Een concept met een luchtje

Voedselverspilling is niet het probleem maar wel dat we limonade in zee gieten die z’n prik heeft verloren.

Het zal weer even als vanouds gaan geuren in het Boijmans Van Beuningen. De pindakaasvloer keert namelijk terug; ditmaal als eerbetoon. Je zou denken dat het broodbeleg waar we allemaal groot mee zijn geworden, snel ranzig wordt buiten de pot. Maar dat was ook de vorige keer het probleem niet. Er trok misschien een wat weeë geur door de zalen, maar de hoofdkritiek betrof toch voedselverspilling. In mijn soort van kringen werd daar niet over gezeurd; Wim T. Schippers was heilig. De conceptuele kunst al evenzeer. Bovendien smeert het museum het goedje ditmaal uit ter nagedachtenis aan de bedenker. Dan zwijg je uit respect, zo dicteert de etiquette.

Oude concepten op herhaling; we kijken niet meer naar het werk van een gevaarlijke dissident, maar naar een gepatenteerde museumclown die binnen de lijntjes van de goede smaak mag rebelleren. Als licentiekunst niet langer ontregelend overkomt maar eerder ondeugend, is ze dan niet veel te gezapig geworden?

De persoonlijkheidscultus gedijt uitstekend bij dit schoolvoorbeeld van zuivere conceptuele kunst; het idee past op een door een notaris beëdigd A4-tje, waarna de uitvoering slechts een kwestie is van veel Calvé bestellen. Door de inferieure en vervangbare eigenschappen van de materie, blijft het kunstwerk immuun voor de tand des tijds. Dat vormt althans de achterliggende gedachte: het vergaat niet, het kan feilloos herrijzen, volstrekt onverschillig welke anonieme medewerker de smurrie uitsmeert en naderhand weer opdweilt. Wat valt er te verpesten aan de meesterlijke vondst van een vloertje gemalen pinda’s?

De ironie wil dat de mythe van deze kunstvorm, die we hardnekkig ophangen aan de cultus van de vedette, wankelt zodra het idee de gedaante aanneemt van een onverwacht probleem dat de nodige nazorg vergt.

Ik doel nu op een ander project van Wim T. Schippers in datzelfde museum, genaamd ‘Het is me wat’. De toeschouwer kreeg een rotsblok te zien dat de zwaartekracht tartte, maar werd natuurlijk bij de neus genomen, dat begrepen de meesten ook wel. De ‘kei’ bleek een optische illusie; een vederlichte schil van purschuim rond een verborgen magneetkern. Het idee was leuk maar in beginsel technisch onvoldragen. De meegeleverde elektronica in de sokkel was zo delicaat dat de magneetbalans al crashte bij de minste zucht wind, laat staan wanneer de tastgrage museumbezoeker de moeizaam zwevende steen een duwtje gaf. Het ding stortte dan ook herhaaldelijk in.

Het concept zoals de gevierde kunstenaar het bedoeld had, bleek in de weerbarstige realiteit een fysische onmogelijkheid, totdat de wetenschap te hulp schoot. Er moest een heel leger aan ingenieurs van de TU Delft opdraven om de haperende illusie te reanimeren. Zij stripten de sokkel en brachten de nodige wijsheid in; via geavanceerde lasersensoren en razendsnelle feedback-algoritmen herprogrammeerden zij het magnetische veld totdat de computer elke menselijke aanraking live kon corrigeren. Zíj maakten het kunstwerk functioneel en dus af.

Daar wringt wat mij betreft één schoen in de moderne kunstbeschouwing. Waarom cultiveren we de uniekheid van de solitaire schepper, als het werk in de praktijk pas kan overleven dankzij dit gecombineerde ‘kunstenaarschap’? Zonder de specifieke expertise van de Delftse bètatechnici was ‘Het is me wat’ een dood brok isolatiemateriaal op een sokkel. Zij vormden geen louter gereedschap; zij waren de feitelijke makers. De kunstwereld functioneert soms exact zoals de bergsport: wetenschappers en ander hulpvaardig personeel vormen in deze vergelijking de sherpa’s van de conceptuele kunst. Zij leveren naamloos de loodzware, cruciale prestaties in de ijle lucht van het grote idee, terwijl de man met de reputatie de media te woord staat en de lof oogst.

