Het gaat niet om jou

Misschien valt er vanaf nu een astronomische schemering over mijn blogberichten.

Normaal gesproken neem ik nooit iets serieus aan mijn dromen; waarschijnlijk omdat ze nooit lucide genoeg zijn om er iets van te willen onthouden. Maar gisteren trad er een markant individu in op. Hij sprak door alle vergeten belevenissen heen. Wat hij zei zou me bijblijven voor de duur van de droom: “Morgen tien over tien.” Het enige wat ik deed was die zin herhalen. Dat werd door beiden opgevat als een bevestiging.

Aan het eind van de droom scheen ik de afspraak te zijn vergeten. Vandaag droomde ik weer heel belevingsrijk. Alles wat ik me daarvan kan herinneren is dat het zich afspeelde in dezelfde setting als gisteren. Ik was me, zoals gezegd, van geen afspraak meer bewust, maar op een zeker moment kreeg ik een notificatie. Het bleek om de korte uitwisseling met de man van gisteren te gaan. Vanaf dat moment ging ik me haasten.

Rennen in een droom spot met je lichaam dat redelijk bewegingloos in een bed ligt. Ik belandde in een loge vol identieke wezens. Ze waren niet erg vriendelijk tegen me. Ik merkte dat ze wisten met wie ze van doen hadden. Ze wekten zonder uitzondering de indruk dat ze me kenden en zelfs weet hadden van mijn toekomst. Notificaties zijn niet bedoeld om iemand te laat te laten komen. Misschien was ik precies op tijd.

Helaas hield de droom toen op. ik keek op de klok van mijn mobieltje. Het was 4:30u, het begin van de civiele schemering. Deze fase start zodra de zon minder dan 6 graden onder de horizon staat; begin juli is dat rond deze tijd. Er is dan al zoveel indirect zonlicht dat je moeiteloos kunt zien. 5:20 van deze zelfde dag markeert het astronomische moment waarop de bovenrand van de zonneschijf de horizon snijdt: de officiële zonsopkomst.

Door het verstrooide licht in de hogere luchtlagen is de nachtelijke duisternis op dit moment al lang en breed verdreven. Al dromend meende ik even dat ik te laat was voor mijn afspraak, hoewel de tijd van leven nooit werd vermeld terwijl ik sliep. Wie zegt mij dat de afspraak van tien over tien met de man uit mijn dromen zich niet in de werkelijkheid zal afspelen? Als dat waar is, heb ik nog tijd genoeg. Deze woorden schrijf ik op om 6:45u.

Wat gaat er straks gebeuren? Misschien kom ik de genoemde man daadwerkelijk tegen. Het blijkt een speciale afgezant te zijn. Zal hij mij iets op het hart drukken dat ik niet mocht missen? “Hou op met die zinloze blogberichten. Stort je nu eindelijk eens op het afronden van dat ene boek.” Misschien heeft hij het echt goed met mij voor en opent hij mijn ogen nog effectiever voor de realiteit: “Het gaat niet om jou.”

Omdat dit zich afspeelt in de werkelijkheid zal ik het nooit vergeten. Ik zal natuurlijk mijn conclusies trekken. Misschien hoort de lezer nooit meer van me. De trouwe geabonneerde ook niet. Dan was dit mijn laatste aankondiging, bericht en overdenking. Ik vond het leuk zolang het duurde. Vaarwel.

Lezersreacties:

Veel lezers wilden weten wat er om 10:10 uur heeft plaatsgevonden. Sommigen waren ook opvallend geïnteresseerd in de aard van de drugs die ik gebruikt zou hebben. Anderen informeerden slechts of het wel helemaal goed met me ging; op die typische, vileine manier die zoveel wil zeggen als dat ze er definitief van overtuigd zijn dat ik ben doorgedraaid.

Laat ik hoofdzakelijk op de eerste vraag ingaan. Daarmee wek ik jegens de belangstellenden naar de tweede vraag immers subtiel de suggestie dat de geestverruimende substanties nog lang niet zijn uitgewerkt; terwijl ik de bezorgde vragenstellers van de derde categorie in de waan laat dat hun sombere vermoedens omtrent mijn geestelijke gezondheid volkomen terecht waren.

Welnu: ​Bedankt voor de belangstelling. Er vond om tien over tien inderdaad een ontmoeting plaats.

De persoon in kwestie wees mij op een versje dat ik ooit schreef voor het poeziealbum van mijn drie jaar oudere zus. Ik was destijds pas vijf; ik kon zo’n rijmpje natuurlijk nooit zelfstandig hebben gecomponeerd. Dat wordt ook direct duidelijk uit de regels waarmee hij kwam aanzetten. De laatste twee zinnen daarvan luiden:

‘Ik gebruik hier woorden op de tast;
mijn moeder houdt mijn handje vast.’


De inzage in dit reeds lang vergeten album heeft mij diep geëmotioneerd, zoals de gehele ontmoeting een volstrekte openbaring was. Tegelijkertijd drong zich een besef aan mij op dat mij oprecht gelukkig maakte: vanaf de allereerste ademtocht in een mensenleven vindt er al registratie plaats. Wat ongetwijfeld ook wil zeggen dat alle pogingen tot kunst die je in woorden bedrijft, altijd talloze meelezers kennen.

​Dat was de hoofdboodschap die mij werd meegegeven. Het maakt ten diepste niet uit welk medium je gebruikt, welke taal je bezigt, hoe onbeholpen de vorm is of wat de exacte inhoud behelst; het hele universum leest mee. Dat onwrikbare gegeven geldt voor alle uitingen van iedereen.

De amechtige, haast krampachtige pogingen om voortdurend dingen onder de aandacht van tijdgenoten te brengen, vergen in dat licht bezien bizar veel overbodige energie. Datzelfde geldt voor de onvermijdelijke zoektocht naar uiterlijke waardering die daarachter schuilgaat. Terwijl die bewijsdrang helemaal niet hoeft. De interventie had dan ook puur tot doel dat ik meer zou gaan creëren vanuit een zuivere innerlijke drang tot expressie, en niet langer vanuit ijdelheid en de zucht naar erkenning.

