Slordige algoritmes, of: het mysterie van de verdwenen Cactus-credits.
Vandaag stuitte ik op een onzorgvuldigheid die mijn innerlijke archivaris in een staat van paraatheid bracht. Terwijl ik op YouTube Music luisterde naar de cover van Cactus op het album Heathen van David Bowie, viel het me op dat de credits nogal selectief zijn. De namen van producers David Bowie en Tony Visconti prijken trots in de lijst, maar de zanger én de eigenlijke componist? Die lijken in de digitale mist te zijn opgelost. Blijkbaar vindt het algoritme van de online muziekdienst dat als de naam van de Thin White Duke prominent op de gevel van het album staat, het verder volstrekt irrelevant is om in de kleine lettertjes te vermelden wie het fundament van het gebouw heeft gestort.

Het is overigens niet de eerste keer dat ik dit opmerk; in de digitale muziekbibliotheek van het platform zijn metagegevens vaker een rommeltje dan een geordend archief. Een slordige database is een bron van ruis in de informatieoverdracht; een feit waar streamingdiensten schijnbaar lak aan hebben. Hoewel de interface faalt, zit de juridische realiteit erachter gelukkig wat strakker in elkaar. Voor degenen die zich zorgen maken over de financiële erkenning van de rechtmatige eigenaar: wees gerust. Black Francis (ook bekend als Charles Thompson) hoeft niet op een houtje te bijten.
Dankzij het deterministische systeem van de compulsory license vloeien de royalty-stromen keurig van de verkoopcijfers van wijlen Bowie naar het oorspronkelijke brein achter de Pixies. Geen spirituele gunst of vage artistieke vriendschap (hoewel de heren elkaar zeer hoog hadden zitten), maar gewoon keiharde contractuele logica. In de versie op Heathen spellen de achtergrondzangers zelfs de letters D-A-V-I-D; een knipoog naar de P-I-X-I-E-S spelling in het origineel. Een eerbetoon dat je niet geeft als je de auteur probeert weg te moffelen.
Wat dit verhaal pas echt interessant maakt, is het contrast in productie. Waar de versie van Bowie in 2002 door Visconti in een warm, gelaagd jasje werd gestoken, was het origineel op Surfer Rosa (1988) een heel ander beestje. Die werd namelijk ingeblikt door de beruchte Steve Albini. Geen Bowie-glans daar, maar rauwe, ongefilterde akoestiek. Albini, de zelfverklaarde “anti-producer”, nam zangpartijen vaak op in badkamers om die karakteristieke, bijna gewelddadige galm te vangen. Het is een fraaie paradox: de man die het nummer bedacht liet het vastleggen door een engineer die royalty-percentages weigerde uit principe, om veertien jaar later door een wereldster te worden gecoverd die de geldkraan naar de schrijver weer wagenwijd openzette.
Bowie was geen dief maar een bewonderaar die het origineel verwerkte in zijn eigen artistieke DNA. Hij transformeerde de heerlijk-nerveuze indierock tot een bijna theatrale exercitie in modern geluid; een metamorfose die enkel slaagt wanneer de interpretator de brontekst door en door begrijpt. Hij stak zijn enthousiasme voor de Pixies nooit onder stoelen of banken en noemde hen herhaaldelijk de meest relevante band van de jaren tachtig. Hij ging zelfs zo ver om te verklaren dat hij zich “ontzettend schuldig” voelde dat hij de band pas laat ontdekte, maar dat hij sindsdien als een bekeerling probeerde iedereen te overtuigen van hun genialiteit. Hij zag in de Pixies precies die rauwe, hoekige energie die hijzelf probeerde te vangen na zijn commerciële (en voor hem artistiek onbevredigende) Glass Spider-periode.
In deze Glass Spider fase (1987) was Bowie op zijn commerciële dieptepunt (artistiek gezien dan). Het album Never Let Me Down en de bijbehorende tournee waren overgeproduceerd, theatraal tot op het punt van kolder, en Bowie voelde zich gevangen in zijn eigen succes. Hij noemde dit later zijn “Phil Collins-jaren”; een term die voor hem waarschijnlijk synoniem stond voor artistieke stagnatie. Om de “glans” van zich af te schudden, richtte hij de band Tin Machine op (1989-1991). Dit was zijn directe reactie op de Pixies; rauw, hard en pretentieloos. Hier werd het zaadje geplant voor de samenwerkingen die later zouden volgen.
De Heathen-fase (2002) markeerde de triomfantelijke terugkeer naar zijn samenwerking met producer Tony Visconti. Het is een volwassen, introspectief album dat reflecteert op ouderdom en de sfeer van na 11 september. Zijn bewerking van Cactus is dan ook meer dan een simpele cover; het is de definitieve bekrachtiging van een artistieke bloedbroederschap, waarbij de Thin White Duke de fakkel overnam van de rebellen uit Boston om te bewijzen dat goede composities immuun zijn voor de erosie van de tijd; zelfs als de metadata van een streamingdienst dat niet zijn.
