Drie kanaries in een kolenmijn

Waarom Meidas Touch onmisbaar is voor de Amerikaanse (en onze) democratie.

Als Nederlander met een – naar mijn mening – goede passieve beheersing van de Engelse taal, begrijp ik de Amerikaanse politiek beter dan ik kan verwoorden; voor dat laatste ben ik niet welsprekend genoeg. Ik kan alle nuances van politieke debatten moeiteloos volgen, maar als ik zelf het woord moest voeren, zou ik minder scherp en woordrijk overkomen dan ik wilde. Alleen al daarom ben ik onmachig om het lot van Amerika ook maar een jota te beïnvloeden. Ik onderga wat daar gebeurt met de radeloosheid van een waarnemer die slechts door een glazen wand mag toekijken, bewust van de impact van de huidige gebeurtenissen, maar gevangen in een afstand die onoverkomelijk lijkt.

Vanuit Europa zie ik het MeidasTouch Network als het scherpste wapen in de strijd om het discours over de democratie te heroveren.

Die taalbarrière doet niets af aan mijn zorgen over de staat van de democratie in de Verenigde Staten, die ik wel nog steeds als de hoeksteen van de westerse wereld beschouw. Vanuit mijn Europese perspectief is het cruciaal dat er krachten vrijkomen die zich actief verzetten tegen de erosie van democratische normen. En dat is precies waarom ik Meidas Touch Network zo ontzettend belangrijk vind. Voor mij is Meidas Touch veel meer dan alleen een progressief mediakanaal. Het is een digitale verdedigingslinie. Het netwerk, opgericht door de drie broers Ben, Brett en Jordy Meiselas, is ontstaan uit pure noodzaak en frustratie over de politieke chaos. Ze waren geen doorgewinterde politieke operatoren, maar een burgerrechtenadvocaat, een video-editor en een marketingexecutive die vonden dat ze moesten handelen.

De kracht van MTN ligt in hun compromisloze aanpak om het narratief terug te veroveren van de rechtse media. In een tijdperk waarin desinformatie zich met duizelingwekkende snelheid verspreidt, gebruiken zij de moderne mediatools – korte, virale video’s en podcasts – om op heldere en directe wijze te communiceren over de feiten en de gevaren. Ze stellen zichzelf niet op als partijpolitieke influencers, maar als verdedigers van de democratie. En eerlijk gezegd is dat voor mij in deze context hetzelfde. Ze doen wat traditionele media soms te langzaam doen of te voorzichtig: ze benoemen leugens als leugens. Hun content is scherp, gevat en vaak humoristisch, maar altijd met een serieuze, feitelijke ondertoon. Ze ontmaskeren de gaslighting van de MAGA-beweging en degenen die de verkiezingsuitslagen in twijfel trekken.

Als toeschouwer die de Amerikaanse democratie als een essentieel bolwerk beschouwt, zie ik Meidas Touch als een van de meest effectieve checks and balances in het informatietijdperk. Ze mobiliseren een publiek dat snakt naar eerlijke en duidelijke berichtgeving, en ze bieden een digitaal thuis voor mensen die de democratische principes willen verdedigen. Zonder zulke onverschrokken stemmen, die niet bang zijn om hun ongenoegen over de extremen aan de rechterflank luid en duidelijk te uiten, zou het publieke debat in de VS nog verder scheefgroeien. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de broertjes Meiselas met hun netwerk een noodzakelijke en onmisbare rol spelen bij het bewaken van de Amerikaanse democratie. Ze geven de gewone burger een duidelijke stem en een krachtige tool in de strijd voor de waarheid. En dat is van onschatbare waarde.

Laten we proberen hun videokanaal naar 6 miljoen abonnees te brengen (op dit moment is dat 5,51M).

P.S.: We zien hoe politieke figuren die kritiek hebben op Trump steeds vaker doelwit worden van zijn retoriek en acties. Het is beangstigend om te bedenken wat er met het cruciale tegengeluid van de gebroeders Meiselas kan gebeuren. Als er iets gebeurt waardoor hun stem verstomd raakt, vrees ik dat dit het definitieve einde van de democratische waarden in de VS inluidt, waarmee de weg naar autocratie onder Trump definitief zou worden geplaveid. Hun veiligheid is, in zekere zin, de veiligheid van de Amerikaanse democratie zelf.

Zelfcensuur onder dwang

De psychologische en financiële terreur die critici van Trump de mond snoert.