Het ‘het gaat niet om mij’ waarvan ik van tevoren al vermoedde dat het de kern van de boodschap zou zijn, is daarmee zowel waar als onwaar gebleken. Het is waar in de zin dat het ego en de persoonlijke ijdelheid er totaal niet toe doen; je bent immers slechts een doorgeefluik in een oneindig groter geheel. Maar het is tegelijkertijd onwaar, omdat iedere individuele pennenstreek – hoe klein of op de tast geproduceerd ook – vanaf het allereerste begin wordt gezien en gekend. Je doet er als creator dus wel degelijk toe, zolang de creatie maar voortkomt uit de pure noodzaak om te maken.

Van fraudejacht naar compensatiejacht

Een herhaling van de reflexmatige politieke dadendrang, maar dan de andere kant op. Maar wacht even: dat wisten we toch al?

Het is weer zover: een ‘onthulling’ beheerst het nieuws. De koppen in de kranten kleuren van verbazing nu blijkt dat mogelijk duizenden ouders onterecht zijn erkend als toeslagengedupeerde. Het wordt gepresenteerd als de nieuwste hype; een plotselinge, schokkende wending in een slepende affaire. Men reageert in Den Haag en op de redacties alsof er een buitenaards fenomeen is geland waar niemand op had kunnen rekenen. Dat is niet alleen pijnlijk; het is een gotspe.

Wie destijds wél zijn werk deed en de diepte in dook, hoeft vandaag namelijk nul procent verbaasd te zijn. In zijn boek ‘Zo hebben we het niet bedoeld’ legde onderzoeksjournalist Jesse Frederik de blauwdruk voor deze misstand in 2021 al haarfijn neer. Maar in de spotlights van de actuele verslaggeving blijft het angstwekkend stil rondom zijn naam en dossierkennis.

Wat we nu zien gebeuren, is de exacte herhaling van de reflexmatige politieke dadendrang die de hele toeslagenaffaire in eerste instantie heeft veroorzaakt; alleen schoot het beleid ditmaal met dezelfde rücksichtsloze vaart de compleet tegenovergestelde richting op. Waar eerst de jacht op de ‘fraudeur’ blind doorsloeg, opende men daarna de jacht op de ‘compensatie’. Uit pure politieke paniek en angst om ook maar één slachtoffer over het hoofd te zien, werden de sluizen opengezet met de beruchte 30.000 euro-regeling en flinterdunne criteria.

Jesse Frederik noemde dit destijds al het waterbedeffect: druk je aan de ene kant de fraudejacht omlaag, dan komt aan de andere kant de ongerichte miljardencompensatie omhoog. Het was toen al een mathematische zekerheid dat er massaal publiek geld terecht zou komen bij mensen die strikt genomen nooit slachtoffer waren van institutionele vooringenomenheid. Het stond gewoon opgeschreven. Je kon het lezen.

Dat de journalistiek deze ‘constatering’ nu als een volstrekt nieuw inzicht presenteert, legt een dieper falen bloot. Het toont het totale disrespect voor diepgaand onderzoek en de chronische weigering om zelf de geschiedenis in te duiken of bronnen te controleren. Actuele journalistiek gedraagt zich te vaak als een goudvis: de wereld begint elke ochtend opnieuw zodra er een persbericht of rapport op de mat valt.

Dit mechanisme is overigens niet nieuw. Joris Luyendijk legde de vinger al op deze zere plek toen hij destijds de journalistieke cultuur fileerde. Luyendijk beschreef hoe de media grossieren in een vorm van collectieve napraterij; het overschrijven van elkaars frames in plaats van het controleren van de feiten. Hij schetste hoe correspondenten in het buitenland op een kluitje naar exact dezelfde, in het oog springende feitjes renden, terwijl het daadwerkelijke nieuws gewoon van het Reuters-bureau werd geplukt. Het mocht alleen niet hardop worden gezegd; dat verstoorde de illusie van de alwetende verslaggever ter plaatse.

Hetzelfde gebeurt nu aan de Haagse perstafels. Het is comfortabeler om mee te deinen op de incidentenjournalistiek en een actueel rapport te verslaan als een ‘verrassende primeur’, dan toe te geven dat de feiten al jaren op tafel lagen. Door de geschiedschrijving van het eigen gilde te negeren, degradeert de journalistiek zichzelf van controleur van de macht tot een doorgeefluik van de reflexen van de nieuwsfabriek.

Het overgrote deel van de media gedraagt zich momenteel alsof de goudvis zojuist een splinternieuw kasteeltje in zijn kom heeft ontdekt.

Het ‘nieuws’ dat nu als een schokgolf door medialand gaat, werd half juni 2026 door NRC naar buiten gebracht na een eigen onderzoek gebaseerd op interne memo’s en zeven anonieme bronnen binnen de Belastingdienst. Sindsdien nemen vrijwel alle landelijke media – van NOS en RTL Nieuws tot Hart van Nederland – het frame een-op-een over; het ministerie van Financiën zou “minstens twintigduizend ouders ten onrechte hebben aangemerkt als gedupeerden,” die nu allemaal minimaal 30.000 euro op hun rekening hebben gekregen.

Als je de huidige berichtgeving analyseert, zie je exact de dynamiek die Joris Luyendijk beschreef. De media duiken massaal bovenop het sensationele getal (“20.000 nep-gedupeerden!”) zonder de historische context mee te wegen.

In de brede stroom van de actuele berichtgeving rondom deze specifieke NRC-onthulling schittert de naam van Jesse Frederik door afwezigheid.

Terwijl de vakjury’s zoals de VVOJ (Vereniging van Onderzoeksjournalisten) hem in de professionele luwte alle credits gaven voor het blootleggen van hoe deze compensatieregeling gierend uit de hand liep, negeren de dagjesjournalisten aan de Haagse perstafels zijn blauwprint volledig. Men kiest liever voor het overschrijven van een voorgekouwd stukje dan te refereren aan de journalist die in 2021 en 2022 al met concrete documenten aantoonde dat medewerkers klaagden over massale overcompensatie door de politieke haast.