Vandaag de dag moeten we de hardnekkige illusie van de geniale vedette misschien een beetje loslaten. Complexe kunst fungeert immers als een groepscreatie, waarbij iedere deelnemer zijn eigen noodzakelijke expertise inbrengt. Het conceptuele idee is leuk zolang de handtekening eronder maar het juiste gewicht draagt en de hele ‘massa’ vertegenwoordigt.

Om het nog even over die vage groep te hebben die ik hierboven als ‘ons soort mensen’ aanduidde: we kunnen soms best kritisch zijn over verschillen tussen arm en rijk in de wereld, over de groeiende kloof tussen de intellectuele praatklasse en de praktische uitvoerders, en over de kwalijke gevolgen van de meritocratie als ideologische rechtvaardiging voor deze ongelijkheid. Die kritiek betreft vooral de commerciële wereld. In de kunstwereld daarentegen is de heldenverering nog nauwelijks een punt van discussie. Natuurlijk reiken we prijzen uit, organiseren we retrospectieven rondom solistische genieën en kennen we miljoenenbeurzen toe aan individuele namen. Bij zoiets delicaats als een concept dat louter bij de gratie van andermans zweet en intellectuele arbeid in de lucht wordt gehouden, vind ik die hardnekkige focus op de publiekslieveling soms misplaatst.

Goed, we maken de ene mens dus belangrijker dan de ander en kleineren ondertussen onszelf; dat punt heb ik proberen te maken. Ik wil hier ook gezegd hebben dat we niet alleen onze bewondering voor zekere individuen overdrijven maar ook die voor hun voortbrengsels. Dat is de tweede schoen die mij wringt. Pindakaas op een vloer uitsmeren is als flesjes Exota naar de zee dragen. Vergelijkbare concepten bestonden in 1961 al in talloze uitvoeringen. Ook het wekken van de suggestie van magnetische afstoting was conceptueel nooit zo uniek dat je er patent voor hoefde aan te vragen; het natuurverschijnsel zelf lijkt me van nature boeiender.

Ik denk dat er sprake is van een cruciaal esthetisch failliet: de institutionalisering van de avant-garde. Wat gisteren nog aanstoot gaf vormt de gesubsidieerde erfgoedzorg van vandaag. Zodra een ontregelend idee wordt geadopteerd door de directie en met fluwelen handschoentjes wordt beheerd, verliest het zijn tanden. De museale bureaucreatie heeft dit expressiemiddel inmiddels zo grondig ingekapseld dat de angel er definitief uit is. Je kijkt al gauw naar een man die een beetje mal doet in plaats van naar een dwarsligger die gegarandeerd mensen op de kast jaagt.

Het blijft de ultieme paradox van de gecontroleerde rebellie: de pindakaasvloer jaagt niemand meer de stuipen op het lijf; het lokt hooguit nog een milde glimlach uit bij een publiek dat braaf aanschuift voor een portie nostalgische excentriciteit. Als kunst onvoorwaardelijk en permanent moet ontregelen – een standpunt dat ik het mijne noem – dan vormt deze gecultiveerde herhalingsoefening juist het tegendeel. De museale bureaucreatie reduceert de heiligschennis tot een ongevaarlijk ritueel, keurig goedgekeurd door de welstandscommissie van de kunstelite.

Sorry Wim T. Schippers, je was een grappige kerel met een heerlijke provocerende inslag; een man wiens kunst dreef op absolute onvoorspelbaarheid. Juist daarom slaat deze in memoriam-tentoonstelling de plank zo mis. Het museum eert niet de beeldenstormer, maar balsemt de rebellie tot een behaaglijke traditie. Waarom moet de herinnering aan jouw scherpe karaktertrek zo kort na je dood zo braafjes in beeld worden gebracht? En waarom durven we sommige ideeën van gelauwerde lieden na verloop van tijd niet voor clichés uit te maken? Ook wat, goed geconserveerd, in een la ligt, als louter licentie, kan op een zeker moment zijn tijd echt gehad hebben.

Loafa is bro̊dno̊dig IKEA

Een koude keuken maakt een magere buik (Zweeds spreekwoord).

Beste klantenservice / food-redactie / klachtenpanel / menucommissie / assortimentsmanager,

Afgelopen vrijdag 5 juni brachten we rond de klok van twaalf uur ’s middags een bezoek aan het restaurant in uw vestiging. Onze magen knorden en we hadden onze zinnen gezet op een eenvoudige lunch: een belegd broodje met kip.