Wat een droevig nieuws is dit. Ik hoorde het en het sloeg in als een bom, niet alleen vanwege het verlies van twee waardevolle stemmen, maar vooral vanwege de onderliggende motivering. De podcast Shrinking Trump stopt. De makers, psychologen John Gartner en Harry Segal, voelen zich genoodzaakt de stekker eruit te trekken, om een reden die een rilling door mijn hart jaagt: ze moeten vrezen voor vervolging en kunnen, mocht het zover komen, de proceskosten niet dragen.

Dat de makers zichzelf het zwijgen opleggen uit angst, nog voordat er een officiële aanklacht is, legt de focus op de gevaarlijke aard van de intimidatie. Dit benadrukt het meest verontrustende element: het is een actie uit anticipatie. Daardoor wordt het een vorm van zelfcensuur onder dwang. Dit is hoe een bedreigde democratie haar kritische stemmen systematisch de nek omdraait. Het misbruik van juridische procedures is de nieuwe tactiek om de persvrijheid te muilkorven. Preventief moeten stoppen met het louter uitspreken van je mening, dat is toch wel het ergste.

Dit is de rauwe, onverbloemde realiteit die we nu onder ogen moeten zien. Het is niet langer een hypothetisch gevaar; het is acuut. Een regering, of een politieke beweging met de intentie de democratie te ondermijnen, gebruikt de rechtspraak als wapen. Kritiek uiten wordt een financieel risico, een potentieel bankroet. Het gaat hier niet om een gerechtvaardigde vervolging vanwege een misdrijf, maar om het intimideren en monddood maken van critici door de dreiging van eindeloze en onbetaalbare juridische procedures.

En dat is precies waar de schoen wringt en waarom ik zo’n enorme zwaarte voel. Het feit dat je jezelf preventief het zwijgen op moet leggen, uit anticipatie op een dreiging die alleen al door haar bestaan zo intimiderend is dat ze haar doel bereikt. Er is nog geen dagvaarding de deur uit, er is nog geen officier van justitie in actie gekomen, en toch zijn de stemmen al verstomd. Dit is de sluipende gifbeker van onvrijheid. Het is een demonstratie van hoe een klimaat van angst, gecreëerd door de dreiging van de staat of machtige individuen, de vrijheid van meningsuiting aan het wurgen is.

Shrinking Trump was meer dan een podcast; het was een psychologische analyse, een poging om zin te geven aan de chaos, en een daad van burgerlijke moed van twee geleerden. De droeve laatste aflevering markeert niet alleen het einde van hun programma, maar ook een ‘tipping point’ in de strijd voor de democratie. Als zelfs de angst voor juridische kosten ons al dwingt tot stilte, wat is dan nog de waarde van de vrijheid van meningsuiting? Dit is een wake-up call, een bewijs dat de democratie niet alleen sterft in duistere dictaturen, maar ook langzaam wordt uitgehold in het volle daglicht door het wapen van de onbetaalbare rechtsprocedure.

We zijn weer twee stemmen armer. Ik vrees dat het niet de laatsten zullen zijn.

Allemaal een dak boven ons hoofd

Hoe verschillende vormen van geluk stilletjes renderen in 42 huizen.

Ik woon in een straat met voornamelijk koopwoningen; 41 om precies te zijn en als we sociaal zijn 42, want een belangrijke kant van een hoekwoning op nummer 1 in een straat met een andere naam, inclusief een groot deel van de tuin van die woning, kan ook tot mijn straat worden gerekend. Het aantal huurwoningen bedraagt 14. Ik behoor tot de minderheid.

Koop mislukt, verhuur geregeld. En omgekeerd. Zoek de verschillen. Die zijn er wel, maar ook weer niet; het hangt af van je levensvisie. Ik zeg: het kan verkeren. Het debat over huren of eigendom gaat minder over rancune en meer over de vanzelfsprekende verschillen die het systeem creëert. Soms volstaat het om dat met een knipoog vast te stellen, zonder dat er een conflict van hoeft te komen.

Een huurder, ergens in Nederland, schreef een brief naar een krant, en opperde daarin de vraag waarom huren elk jaar stijgen, terwijl eigenwoningbezitters mogen rekenen op stabiele maandlasten. De huiseigenaar die daarop reageerde, somde een aantal, steekhoudend ogende, argumenten op, maar leek zijn punt uiteindelijk te missen.

Dat vakmensen duurder worden en een huis onderhoud vraagt, klopt, maar dat is geen huurverhoging. Het zijn kosten die de eigenaar zelf bepaalt: wanneer er wordt geschilderd, of die keuken nog even meegaat, en hoeveel hij voor een vakman wil betalen. Een huurder heeft die luxe niet; die betaalt jaarlijks meer, onderhoud of geen onderhoud. Bovendien doet de genoemde eigenaar alsof huurders geen bijdrage leveren aan onderhoud, terwijl die kosten uiteraard allang zijn verrekend in de huurprijs. De verhuurder betaalt ze niet uit eigen zak.

