Klusjes die uitgroeien tot existentiële vraagstukken

En dat alles in een onvindbaar boek van een onbekende schrijfster.

We zitten aan de altijd gezellige koffietafel in de bijkeuken van de wethouder en zoeken naar de naam van een Vlaamse schrijfster. Zijn vaste klusser kwam er mee. Nu breken we er gedrieënlijk ons brein op. Een boek waarvan hij wel de titel kent, die is gemakkelijk zat. Het heet De Klusser en het vertoont veel verwantschap met zijn eigen leven. Kom, hoe heet die vrouw nou toch?

De schrijfster laat je gniffelen om de herkenbaarheid van menselijke tekortkomingen en de kleine, ongemakkelijke waarheden van het bestaan. Ze schuwt de melancholie niet, maar balanceert die perfect met een humor die je tot nadenken stemt, waardoor je met een glimlach én een vleugje weemoed het boek dichtslaat. De vraag is wel: hoe heet de schrijfster? En luidt de titel van haar boek wel echt ‘De Klusser’?

Mensen van een jongere leeftijd dan wij, zouden al op Google zitten, of liever: een Chatbot raadplegen. Dat is niet wat wij als eerste geneigd zijn te doen. Die volharding van ons bevat een paradox: degene die het meeste baat hebben bij een digitaal hulpmiddel, spitten hun geheugen uit, terwijl jongeren, die nog fris van geest zijn, hun hersenen liever niet uitdagen als een AI-systeem het beter en sneller kan.

Griet Op de Beeck en Kristien Hemmerechts zijn de enige namen die ik op kan hoesten, maar nee, die zijn het allebei niet, verzekert de klusjesman. Verder komt er bij mij niets bovendrijven. Sterker nog: ik weet heel zeker dat er niets meer in zit. Het is niet zo verbluffend van het geheugen, vind ik, dat je, als je weet dat je iets weet, soms lang naar iets moet zoeken, tot het je te binnen schiet. Het raadselachtig mooie van je memorie is meer dat je in een splitseconde weet dat je iets niet weet.

Dit geldt, wat betreft de auteur, in ieder geval voor ons, de toehoorders. De klusser zit in dat andere proces; hij kan zichzelf wel voor z’n kop slaan. “Laat zitten”, troost de wethouder hem, “vertel ons eerst dat verhaal.” Nou goed, Het gaat over een vrouw die in een grote stad woont en een druk, enigszins chaotisch leven leidt. Ze besluit een klusjesman in te huren om wat zaken in haar huis op te knappen. Deze hulp blijkt echter meer te zijn dan alleen een handige Harry. Hun ontmoeting creëert een onverwachte band.

Dus onze klusjesman belandde ook in zo’n verhaal? Inderdaad ja. Wat begon als een zakenlijke relatie, kreeg al snel een meer persoonlijke en soms ongemakkelijke lading. De grens tussen privé en professioneel werd geschonden, nog voor het werk was gedaan. Sterker nog, de badkamer werd veel later betegeld dan gepland. Het kraantje bleef nog heel lang lekken. De passie vrat veel tijd op. Tot dusver nogal clichématig, denk ik stiekem. Eerlijk gezegd doet de titel me denken aan een bepaald soort film; een genre dat veel beter De Klusser kon heten.

Maar een ander thema uit het boek blijkt ook op te gaan voor de echte klusjesman, en dat maakt het al een stuk interessanter: de zoektocht naar betekenis. Net als de personages in het boek worstelde hij en zijn klant, na haar te hebben geschaakt voor het leven, met hun plek in de wereld en hun eigen verlangens en verwachtingen. “Is het een somber boek”, wil de wethouder weten? Oh nee, de kenmerkende humor en observaties van alledaagse situaties van de schrijfster, schijnen ruimschoots aan bod te komen.

Of, om zijn uitleg parafraserend over te nemen: de absurditeit van het moderne leven wordt met een droogkomische blik en scherpe dialogen blootgelegd. We moeten geen luidruchtige grappen verwachten; eerder een subtiele hilariteit die voortkomt uit onhandige sociale interacties, onvermijdelijke misverstanden en de soms ronduit bizarre logica waarmee de twee hun dagelijkse beslommeringen aanpakken.

Over die dagelijkse beslommeringen gesproken, waarvoor was de klusjesman eigenlijk naar hier gekomen? De wethouder legt uit dat er in de tuin een Acacia staat die om moet. De boom bezwijkt onder een klimop die zich er overwoekerend omheen heeft genesteld. “Is er echt geen redden meer aan?” vraag ik, mij richtend tot de klusser, om er ietwat betweterig aan toe te voegen: “kun je niet alleen de stam van de klimop doorzagen en wachten tot die is afgestorven?”

Onzin natuurlijk. “We hebben het te lang op z’n beloop gelaten” is zijn resolute antwoord. Terwijl ik berust in dit oordeel en ervan uitga dat hierover alles wel gezegd is, voegt de klusjeman er plotseling aan toe: “Sommige verbintenissen nemen alle ruimte in. Relaties kunnen opeens heel verstikkend zijn, een wurggreep die doet denken aan een liefde die te allesomvattend was.” Hij heeft wel drie verschillende zagen meegenomen. Het is duidelijk: beide planten moeten er voorgoed aan geloven.

‘Ken je Taalmaatjes?’ vroeg de opbouwwerker

Daar stond ik dan, met m’n luxeprobleem.

Ik was de opbouwwerker al tweemaal voorbijgelopen. Ze stond met een bolderwagentje op het plein voor het winkelcentrum op de Klarendalseweg. In de kar bevonden zich thermosflessen, want ze bood thee en koffie aan, met een koekje, een folder en vooral ook een praatje. Haar functie viel af te lezen van de aanduiding op haar rug, vandaar dat ik kon vermoeden wat ze daar deed: ze was een aanspreekpunt voor mensen in de wijk. Bij de derde keer wisselden we een glimlach uit, waarna zij mij naar zich toe gebaarde met een bekertje in de ene hand, dat ze zogenaamd met de andere volschonk.

Ze heette Jennifer. We raakten aan de praat over de wijk, over Rijnstad, over hoe je zichtbaar kon zijn zonder opdringerig te worden. Ze vertelde hoe de stichting, met meer dan zeshonderd vrijwilligers en honderden professionals, dagelijks werkte aan wat zij noemde: ‘een sociaal en duurzaam perspectief’. Niet door te zenden, maar door te luisteren. Door naast mensen te gaan staan in plaats van tegenover hen. Of dat nu ging om een ouder met stress rond de opvoeding, iemand met geldzorgen die vastliep in de brieven van de Belastingdienst, of een jongere die nergens naartoe wilde maar ook nergens terechtkon.

