en Harry Segal, voelen zich genoodzaakt de stekker eruit te trekken, om een reden die een rilling door mijn hart jaagt: ze moeten vrezen voor vervolging en kunnen, mocht het zover komen, de proceskosten niet dragen.
Dat de makers zichzelf het zwijgen opleggen uit angst, nog voordat er een officiële aanklacht is, legt de focus op de gevaarlijke aard van de intimidatie. Dit benadrukt het meest verontrustende element: het is een actie uit anticipatie. Daardoor wordt het een vorm van zelfcensuur onder dwang. Dit is hoe een bedreigde democratie haar kritische stemmen systematisch de nek omdraait. Het misbruik van juridische procedures is de nieuwe tactiek om de persvrijheid te muilkorven. Preventief moeten stoppen met het louter uitspreken van je mening, dat is toch wel het ergste.
Dit is de rauwe, onverbloemde realiteit die we nu onder ogen moeten zien. Het is niet langer een hypothetisch gevaar; het is acuut. Een regering, of een politieke beweging met de intentie de democratie te ondermijnen, gebruikt de rechtspraak als wapen. Kritiek uiten wordt een financieel risico, een potentieel bankroet. Het gaat hier niet om een gerechtvaardigde vervolging vanwege een misdrijf, maar om het intimideren en monddood maken van critici door de dreiging van eindeloze en onbetaalbare juridische procedures.
En dat is precies waar de schoen wringt en waarom ik zo’n enorme zwaarte voel. Het feit dat je jezelf preventief het zwijgen op moet leggen, uit anticipatie op een dreiging die alleen al door haar bestaan zo intimiderend is dat ze haar doel bereikt. Er is nog geen dagvaarding de deur uit, er is nog geen officier van justitie in actie gekomen, en toch zijn de stemmen al verstomd. Dit is de sluipende gifbeker van onvrijheid. Het is een demonstratie van hoe een klimaat van angst, gecreëerd door de dreiging van de staat of machtige individuen, de vrijheid van meningsuiting aan het wurgen is.
Shrinking Trump was meer dan een podcast; het was een psychologische analyse, een poging om zin te geven aan de chaos, en een daad van burgerlijke moed van twee geleerden. De droeve laatste aflevering markeert niet alleen het einde van hun programma, maar ook een ‘tipping point’ in de strijd voor de democratie. Als zelfs de angst voor juridische kosten ons al dwingt tot stilte, wat is dan nog de waarde van de vrijheid van meningsuiting? Dit is een wake-up call, een bewijs dat de democratie niet alleen sterft in duistere dictaturen, maar ook langzaam wordt uitgehold in het volle daglicht door het wapen van de onbetaalbare rechtsprocedure.
We zijn weer twee stemmen armer. Ik vrees dat het niet de laatsten zullen zijn.
Hoe verschillende vormen van geluk stilletjes renderen in 42 huizen.
Ik woon in een straat met voornamelijk koopwoningen; 41 om precies te zijn en als we sociaal zijn 42, want een belangrijke kant van een hoekwoning op nummer 1 in een straat met een andere naam, inclusief een groot deel van de tuin van die woning, kan ook tot mijn straat worden gerekend. Het aantal huurwoningen bedraagt 14. Ik behoor tot de minderheid.
Koop mislukt, verhuur geregeld. En omgekeerd. Zoek de verschillen. Die zijn er wel, maar ook weer niet; het hangt af van je levensvisie. Ik zeg: het kan verkeren. Het debat over huren of eigendom gaat minder over rancune en meer over de vanzelfsprekende verschillen die het systeem creëert. Soms volstaat het om dat met een knipoog vast te stellen, zonder dat er een conflict van hoeft te komen.
Een huurder, ergens in Nederland, schreef een brief naar een krant, en opperde daarin de vraag waarom huren elk jaar stijgen, terwijl eigenwoningbezitters mogen rekenen op stabiele maandlasten. De huiseigenaar die daarop reageerde, somde een aantal, steekhoudend ogende, argumenten op, maar leek zijn punt uiteindelijk te missen.
Dat vakmensen duurder worden en een huis onderhoud vraagt, klopt, maar dat is geen huurverhoging. Het zijn kosten die de eigenaar zelf bepaalt: wanneer er wordt geschilderd, of die keuken nog even meegaat, en hoeveel hij voor een vakman wil betalen. Een huurder heeft die luxe niet; die betaalt jaarlijks meer, onderhoud of geen onderhoud. Bovendien doet de genoemde eigenaar alsof huurders geen bijdrage leveren aan onderhoud, terwijl die kosten uiteraard allang zijn verrekend in de huurprijs. De verhuurder betaalt ze niet uit eigen zak.
Wie vrijwillig het eigenaarschap op zich neemt, draagt het onderhoud doorgaans met liefde. Zoals dat met liefde wel vaker gaat: ze kost wat, maar dat weet men doorgaans van tevoren. Een huurder zal nooit de voldoening van het eigenaarschap ervaren. Zijn liefde is gemankeerd, en bovendien wordt dat huren ieder jaar verhoogd. Daar is geen goede verklaring voor.
Uit de toon van beide brieven kon ik afleiden dat de schrijvers geen ruziemakers zijn. Ze verheffen hun stem niet, maar brengen rustig hun argumenten naar voren. Als ze dichter bij elkaar in de buurt woonden, zouden ze waarschijnlijk makkelijk door één deur kunnen.
Ik vermoed dat de huiseigenaren in mijn straat zich niet echt storen aan de huurders, zelfs niet aan de scheve verhoudingen die het systeem met zich meebrengt. Hun stenen werken in stilte voor hen, terwijl de huurders hun geld de deur uit zien lopen; een verschil dat je met enige zelfspot kunt verdragen, zolang het leven verder redelijk verdeeld lijkt.