Wie vrijwillig het eigenaarschap op zich neemt, draagt het onderhoud doorgaans met liefde. Zoals dat met liefde wel vaker gaat: ze kost wat, maar dat weet men doorgaans van tevoren. Een huurder zal nooit de voldoening van het eigenaarschap ervaren. Zijn liefde is gemankeerd, en bovendien wordt dat huren ieder jaar verhoogd. Daar is geen goede verklaring voor.

Uit de toon van beide brieven kon ik afleiden dat de schrijvers geen ruziemakers zijn. Ze verheffen hun stem niet, maar brengen rustig hun argumenten naar voren. Als ze dichter bij elkaar in de buurt woonden, zouden ze waarschijnlijk makkelijk door één deur kunnen.

Ik vermoed dat de huiseigenaren in mijn straat zich niet echt storen aan de huurders, zelfs niet aan de scheve verhoudingen die het systeem met zich meebrengt. Hun stenen werken in stilte voor hen, terwijl de huurders hun geld de deur uit zien lopen; een verschil dat je met enige zelfspot kunt verdragen, zolang het leven verder redelijk verdeeld lijkt.

Zo bezien draait het gesprek over huren en eigendom minder om afgunst dan om de vanzelfsprekendheid waarmee die ongelijkheid wordt geaccepteerd. De één bouwt vermogen op, de ander betaalt eraan mee; beide partijen lijken zich daar opmerkelijk goed bij neer te leggen.

Als er dan toch wrijving moet ontstaan, laat het dan over iets wezenlijks gaan; iets dat meer waard is dan de waarde van een huis.

Het doel heiligt de bemiddeling

Ietwat kunstmatig in leven gehouden prachtproducten.

Om gratis toegankelijk te kunnen blijven, vraagt The Guardian zijn lezers bij elk online bezoek om een bijdrage. Je neemt als gebruiker de ‘bedelpop-ups’ voor lief omdat je er een objectieve informatiebron voor terugkrijgt. De eerlijke, Engelstalige krant kan, tot nu toe, wereldwijd op voldoende steun rekenen. Dit is een voorbeeld van een orgaan dat z’n onafhankelijkheid waarborgt door z’n hand op te houden bij bewonderaars, of bij meer pragmatische betalers die behulpzaam willen zijn.

Elke keer dat The Guardian om steun vraagt, denk ik even na over wat echte onafhankelijkheid kost. Ze blijven schrijven zonder betaalmuur en dat is precies waarom ik ze iets gun. Die kleine pop-ups die vragen om steun vind ik eerder ontroerend dan opdringerig; ze herinneren me eraan dat vrijheid van informatie niet vanzelf spreekt. Ik geef The Guardian graag wat krediet; niet alleen financieel, maar moreel. Hun oproep om steun voelt niet als marketing, maar als een eerlijk bewijs van hoe kwetsbaar onafhankelijke journalistiek eigenlijk is.

DPG gaat enkele van zijn kranten gratis maken voor studenten, las ik, omdat die hun nieuws nu vaak uit minder partijdige bronnen halen, zoals de socials. Je zou het ook als een ondersteuning van onbevooroordeelde journalistiek kunnen bestempelen. De bezitter van het blad betaalt uit eigen middelen, dus is er geen sprake van valse bevordering of een verstrengeling van belangen waar een luchtje aan zou zitten. Dit is een voorbeeld van bijstand aan de integriteit van nieuwsmakers waarbij de krant z’n eigen broek ophoudt met het geld van abonnementshouders en losse kopers. 

Regeringen en de EU komen ook vaak beroepsgroepen tegemoet die lijden onder de last van oneerlijke concurrentie. Vanuit die overweging worden bijvoorbeeld boeren gesubsidieerd vanuit de staatsruif of de EU-pot. En dat terwijl zulke agrariërs vaak een ongezond geproduceerd product afleveren. De rechtvaardiging voor ondersteuning snijdt echter hout: in de landen waarmee geconcurreerd moet worden lapt men milieuregels nog veel drastischer aan de laars. Ik zou deze hulp voor westerse voedselproducenten willen bestempelen als het bevorderen van rechtvaardigheid, waaraan echter wel een luchtje blijft kleven. Maar ik gun ze die back-up, laat dat duidelijk zijn.