“Bij ons betekent helpen: iemand de regie teruggeven,” zei ze. “En het hoeft niet groot te zijn.” Ze gaf me tenslotte haar visitekaartje. Ik haalde mijn eigen kaartje uit m’n zak als wisselgeld. Toen ze taaljongen.nl las, vroeg ze: “Ken je Taalmaatjes?” Ik had er vaag van gehoord, maar nooit echt bij stilgestaan. Ze legde uit dat Taalmaatjes mensen aan elkaar koppelde – vaak nieuwkomers en vrijwilligers – om samen in gesprek te gaan. Niet in een leslokaal, maar op een bankje, aan een keukentafel, in de wachtruimte van de dokter, nou ja, overal elders eigenlijk dan in een schoolse omgeving.

Ik knikte. Ik dacht aan hoe ongemakkelijk ik me op dat moment bewoog in mijn taal, in deze stad waar ik nog niet woonde. Ik had haar uitgelegd wat ik deed in deze buurt: ik was zo op en neer aan het drentelen omdat ik een indruk wilde krijgen van de straat. Dankzij een urgentieverklaring had ik het voorrecht bovenaan de lijst te eindigen voor een woning, iets verderop, ter hoogte van eetcafé Sugar Hill, waar de sfeer niet alleen gezellig werd, maar ook een vleugje cachet kreeg. Ik had de sleutel nog niet en de bezichtiging moest nog volgen, maar terwijl de renovatiewerkzaamheden plaatsvonden, had ik al even mogen binnenlopen. Zo stond ik daar, met m’n luxeprobleem, terwijl zij sprak over mensen met een lagere sociaaleconomische status; mensen die, vanzelfsprekend, onze volle aandacht behoorden te krijgen.

Jennifer vertelde over de wijk waarin een kwart van de volwassenen moeite had om rond te komen; flink boven het landelijke gemiddelde. Over de eenzaamheid onder ouderen, 51 procent, zei ze, en de gezondheidsproblemen die daarmee samenhangen. Over het grote aandeel sociale huurwoningen in de oudere delen van de wijk. Over de mensen zonder werk, met een lage opleiding. Maar ook over het groen, de voorzieningen, de gezinnen die hier graag kwamen wonen, en de actieve bewoners die zich vrijwillig inzetten voor hun buurt.

Het was belangrijk, wat ze zei. En ik luisterde. Nou ja, laten we zeggen: voor zo goed en zo kwaad als mijn haperende concentratievermogen me toeliet te luisteren. Eerlijk is eerlijk: ik was er niet helemaal bij met m’n aandacht. Misschien zou dat nog komen. Op dat moment was ik vooral vol van mezelf. Ik moest een beslissing nemen over dat huis. Ik voelde me net Trump op werkbezoek in Saoedi-Arabië: vriendelijk glimlachend, af en toe knikkend, regelmatig iets doms zeggend, en ondertussen vooral denkend aan het eigen belang. Een tikje narcistisch, moet ik toegeven.

En ergens wilde ik haar ook gewoon meenemen naar de bezichtiging. Niet voor een hulpvraag of een intake, maar gewoon om te horen wat zij vond van de lichtinval in de woonkamer, het uitzicht op het parkje, de plek van het stopcontact onder het keukenraam. Iemand met een eerlijk, esthetisch oordeel. Maar ja, daar misbruik je natuurlijk geen opbouwwerker voor. Thuis raken begon niet bij een nieuw adres. Het begon bij een goed gesprek. Niet iets wat je voert met je hoofd al half bij de kleur van het tapijt en het nieuwe behang aan de wanden van je bijna woonkamer. Een goed gesprek vroeg om aanwezigheid, en ik was nog enorm onderweg.

Een vroeg gefluister van verzet

De geboorte van klimaatactivisme.

The GreenXtreme – hoofdstuk 1

Ik herinner me de eerste momenten waarop ik begon te beseffen dat de wereld om me heen veranderde en niet op een manier die geruststelde. Het was geen plotseling inzicht, maar een langzaam ontwaken. Een gevoel dat er iets niet klopte, dat zich beetje bij beetje opdrong. Verhalen over onrecht, en over mensen die daartegen in verzet kwamen, trokken steeds meer mijn aandacht. In de geschiedenis kwam ik telkens weer figuren tegen die hun stem verhieven tegen onderdrukking, vaak tegen de stroom in. Of het nu ging om politieke tirannie, sociale ongelijkheid of, later, de dreiging van een ecologische ramp. Als ik terugdenk aan het begin van mijn betrokkenheid bij klimaatactivisme, kom ik uit in de jaren zeventig, al ligt de oorsprong natuurlijk verder terug.

Voor mij begon het verzet met een gevoel van onbehagen, een knagend besef dat er iets goed fout zat. Het zat niet in grote gebaren, maar in kleine momenten van tegenspraak: situaties waarin ik leerde om vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken. Ik denk aan mijn jeugd, in een Brabants dorpje aan de rand van het bos. Dat bos moest langzaam wijken voor een nieuwbouwwijk. Het bracht nieuwe speelkameraadjes, maar ook een groeiend besef van hoe kwetsbaar de natuur is. Verhalen over de vernietiging van het regenwoud of de vervuiling van rivieren raakten me diep. Het was de soort onmacht die je als kind kunt voelen, vermengd met een eerste glimp van woede.

Het boek Walden van Henry David Thoreau uit 1854 is in vele prachtig vormgegeven edities verschenen. Het vormt een filosofisch verslag van Thoreau’s teruggetrokken leven in de natuur, waarin hij reflecteert op eenvoud, zelfvoorziening en de essentie van het bestaan. Dit meditatieve relaas over een leven in eenvoud en harmonie met de natuur is Thoreau’s poging om de wereld te begrijpen door haar deels achter zich te laten. Hij werd daarmee een pionier van de alternatieve levenshouding en het onafhankelijke denken.

Deze vroege kiemen van verzet, dit intuïtieve gevoel dat er iets moest veranderen, vond ik later terug in de verhalen van mensen die hun leven radicaal anders inrichtten, voorlopers die zich bewust losmaakten van de heersende opvattingen en nieuwe morele richtingen verkenden. Ik las over denkers als Henry David Thoreau, die met zijn boek Walden (1854) een pleidooi hield voor een simpeler, zelfvoorzienender leven in harmonie met de natuur. Hoewel zijn verzet primair filosofisch en individueel van aard was, inspireerde zijn idee van burgerlijke ongehoorzaamheid latere generaties van activisten. Voor mij was Thoreau een bevestiging dat het mogelijk was om een alternatieve weg te kiezen, los van de dominante cultuur.

Het collectieve klimaatactivisme zoals we dat nu kennen, ontstond natuurlijk pas later. Maar de wortels ervan reiken dieper; tot in de geschiedenis van milieubewustzijn en maatschappelijke strijd. Voor mij markeerde de overgang van een algemeen verzet tegen onrecht naar specifiek klimaatactivisme een verdieping van dat oorspronkelijke onbehagen. Het besef dat we niet alleen elkaar, maar ook de planeet schade toebrengen, kwam als een schok; ook voor mij.