Zo bezien draait het gesprek over huren en eigendom minder om afgunst dan om de vanzelfsprekendheid waarmee die ongelijkheid wordt geaccepteerd. De één bouwt vermogen op, de ander betaalt eraan mee; beide partijen lijken zich daar opmerkelijk goed bij neer te leggen.
Als er dan toch wrijving moet ontstaan, laat het dan over iets wezenlijks gaan; iets dat meer waard is dan de waarde van een huis.
Ietwat kunstmatig in leven gehouden prachtproducten.
Om gratis toegankelijk te kunnen blijven, vraagt The Guardian zijn lezers bij elk online bezoek om een bijdrage. Je neemt als gebruiker de ‘bedelpop-ups’ voor lief omdat je er een objectieve informatiebron voor terugkrijgt. De eerlijke, Engelstalige krant kan, tot nu toe, wereldwijd op voldoende steun rekenen. Dit is een voorbeeld van een orgaan dat z’n onafhankelijkheid waarborgt door z’n hand op te houden bij bewonderaars, of bij meer pragmatische betalers die behulpzaam willen zijn.
Elke keer dat The Guardian om steun vraagt, denk ik even na over wat echte onafhankelijkheid kost. Ze blijven schrijven zonder betaalmuur en dat is precies waarom ik ze iets gun. Die kleine pop-ups die vragen om steun vind ik eerder ontroerend dan opdringerig; ze herinneren me eraan dat vrijheid van informatie niet vanzelf spreekt. Ik geef The Guardian graag wat krediet; niet alleen financieel, maar moreel. Hun oproep om steun voelt niet als marketing, maar als een eerlijk bewijs van hoe kwetsbaar onafhankelijke journalistiek eigenlijk is.
DPG gaat enkele van zijn kranten gratis maken voor studenten, las ik, omdat die hun nieuws nu vaak uit minder partijdige bronnen halen, zoals de socials. Je zou het ook als een ondersteuning van onbevooroordeelde journalistiek kunnen bestempelen. De bezitter van het blad betaalt uit eigen middelen, dus is er geen sprake van valse bevordering of een verstrengeling van belangen waar een luchtje aan zou zitten. Dit is een voorbeeld van bijstand aan de integriteit van nieuwsmakers waarbij de krant z’n eigen broek ophoudt met het geld van abonnementshouders en losse kopers.
Regeringen en de EU komen ook vaak beroepsgroepen tegemoet die lijden onder de last van oneerlijke concurrentie. Vanuit die overweging worden bijvoorbeeld boeren gesubsidieerd vanuit de staatsruif of de EU-pot. En dat terwijl zulke agrariërs vaak een ongezond geproduceerd product afleveren. De rechtvaardiging voor ondersteuning snijdt echter hout: in de landen waarmee geconcurreerd moet worden lapt men milieuregels nog veel drastischer aan de laars. Ik zou deze hulp voor westerse voedselproducenten willen bestempelen als het bevorderen van rechtvaardigheid, waaraan echter wel een luchtje blijft kleven. Maar ik gun ze die back-up, laat dat duidelijk zijn.
Waarom zette ik het bovenstaande op een rijtje? Omdat ik terug moest denken aan een vriend die ik voor het laatst had bezocht toen hij in het ziekenhuis lag om te herstellen van een longtransplantatie. Hij noemde die ingreep “uitstel van executie”. Dat wilde hij niet hardop zeggen want hij had veel respect voor de vorige eigenaar van zijn orgaan, alsook voor de dokters. Hij was verlegen met alle goedheid die hem ten deel viel en voelde zich bovendien nog steeds schuldig omdat hij altijd veel te veel had gepaft. Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden, vond ik toen en nu. Voor de zuiverheid, de waarde en de betekenis van zo’n lief, ondersteunend gebaar, maakt het niet echt uit hoe lang dat goed gaat.
Lezersreactie:
Mooie slotalinea, maar ik vroeg me af in hoeverre die nog aansluit bij de drie voorbeelden erboven. De overgang naar het persoonlijke, met je vriend en de longtransplantatie, voelt bijna als een ander verhaal. Had je die verbinding bewust zo losjes gelegd?
Antwoord: Dank voor je oplettende vraag; en ja, die overgang is bewust gekozen, juist omdat ze het onderliggende thema op een ander vlak laat resoneren.
In de eerste drie alinea’s beschrijf ik telkens een spanning tussen ondersteuning en onafhankelijkheid, tussen zuiverheid en noodzaak. The Guardian, DPG en de boeren krijgen of bieden steun die iets goeds in stand houdt, maar die tegelijk moreel of praktisch wringt: idealen worden overeind gehouden dankzij vormen van afhankelijkheid.
De laatste alinea tilt datzelfde dilemma naar een persoonlijk niveau. De vriend met de longtransplantatie leeft voort dankzij een “ondersteuning” — een orgaan, een medische ingreep — die enerzijds een teken van liefde en menselijkheid is, en anderzijds een fragiele, tijdelijke oplossing. In die paradox zit voor mij dezelfde lading als in de maatschappelijke voorbeelden erboven:
Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden.
Of het nu gaat om onafhankelijke journalistiek, eerlijke landbouw of het menselijk lichaam zelf — zuiverheid en voortbestaan zijn nooit helemaal vanzelfsprekend. Toch schuilt de waarde juist in dat kwetsbare evenwicht.
Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.
Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.
Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.
Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.
Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.
Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.
Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.
Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.
Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.
Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.
Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.
Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.
Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.