Neem het ontwerp van de broodjesbank van de Canadese kunstenares Gab Bois. De rapper Tommy Cash plaatste een foto op Instagram waarop hij zichzelf gefotoshopped poseert op deze kussenzachte zitting, met het bijschrift: “IKEA zal de ‘Loafa’ uitbrengen als we 10.000 reacties onder dit bericht krijgen, zo werd mij verteld! Laten we aantonen dat we dit brood écht nodig hebben.” (Het gaat hier om een digitaal gemanipuleerd beeld van een fictief product; IKEA heeft dit meubelstuk nooit daadwerkelijk uitgegeven, en deze publicatie vindt plaats op basis van veronderstelde artistieke vrijheid). Hoeveel stemmen, zo vragen wij ons af, zouden er nodig zijn om de koude lunchkeuken terug te brengen in de IKEA-winkels?

Tot onze verbazing troffen we bij de desbetreffende counters een volstrekt leeg schap aan. Er was op het gebied van broodjes, salades of alternatieve koude snacks werkelijk niets te krijgen. De enige opties die werden aangeboden waren appelgebak en een warme lunch. Vanwege dit beperkte aanbod was het extreem druk bij het afhaalgedeelte voor de warme maaltijden; men werd immers massaal die kant op gedreven.

Omdat we geen behoefte hadden aan een avondmaaltijd als lunch (wij associeren warm met avondeten), spraken we een van uw restaurantmedewerkers aan met de vraag of er niet toch iets van de broodjesbalie te krijgen was. Na enig overleg kwamen we uit bij een pitabroodje kip. De medewerkster was zo vriendelijk om er twee voor ons uit de koelruimte te halen. Wel gaf zij de waarschuwing mee dat het product ‘nog wat koud’ kon zijn.

Dat hebben we geweten. Bij de eerste hap bleek dat de kwalificatie ‘wat koud’ de lading absoluut niet dekte; de complete broodjes, inclusief alle ingrediënten, waren halfbevroren. Het moge duidelijk zijn dat dit de restauratieve ervaring niet bepaald ten goede kwam.

Naar aanleiding van dit opmerkelijke bezoek zitten we met een tweetal vragen die we graag beantwoord zien:

  1. Is dit gebruikelijk? Behoort het tot de normale procedure binnen uw restaurants dat er op een regulier lunchtijdstip (rond 12:00 uur) totaal geen alternatieven voor een warme maaltijd in de schappen liggen?
  2. Is dit de bedoeling? Worden de broodjes standaard diepgevroren aan de klant meegegeven, of ging hier in de logistieke planning en ontdooitijd simpelweg iets mis?

We zien uw reactie en de opheldering met veel belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Disclaimer!
Nogmaals voor de goede orde en ter voorkoming van logistieke misverstanden: de hierboven getoonde afbeelding betreft een artistieke, digitale bewerking. Er is geen sprake van een daadwerkelijke commerciële uitgave door IKEA, noch is er getornd aan de intellectuele eigendomsrechten van de meubelketen. De ‘Loafa’ bestaat louter als gesupposeerd concept; eventuele toestemming voor deze publicatie is derhalve uitsluitend hypothetisch van aard.

Lezersreacties:

Wat een heerlijke tirade, Ronald! Ik herken die acute lunch-wanhoop zo goed. Je sjokt urenlang door die doolhof van Zweeds spaanplaat, je overleeft de kussensafdeling en de geurkaarsenhel, en als beloning krijg je een lauwe, treurige pita waar de moed spontaan uit wegzakt. Dit is geen menukaart, dit is een aan aanfluiting. Hulde voor deze pennevrucht!
Saskia van der Meulen, Velp

Hoewel ik uw stilistische souplesse en het ironische gebruik van ‘foodservice-redactie c.q. klachtenpanel’ ten zeerste kan waarderen, vind ik de teneur ietwat frivool. Men gaat immers naar deze etablissementen voor de betaalbare inbussleutels en de herfstachtige gehaktballetjes; niet voor de haute cuisine. Uw verwachtingsmanagement omtrent de koude keuken getuigt mijns inziens van een ietwat misplaatst optimisme.
Ingmar&DeKlos

Ik mijd die blauw-gele doos op Duiven sowieso rond het middaguur. Kan ik jullie aanraden.
Jos, Arnhem