Ook het boek Silent Spring van Rachel Carson, oorspronkelijk verschenen in 1962, kent inmiddels vele uitgaven, vaak voorzien van een nieuw voorwoord of nawoord. Silent Spring gaf de natuur een stem op het moment dat haar stilte dreigde in te treden. Het geldt als een baanbrekend werk dat milieubewustzijn op de kaart zette, met een indringende aanklacht tegen het gebruik van pesticiden en de schade die dit aanricht aan ecosystemen.

Een cruciale figuur in deze ontwikkeling, die mij diep heeft beïnvloed, is Rachel Carson met haar baanbrekende boek Silent Spring uit 1962, het jaar waarin ik werd geboren. Het stond bij ons thuis in de kast maar het duurde even voordat ik het voor het eerst las. Toen het zover was, bleek het een openbaring. Carson toonde op wetenschappelijke en tegelijk poëtische wijze de desastreuze gevolgen van het onbeperkte gebruik van pesticiden zoals DDT. Haar werk was geen oproep tot radicale actie zoals straatprotesten, maar een verzet van de meest fundamentele soort: het blootleggen van de waarheid, het doorbreken van de stilte. Silent Spring veroorzaakte een schokgolf en wordt algemeen gezien als het startschot van de moderne milieubeweging. Voor mij was het een wake-up call, een bevestiging dat mijn diffuse angst een concrete grondslag had.

Na Carson zag ik een geleidelijke verschuiving. De focus verlegde zich van lokale milieuproblemen naar een breder, mondiaal perspectief. In de jaren ’70 verschenen de eerste wetenschappelijke rapporten over de opwarming van de aarde. Er werden voorzichtige kleine stappen richting klimaatactivisme gedaan. Het proces verliep moeizaam: de boodschap was complex en de gevolgen leken nog abstract en ver weg. Ik denk aan de eerste Earth Day in 1970, georganiseerd door onder anderen Gaylord Nelson en Denis Hayes; het werd een belangrijke mijlpaal in het mobiliseren van publieke aandacht voor milieukwesties. Nog geen klimaatactivisme in de strikte zin van het woord, maar wél een moment waarop het collectieve besef groeide dat zorg voor de planeet een gedeelde verantwoordelijkheid vormt.

In de jaren ’80, met de opkomst van het concept van duurzame ontwikkeling (gepopulariseerd door het Brundtland Rapport uit 1987, ook bekend als Our Common Future), begon het besef te groeien dat economische groei en milieubescherming met elkaar verzoend moesten worden. Dit was een belangrijke stap, want het bracht de discussie over milieu verder dan alleen het beschermen van natuurgebieden; het betrof nu de kern van ons economische systeem. Ik zag hoe de eerste klimaatconferenties, zoals de inmiddels legendarische UNFCCC-top in Rio de Janeiro in 1992, voorzichtig probeerden internationale samenwerking te smeden. Hoewel de resultaten vaak teleurstellend waren, vormden dit belangrijke vroege stappen in het formuleren van een wereldwijde respons.

Pas in de jaren ’90 en vroege jaren 2000’s begon het klimaatactivisme echt vorm te krijgen. Organisaties als Greenpeace en Friends of the Earth richtten hun aandacht steeds nadrukkelijker op klimaatverandering. Ik raakte voor het eerst betrokken bij een lokale klimaatgroep; een klein, wat onbeholpen begin, maar toch een duidelijke uiting van collectieve weerstand tegen de inertie en het ontkennen van de ernst van de situatie. De namen van mensen als Bill McKibben, met zijn vroege waarschuwingen in The End of Nature (1989), en later Al Gore, met zijn film An Inconvenient Truth (2006), galmden door de publieke ruimte. Zij gaven een stem aan de wetenschappelijke consensus en probeerden die te vertalen naar een breder publiek, een inspanning die de basis legde voor verdere mobilisatie.

Voor mij is de reis van het vroege verzet naar het hedendaagse klimaatactivisme een persoonlijke reis van groei en betrokkenheid geweest. Het begon met een onbestemd onbehagen, gevoed door verhalen en figuren die me inspireerden, en is uitgegroeid tot een diepgeworteld geloof in de noodzaak van actie. Het is de realisatie dat verzet, in al zijn vormen, van stille contemplatie tot luide protesten, essentieel is om de wereld, en onszelf, te beschermen. De strijd is nog lang niet gestreden, maar de zaadjes van verzet, geplant door de visionairs van weleer, zijn inmiddels uitgegroeid tot een wereldwijde beweging.

Wat ik helaas ook bij mezelf ontdekte, was dat actievoeren niet echt in mijn bloed zit. Niet dat ik ongevoelig ben voor wat er gebeurt. Integendeel, soms brand ik vanbinnen. Maar dat vuur is traag, bijna bedaard, als smeulend hout dat niet wil opvlammen, alleen maar rook verspreidt die in je ogen bijt. Ik vraag me nu af waarom ik juist deze metafoor van vuur en rook kies, terwijl ik juist fel tegen houtstook ben. Misschien zegt het iets over mijn karakter: innerlijk vol tegenstrijdigheden, mild hypocriet, maar altijd met de beste bedoelingen.

Ik bewonder hen die direct in actie komen. Die spandoeken maken en zich vastlijmen aan asfalt. Ik zie ze staan, daar op het Malieveld of in de kou voor een bestuursgebouw, en voel een soort heimwee naar iets wat ik nooit gehad heb: die vanzelfsprekende overgave, die innerlijke roep die geen tegenspraak duldt. Mijn engagement werkt anders. Ik twijfel veel. Ik schrijf liever dan dat ik schreeuw. Ik observeer, analyseer, ontleed; soms tot in het absurde. Waar een ander opstaat en loopt, blijf ik nog zitten, in gesprek met m’n geweten, m’n angst, m’n verlangen naar nuance.

Is dat laf? Misschien. Maar ik geloof ook dat er meer vormen van verzet zijn dan de zichtbare. Activisme, zo dacht ik lang, moest luid zijn, moet storen, moet breken. Maar er is ook een soort verzet dat langzaam werkt. Dat de taal inzet als middel. Dat zoekt naar beelden die beklijven, naar verhalen die niet schreeuwen, maar wél blijven hangen.

Soms verwijt ik mezelf dat ik niet radicaler ben. Niet fysieker. Alsof mijn lichaam weigert mee te doen aan de strijd waarin mijn geest al jaren verwikkeld is. Alsof ik een soldaat ben die voortdurend zijn geweer vergeet. Toch probeer ik deel te zijn van de beweging. Op mijn manier. Ik voer gesprekken. Ik stel vragen, ook aan mezelf. Ik probeer te luisteren naar die onderstroom die de wereld in stilte verandert; de langzaamste revolutie die er is: die van inzicht, van verandering van binnenuit.

Misschien ben ik geen activist, maar een activerende schrijver. Iemand die niet de barricade opklimt, maar een ladder naar begrip bouwt. En ik hoop, al is het maar een beetje, dat ook dat telt. Dat ook traag vuur kan branden (maar dan liefst zonder fijnstof).

