Brievenbuspakjes tussen mal en dwaas.
“Duwen jullie die brievenbuspakjes altijd helemaal naar binnen?” wilde een vrouw in mijn bezorgwijk weten.
“Nee, niet altijd” moest ik bekennen. Ik wist niet of ze dat prima vond of afkeurenswaardig, daarom verklaarde ik mezelf meteen maar nader; hoe zat het met dat halve gedoe van mij?
“Soms, als ze nogal zwaar aanvoelen heb ik de neiging om ze in de brievenbus te laten. Dat is best een balanceeract. De klep van de bus moet wel dicht kunnen, anders zou iemand van buiten zo’n pakje er weer uit kunnen trekken. Als ik vrees dat het de val in de hal niet zal overleven, of dat de geadresseerde zich doodschrikt van de klap, wil ik zo’n pakje weleens half naar binnen drukken. Of nee, ik denk dat het een viervijfde deel is dat naar binnen steekt. Dan blijft het meestal wel hangen. Tenminste als er daarna niet nóg een bezorger langskomt en ‘mijn’ pakje alsnog de genadeklap geeft. Het heeft tenslotte maar een heel klein zetje nodig.”

“Ieder jaar maak ik de fout om te denken dat mijn vader nog heel veel begrijpt”, verklaarde de vrouw zich nader. “Maar eigenlijk is hij er best al slecht aan toe. Ik wilde hem online een kaartje sturen via Greetz. Maar daar doen ze altijd van die vervelende voorstellen, vlak voordat je af gaat rekenen. Ze vroegen of ik ‘het gebaar’ wilde aanvullen met chocolaatjes. Ok, dacht ik, misschien is alleen zo’n kaartje inderdaad wat karig, doe er dan maar zo’n doosje Merci bij.”
“Tja, dan wordt het dus een brievenbuspakje”, leefde ik met haar mee.
“Inderdaad” zei ze, om er bozig op te laten volgen: “en dan doen ze ook nog koelelementjes in zo’n doosje.”
“Koelelementjes? Meent u dat nou? Tegen het smelten?”
“Ja precies. Goedbedoeld waarschijnlijk, in deze warme maand; maar het maakt het allemaal niet overzichtelijker.”
“Wie verzint zoiets. Al met al wordt het een vrij zwaar pakje” concludeerde ik, “en als dat op de vloer klettert…”
“Dan springt, als je pech hebt, de verpakking open. Ja, dat is precies wat er gebeurde bij mijn vader.”
“Waar was dat?” wilde ik weten, misschien vanuit een begin van plaatsvervangende schaamte en om eventuele verontschuldigingen namens mijn broodheer aan te bieden.
“In Houten. Hij leeft semi-zelfstandig. Maar als hem zulke dingen overkomen is hij opeens heel afhankelijk. Hij begreep er geen donder van. De chaos in de gang, de opengescheurde verpakking, dat kaartje met al die overbodige woorden van mij, de smeltende chocolaatjes; en die verdomde koelelementen. De cliëntbegeleidster trof hem aan in totale verwarring. Ach, hij woont niet eens zo ver weg. Ik voel me altijd schuldig. Dat schrijf ik dan op. Excuses dat ik er zelf niet kan zijn. Kijk, ik ben mijn plicht als kind al behoorlijk aan het verzaken natuurlijk. Houten, hoe ver is dat nou helemaal? En dan valt alles daar ook nog in duigen. Zo’n PB’er leest waarschijnlijk mee. Die moet de troep opruimen. Die haalt haar neus op voor mijn felicitaties op afstand.”
Ik hoorde haar relaas ietwat ontredderd aan. Het voerde te ver om me namens PostNL te verontschuldigen. Natuurlijk was Greetz hier de boosdoener. Een oude ergernis kwam plotseling bovendrijven. In mijn kerstpakket zat ooit een tegoedbon van deze wenskaartenservice. Ik mocht een gratis kaart sturen naar iemand. Ik had helemaal geen zin in een online attentie aan wie dan ook. Maar ja, het was gratis hè.
Ik besloot het kleinste formaat te kiezen uit de categerie ‘Gewoon zomaar kaartjes’ en dat naar een halve vriendin te sturen die ik indertijd best zag zitten. Mijn tekst was op het randje maar als ik het verpakte in een zo bescheiden mogelijk gebaar, kon m’n gedicht er net mee door, vond ik. Toen bleek Greetz er uit zichzelf het grootst mogelijke formaat van te hebben gemaakt. Omdat ik er recht op had. En ook ter kennismaking. Want ze waren echt blij met me als nieuwe klant. Een kaart zo groot als een krant. Met mijn rijmpje in chocoladeletters. De rubriek hadden ze ook veranderd; die was ‘Knuffel door de brievenbus’ gaan heten.
Neem van mij aan dat dat heel slecht is gevallen.