Nou Ronald, je kunt er natuurlijk een heel proefschrift over schrijven, maar volgens mij weet iedereen inmiddels wel dat de kwaliteit van die IKEA-restaurants sinds de pandemie drastisch is gekelderd. Dat is gewoon een kwestie van winstmaximalisatie en datagedreven besparingen. Dat zie je overal in de retail. Een beetje consumentenjournalist had dat direct in de eerste alinea benoemd in plaats van te mierenneuken over een pita kip.
Paul_V

Prachtig verwoord. De McNamara-fallacy in de praktijk: als je de tevredenheid over een broodje kaas niet direct in een Excel-sheet kunt uitdrukken, dan schrap je de hele koude lunchkeuken maar. Ik hoop dat de assortimentsmanager zich diep schaemt.
Anoniem

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Een herkenbare drang tot ordening

Over grenzen, controle en een universum dat weigert chaotisch te zijn.

Voorafgaand aan de expositie van Tobias Tebbe in Kunstruimte NUN te Arnhem werd mij meegedeeld dat de kunstenaar autistisch is, en dat mijn recent opgevatte plan om voortaan als onderzoeksjournalist door het leven te gaan, moeilijk slechter getimed had kunnen zijn; althans, als ik van plan was de maker ter plekke vragen te stellen over zijn werk. Wat ik echter ook vernam, was dat ‘Tebbe de jonge’ steevast door zijn vader wordt begeleid. Deze Leon Tebbe is zelf een bekende Arnhemse kunstenaar en graficus. Het leek mij dan ook aannemelijk dat ik mijn vragen desnoods tot hem kon richten.

Tobias Tebbe, met links het werk Dutch Democratic Republic. Een universum waarin Arnhem een grenspost is en niets aan het toeval wordt overgelaten.

Tobias ‘annexeert’ zijn familieleden geregeld in zijn werk en kent hun rollen toe binnen een gefantaseerde staatsstructuur. Neem alleen al het werk dat de uitnodiging voor de expositie siert: Dutch Democratic Republic. Onderaan prijkt, in een versierd medaillon, de naam ‘Leon Tebbelsévier’. Vader Leon lijkt hier niet slechts begeleider, maar eerder een functionaris – zo niet een patriarch – binnen dit regime.

Wat ik a priori over dit werk kon achterhalen, was het resultaat van een kort maar doelgericht vooronderzoek; de moderne term voor een kwartier geconcentreerd surfen. Dat leverde een fascinerend beeld op van wat zich laat omschrijven als een cartografische koortsdroom.

Het werk blijkt geen op zichzelf staand tafereel, maar een fragment uit een omvangrijk geopolitiek project. In Tebbes parallelle universum zijn de grenzen van West-Europa niet slechts verschoven, maar doelbewust geannexeerd en samengesmolten tot een hybride staat die het midden houdt tussen de polder en de voormalige DDR. Met opmerkelijke precisie herschrijft hij de kaart. We zien fenomenen als ‘West-Arnhem’ en de creatie van ‘East-Dutchia’. Het waarschuwingsbord in het centrum van de compositie – “Achtung! Sie verlassen jetzt West-Arnhem” – fungeert als een venijnige parodie op de teksten bij Checkpoint Charlie. Arnhem verschijnt hier als een laatste bastion, vlak voor het onbekende begint.

De compositie vertoont een gezonde vorm van horror vacui: geen millimeter blijft onbenut. Berekeningen – zoals de raadselachtige vermelding 19 times 105 – suggereren dat deze wereld rust op een fundament van strikte, haast wiskundige wetmatigheden, ver verwijderd van enige spirituele zweverigheid. Mocht dat inderdaad het geval zijn, dan heb ik er een geestverwant bij op dat zeldzame droge eiland in de woeste stroom van hedendaagse esoterie.

De kunstenaar speelt bovendien een geraffineerd spel met de begrippen ‘Dutch’ en ‘Deutsch’. Vlaggen versmelten, namen vervormen; het resultaat is een visuele identiteitscrisis waar zelfs de meest doorgewinterde douanier het spoor bijster van zou raken. Het geheel oogt als een poging om de chaos van de werkelijkheid te bezweren door haar te vangen in een rigide, bijna bureaucratisch systeem.

De vraag was of ik die middag toestemming zou krijgen om deze wereld te betreden, of al bij het eerste Allied Checkpoint zou worden teruggestuurd wegens een gebrek aan de juiste papieren. Vooralsnog leek het mij verstandiger om eerst in stilte te observeren.