Nog even dit:

Silent Spring ademt een soort van ingehouden verzet, en dat maakt het boek des te krachtiger. Rachel Carson schreef het niet als een pamflet, maar als een wetenschappelijk onderbouwde, haast literaire aanklacht. Ze was biologe en marien ecoloog, geen activist in de traditionele zin. Toch schuilt er in haar rustige, zorgvuldige toon een diep moreel appel. Ze zet geen grote woorden in, maar juist in haar beheersing voel je de urgentie.

Carson verzette zich — bijna stilletjes maar uiterst doeltreffend — tegen het dominante geloof in technologische vooruitgang zonder ethische begrenzing. Ze stelde de chemische industrie verantwoordelijk voor ecologische schade, en bracht tegelijk het overheidsfalen aan het licht. Haar verzet lag in het openbaren van wat anderen liever verborgen hielden. Haar boek werd een kalme, maar onverzettelijke aanklacht tegen de vernieling van de natuur, geschreven met de precisie van een wetenschapper en de overtuigingskracht van iemand die wist dat haar woorden het verschil konden maken.

Voor mij bood Silent Spring een vorm van erkenning: dat betrokkenheid ook intellectueel en stil kan zijn. Het boek liet zien dat verzet zich niet altijd uit in spandoeken en leuzen, maar net zo goed in het geduldig verzamelen van feiten, het helder formuleren van een ongemakkelijke waarheid, het schrijven dat de lezer aan het denken zet. Carson liep niet voorop in demonstraties, maar wat zij deed — grondig onderzoek vertalen naar toegankelijke taal — was minstens zo ontwrichtend voor het heersende narratief.

In zekere zin voelde het als een rechtvaardiging van mijn eigen neiging tot een stiller engagement: ik hoefde niet per se op de barricade te staan om toch iets van verzet te voelen of uit te dragen.

Humans in space is very old school

There will be an efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space.

The ‘Fading Horizons’ trilogy by Noald “Varn” O’Donner is summed up by the captain’s statement in part 3: “Space doesn’t take prisoners, it takes everything.” Throughout the mission, he and his crew not only leave planets behind, but after each discovery, also parts of themselves. Varn O’Donner summarizes it like this: “We search for life among the stars, but it’s the losses that follow us home.” Varn is a nickname the author earned during his time at ISRO (Indian Space Research Organisation) in Bangalore.

O’Donner was born in 1959 in Wicklow, Ireland as the son of a local physician and a secondary school literature teacher.

RvN: Varn, welcome, and thank you for agreeing to this short interview. Let me start by asking: What brought you to Bangalore and ISRO? It seems quite a leap from your earlier work.

Varn O’Donner: Thank you, Ronald, it’s a pleasure to be here. Yes, it does seem like quite a leap. Before ISRO, I worked in a sanatorium in the US as a Social Worker and Occupational Therapist. My background is in medicine and psychology, and I specialized in stress management, particularly for high-intensity environments. When the opportunity came up at ISRO, they needed someone in a role like that; a specialist to help manage the psychological and physical stress the workers faced in such a demanding institution. Space research is thrilling but can be immensely taxing on the mind and body.

RvN: That’s fascinating. So it was your expertise in handling stress that brought you there. But during your time in India, something else sparked—your love for science fiction. Can you tell us how that came about?

VO: Yes, it was an unexpected discovery. Sci-Fi had always intrigued me, but it was in India, surrounded by cutting-edge space research and the unique cultural atmosphere, that I found the real inspiration. There’s something deeply resonant about the intersection of ancient philosophy and modern science that you encounter there. The vastness of space felt almost spiritual, and I started seeing Sci-Fi not just as a genre but as a way of exploring the human condition. It was also during this time that I earned the nickname ‘Varn,’ which has roots in Sanskrit and represents the diversity of human characteristics. It felt like the perfect fit, especially with how the experiences at ISRO shaped my writing.

RvN: That’s an insightful connection you make between science fiction and the human condition. Now, as someone who has written extensively about space exploration, I’m curious—do you think manned space travel will continue to be the future of exploration?

Is it O’Donner’s reflective nature? His thoughts seem to drift between his current life and the fictional worlds he has created. There is a pause, as O’Donner glances out of the window.

VO: Well, here’s the thing—I actually don’t believe in manned space travel, at least not in the way we imagine it today. The reality of the future, in my view, is that exploration will be done entirely by the machines we create. Flesh-and-blood humans? Too fragile, too resource-intensive for the distances and timescales involved. We’ve barely scratched the surface of what robotics and AI can do, and I think they’ll be the true explorers of space. We might watch their journey, we might even feel connected to it, but physically? I don’t think we’ll be out there.

RvN: That’s quite a bold statement, especially for someone who has built a career on writing about human experiences in space. Does that affect how you approach your writing now?

VO: It does, actually. And that ties into something else I’ve been thinking about for a while now. To be honest, I don’t have much faith in the future of science fiction literature either. The visual culture we’re in today is simply too overwhelming. Films, series, documentaries—they dominate how we consume stories about the future. In many ways, literature has become more of a stepping stone—a precursor to a screenplay, or a concept that might eventually turn into a film or visual project. And the pace of technological change? It’s relentless. You write about one thing, and by the time it’s published, it’s already outdated.

The latest volume completes the trilogy |© Cum Suis

RvN: That’s a sobering view. Do you think Sci-Fi writers, like yourself, should adjust to that new reality?

VO: I think we already are. It’s not so much about resisting the change as it is about embracing it. Many of us are moving towards more visual mediums, collaborating with filmmakers, or even writing with the screen in mind. The traditional sci-fi novel might still have a place, but it’s increasingly becoming part of a broader ecosystem. To stay relevant, we have to adapt—just like the worlds we create.

The mood in the room subtly shifts as O’Donner’s words challenge traditional notions of space travel and literature. His voice carries a certain detachment, a realism that borders on cynicism, but his passion for the subject remains evident.

RvN: Varn, before we wrap up, I have to ask—what led you to publish with me at Cum Suis? You’ve had opportunities with bigger publishers, yet here you are with a smaller, independent press. What drew you to me?

VO: That’s an interesting question. Honestly, I’ve always felt that creativity thrives better outside the pressure of large, commercial systems. There’s a certain freedom you get with an indie publisher like Cum Suis, a space where you can take risks and push boundaries without worrying about fitting into a specific market trend. For me, it’s not just about getting the work out there; it’s about having a true dialogue with someone who believes in the work, from the editor to the readers. I found that with you. The personal connection, the shared vision—that’s rare in publishing today. I appreciate that you allow the work to breathe, to be what it needs to be, rather than squeezing it into a formula.

RvN: I’m incredibly honored to have you in my portfolio, Varn. Your work challenges the boundaries of science fiction and literature itself, and it’s a privilege to be part of that journey. I ‘m excited to see where your stories take us next.

VO: Thank you, Ronald. The feeling is mutual. It’s been a rewarding partnership, and I look forward to continuing to explore new horizons together.