Waarom zette ik het bovenstaande op een rijtje? Omdat ik terug moest denken aan een vriend die ik voor het laatst had bezocht toen hij in het ziekenhuis lag om te herstellen van een longtransplantatie. Hij noemde die ingreep “uitstel van executie”. Dat wilde hij niet hardop zeggen want hij had veel respect voor de vorige eigenaar van zijn orgaan, alsook voor de dokters. Hij was verlegen met alle goedheid die hem ten deel viel en voelde zich bovendien nog steeds schuldig omdat hij altijd veel te veel had gepaft. Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden, vond ik toen en nu. Voor de zuiverheid, de waarde en de betekenis van zo’n lief, ondersteunend gebaar, maakt het niet echt uit hoe lang dat goed gaat.

Lezersreactie:

Mooie slotalinea, maar ik vroeg me af in hoeverre die nog aansluit bij de drie voorbeelden erboven. De overgang naar het persoonlijke, met je vriend en de longtransplantatie, voelt bijna als een ander verhaal. Had je die verbinding bewust zo losjes gelegd?


Antwoord:
Dank voor je oplettende vraag; en ja, die overgang is bewust gekozen, juist omdat ze het onderliggende thema op een ander vlak laat resoneren.

In de eerste drie alinea’s beschrijf ik telkens een spanning tussen ondersteuning en onafhankelijkheid, tussen zuiverheid en noodzaak. The Guardian, DPG en de boeren krijgen of bieden steun die iets goeds in stand houdt, maar die tegelijk moreel of praktisch wringt: idealen worden overeind gehouden dankzij vormen van afhankelijkheid.

De laatste alinea tilt datzelfde dilemma naar een persoonlijk niveau. De vriend met de longtransplantatie leeft voort dankzij een “ondersteuning” — een orgaan, een medische ingreep — die enerzijds een teken van liefde en menselijkheid is, en anderzijds een fragiele, tijdelijke oplossing. In die paradox zit voor mij dezelfde lading als in de maatschappelijke voorbeelden erboven:

Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden.

Of het nu gaat om onafhankelijke journalistiek, eerlijke landbouw of het menselijk lichaam zelf — zuiverheid en voortbestaan zijn nooit helemaal vanzelfsprekend. Toch schuilt de waarde juist in dat kwetsbare evenwicht.

Hoe staat Sam Harris hierin?

Een kompas dat werkte in alle streken.

Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.

Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.

Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.

Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.

Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.

Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.

Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.

Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.

Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.

Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.

Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.

Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.

Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.

Geen machtsovername maar een krachtencombinatie

Verzet tegen een vijand is allang voorbij.

Ik ken een redactiechef van een krant die beweert dat hij “het toontje van een chatbot” meteen herkent. Dat is bemoedigend want er valt dagelijks heel wat kopij op z’n bureau en we willen als lezer natuurlijk niet belazerd worden. De trots om zijn onderscheidende vermogen neemt vaak de vorm aan van een hyperbool: “Echt hoor, ik kan van tien kilometer afstand zien dat we te maken hebben met AI.” Ik merk aan mezelf dat ik dat in twijfel trek en afdoe als authentieke stoerpraat van een mens van vlees en bloed. Iemand van een oudere generatie bovendien.

Schaalvergroting maakt AI-assistentie onvermijdelijk. De toekomst van de kwaliteitsjournalistiek ligt in een krachtenbundeling tussen menselijke intuïtie en machine-efficiëntie. Ondanks de aanvankelijke scepsis, blijkt de technologie een cruciale partner te zijn geworden. Het blad blijft zijn maatschappelijk geweten voeden door de combinatie van menselijke kritiek en digitaal venuft.

Letterlijk gezien belandt er trouwens niets op zijn bureau ter beoordeling, dat zal de lezer begrijpen. Deze poortwachter krijgt de ingezonden bijdragen overdrachtelijk op z’n bordje. Het is een volkomen digitale aangelegenheid. In een geleidelijk proces dat lang geleden begon hebben inmiddels alle papieren werkwijzen plaatsgemaakt voor een volledige digitale ‘workflow’. Ik herinner mij dat onze ‘gatekeeper’ niet vooraan stond bij de voorzichtige opstart van deze verandering.

Schaalvergroting werd onvermijdelijk in de krantenwereld. De economische stabiliteit was gebaat bij een combinatie van krachten. Fusies en overnames waren aan de orde van de dag en de redacties werden gestroomlijnder, wat in feite neerkwam op een afname van het personeelsbestand. Met minder mensen moest meer werk worden verzet. Dat is waar de noodzaak om nieuwe technologieën te omarmen echt voelbaar werd. De Chef Redactie, met zijn lange staat van dienst en ingesleten voorkeur voor beproefde methoden, moest zich buigen over en voor de mogelijkheden van AI.