Dat bleek geen probleem. Tobias noch zijn vader voelde de behoefte hun werk met een verkooppraatje te begeleiden. De vernissage trok bovendien voldoende publiek om eventuele toenaderingspogingen van mijn kant overbodig te maken. Opvallend was hoezeer de aanwezigen met elkaar bezig waren, en hoe weinig met het werk zelf, maar voor een opening schijnt dat gebruikelijk te zijn. Eén bezoeker probeerde het sociale gebeuren zo fanatiek vast te leggen dat zij, al achteruitlopend, een schilderij van de muur stootte.

Ik ontkwam overigens niet aan zelfkritiek. Tot mijn eigen ergernis stond ik al snel met een biertje in mijn hand; en daarna met een glas wijn. Alsof alcohol noodzakelijk was om Tebbes universum te doorgronden. Dat bleek allerminst het geval. De reeks waarin Nederland en Duitsland samensmelten tot een denkbeeldige staat is eerder een heldere, ironische geste dan een uiting van wat men gemakshalve een ‘spectrum’ noemt.

Tebbe hanteert een eigen, consequent doorgevoerde mythologie, zichtbaar in terugkerende symbolen en patronen. Van enig metafysisch gedweep is geen sprake; integendeel, het werk ademt een zekere nuchterheid. Driehoeken met een oog of cirkel, repetitieve structuren; ze geven het geheel een controlerende uitstraling die naadloos aansluit bij thema’s als grensbewaking en toezicht.

Het werk is doordrenkt van een fascinatie voor grenzen, paspoorten en identiteit. Dat valt gemakkelijk als obsessief te bestempelen. Hoewel Tebbe vaak onder Art Brut wordt geschaard, lijkt zijn oeuvre mij eerder een doordachte en complexe constructie van een parallel universum. De neiging tot volledige opvulling – het eerder genoemde horror vacui – is onmiskenbaar aanwezig, maar laat zich ook lezen als een vorm van systematiseren: een cognitieve strategie om de wereld te ordenen via schema’s, regels en structuren.

Moet dit per se worden weggezet als Art Brut? Mag het, afgezet tegen de waan van de tijd en de oppervlakkigheid van tijdgenoten, niet eenvoudigweg worden erkend als een indrukwekkende prestatie: het bouwen van een coherente, alternatieve werkelijkheid?

Wat er vervolgens gebeurde, leek mijn vermoeden te bevestigen dat het autisme-aspect wellicht wordt overbelicht. Terwijl ik daar stond te mijmeren, verscheen Tobias plotseling naast mij; opmerkelijk toegankelijk en bereid tot gesprek.

De vragen die ik had voorbereid, bleven echter steken in hun eigen lichtvoetigheid. Ik had hem willen vragen: “Meneer Tebbe, hoe streng is de visumcontrole tussen West-Arnhem en East-Dutchia?” Of, met betrekking tot de interne hiërarchie: “Welke functie bekleedt Leon Tebbelsévier binnen dit bestuur?” En ook: “Zijn uw grenzen gebaseerd op historische gegevens, of hanteert u een eigen cartografische logica?”

Het waren vragen met een speels karakter; misschien te speels voor het moment. Belangrijker was wat in de openingsrede al ter sprake was gekomen. Tobias vertelde met zichtbaar enthousiasme over de meridianen en breedtegraadcirkels die het dichtst langs zijn woonadres lopen, en over de opmerkelijke toevalligheden die zich langs die lijnen voordoen.

Iedereen bevindt zich immers binnen een raster van dergelijke lijnen. Wie ze volgt – op de kaart, welteverstaan – kan ontdekken hoe zij langs onverwachte plaatsen, gebeurtenissen en verbanden voeren. Die toevalligheden worden door Tebbe niet verheven tot mystiek of wereldwonder, maar nuchter geregistreerd en verwerkt in zijn werk.

Misschien is juist dat het meest intrigerende aspect van zijn universum: dat het, ondanks alles, weigert om zweverig te worden.

Verplaatsing bij eenparige beweging

Natuurkundeformules → Mechanica → Kinetica → Verplaatsing bij eenparige beweging.