As the interview draws to a close, there’s a sense of quiet camaraderie between us. The room feels lighter, filled with the warmth of mutual respect.

Noald “Varn” O’Donner’s perspective on space exploration reflects a growing trend in modern science fiction that emphasizes the practicality and efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space. His belief that robots, rather than humans, will be the key to interstellar discovery is grounded in several practical arguments.

Firstly, the limitations of the human body in space are well-documented. Human biology struggles to adapt to the extreme conditions of space travel, including exposure to radiation, bone density loss in low gravity, and the psychological toll of isolation. Robots, on the other hand, are not subject to these vulnerabilities. They can operate in harsh environments, withstand radiation, and perform tasks without the need for food, air, or rest.

Secondly, robots are more cost-effective. Sending humans into space requires vast amounts of resources—life support systems, safety measures, and fuel. Robots can be built to be more efficient, potentially enabling long-term missions without the need to return to Earth. They can also perform tasks autonomously or semi-autonomously, reducing the need for human intervention and making deep space missions more feasible.

From a storytelling perspective, Varn O’Donner might argue that robots represent a future where exploration is driven purely by logic, efficiency, and scientific discovery, unburdened by the emotional and ethical dilemmas humans face. His stance likely critiques the romanticized vision of human explorers bravely venturing into space, proposing instead a future where AI and robotics take the lead, allowing humanity to discover new frontiers from a distance, without risking lives.

In his view, humans in space might appear outdated because, as technology evolves, we could delegate our curiosity to machines that are far better suited for the task—allowing humans to stay on Earth or inhabit controlled environments, while robotic explorers pave the way.

Nooit goed van de grond gekomen

Ze trouwde met een jongen in de verpakking van een man.

Een thema, een diepe duik, talloze invalshoeken; Cover Story Magazine blijft trouw aan zijn naam en opzet. Elk nummer staat volledig in het teken van één onderwerp, dat van voor tot achter wordt verkend, ontleed en soms ook voorzichtig opgetild uit de schaduw. In deze meimaand buigen we ons over een fenomeen dat op het eerste gezicht onschuldig aandoet, zelfs charmant: Het Peter Pan syndroom.

Voor wie de term vaag bekend voorkomt uit de psychologie of de popcultuur: het Peter Pan syndroom verwijst naar volwassenen – doorgaans mannen – die weigeren volwassen verantwoordelijkheden op zich te nemen. Ze blijven hangen in een jeugdige levensstijl, mijden engagement, en worstelen met het idee van ouder worden. Dat lijkt misschien een detail, een eigenaardigheid zelfs, maar de realiteit is vaak schrijnender.

Psycholoog en gedragswetenschapper prof. dr. Malcolm D. Harrow, gespecialiseerd in volwassenontwikkeling en relationele dynamieken, gaat vanaf pagina 15 diep in op het fenomeen. Met scherpe analyses en voorbeelden uit zijn praktijk laat hij zien hoe het syndroom niet alleen de persoon zelf beïnvloedt, maar ook zijn of haar omgeving.

Een schrijnend én herkenbaar verhaal komt van Maaike en Jens van Zalinge, een echtpaar uit Deventer dat op het eerste gezicht gelukkig getrouwd is. Toch knaagt er iets. Jens is grappig, creatief, zorgeloos; precies dat wat Maaike ooit aantrok. Maar inmiddels is zij 62, moeder van twee volwassen kinderen, en zoekt ze houvast in de toekomst. Jens leeft nog steeds met één voet in Neverland. De ironie van de coverquote is sprekend: “Mijn ouders juichten toen ik iemand van mijn eigen leeftijd ontmoette. Maar Peter Pan is geen ideale partner, zodra je klaar bent om Neverland te verlaten.”

Hun verhaal leest als een liefdesverklaring en een waarschuwing tegelijk. Het illustreert hoe lastig het is om samen te leven met iemand die weigert de sprong naar volwassenheid te maken, hoe charmant en liefdevol hij ook is.

Uitgeverij Cum Suis is trots op deze editie van alweer de negende jaargang in opdracht van Cover Story Magazine en tevreden met de rijke schakering aan invalshoeken die dit themanummer biedt. Een magazine dat niet alleen leest als een dossier, maar ook als een spiegel en soms: een wake-up call.

Vergankelijkheid als monument

Een kunstwerk dat de kracht van verval viert.

In de uitgestrekte natuurgebieden van de Republiek Aseria is onlangs een bijzonder kunstwerk voltooid: een sculptuur van Amerikaans president Donald Trump, uitgehouwen in een imposante wand van zandsteen. Het project, gerealiseerd onder toezicht van het Ministry of Tourism and Culture, markeert een vernieuwende benadering van monumentale kunst, waarin tijd, verval en reflectie centraal staan.

De titel van het project, Rushmore Don’t Rush, verwijst op speelse wijze naar Mount Rushmore, waar vier Amerikaanse presidenten voor de eeuwigheid in graniet zijn vereeuwigd. In Aseria koos men juist voor zandsteen: een gesteente dat, onder invloed van weer en wind, snel zal eroderen. De boodschap is helder: geen haast om te blijven, maar de wijsheid om te verdwijnen.

De ondertitel van het project, “Let’s not immortalize a madman,” is een citaat van de gerespecteerde Aserische staatsman Eldrin Vass, voormalig Minister van Staatsveiligheid en Cultuur. Tijdens de voorbereidende debatten wees Vass op de gevaren van het vereren van controversiële leidersfiguren door ze letterlijk in steen te vereeuwigen. Zijn woorden vonden brede weerklank, en leidden tot een symbolische beslissing: niet het idee van onverwoestbare grootsheid zou centraal staan, maar juist de erkenning van menselijke feilbaarheid en de vergankelijkheid van macht.

Om deze boodschap te ondersteunen, heeft uitgeverij Cum Suis een informatieve en esthetisch prikkelende folder samengesteld, in opdracht van het Ministry of Tourism and Culture. De folder begeleidt bezoekers door de thematiek van het kunstwerk en nodigt hen uit om getuige te zijn van het natuurlijke proces van erosie; een proces dat langzaam, maar onvermijdelijk, de scherpe trekken en opgeblazen zelfbeelden zal uitwissen.

Toeristen worden van harte uitgenodigd om het werk te bezoeken en jaar na jaar de subtiele veranderingen te volgen. Zo wordt Rushmore Don’t Rush niet slechts een statisch monument, maar een levende les in nederigheid, geschiedenis en de verstrijking van tijd.

Transience as a monument

An artwork celebrating the power of decay.

In the vast natural landscapes of the Republic of Aseria, a remarkable artwork was recently completed: a sculpture of American President Donald Trump, carved into an imposing sandstone cliff. The project, realized under the supervision of the Ministry of Tourism and Culture, represents an innovative approach to monumental art—one in which time, decay, and reflection take center stage.

The title of the project, Rushmore Don’t Rush, playfully references Mount Rushmore, where four American presidents have been immortalized in granite. Aseria, by contrast, deliberately chose sandstone—a rock that, under the influence of wind and weather, will erode rapidly. The message is clear: no rush to remain, but the wisdom to disappear.