Het is alsof de geschiedenis pas begint op de dag dat de NRC er een nieuw stempel “Primeur” op drukt. De nieuwsfabriek draait op volle toeren, maar vergeet zijn eigen archief te openen.

Joris is ontketend

Zijn draak, dat zijn wij allemaal: de cynische gezapige nietsdoeners.

Een van de laatste uitzendingen van de NRC-podcast Het Uur van Pieter van der Wielen heeft Joris Luyendijk als gast. Eerst dacht ik: oh god, daar heb je die veelprater van een Luyendijk weer, die doorgaans wel zinnige dingen zegt, maar… en voelde een soort van tegenzin om hem aan te horen, juist vanwege dat ondefinieerbare ‘maar’. Toch heeft wat hij zei, en zelfs de manier waarop, mij ditmaal volledig overtuigd. De voormalige journalist schetst een fundamentele breuk met zijn oude professie; een breuk die direct voortvloeit uit zijn huidige denkbeelden over de geopolitieke situatie in Europa.

Het medium journalistiek eist een neutraliteit die het onmogelijk maakt om de rauwe, persoonlijke emoties van het front over te brengen. Daarom wil Luyendijk daar geen deel meer van uitmaken. Als voormalig journalist gaat hij nu vaak naar Oekraïne in de rol van ‘engagé’.

Luyendijk manifesteert zich niet langer als de analyserende buitenstaander, maar als een fel geëngageerd denker die vindt dat de tijd van vrijblijvende journalistieke neutraliteit voorbij is. Ik realiseerde me dat dit standpunt volledig aansluit bij wat ik in mijn boek ‘The GreenXtreme’ probeer (lees: aan het proberen ben) te beweren. Dat project dreigt echter een eeuwige aanklacht in spe te blijven, terwijl bij Luyendijk de persoonlijke ontwikkeling richting doen in plaats van toekijken (maar ook het formuleren van deze overgang), veel sneller is gegaan. Zelfs mijn afgunst hierover deed me niet voor hem en dit vraaggesprek terugdeinsen. Ik bespeurde ook niets meer van ijdelheid of pedanterie bij hem. Hij is echt een toegewijd betrokkene geworden, een ware verdediger van onze democratische verworvenheden.

Hieronder volgt een samenvatting van zijn actuele wereldbeeld, zijn felle maatschappijkritiek en zijn psychologische ontleding van de “intellectualiserende klasse”. Ik heb hiervoor de podcast als bron genomen. Ik geloof niet dat er al een boek van hem uit is over deze nieuw ingeslagen weg. Hij heeft zich wel op een zelfde manier in een paar essays uitgelaten. Daarnaar verwijst hij in de uitzending, maar ik heb die (nog) niet gelezen.

​Luyendijk stelt dat Europa zich in een feitelijke oorlogstoestand bevindt. Het conflict in Oekraïne is in zijn ogen geen lokaal grensconflict, maar een gevecht aan ons eigen front. Mocht Oekraïne vallen, dan krijgt het regime van Poetin de beschikking over gigantische agrarische en technologische resources, en het meest ervaren leger van Europa. Dat de Russische autocratie daarna vrijwillig zal stoppen met het invallen van andere soevereine staten, noemt hij gevaarlijk wensdenken.

​Zijn vertrek uit de journalistiek is ingegeven door de strikte beroepsregels van het gilde; met name de eis tot objectiviteit en afstand nemen tot het onderwerp. Die neutraliteit beklemt hem. In tijden van existentiële dreiging ervaart Luyendijk de journalistieke plicht tot hoor en wederhoor en distantie als een keurslijf. Hij wil niet langer de gelegenheidsargumenten van beide kanten belichten, maar “zijn land dienen” door expliciet positie te kiezen. Hoewel hij de term activist accepteert, verkiest hij het Franse engagé. Hij herinnert de luisteraar eraan dat alle grote maatschappelijke verworvenheden – van vrouwenrechten tot de rechtsstaat – historisch gezien door activisten zijn bevochten op een onwillig establishment. Journalistiek reduceert grote existentiële crises (zoals oorlog of klimaatverandering) te vaak tot louter “content” die moet concurreren met triviale virale filmpjes.

Een substantieel deel van het gesprek besteedt Luyendijk aan een aanval op de houding van de Nederlandse publieke opinie en in het bijzonder de intellectuele elite. Hij introduceert hierbij de metafoor van de kinderboerderij die het bestaan van roofdieren is vergeten. Luyendijk verwijt gestudeerde mensen dat ze scepsis en nuance hebben verheven tot een doel op zich. Deze constante drang om te problematiseren, te relativeren en kanttekeningen te plaatsen, fungeert volgens hem als een comfortabele rechtvaardiging om zelf buiten schot te blijven en niets te hoeven riskeren. Hij haat deze apathie van de intellectuele klasse.

In vredestijd is intellectuele twijfel een sieraad van de democratie; in oorlogstijd werkt het verlammend. Luyendijk vergelijkt de houding van de presentator en zijn bubbel met iemand die naast een brandend huis staat te filosoferen of de vlammen wel écht zullen overslaan, in plaats van de brandslang te pakken. Deze ‘vredestijdhouding’ is in deze tijd zeer onwenselijk. Nederland lijdt aan de hardnekkige illusie dat een dictatuur en haar geopolitiek geweld op magische wijze stoppen bij de landsgrenzen. Hij trekt een parallel met de laconieke houding in de vroege dagen van de coronapandemie en de neutraliteitsillusie aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

​Het interview escaleert op een fascinerende manier wanneer Luyendijk de presentator aanvalt op diens professionele distantie. Hierin legt hij een directe verbinding met de thematiek uit zijn eerdere boek De zeven vinkjes. De mensen die de afgelopen tachtig jaar carrière hebben gemaakt in de top van de media en de politiek, zijn gesocialiseerd in risicomijdend gedrag, consensus en het strikt volgen van procedures. Dit specifieke type leider is volgens Luyendijk volstrekt ongeschikt voor crisistijd, waarin improvisatie, daadkracht en het nemen van grote risico’s vereist zijn. Hij spreekt van vervormd leiderschap.