Niet lang geleden begaf ik mij onder de kunstzinnige elite. De ‘opperstalmeester’, alsook de tentoongestelde werken, ontketenden breedvoerige reflecties aangaande de tegenstelling tussen immobiliteit en dynamiek; een discours waarin abstracte stellingen de feitelijke bewijslast overschaduwden. Als rationele tegenhanger van deze metaforische bespiegelingen presenteer ik een mathematische vergelijking die de mechanische werkelijkheid ontsluit. Zie het als een oproep met een knipoog om de poëtische vrijheden even terzijde te schuiven. Hieronder worden de principes van de kinematica uiteengezet. Deze impliceren logischerwijs ook de hoedanigheid van rust; stilstand is per slot van rekening slechts een verplaatsing met een snelheidswaarde \boldsymbol{v = 0}. Na onze eerdere focus op de meest basale bouwsteen – de verplaatsing op zichzelf – richt de onderstaande formule zich op de afstand bij een constante snelheid.

Nadat we de basis van verplaatsing (displacement) hebben gelegd, kijken we nu naar de meest eenvoudige vorm van beweging binnen de kinetica: de eenparige beweging (uniform motion). Hierbij is de snelheid constant (v = constant); er is dus geen versnelling.

Op Nederlandse middelbare scholen wordt \huge\boldsymbol{s(t) = vt} toegepast (zie de Binas er maar op na), maar in ISO-standaardtaal gebruiken we:

\huge\boldsymbol{\Delta x = v \cdot t}

(Uitspraak: Delta x equals v times t)

Specificatie van de variabelen binnen de vergelijking:

  • \boldsymbol{\Delta x} (Displacement): De verandering in positie (meter, m).
  • \boldsymbol{v} (Velocity): De constante snelheid in een specifieke richting (meter per seconde, m/s).
  • \boldsymbol{t} (Time interval): De verstreken tijd (seconde, s).

Bij een uniform motion (eenparige beweging) legt een object in gelijke tijdsintervallen gelijke afstanden af. Wetenschappelijk gezien is dit een lineair verband. Als je deze formule ombouwt naar \huge\boldsymbol{v = \frac{\Delta x}{t}}, zie je dat de snelheid niets anders is dan de hellingshoek (gradient) van de positie-tijdfunctie.

In de Binas-notatie zie je \huge\boldsymbol{s}, maar door vast te houden aan \huge\Delta \boldsymbol{x} valt meteen op dat we werken binnen een coördinatenstelsel. Dit is essentieel zodra we objecten gaan bestuderen die niet bij de oorsprong (\boldsymbol{0}) beginnen.

Pollen en poedersuiker

Mijn stem is hier iets te donker, maar misschien draagt het juist bij aan het eerbetoon aan Wim T. Schippers dat ik er niet in slaag om hem goed te imiteren. De navolgende bespiegelingen zijn louter het product van mijn eigen verbeeldingskracht. Mocht mijn tekst suggereren dat hij een coke-gebruiker was, dan moet ik hier bekennen dat ik daar niets van afweet. Ondergetekende heeft geen toxicologisch onderzoek verricht en distantieert zich bij voorbaat van elke serieuze claim in die richting.
Hier spreek ik met een verhoogde intonatie, waarmee ik poog te zweven richting het timbre van Wim T. Schippers; dé officiële Nederlandse Ernie-vertolker. De uitgesproken tekst ontsproot geheel aan mijn eigen fantasie. Voor de goede orde: iedere suggestie mijnerzijds dat Wim T. Schippers gedurende zijn leven drugs zou hebben gebruikt, berust louter op scherts en is door mij nooit op haar waarheidsgehalte onderzocht. Ook de door hem vertolkte Ernie is nooit op drugsgebruik betrapt, zodat ik geen aanleiding zie om ten aanzien van een van beiden andere conclusies te trekken.

Leeftijdsdiscrimi-nazi

Over de weigering om je eigen houdbaarheidsdatum te synchroniseren met de feiten.

“Wollt ihr die totale Wahrheit?” Dat dacht ik niet. Of liever: nog niet. Het is daarom dat ik hier de term ‘leeftijdsblokkade’ wil lanceren. Dat is de fase waarin men stopt met het aannemen van biologische bewijslast of al te waarheidsgetrouwe opmerkingen; de individuele noodrem op de genadeloze tijdlijn. In deze pauze creëer je een persoonlijke echoput waarin de signalen van de buitenwereld – die venijnige hints over een trager tempo of de neerbuigende vraag of het lettertype wellicht te klein is – stuiten op een muur van doelbewuste ignorantie. De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in jezelf voert een schrikbewind over de eigen waarneming; elke spiegel die de feiten presenteert wordt verbannen; elke observatie over je bouwjaar wordt gecensureerd als ware het vijandige propaganda.