De gigantische hoeveelheid content die verwerkt moest worden, werd geleidelijk behapbaar. Zijn scepsis over ‘het toontje’ van een chatbot staat daarom in schril contrast met de realiteit dat hij juist digitale hulpmiddelen nodig heeft om zijn werk überhaupt nog te kunnen doen binnen de gestelde deadlines. Geloof me, ook hij raadpleegt regelmatig AI-gestuurde spelling- en stijladviezen en laat complexe feiten checken door virtuele assistenten. De lezer heeft baat bij de snelheid en de foutenmarge die hierdoor drastisch daalt, waardoor er meer tijd overblijft voor diepgaande journalistiek.

De krant waarover ik spreek ontstond uit de behoefte aan betrouwbaar nieuws, onafhankelijk van de Duitse propaganda. Vanaf de clandestiene drukpers in de oorlog tot de digitale transformatie van nu, is het doel steeds hetzelfde gebleven: het publieke debat voeden en de lezer een kritische spiegel voorhouden. Ik ben allang niet meer de enige die gelooft dat het blad als maatschappelijk geweten, geworteld in humanistische en sociaaldemocratische waarden, nooit zal bezwijken onder de waan van de dag. De intrinsieke waarde is gewoon te groot.

Ik durf het – ook ietwat gezwollen – zelfs om te draaien: een blad dat zwicht voor de tirannie van ouderwetse redactionele starheid of technologische angst zal meer dan geld en goed verliezen, daar dooft het licht.

Waarom makkelijk doen?

Humor is welkom, eerlijkheid noodzakelijk.

Wat vind je nu eigenlijk? Of liever, want het is verkiezingstijd: wat ga je stemmen? Op de vlakte blijven kan aangenaam overkomen. Douwe Bob wilde zich, als muzikant, bij zijn leest houden. Hij zei dat hij z’n gitaar ging stemmen. Dat zal hij de laatste tijd wel vaker gezegd hebben, maar als je nooit naar hem luistert, omdat de mening van Douwe niet veel interessanter is dan zijn muziek, klinkt zo’n ontwijkende opmerking onverwacht lollig.

Het punt dat Jetten naar voren bracht: hoe komt het dat we een klein beetje Nederlandse trots meteen verdacht maken? Omdat we de Nederlandse driekleur hebben laten kapen door rechts. Het feit dat de progressieven met ongeveer elke vlag zwaaien behalve de Nederlandse driekleur is alleen maar koren op de molen voor het conservatieve frame dat progressieven een hekel aan Nederland hebben.

Een patiënt van Sigmund – de eenogige psychiater die wrange en cynische commentaren levert op de wereld om hem heen – vond ook een eenvoudiger antwoord. Hij had de stemwijzer gedaan. “En, waar kwam u op uit?” “Bariton”, zei de stripfiguur, “dat zit tussen bas en tenor in.” Graag meer verkiezingscartoons van Peter de Wit. Ooit liet hij een klant van Sigmund een ‘electoraal oedipale stem’ uitbrengen op de leider die hem het meest aan diens vader deed denken. Verzonnen patiënten kun je van alles in de mond leggen.

De gemiddelde kiezer is niet gek (al moet je zijn ontstellende onwetendheid niet onderschatten); hij pikt van verkiezingskandidaten geen ontwijkende of weifelende antwoorden. De worsteling van eerlijke politici met moeilijke onderwerpen leidt vaak tot genuanceerde standpunten. Ook dat kun je een vorm van ontwijken noemen. En er valt, in zulke gevallen, niet eens om te lachen. Maar het politieke spel wordt oneerlijk gespeeld. Niet-populisten staan per definitie op achterstand vanwege hun grotere handicap; zij hebben rekening te houden met hun geweten en met de waarheid.

Rob Jetten vindt dat progressieven de Nederlandse vlag best wat schaamtelozer mogen uithangen. Een ferm standpunt. Achter hem kwam het rood-wit-blauw groot in beeld. Maar op hetzelfde partijcongres deed hij omslachtig. Hij verzon een man op de vierde rij die geschrokken op dit ‘symbool van rechts’ reageerde. Had hij een gefingeerd partijlid nodig om te zeggen dat trots zijn op je land en wapperen met de driekleur echt wel kunnen? Het leek er op, dat in zijn (tevoren geschreven) speech, de aanhoudende twijfel van het alter ego van Jetten als neonationalist, toch nog een protetstemmetje moest krijgen.

Moeilijk doen over iets waar het, naar rechts uitgeweken, electoraat inmiddels wel uit is? Laat dat maar aan links over. Migratie werd de grote graadmeter. Karikaturaal gesproken: de arbeider vindt dat Nederland vol is (grip houden!), de traditionele arbeiderspartij zegt dat nieuwkomers goed zijn voor de economie (hoewel…tenzij…), en verder naar links wil men het liever over klimaatverandering hebben (dat inderdaad het echte, veel grotere probleem is). Dit zijn serieuze kwesties dus we blijven serieus nu: welk hokje op rood gaan we straks rood maken? Wie biedt de zuiverste, meest onomwonden oplossing?