Geprivilegieerde mannen (de zogeheten zevenvinkjesmannen) hebben nooit geleerd om werkelijke kwetsbaarheid te tonen, omdat ze overal het voordeel van de twijfel krijgen. Juist die weigering om de eigen kwetsbaarheid – en daarmee de existentiële angst voor de veranderende wereld – onder ogen te zien, creëert een psychologische weerstand. Men vlucht in de ironie, de tegenvraag en de nuchtere distantie om de interne paniek niet te hoeven voelen. Ik denk dat dit onvermogen tot kwetsbaarheid in zijn nieuwe boek ruimschoots aandacht zal krijgen.

Luyendijk pleit voor een collectieve rouwperiode over het wegvallen van het optimisme uit de jaren negentig. Het naïeve idee dat de hele wereld uiteindelijk zou transformeren naar een liberale, westerse democratie is definitief aan diggelen. De gedwongen terugval in een harde, binaire wereldorde is pijnlijk, maar de realiteit moet onder ogen worden gezien.

Volgens Luyendijk verdrijft handelen de angst. Door concreet bij te dragen aan de defensie-industrie, drones te ontwikkelen of humanitaire projecten op te zetten, verdwijnt de verlamming. Wie op het hek blijft zitten twijfelen, heeft de strijd in zijn eigen hoofd al verloren aan de Russische cognitieve oorlogvoering.

Excuus aan de strenge gaatjesgemeenschap

Meccanopuristen krijgen jeuk waar de meer hybride bouwers juichen.

Het nieuwste kunstwerk in mijn huis zal niet bij iedere meccanobouwer in de smaak vallen. Binnen de gemeenschap van constructeurs van dit, van oorsprong voor jongetjes ontworpen, speelgoed, vind je krasse puristen die eisen dat elk minuscuul onderdeel authentiek is. Tot dat kamp behoor ik niet. Voor mij heiligt het doel de middelen; ik streef naar een esthetisch geheel waarin hybride elementen juist een verrijking vormen. Schroeven en moeren behoren in mijn ogen vooral solide te zijn, niet louter historisch verantwoord. Er bestaan genoeg eigentijdse aanpassingen die de nostalgische uitstraling van het beroemde gaatjesijzer uit Liverpool niet in de weg zitten, maar juist versterken.

Engeland bedacht het concept, Duitsland perfectioneerde het staal, en Frankrijk strijkt de esthetische eer op. Ikzelf pikte enkele restanten op van dit gezamenlijk project en werk nu noodgedwongen met de Franse slag.

Voor de bovenbedoelde creatie is de Märklin Metall jubileumset (Set 1019) uit de jaren negentig gebruikt, die een absoluut topstuk is onder de metalen constructiedozen (net als setnummer 1089 die nog veel eerder op de markt kwam). Kenners weten nu meteen waar het over gaat. De legendarische Eiffeltoren die uit al die, in een stevige houten kist ondergebrachte onderdelen, kan worden opgetrokken is een bouwwerk van jewelste. Hoewel Meccano de grondlegger was van het specifieke systeem van gaatjesstrips, nam het Duitse Märklin de licentie voor Centraal-Europa in het begin van de 20e eeuw over en perfectioneerde de productie.

Wat deze specifieke Eiffeltoren-set zo iconisch maakt, is de pure schaal en de geschiedenis ervan. In tegenstelling tot het latere speelgoed van kunststof, ademt dit object pure industriële nostalgie uit; onder andere vanwege het gebruik van staal, de typerende meccanokleuren en de messing bevestigingsmiddelen. Het volgroeide model (vaak gebruikt als indrukwekkend ‘Händlermodell’ om in de winkeletalages te pronken) telt honderden onderdelen en bereikt een hoogte van maar liefst 1 meter 85 op een voet van 60 bij 60 centimeter. De complete set in de originele, massieve kist weegt al snel een slordige 16 kilo.

Het is overigens een fascinerend stukje convergentie in de speelgoedhistorie dat het Britse Meccano-systeem en de verfijnde Duitse metaalbewerking van Märklin samenkwamen om een Frans architectonisch icoon te vereeuwigen. Kan het symbolischer? Engeland toonde zijn excentrieke pioniersgeest, Duitsland zijn dwingende precisie, en Frankrijk eigent zich, flanerend als altijd, de esthetische glorie toe. Het in elkaar zetten van het gevaarte is een beproeving voor je vingers en je geduld; een drift (uitlijnpen) vormt geen overbodige luxe om de tientallen overlappende laagjes metaal netjes voor de schroefgaatjes te krijgen.

Ik heb Set 1019 voor een leuk bedrag op de kop kunnen tikken. Nogmaals, het gaat om de jubileumeditie en dus om een heruitgave. Het origineel – de zeldzame, antieke vooroorlogse variant – heeft een veel serieuzere antiekwaarde, vooral als de originele krat en de antieke handleiding erbij zitten. Mijn modernere versie was helaas niet compleet. De verkoper omschreef het zo: ‘Originele Marklin opbergkist van de Marklin Metall Eiffeltoren, voorzien van al zijn kunststof bakken en deksels, en voor ongeveer 55% compleet wat betreft onderdelen. Een mooie kopie van de bouwbeschrijving is bijgesloten.’  