The project’s subtitle, “Let’s not immortalize a madman,” is a quote from the respected Aserian statesman Eldrin Vass, former Minister of State Security and Culture. During the preparatory debates, Vass warned of the dangers of venerating controversial leaders by literally carving them into stone. His words resonated widely and led to a symbolic decision: the focus would not be on indestructible greatness, but on the recognition of human fallibility and the transience of power.

To support this message, the publisher Cum Suis—commissioned by the Ministry of Tourism and Culture—has produced an informative and aesthetically engaging brochure. The brochure guides visitors through the themes of the artwork and invites them to witness the natural process of erosion: a slow but inevitable force that will gradually erase the sharp features and inflated self-image.

Tourists are warmly invited to visit the work and observe its subtle transformations year after year. In this way, Rushmore Don’t Rush becomes more than a static monument; it becomes a living lesson in humility, history, and the passage of time.

Verhalentoneel zonder druk om te onthouden

Een momententheater dat draait om het nu.

Roos en Tim Doornenveld uit Velp ontmoetten elkaar tijdens hun opleiding tot maatschappelijk zorgverlener gespecialiseerd in psychogeriatrie; een opleiding gericht op de zorg voor mensen met dementie en andere ouderdomsgerelateerde aandoeningen. Al snel ontdekten ze hun gedeelde passie: niet alleen wilden ze professionele zorg bieden, maar ook de diepere lagen van het menselijk geheugen aanspreken, daar waar herinneringen leven.

Herinneringstheater, dwz: een voorstelling die herinneringen oproept en mensen verbindt met hun verleden. Belevingstheater, dwz: een ervaring die draait om gevoel, sfeer en interactie, los van cognitieve beperkingen. Momententheater, dwz: theater dat draait om het nu en de magie van het moment.

Naast hun werk in de ouderenzorg wijden Roos en Tim zich aan een bijzonder project: herinneringstheater. In hun voorstellingen nemen zij mensen met dementie mee terug naar de wereld van hun jeugd. Bekende televisieprogramma’s uit de jaren ’50 en ’60 vormen de basis. Zelf treden ze op als Rikkie en Slingertje, een knipoog naar het gelijknamige poppenprogramma dat ooit het kinderhart veroverde.

‘Rikkie en Slingertje’ was een eenvoudige, vrolijke poppenserie waarin twee kleine vriendjes allerlei avonturen beleefden. De herkenbare stemmen, eenvoudige decors en liefdevolle interacties maakten het programma geliefd bij een hele generatie. Naast deze klassieker brengen Roos en Tim ook verwijzingen naar andere bekende programma’s zoals Dappere DodoPipo de ClownDe Fabeltjeskrant en Swiebertje. Elk liedje, elke dialoog en elk kostuum is zorgvuldig gekozen om sluimerende herinneringen zachtjes wakker te maken.

Wat hun werk extra bijzonder maakt, is dat zij gebruikmaken van participatietheater: bewoners van verzorgingshuizen worden niet alleen toeschouwer, maar mogen ook zelf een rol aannemen; groot of klein, passend bij hun mogelijkheden. Zo wordt herinnering geen eenrichtingsverkeer, maar een gezamenlijke beleving vol glimlachen, zingen en soms zelfs improviseren.

Roos en Tim treden niet op in reguliere theaters. Hun ‘podia’ zijn woonkamers, gezamenlijke zalen en tuinen van verpleeghuizen, hospices en andere zorglocaties waar mensen met Alzheimer of andere vormen van dementie wonen. Hun doel is niet grootse kunst, maar kleine, dierbare momenten van verbinding.

Uitgeverij Cum Suis is dan ook verheugd om de opdracht te hebben gekregen van R&S Producties (zoals Roos en Tim hun initiatief noemen) om het officiële programmaboekje samen te stellen. Een boekje vol verhalen, beelden en herinneringen, zodat hun liefdevolle werk nog verder reikt en niet alleen de harten van de bewoners, maar ook die van hun familie en verzorgers mag raken.

Fragment uit: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Ik schrijf je deze brief omdat er iets tussen ons is voorgevallen dat ik niet kan negeren, en waarvan ik denk dat het nodig is om het uit te spreken, hoe moeilijk ook.

Moodboard c.q. schetsplan voor De Liefdesbrigade.

Je stuurde me onlangs die bandopname van de redevoering van Goebbels1. Ik heb ernaar geluisterd, en ik moet zeggen: het deed me huiveren. Niet alleen vanwege de stem van de geschiedenis die daar spreekt – een stem die aanzet tot haat, tot de dood van miljoenen – maar ook omdat ik het gevoel kreeg dat jij erdoor geraakt werd op een manier die ik moeilijk kan plaatsen.

Ik wil je niet beschuldigen. Maar ik voel me verplicht om open te zijn over wat dit bij mij oproept. De woorden die Goebbels gebruikt – over de ‘Mongolensturm’, over de verdediging van Europa tegen de Bolsjewisten – zijn doordrenkt met racisme, propaganda en misleiding. Ze zijn gericht op het ophitsen van een volk dat al jarenlang onderdrukt werd door terreur.

Wat mij trof, is dat deze toespraak, waarin een oorlogsmisdadiger zijn volk oproept tot de laatste wanhopige strijd, bij jou blijkbaar een emotionele snaar raakt. Dat maakt me bezorgd. En eerlijk gezegd: verdrietig. Niet om je te veroordelen, maar omdat ik me afvraag of je je werkelijk bewust bent van de historische lading en morele implicaties.

Mag ik je daarom iets vragen, met alle voorzichtigheid en respect die ik kan opbrengen? Hoe ben jij grootgebracht? Welke beelden van de geschiedenis zijn jou meegegeven? En voel je je werkelijk thuis bij zulke retoriek, of is er iets anders aan de hand? Ik vraag dit niet om je aan te vallen, maar omdat ik in verwarring ben geraakt over wie je werkelijk bent, en wat je beweegt.

Ik weet dat de wereld complex is. Dat het huidige geopolitieke klimaat gevoelens oproept over Oost en West, over dreiging en verdediging. Maar er zijn grenzen. Grenzen die we niet zomaar mogen verleggen omdat onze eigen tijd ook moeilijk is.

Ik hoop dat je begrijpt dat ik dit niet licht schrijf. Maar ook dat ik, ondanks alles, nog steeds geloof dat eerlijkheid – hoe pijnlijk ook – beter is dan wegkijken of zwijgen.

Met een dierbare groet,
Onno
van Dorreland

1 Over de historische context van de toespraak van Joseph Goebbels en de bevrijding van Berlijn

De redevoering die Joseph Goebbels hield in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij de bevolking van Berlijn opriep zich te verzetten tegen de oprukkende Sovjetlegers, vond plaats in een periode waarin Nazi-Duitsland feitelijk reeds verslagen was. Goebbels, als minister van Propaganda, trachtte in deze speech de Duitse bevolking tot een laatste wanhopige verdediging aan te zetten. Hij deed dat met een combinatie van nationalistische retoriek, racistische beeldvorming (zoals het gebruik van de term “Mongolensturm”), en het mobiliseren van angst voor het “Bolsjewistische gevaar”.