Vaak is er geen eenvoudig antwoord. Dat klinkt alweer saai en omzeilend maar de problemen zijn gewoon complex. Lees de betere partijprogramma’s er maar op na, of ga gewoon af op de werkelijkheid. Je kunt je er echt niet altijd met een hamer- of kwinkslag vanaf maken. Voelt de roodgroene blusbrigade koudwatervrees terwijl de wereld in brand staat? Durft links geen krachtige besluiten te nemen? Nee nee, dat is het niet. Weldenkende mensen hebben gewoon met alles en iedereen rekening te houden. Dat is de prijs van democratie. Moeten politici daarnaast ook nog grappig overkomen? Bespaar ons de humor; waarom zou een volksvertegenwoordiger ad rem willen zijn?

Een bozig oogje dichtdoen

Zelfs de onverkwikkelijke veranderingsdrang van projectonwikkelaars werd mij hier een zorg.

Ik ben hier onlangs neergestreken en meet mijn omgeving in vierkante meters. Daarnaast zoek ik ‘dingetjes’ uit over mijn nieuwe habitat. Zo ontdekte ik (zie eerder) dat er op wikipedia over Angerenstein als wijk met geen woord wordt gerept en dat het gemeentebestuur voor mijn woongebied de benaming buurt hanteert. Mocht het ze al interesseren, dan houden buurtbewoners het woordje wijk in ere. Niet verwonderlijk, zo concludeerde ik, want mythe en verbeeldingskracht, fantasie en legende, vormen de basis waarop localisme is gestoeld. Net als bij nationalisme en populisme zijn feiten immers ook maar meningen.

Tussen sloop en nieuwbouw kon de oude Libanonceder even op adem komen. Dat wil zeggen: als hij toen al niet was murw geslagen.

Het ons kent ons gevoel lijkt hier zo groot dat je heel goed met alleen maar de suggestie van iets waarachtigs kunt leven. Ter bevestiging van het feit dat we het over meer dan alleen maar een buurtpark hebben met wat straatjes eromheen, is er bovendien de Stichting WIJKbelangen Angerenstein, die in haar WIJKkrant met tribaal bevestigende artikelen, het ‘gesundenes Volksempfinden’ levend houdt. Lees dat orgaan en je weet wat men wil dat je waarneemt, en wat er ogenschijnlijk speelt in dit buurtje.

Bij één van die – de sociale cohesie aanwakkerende – artikelen wil ik hier even stilstaan, omdat ik vreesde dat men bij de beschrijving van zo’n verbindend wijkinitiatief het zicht op de werkelijkheid wel erg uit het oog was verloren. Er wordt over dit zogenaamde SOSA-project gerept alsof het een architectonische meesteroplossing is, maar je ziet meteen dat men ten koste van oude esthetiek, elf huiseigenaren heeft bevoordeeld die toch al de middelen hadden om waar dan ook iets exclusiefs te vinden; met de nadruk op exclusie.

Aangespoord door het lovende stukje, liep ik er hoopvol heen, om tot mijn spijt te ontdekken dat de toegankelijkheid tot de omliggende natuur, die een schooltje, een plein, een vijver en een ceder ooit boden, volledig om zeep is geholpen. We hebben nu meer te maken met een ‘gated community’. Ik ken dat van mijn wandelingen door Thailand. Je hoefde maar met een teen in de richting van de toegangspoort te wijzen of een omhooggevallen privébewaker begon z’n machtswellust op jou, armetierig rugzaktouristje, bot te vieren.

Terug naar dat artikel. Men had veel moeite gedaan, zo las ik, om de monumentale ceder te behouden. Helaas: door het hek en zijn achtergrond lijkt de boom een gearresteerde die zijn vonnis met een enkelband in de eigen omgeving mag afwachten. De vijver is wel mooi maar ook hier roept de omheining uitsluiting en straf op. Als je er een blik in werpt voelt het alsof je in iemands privépoel staat te vissen. Wijkbelangen hebben hier duidelijk plaatsgemaakt voor woonbelangen van huizenbezitters met clanachtige privileges en sentimenten.