Märklin heeft destijds bij de heruitgave van deze reusachtige Eiffeltoren bewust gekozen voor een historische knipoog. Niet naar hun eigen eerdere monochrome zwarte sets, maar naar de vroege, klassieke kleuren van het systeem uit de bloeitijd van het metaalspeelgoed. De blauwe omloopranden, de rode rasters en de specifieke tint groen horen exact bij die gelimiteerde Märklin-uitgave. Omdat dit een Märklin-product is (en bovendien een moderne heruitgave), is hier de standaard metrische M4-schroefdraad gebruikt. In tegenstelling tot het Engelse Meccano kun je hier bij eventueel verlies dus wél gewoon een niet in inch gemeten moertje of -boutje indraaien, al gebruikt Märklin natuurlijk wel hun eigen platte, karakteristieke zeskantmoertjes en sleufkopboutjes om het esthetisch consistent te houden.

Waar ik door de meegeleverde voorraad originele 1019-boutjes heen raakte, heb ik naar deze zelfde exemplaren met hun brede, diepe zaagsnede op Marktplaats en op andere internetbeurzen gezocht. Soms gebruikte ik ook boutjes met een vlakkere, rondere kop en een veel fijnere sleuf. Dit zijn metrische replica’s van een ander merk. Ik moest de boel tenslotte sluitend krijgen. Als je op sommige plekken naar de verticale groene dragers kijkt, zie je een klein contrast. Sommige groene strips glimmen alsof ze gisteren uit de fabriek zijn gerold (glanzend dennengroen); terwijl een paar andere strips net een fractie matter en geler van tint zijn. Een heel enkel deel is iets in de kleur gespoten. Er zijn oudere, verweerde of anderskleurige onderdelen gebruikt die naderhand groen zijn gelakt om het tekort in de originele set aan te vullen.

Het esthetische resultaat lijdt er nauwelijks onder, vind ik; je moet immers al met je neus op het metaal gaan hangen om dit te spotten; maar het bevestigt wel dat deze set een ‘werkset’ is geweest. Er is mee geleefd, men is onderweg iets verloren, en ik heb creatief geïmproviseerd om de top te bereiken. Vooral het topsegment van de toren levert het definitieve, onomstotelijke bewijs dat ik een behoorlijk staaltje mechanische improvisatie moest leveren om het gebouw te voltooien (je zou het mijn ‘Franse slag’ kunnen noemen). Onderaan zie je dus gepatineerde Märklin bouten met hun ietwat doffe, klassieke messing- of bronsachtige uitstraling die perfect past bij een oudere metaalset, maar dichter naar de spits glimmen moderne glansbouten van chroom en zink je tegemoet. Ik had hier simpelweg geen originele Märklin-hardware meer over en kon er ook niet zomaar aankomen.

Die vier rode poelies/wielvelgen op het blauwe platform zijn wel heel opvallend ‘vers’. Ze glanzen alsof ze gisteravond uit een gloednieuwe plastic verpakking zijn gehaald. Wat hier aan de hand is: de originele Märklin 1019-set hoort op die specifieke plek eigenlijk metalen schijven of poelies te hebben (vaak zwart of messing). Deze vuurrode, kunststof of strak gelakte varianten wijken qua textuur en glans volledig af van de rest van het historische metaalwerk. De originele onderdelen voor de top ontbraken en ik heb er een viertal moderne Meccano-wielen tegenaan gegooid om de koepelconstructie toch te kunnen dragen.

De toren is absoluut een imposante verschijning, maar het is constructief gezien een ‘restauratieproject’. Het blijft een prachtig architectonisch statement voor in mijn kamer. De jubileumkist is nu helemaal leeg. In tegenstelling tot de langwerpige houten kisten die Märklin in de vroege twintigste eeuw (en bij sommige andere grote bouwdozen) gebruikte, heeft deze jubileumkist voor set 1019 een zeer brede, nagenoeg vierkante basis. De zwarte kunststof inlay (de sorteerbak) is volledig heel en de schuimrubberen beschermlaag in het deksel vertoont geen verpulvering of vergeling. Dat is voor een set van zo’n dertig jaar oud echt een zeldzaamheid.

Op is op. En toen de rest nog. improviseren. Grote klus.

Lezersreactie:
Ja verdomd: Engeland toont zijn inventiviteit, Duitsland zijn efficiency, en Frankrijk flaneert met het eindresultaat. Alweer zo’n teken dat de noordelijke landen zich moeten afscheiden van Europa en ook een eigen munt moeten hebben (te weten de neuro). Of draaf ik nu door?
(Johan, Sneek)

Mijn antwoord:
Ietwat Johan, maar het is niet onprettig om te merken dat mijn brave werkstukjes (ik doel hier zowel op de Meccano-toren als mijn blogbericht) zulke heftige emoties kunnen opwekken.

Grootse gebaren, gigantische gevolgen

Brievenbuspakjes tussen mal en dwaas.

“Duwen jullie die brievenbuspakjes altijd helemaal naar binnen?” wilde een vrouw in mijn bezorgwijk weten.
“Nee, niet altijd” moest ik bekennen. Ik wist niet of ze dat prima vond of afkeurenswaardig, daarom verklaarde ik mezelf meteen maar nader; hoe zat het met dat halve gedoe van mij?
“Soms, als ze nogal zwaar aanvoelen heb ik de neiging om ze in de brievenbus te laten. Dat is best een balanceeract. De klep van de bus moet wel dicht kunnen, anders zou iemand van buiten zo’n pakje er weer uit kunnen trekken. Als ik vrees dat het de val in de hal niet zal overleven, of dat de geadresseerde zich doodschrikt van de klap, wil ik zo’n pakje weleens half naar binnen drukken. Of nee, ik denk dat het een viervijfde deel is dat naar binnen steekt. Dan blijft het meestal wel hangen. Tenminste als er daarna niet nóg een bezorger langskomt en ‘mijn’ pakje alsnog de genadeklap geeft. Het heeft tenslotte maar een heel klein zetje nodig.”

“Ieder jaar maak ik de fout om te denken dat mijn vader nog heel veel begrijpt”, verklaarde de vrouw zich nader. “Maar eigenlijk is hij er best al slecht aan toe. Ik wilde hem online een kaartje sturen via Greetz. Maar daar doen ze altijd van die vervelende voorstellen, vlak voordat je af gaat rekenen. Ze vroegen of ik ‘het gebaar’ wilde aanvullen met chocolaatjes. Ok, dacht ik, misschien is alleen zo’n kaartje inderdaad wat karig, doe er dan maar zo’n doosje Merci bij.”