Het is essentieel om te begrijpen dat deze toespraak niet los te zien is van het bredere historische en morele kader: Nazi-Duitsland was op dat moment een misdadig regime, verantwoordelijk voor de Holocaust en een verwoestende wereldoorlog. De Sovjet-Unie, hoe complex en later zelf ook gewelddadig in haar optreden, was in deze context een geallieerde macht die mede verantwoordelijk was voor het beëindigen van deze terreur.

De Slag om Berlijn, die eindigde in mei 1945 met de inname van de stad door het Rode Leger, markeerde het definitieve einde van het Derde Rijk. Voor de meeste Europeanen, inclusief Nederlanders, betekende dit het begin van de bevrijding. Hoewel het optreden van het Rode Leger op bepaalde plaatsen met geweld en wraak gepaard ging, is het historisch onhoudbaar om in deze specifieke context de Sovjets als de morele agressor te zien. Zij maakten deel uit van de coalitie die Europa verloste van het Nazisme.

Dat sommigen vandaag de dag – in het licht van de huidige geopolitieke spanningen – teruggrijpen op anti-Russische sentimenten, is begrijpelijk binnen de actualiteit. Maar het is historisch én ethisch onjuist om die gevoelens te projecteren op de situatie van 1945, waarin de Russen onmiskenbaar de bevrijders waren. De keuze om in deze context niet aan de kant van de bevrijders te staan, maar ontroerd te raken door een toespraak van een oorlogsmisdadiger, roept dan ook ernstige vragen op over het morele besef van het heden.

Lieve Onno,

Wat ben ik dankbaar dat je de moed hebt gehad om je gevoelens en vermoedens met me te delen. Het raakt me diep dat je dacht dat ik sympathie zou voelen voor wat Goebbels vertegenwoordigde maar ik begrijp het volkomen. Zeker als je alleen afging op de opname en niet wist van de achtergrond die ik zelden tot nooit met iemand deel.

Laat me je uitleggen waarom ik je juist die toespraak stuurde, en waarom ik daardoor emotioneel werd op een manier die anders is dan je vermoed hebt.

Ik werk, zoals ik je nu pas vertel, al geruime tijd samen met een organisatie die als doel heeft beginnende neo-nazistische bewegingen op te sporen, te infiltreren en hun netwerken bloot te leggen. We doen dit werk uiterst discreet, omdat openlijke afstand nemen ons onmogelijk zou maken binnen te komen waar we nodig zijn. Daarom moet ik soms, ook persoonlijk, poses aannemen die haaks staan op wie ik werkelijk ben.

Mijn Joodse afkomst – iets wat ik niet van de daken schreeuw, omdat het juist in dit werk tegen mij gebruikt zou kunnen worden – is voor mij een voortdurende bron van motivatie om alert te zijn op herlevende vormen van fascisme, racisme en antisemitisme. Wat ik jou stuurde, was geen uiting van bewondering. Integendeel. Ik ken deze toespraak tot in detail omdat ik analyseer hóe gevaarlijk en geraffineerd de retoriek was en hoezeer deze nog steeds, onder nieuwe vlaggen, mensen weet te raken.

Misschien had ik je beter moeten voorbereiden. Misschien was het naïef van mij om te denken dat jij mijn bedoelingen zou aanvoelen zonder uitleg. Dat je, uit oprechte morele verontwaardiging, mijn bedoelingen in twijfel trok, neem ik je daarom niet kwalijk. Het getuigt juist van je gezonde instincten en van je moreel kompas.

Je hebt volkomen gelijk dat de Russen in 1945 onze bevrijders waren. Tegelijkertijd hebben wij — ook historisch — te maken met het wrange besef dat vele Oost-Europeanen na de oorlog een nieuw soort onderdrukking kenden. Poolse families, Hongaren, Oost-Duitsers: ze werden niet ‘vrij’ in de zin waarin wij het beleefden. Dat is een historische tragiek, maar het verandert niets aan de rol die het Rode Leger speelde bij het verslaan van het nazisme.

Ik hoop dat deze uitleg iets van je verwarring wegneemt. En als je nog vragen hebt, of meer wilt weten over wat ik precies doe, ben je altijd welkom om het me te vragen. Voor mij is vertrouwen het hoogste goed en ik wil graag dat je weet dat je, ondanks deze pijnlijke vergissing, veilig bent bij mij.

Met hartelijke groet en respect,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Onno,

Naar aanleiding van mijn eerdere brief voel ik, na enig beraad, de behoefte om nog een aanvullende, meer zakelijke toelichting te geven. Dit om elke mogelijke verwarring volledig op te helderen.

In mijn werk voor een organisatie die zich toelegt op de monitoring en bestrijding van opkomende neo-nazistische netwerken, is het essentieel om inzicht te hebben in historische propagandatechnieken en de manier waarop ze vandaag de dag opnieuw gebruikt kunnen worden. Onderdeel van deze taak is het analyseren van originele bronnen, waaronder toespraken van prominente figuren als Joseph Goebbels. Deze studie dient niet ter verheerlijking, maar ter preventie.

Mijn persoonlijke achtergrond (waaronder mijn Joodse afkomst) is voor deze werkzaamheden bekend bij de betreffende instanties maar wordt uit veiligheidsoverwegingen in mijn publieke leven niet benadrukt. De opname die ik je stuurde, maakte deel uit van een bredere analyse die ik op dat moment aan het afronden was. Mijn emotionele reactie was gericht op de gevaarlijke kracht van retoriek, niet op de inhoudelijke boodschap zelf.

Tenslotte: dat het Rode Leger in 1945 een bevrijdende rol speelde in Europa, staat voor mij buiten kijf. Dat de nasleep in Oost-Europa een andere vorm van onderdrukking met zich meebracht, is een historisch feit dat echter los staat van de context waarin Nazi-Duitsland destijds werd verslagen.

Ik vertrouw erop dat dit je een volledig beeld geeft van mijn positie en beweegredenen. Mocht je verdere vragen hebben, dan sta ik daar uiteraard voor open.

Met vriendelijke groet,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Gertrud,

Hartelijk dank voor je tweede brief en de open en zorgvuldige toelichting die je daarin hebt gegeven. Ik heb grote waardering voor de helderheid en de kalmte waarmee je deze complexe situatie uiteenzet.

In alle eerlijkheid: ik besef nu des te meer hoe snel schijn kan bedriegen en hoe belangrijk het is om niet te snel te oordelen. Wat je met mij hebt gedeeld, vraagt om discretie en respect en ik wil je nadrukkelijk verzekeren dat je op mijn volledige vertrouwelijkheid kunt rekenen.