Ze ondervinden ongetwijfeld veel plezier bij hun jaarlijkse barbecue, maar een vorkje meeprikken is er voor vreemdelingen niet bij. Deze manier van bouwen drukt pottenkijkers weg en ik kan mij als wandelliefhebber en bouwstijlbewonderaar alleen maar verbazen. Je voelt je op deze plek een misleide, een verdwaalde of een opdringerige. Natuurlijk verstomt de kritiek na verloop van tijd. Dat is de tendens bij alle gemutuleerde missers in de woningbouw. Er is heel wat soesa geweest over dit project, naar ik heb begrepen, dus ik loop als nakomertje duidelijk achter de feiten aan.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik met een onbedorven, want verse blik naar een oude kwestie kijk. En toch bleek mijn gebrom voorbarig. Bij dat verse observeren van mij had ik één ding nagelaten. Ik was er nog niet aan toegekomen om te kijken hoe het er hier vroeger uitzag. Tja, wat zal ik daarvan zeggen? Ik vrees dat ik mijn eerdere kritiek moet herformuleren. Het wijkblad was niet zozeer het zicht op de werkelijkheid verloren, maar sloot gewoon niet aan bij mijn verwachtingen. Die leken gebaseerd op een prachtig gewaande omgeving die door de veranderingsdrang van vastgoedjongens en metselbazen onder de sloophamer was gekomen.

Dat blijkt niet het geval. Wat hier sinds 1976 stond was een oerlelijk schooltje waar men christelijke kleuterleidsters ‘kweekte’. De latere opleidingsinstituten die zich hier vestigden, alsook de kunstenaars, die er als laatsten gebruik van maakten, hebben de executie van deze onbeduidende doos alleen maar vertraagd. Ik moet eerlijk zijn: lelijkheid is gewoon door lelijkheid vervangen. Louter afgaand op architectonische waarden, hebben we het hier over een budgetneutrale operatie. Er lijkt op dat gebied niets gewonnen of verloren. Alleen is het grootste deel van het omringende groen nu in ‘bezit’ van de bewoners.

De libanonceder werd in 1875 geplant in het prachtige park van Huis Klarenbeek. Zoals dat bomen betaamd heeft hij de veranderzucht in zijn nabijheid lijdzaam moeten ondergaan. Hij werd zorgvuldig ingepast in latere nieuwbouwplannen. Iedere baksteen in de buurt van zijn stam was er één teveel, maar men begon zijn omgeving al vroeg te veranderen. Waar zou je je, na verloop van tijd, nog druk om maken? Ook hij zal zijn zinloze verzet zo langzaamaan wel zat zijn.

Over de bouwsels op de plaats van het voormalige Hof van Klarenbeek kunnen we sinds de tweede helft van de jaren 70 zeggen: het is niets maar het was ook niets. Deze foto van het oude S.O.S.A.-gebouw zegt wat dat betreft genoeg. De afbeelding staat op bladzijde 147 van het boek Angerenstein, van landgoed tot woonwijk uit 2008 van de Stichting Wijkbelangen Angerenstein. De foto is gemaakt door Kees van Koppenhagen.


Tribale sentimenten van saamhorigheid

In echte wijken maken bewoners elkaar van alles wijs.

“Jij weet dat natuurlijk wel hè,” vraag ik aan een oude schoolvriend, “dat Angerenstein als wijk alleen in de verbeelding bestaat?”
“Volgens de gemeente wel ja. Maar verbeelding is precies waar buurten groot van worden,” antwoordt hij luider dan nodig (ik vermoed omdat hij weet dat zijn vrouw, en met name haar boekenclubvriendin, meeluisteren in de kamer en suite).

Conversaties tussen gearriveerde babyboomers kunnen plaatsvinden in perfecte harmonie. De kans hierop is groter onder lotgenoten en/of zielsverwanten; dan gaat het om gelijkgestemden in uiterlijk, opvattingen en levensstijl. (Foto gegenereerd door AI)

Hij is ambtenaar in mijn nieuwe woonplaats. Door anciënniteit, leegloop en interne opleidingen werkt hij nu als Adjunct-directeur bij de afdeling Beleidsontwikkeling Wonen & Leefomgeving. We hebben samen (een jaartje) Chinese taal- en letterkunde gestudeerd in Maastricht. Daarna zijn we elkaar door verhuizingen en verschillen in levensstijl uit het oog verloren. Nu we weer bij elkaar in de buurt wonen, dacht ik: kom…

We zitten inmiddels met ons vieren in de serre van zijn prachtige jaren-twintighuis aan de rand van het park, dat met zijn vijvers en bronbeekjes het blauwgroene hart van de buurt vormt. In het bijzijn van de romanlezeressen laat hij zich graag nog wat uit over het thema werkelijkheid en fictie.

“Officieel hebben we geen wijk, inderdaad, maar een buurt; met zijn tabellen en gemiddelden. Wie denkt dat administratieve indeling de werkelijkheid bepaalt, gelooft waarschijnlijk ook dat een leefgemeenschap te vangen valt met meetinstrumenten, tevredenheidsenquêtes, checklisten en formulieren.”