“Tja, dan wordt het dus een brievenbuspakje”, leefde ik met haar mee.
“Inderdaad” zei ze, om er bozig op te laten volgen: “en dan doen ze ook nog koelelementjes in zo’n doosje.”
“Koelelementjes? Meent u dat nou? Tegen het smelten?”
“Ja precies. Goedbedoeld waarschijnlijk, in deze warme maand; maar het maakt het allemaal niet overzichtelijker.”
“Wie verzint zoiets. Al met al wordt het een vrij zwaar pakje” concludeerde ik, “en als dat op de vloer klettert…”

“Dan springt, als je pech hebt, de verpakking open. Ja, dat is precies wat er gebeurde bij mijn vader.”
“Waar was dat?” wilde ik weten, misschien vanuit een begin van plaatsvervangende schaamte en om eventuele verontschuldigingen namens mijn broodheer aan te bieden.

“In Houten. Hij leeft semi-zelfstandig. Maar als hem zulke dingen overkomen is hij opeens heel afhankelijk. Hij begreep er geen donder van. De chaos in de gang, de opengescheurde verpakking, dat kaartje met al die overbodige woorden van mij, de smeltende chocolaatjes; en die verdomde koelelementen. De cliëntbegeleidster trof hem aan in totale verwarring. Ach, hij woont niet eens zo ver weg. Ik voel me altijd schuldig. Dat schrijf ik dan op. Excuses dat ik er zelf niet kan zijn. Kijk, ik ben mijn plicht als kind al behoorlijk aan het verzaken natuurlijk. Houten, hoe ver is dat nou helemaal? En dan valt alles daar ook nog in duigen. Zo’n PB’er leest waarschijnlijk mee. Die moet de troep opruimen. Die haalt haar neus op voor mijn felicitaties op afstand.”

Ik hoorde haar relaas ietwat ontredderd aan. Het voerde te ver om me namens PostNL te verontschuldigen. Natuurlijk was Greetz hier de boosdoener. Een oude ergernis kwam plotseling bovendrijven. In mijn kerstpakket zat ooit een tegoedbon van deze wenskaartenservice. Ik mocht een gratis kaart sturen naar iemand. Ik had helemaal geen zin  in een online attentie aan wie dan ook. Maar ja, het was gratis hè.

Ik besloot het kleinste formaat te kiezen uit de categerie ‘Gewoon zomaar kaartjes’ en dat naar een halve vriendin te sturen die ik indertijd best zag zitten. Mijn tekst was op het randje maar als ik het verpakte in een zo bescheiden mogelijk gebaar, kon m’n gedicht er net mee door, vond ik. Toen bleek Greetz er uit zichzelf het grootst mogelijke formaat van te hebben gemaakt. Omdat ik er recht op had. En ook ter kennismaking. Want ze waren echt blij met me als nieuwe klant. Een kaart zo groot als een krant. Met mijn rijmpje in chocoladeletters. De rubriek hadden ze ook veranderd; die was ‘Knuffel door de brievenbus’ gaan heten.

Neem van mij aan dat dat heel slecht is gevallen.

Hun ultieme bouwwerk

Wie weet werd zijn staalgewrocht toch speelgoed voor een wichtje.

Monument majeur de Paris


Op de warmste dag van het jaar schreef de geknakte kunstenaar vanuit zijn ‘madcave’ aan zijn muze:

‘Hoi Swaantje, de kist is aangekomen; zoals verwacht ontbreken er onderdelen, maar voorlopig kan ik voort. Het wordt een huzarenstuk. Ik ben zojuist begonnen aan de poten. Ze laten me met rust. Dit werk houdt me koest. De staf vindt alles goed zolang je vadertje voor ons garant wil staan. Mocht het gevaarte ooit verrijzen, dan praten we over een hoogte van 1 meter 85 exclusief de sokkel.’

Diezelfde middag ontving ze meer details. Hij maakte vorderingen. Ze moest gaan bijbestellen. ‘Zoek overal.’ Hij liet de bode haar ook schetsen brengen. ‘Deze moeren en bouten. Deze strippen en platen.’ Elk stukje had een nummer. Soms was het merk er in geponst; Meccano!

Hij kreeg weer praatjes. Werd het ooit zoals vroeger? Met wat er uit zijn handen kwam, zwol ook zijn taal. Zou het gaan zoals de dokter had voorspeld? “Het idioom van uw man is het eerste teken van zijn dwalen.”

De dag was haast voorbij. Hij schreef nog honderduit. Woorden als: een bouwkundig epos dat fier overeind zal staan; een staaltje superieure ingenieurskunst; een monument van mechanische persistentie; een staalconstructie van allure; mijn kathedraal van gatenijzer; mijn metalen magnum opus; een erecte daad van zeldzame dapperheid.

Ze las er graag overheen; haar man die kinderspeelgoed veel te serieus nam in pompeuze frasen.

’s Avonds, toen zijn project dan toch was losgelaten, liet hij vanuit het dolhuis nog één keer van zich horen; een mededeling die misschien, heel in de verte, op herstel wees.

Zijn laatste briefje vroeg: ‘Wanneer is je eisprong? Ik kom snel thuis. Misschien wordt het nu toch tijd voor een derde.’

©Uitgeverij Cum Suis, 2026

De reconstructie van een debacle

Teruggeworpen in de tijd door een foto van een viertal tepels.