In deze staat van ‘leeftijdsblokkade’ fungeert de waarheid als een directe bedreiging voor het fragiele ego. De omgeving constateert simpelweg verval; jij classificeert die objectieve waarneming onmiddellijk als een frontale aanval. Het is een vorm van interne apartheid waarbij je de superieure, ervaren versie van jezelf hermetisch afsluit van de fysiek verouderende versie. Je negeert de knarsende gewrichten met dezelfde fanatieke overtuiging waarmee je een nieuwe rimpel wegredeneert; een ideologische loopgravenoorlog tegen je eigen biologie.

Psychologisch gezien duiden we dit aan als een extreme vorm van cognitieve herwaardering; je hersenen filteren simpelweg de data die niet harmoniëren met het gewenste zelfbeeld. Er is echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat deze interne censuur de telomeerverkorting in je cellen ook maar een seconde stopt. Je kunt de boodschapper – je bezorgde omgeving – wel executeren; de biometrische klok tikt onverstoorbaar door; entropie trekt zich nu eenmaal weinig aan van je persoonlijke dictatuur.

De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in de spiegel tolereert geen enkele tegenspraak. Het is de weigering om de oogst te accepteren, louter omdat je nog steeds wilt doen alsof het zaaitijd is. Je klampt je vast aan een status quo die allang door de realiteit is ingehaald; een statische waan die je moet beschermen tegen de onvermijdelijke schemering.

Wolkers over zijn biograaf

Tussen hommage en imitatie; een technisch eerbetoon of een digitale grensoverschrijding?

Met een mengeling van fascinatie en schroom heb ik geprobeerd de coverfoto van de biografie Het litteken van de dood tot leven te wekken. We zien het portret van Jan Wolkers, maar de stem die u hoort is de mijne. In een poging zijn unieke klank en cadans te vangen, heb ik hem woorden in de mond gelegd over zijn biograaf, Onno Blom; een tekst geschreven in de geest van de grootmeester zelf.

Ik ben mij ervan bewust dat dit experiment vragen oproept en ik ben dan ook zeer benieuwd naar uw reactie. Enerzijds technisch en artistiek: in hoeverre vindt u dat ik erin geslaagd ben om die typerende, gelaagde stem van Wolkers te benaderen? Anderzijds is er de ethische kant waar ik zelf ook over peins: geeft het eigenlijk wel pas om eigen woorden toe te schrijven aan een overleden auteur en deze via AI-techniek ‘echt’ te laten lijken? Is dit een wondere wereld van nieuwe mogelijkheden, of overschrijden we hier een grens? Uw ongezouten mening hoor ik graag.

Ik moet zeggen dat ik er na deze twee experimenten, verdeeld over twee blogberichten (zie eerder het bericht met Griet Titulaer) wel weer klaar mee ben. Tot slot volgt hier een AI-bewerking waarbij de ‘gedoodverfde’ Jan Wolkers nog expressiever is in zijn bewegingen maar minder goed lijkt op de echte schrijver. AI heeft er een hedendaags ventje van gemaakt. Daar staat tegenover dat hij nu wel ‘Triton’ zegt in plaats van ‘Trition’ en een beetje trager praat, hoewel minder gelijkend qua timbre en diepte.

Ik heb de opname voortijdig afgekapt. Me dunkt ‘het litteken van de dood’. De echte Wolkers bleek (gelukkig) niet te evenaren.

Chriet Titulaer is terug!

Chriet heb ik altijd graag geïmiteerd. Op 1 april 2026 laat ik ‘m even terugkomen om over iets monumentaals te praten. Na decennia van voorbereiding is het zover: de lancering van Artemis II. Dit is niet zomaar een wetenschappelijk project; het is de eerste keer sinds 1972 (Apollo 17) dat er weer mensen richting de maan vertrekken. De missie heet: Artemis II. In tegenstelling tot de onbemande Artemis I-testvlucht van een paar jaar geleden, zijn er nu vier astronauten aan boord van de Orion-capsule. Ze worden gelanceerd bovenop de Space Launch System (SLS), de krachtigste raket die NASA ooit heeft gebouwd.

Als mensen dit leuk vinden wordt mijn volgende imitatie: Jan Wolkers.