Omdat vandaag de dag is waarop wij gezamenlijk stilstaan bij de slachtoffers van oorlog en onderdrukking, wil ik je bij deze ook een gepaste en respectvolle dodenherdenking toewensen. Juist na ons gesprek van de afgelopen dagen voel ik des te meer hoe waardevol het is om te blijven herinneren en om te waken.

Nogmaals dank voor je openheid en je vertrouwen. Ik hoop dat we in deze geest verder kunnen gaan.

Met een allerhartelijkste groet,
Onno
van Dorreland

Recentie: Houd van je buren maar haal de heg niet weg.

In de roman Houd van je buren maar haal de heg niet weg worden kleine menselijke drama’s gevangen. Vanuit het perspectief van een geamuseerd maar door schade en schande wijs geworden Einzelgänger – die luistert naar de naam Victor Weemans – ontvouwt zich een verhaal over nabijheid, verleiding, trouw en de dunne grens tussen bewondering en sarcasme.

Victor, een mislukt idealist op het gebied van de liefde, kijkt met een mengeling van ironie en oprechte verbazing naar zijn buren aan de andere kant van de heg: de ogenschijnlijk harmonieuze Nadine en haar echtgenoot Diederik, een man met een licht onbeholpen intellectuele uitstraling. Terwijl Victor door zijn eigen ervaringen – stukgelopen relaties, overspel en een diepgeworteld cynisme – geen illusies meer koestert over de houdbaarheid van romantische verbondenheid, bewondert hij tegelijkertijd de serene vanzelfsprekendheid waarmee zijn buren hun huwelijk lijken te bewaren.

Nadine stuurt hem regelmatig appjes met adviezen, als een vriendelijke, maar licht anachronistische gids, in een wereld die Victor allang achter zich heeft gelaten. Zij spreekt over trouw, over het belang van een frisse blik en het voorkomen van relationele luiheid. Victor, de geboren twijfelaar, vraagt zich af hoeveel daarvan werkelijk op zuiverheid berust en hoeveel op bewuste blindheid voor elkaars misstappen. Hij twijfelt niet zozeer aan hun liefde, maar wel aan de mythes die mensen nodig hebben om zichzelf daarin staande te houden.

De hoofdfiguur wordt mild maar genadeloos geschetst: Victor is niet enkel een rancuneuze buitenstaander, maar ook iemand die zijn eigen aandeel in eerdere mislukkingen onder ogen ziet. Zonder zichzelf te sparen – hij bekent bijvoorbeeld zonder omhaal een affaire te hebben gehad met de vrouw van een vriend – probeert hij zijn rol te vinden als ‘hofnar’ in het leven van Nadine en Diederik: degene die alles mag zeggen zolang hij niet te ver gaat. Maar hij weet: narren zijn nooit echt veilig.

Het boek ontleent zijn kracht aan de licht ironische, maar nooit bittermakende toon waarin de personages tot leven komen. De onderhuidse melancholie geeft de luchtige passages extra reliëf. Het verhaal is beeldend en levendig opgebouwd, met een scherp oor voor het ritme van de gedachtegang van een man die zichzelf bij vlagen serieus neemt, maar tegelijk beseft dat zijn waarheden net zo feilbaar zijn als die van zijn buren. De roman weet de banaliteit én de schoonheid van menselijke relaties treffend uit te lichten. Grote drama’s of onwaarschijnlijke wendingen blijven uit; het drama schuilt in het kleine, het alledaagse. In het onuitgesproken weten dat achter elke heg, hoe zorgvuldig ook gesnoeid, verhalen schuilgaan die nooit volledig verteld zullen worden.

Toch is Houd van je buren maar haal de heg niet weg niet helemaal verstoken van dramatiek. Onder de ogenschijnlijke kneuterigheid sluimert spanning, die op een bepaald moment een onschuldige grens overschrijdt. Een kleine, bijna achteloze daad — een misplaatste grap, een onverwachte bekentenis — brengt de vriendschap tussen de buren aan het wankelen. Wat volgt is geen schreeuwende breuk, maar een pijnlijke verschuiving, een stille verwijdering, die des te schrijnender is omdat niemand haar hardop durft te benoemen.

Het boek laat zien dat niet alleen grootse daden, maar vooral kleine misstappen ons leven tekenen. De fragiele balans waarop menselijke verbondenheid rust wordt scherp verbeeld, alsook hoe eenvoudig het is om, zelfs zonder kwade wil, die balans voorgoed te verstoren. Juist door grote drama’s te mijden, voelt de ingehouden ontwrichting des te wranger en echter.

Houd van je buren maar haal de heg niet weg is een ode aan de menselijke halfslachtigheid, verpakt in een luchtig maar trefzeker verhaal, een stille triomf voor wie houdt van romans die evenveel begrip tonen voor de drang naar trouw als voor de onontkoombare neiging tot falen.

Boekenmeisje en Taaljongen; een ijzersterke combinatie.

Boekenmeisje en taaljongen.nl vormen een duo. Samen hopen ze het geschreven woord naar een hoger plan te tillen. Wat begon als een creatief taalbureau onder de naam taaljongen.nl, is inmiddels uitgegroeid tot een ondersteunend platform voor eenmansuitgeverij Cum Suis.

Samen sterk.

Taaljongen.nl bood in zijn beginjaren een breed scala aan taaldiensten: van redactie en correctie tot copywriting, schrijfcoaching en vertalingen. Met oog voor stijl en inhoud werkte taaljongen.nl aan het plan om particulieren, bedrijven en organisaties te ondersteunen bij hun communicatie, of het nu ging om een heldere tekst voor een website, een pakkend verhaal of een zorgvuldig geredigeerd manuscript.

‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak’ (Slauerhoff)

Tegenwoordig richt taaljongen.nl zich op de ondersteuning van Cum Suis, de onafhankelijke uitgeverij van een zelfpublicist. Deze uitgeverij creëert boeken met karakter; eigenzinnig, verdiepend en met een duidelijke stem. De verbinding tussen taal en uitgeven is daarmee sterker dan ooit. Boekenmeisje is de drijvende kracht achter de promotie van deze uitgaven. Ze zorgt ervoor dat de boeken van Cum Suis hun weg vinden naar liefhebbers van mooie, onafhankelijke non-fictie en literatuur.

Maar Boekenmeisje doet inmiddels meer. Ze is ook actief als zelfstandige verkoopster van tweedehandsboeken, en biedt een divers assortiment aan via boekwinkeltjes.nl. Deze uitbreiding maakt haar tot een echte boekenfluisteraar: iemand die boeken niet alleen leest en koestert, maar ook opnieuw tot leven brengt bij een volgend lezerspubliek.

Benieuwd naar het huidige aanbod? Hieronder volgt een overzicht van de titels die Boekenmeisje momenteel aanbiedt op boekwinkeltjes.nl. Het komt, vrees ik, hier op neer: u wordt gevraagd een boekje van haar te kopen, dat kan Cum Suis verder. (https://www.boekwinkeltjes.nl/v/boekenmeisje/)