Van alle vakantiekiekjes die mij in deze periode bereikten is de foto die vriend Hans mij stuurde misschien wel het meest saillant, ook vanwege de veelzeggende tekst. Hij schreef: Groeten uit Normandië. Wat wij zien is geen ansichtkaart van de Mont Saint-Michel, noch de kliffen van Étretat. Hij stuurde de rauwe, ongefilterde essentie. Een macro-opname van een uier, zo monumentaal in beeld gebracht dat de rest van het rund fungeert als louter baldakijn. Dit is de motor achter het land van de camembert, de calvados en de vette roomsaus. Tussen de harige draaghemel door zien we een soortgenoot ontspannen aan een nieuwe lading zuivel werken. Hoe is het om uitgevleid in je eigen voedsel te mogen vegeteren tot je lebmagen wit zien van romige weelde? Om simpelweg te bestaan in een oneindige cyclus van grazen, herkauwen en produceren, zonder de intellectuele ballast van een naderend echec?

Gezien de kleur van de vacht hebben we hier vermoedelijk te maken met de Normande, het trotse ras dat eigenmachtig de basis legt voor elke ‘Vache qui rit’ die van de bekende verpakking staart. Er gaat een dwingende, haast klinische esthetiek uit van dit inzoomen. Zo’n zwellende uier is de ultieme reductie van een vakantieregio tot zijn puurste, meest veelzeggende textuur. En juist dat triggert een even scherpe herinnering. Want bij het zien van zoveel biologische spanningsopbouw schiet ik direct terug naar mijn eigen, destijds volstrekt gemankeerde vakantie in diezelfde regio; een reis waarin de gisting van mijn op hol geslagen hormonen en mijn ziedende jaloezie de omvang aannamen van een permanent, luidruchtig psychologisch drama.

Een reis die destijds al gedoemd was te mislukken op het perron, waar ik verscheen met het fysieke symbool van mijn toenmalige onvolwassenheid: een topzware, pretentieuze valise met houten baleinen. Een koffer die geen bagage ademde, maar pure, theatrale overdrijving. Ik zag Nicole er ter plekke op afknappen. We waren met z’n vieren; naast mijn genoemde liefje nog twee van haar schoolvrienden die ik amper kende. De Franse spoorwegen hadden de ultieme metafoor voor onze naderende breuk al op de rails gezet; de trein bestond uit twee fysiek gescheiden delen. Geen tussendeur, geen doorgang mogelijk. Nicole orkestreerde de logistiek met de koelbloedigheid van een strateeg. Zij glipte met een zekere Hans het voorste rijtuig in, terwijl haar vriendin zich opofferde om mij in het achterste deel te chaperonneren. Zij en het lot zorgden ervoor dat we gesegregeerd bleven tot aan Parijs.

Het was een meesterlijke coup, want de kaarten waren allang geschud. Vijand Hans – de herinneringshans die in niets leek op mijn gulle vriend Hans van de grazers – bezat een onmiskenbare Nick Cave-achtige uitstraling; een melancholische, duistere coolness waar mijn houten koffer en ik onmogelijk tegenop konden. Dat mijn reisgenoten vrienden waren van Nicole en niet van mij, hielp ook niet mee. Het drietal had samen het volwassenonderwijs in Breda doorlopen; zo’n instituut waar je strandde als je op de reguliere middelbare school was vastgelopen, maar waar zij dat jaar wel mooi hun VWO-diploma behaalden. Ze waren zoveel verder dan ik. Mijn eigen schoolcarrière was evenmin gladjes verlopen, maar mijn stapelproces van havo naar het atheneum had mij louter theoretisch gevormd en was bovendien meer het gevolg geweest van een uiterst langzame rijping. Zij waren gekneed door hun eigen hobbels, die hen gaandeweg wijzer hadden gemaakt; ik vertrouwde blind op boekenkennis en zeulde altijd met te grote, verkeerde bagage. Nicole was de eclectische reiziger die later kunstgeschiedenis zou gaan studeren in Amsterdam; ik bleef de achterblijver in het verkeerde deel van een trein.

Vanaf dat moment was het pleit beslecht. Ik wist dat ik het grandioos verloren had van vijand Hans. De rest van de reis werd een exercitie in collectief ongemak. Alles wat ik deed en zei in ‘ons’ huisje aan de Normandische zee was geforceerd. Ik zadelde mijn reisgenoten op met een geestelijk onrijpe, lichamelijk onvolgroeide adolescent vol zelfmedelijden. Een toxische cocktail die Nicole er logischerwijs toe bewoog mij zoveel mogelijk te mijden. Terwijl zij en Nick Cave de Normandische romantiek cultiveerden, hield hun vriendin zich met mij onledig. Het moet een immense, bijna bovenmenselijke opoffering voor haar zijn geweest om die afgesproken separatie vol te houden.

Het meest bizarre, het meest pijnlijke achteraf, is mijn verblindheid. Het feit dat ik maar niet inzag dat ze mij in de verste verte niet meer zag zitten. Dat ik er beter aan had gedaan om haar te ontlasten, mijn houten koffer te pakken en nog iets van eer aan mezelf te houden. Zelfs na die dramatische reis, die mij toch overduidelijk het einde van de relatie inpeperde, ben ik blijven proberen om contact met haar te onderhouden. De wanstaltigheid van dat gedrag bezorgt me nu, decennia later, nog steeds een intense schaamte. En het is niet eens ‘plaatsvervangende’ schaamte, want de jongen die destijds zijn uitvergroting van het persoonlijke lijden aan de anderen opdrong als een permanent verwijt, heeft nog altijd de neiging om de hele wereld te bestraffen voor zijn persoonlijke sores.

Ik toonde mij die vakantie pas nobel als ik mij losmaakte uit de verstikkende groepsdynamiek en in mijn eentje lange, zwijgzame wandelingen ging maken langs de grijze Normandische kust. Die eerste vakantie met ‘vrienden’ heeft mij, dwars door de jaloezie en het zelfmedelijden heen, het nut van de eenzaamheid geleerd, of liever de ‘solitude’ zoals iemand anders, die ik later ontmoette, die kunst van het alleen zijn noemde. Separatie niet langer als een straf van de afwijzing, maar als mijn eigen reddingsmechanisme.