“Zo werkt het niet natuurlijk”, val ik hem bij. “Neem de hoerenwijken waar ook ter wereld: nergens officieel erkend, nergens op stadskaarten te localiseren en toch weet iedereen waar ze zich bevinden en waar hij zijn geld in moet stoppen.”
Het blijft ongemakkelijk stil.
“Ik weet niet of die vergelijking opgaat”, reageert de vriendin van de gastvrouw tenslotte.

Ik lanceer het andere voorbeeld waarover ik heb nagedacht.
“Of dat Gallische dorpje dat we onderhand zo goed kennen; waar striphelden met wilde zwijnen, toverdrank en één gemeenschappelijke vijand meer teamgeest creëren dan een gemeente met een voorbeeldig gemeentebeleid. Het gaat om het wij-gevoel, de warme schoot van saamhorigheid. Wat werkelijk telt zijn de mooie sprookjes die men elkaar rond het kampvuur kan vertellen. Tegenwoordig is dat de barbecue.”

Ze blijken geen van drieën ooit een Asterix en Obelix te hebben gelezen.

Angerenstein mag dan een voetnoot zijn in het ambtelijke woordenboek, zo bedoelde ik te zeggen, voor zijn bewoners is het een ‘dorp-in-de-stad’, compleet met z’n eigen mythologie. Dat laatste vormt natuurlijk de grootste verbindingsfactor. De gemeente Arnhem kan nog zo driftig schikken en indelen, zodat Angerenstein als buurt te boek staat en niet als wijk, maar uiteindelijk is het niet de spreadsheet die eenheid schept. Het zijn de mensen die, wars van nomenclatuur, hun eigen aanduidingen met overtuiging blijven gebruiken en elkaar van alles wijs maken. De ambtenaar telt huizen; de bewoner vertelt verhalen. Dat laatste werkt beter.

Een verbindend verhaal hebben is alles, bedenk ik me, als ik weer buiten sta; maar dan moet het wel een pakkend verhaal zijn.

Voortuinen waardoor rivieren stromen

De grootheidswaan van een bronbeekbuurtje.

Ik ben hier pas komen wonen en verken mijn omgeving per strekkende meter. Intussen raadpleeg ik betrouwbare bronnen om te zien waar ik nu eigenlijk belandde. Wist je dat Wikipedia wonderwel zwijgt over Angerenstein als wijk? En de gemeente Arnhem doet er nog een schepje bovenop: volgens hun kaarten is dit slechts een buurt, keurig ondergebracht bij de wijk ‘Velperweg en omstreken’. Alsof ze een Rembrandt rubriceren in de categorie ‘diversen’. Maar ja, het zijn dus wel de officiële bronnen.

Kenmerkend voor park Angerenstein is de aanwezigheid van een netwerk van beken met verschillende watervallen en vijvers. […]. Ten noorden van Huis Angerenstein bevindt zich een bronvijver en enkele kwelplekken die mede de verschillende vijvers voeden. Hier bevindt zich tevens de bron van de Julianabeek. In 2005 hebben de bewoners van de Julianalaan deze beekloop ontdekt en in hun eigen voortuinen weer zichtbaar gemaakt. (Bron: Wikipedia)

Boeien! De bewoners zelf lachen om zoveel ambtelijke zuinigheid. Wie ik ook aanspreek, hij weet feilloos waar Angerenstein begint en eindigt; de harde grenzen van zijn leefgemeenschap liggen vast in stenen en stroompjes. Dit is de wijk van het wegsijpelende water (en van koophuizen waarvoor je geld als water moet hebben). Het stadhuis mag zijn statistieken koesteren, de straat weet beter. Waar je het hoort kabbelen, daar ligt Angerenstein. Het zal de gemiddelde Angerensteiner worst wezen of je het hier een wijk noemt of een buurt, als de positieve energie er maar blijft stromen; Panta rhei.

Ik zou een slechte buurtreporter zijn als ik de kwestie niet ook even voorlegde bij de man die langs het bronbeekje in zijn voortuin een steiger heeft gebouwd alsof er een sloep moet worden aangemeerd. De walkapitein legt toevallig de laatste hand aan zijn project als ik langsloop, dus ik grijp mijn kans.
“Meet men zich hier niet een al te grote broek aan als men de buurt een wijk blijft noemen?”
Overspoeld door een besluiteloze woede, kijkt hij mij glazig aan; alsof ik belletje heb getrokken en vergeten ben om weg te lopen. Het wordt tijd om mij stroomafwaarts te begeven.