De foto van vriend Hans is daarmee meer dan een groet uit Normandië. Het is, net als toen, een haarscherpe uitsnede van een realiteit die geen franje duldt. Een herinnering aan de dag dat ik leerde dat sommige treinen nu eenmaal uit twee delen bestaan die nooit met elkaar verbonden zullen worden; en dat de ene Hans de andere niet is.

Lezersreactie:

Wat een prachtige overdenking, Ronald. Die houten koffer is een sterke metafoor voor je neiging tot exuberantie.
(Hans, Arnhem)

Wormvormig aanhangsel

Een wankel vorstenhuis en de vorstelijke vergeefsheid van een bijwoordelijke bepaling.

“Het besluit van een beschaving om over te gaan tot de afschaffing van de monarchie gaat niet over één nacht ijs”, aldus de Noorse commentator in het discussieprogramma waar ik zomaar inviel. Hij voegde daar aan toe: “Maar wat helpt en het proces versnelt is een goede rel, dat wel.” En daar ging het mis. Niet met de ondergang van de monarchie – die historische wetmatigheid voltrekt zich door alle schandalen immers geheel volgens schema – maar met mijn zorgvuldig gecultiveerde republikeinse focus. Terwijl de deprimerende feiten omtrent onze bovenbuur-royals voor de zoveelste maal de revue passeerden, bleef mijn aandacht steken. Onwrikbaar. Als een Noorse zalm in een håv (wat geloof ik Scandinavisch is voor fuik).

Mijn blik was gegijzeld door die laatste twee woorden: ‘dat wel’. De taaljongen in mij won het direct van de staatsrechtelijke criticus. De absolutie van de monarchie kon plotseling wachten; we hadden hier immers een acute taalkwestie aan de hand. Want wat is dat ‘dat wel‘ in hemelsnaam (om niet te zeggen: dan wel niet), semantisch en syntactisch gesproken? Wat voegt zo’n frase toe aan de mededeling, behalve een linguïstisch klopje op de schouder? Had de oorspronkelijke Noorse spreker daadwerkelijk een idioom gebruikt dat deze annex noodzakelijk maakte, of was de vertaalcomputer – die tegenwoordig ongetwijfeld door een oververhitte AI wordt aangestuurd – weer eens aan het overpresteren en hallucineren?

Laten we deze taalkundige bijvangst eens fileren. Syntactisch gezien is ‘dat wel’ een modale toevoeging, een soort nagedachte die functioneert als een restrictief voegwoordelijk bijwoord. Het zwom onverhoeds mee met de buit, zeg maar. Het is een zinsdeel met de allure van een wormvormig aanhangsel. Zoals de monarchie dat zelf trouwens ook is: een rudimentair aanwezig overblijfsel uit een feodaal verleden dat in een moderne democratie geen enkele heldere functie meer vervult, maar dat we toch maar laten bungelen totdat iemand die overbodigheid durft te elimineren.

Twee woordjes maar. Semantisch gezien doen ze iets fascinerends. Ze relativeren niet, maar accentueren juist de eerdere bewering door een hypothetisch contrast bij voorbaat uit te sluiten. Ze zeggen: “Mocht u twijfelen aan de kracht van een koninklijk schandaal, doet u dat dan vooral niet.” Is het overbodig? Strikt taalkundig: ja. Psychologisch: nee. Misschien zelfs noodzakelijk voor de nuance.

Ondertussen stort in Oslo het kaartenhuis ineen. Men spreekt daar over zeer serieuze zaken zo zwart als mishandeling, aanranding, cocaïnemisbruik, ongezonde koninklijke privileges en messentrekkerij. De monarchie wankelt op haar grondvesten. Maar de mens is een vreemd wezen dat zich in tijden van crisis laat afleiden door de gekste futiliteiten. Terwijl het volk aan de koninklijke stoelpoten zaagt, zit ik te dubben over de grammatica. Dat wel. Of óók. Correctie: méér nog. Ik bedoel: dan dat. Ik bedoel: dan dat ik me onledig houd met de eigenlijke kwestie. Begrijp je? Echt wel.

Het is een tragische constatering: ik probeer me te focussen op dit monarchische melodrama maar de associatieve kortsluiting in mijn brein is compleet. Om mezelf te kalmeren, bedenk ik juist iets dat helemaal losstaat van de koninklijke janboel, namelijk hoe het taalkundige aanhangsel ‘dat wel’ zich in andere Noorse contexten zou gedragen. “De Noren hebben een existentieel gebrek aan zonlicht, en toch is het een krachtig volk; maar goed, tegenwoordig slikt men vitamine-D en vroeger waren het Vikingen, dat wel!” Als we de AI-vertaalmachine de vrije loop laten, vermoed ik dat elk Noorse zin binnenkort met deze linguïstische staartmees eindigt:

“De fjorden zijn onpraktisch diep en de houtkachel verspreidt meer fijnstof dan een kolencentrale, maar met Noorse sokkenwol brei je de ellende zo weg, dat wel.”

“De Noorse trui zit volstrekt oncomfortabel en kriebelt tot op het bot, maar het ding zorgt niettemin dat je beschermd bent tegen tocht, dat wel.”

“Odin en Thor waren destructieve types met een ongezonde fixatie op hamers en runen, maar de Noorse mythologie is qua plotwisseling superieur aan de gemiddelde Netflix-serie, dat wel.”

“Spitsbergen ligt er koud en verlaten bij, ongeschikt voor menselijke bewoning, maar de ijsberen hebben er tenminste geen last van ronkende talkshows over falende prinsen, dat wel.

Het Noorse koningsdrama is een serieuze zaak – het biedt momenteel minder stabiliteit dan een Zweedse zelfbouwkast – maar zolang de vertaalcomputers ons trakteren op onverwachte taalkundige versieringen, wankelt mijn brein vrolijk mee. Morgen ga ik over tot de orde van de dag en de harde politieke realiteit. Denk ik. Of ik raak afgeleid door een verdwaalde puntkomma. De kans is aanwezig, dat zeker.

Lezersreacties:

Dat wel, dat wel? Wat ben jij snel afgeleid Ronald. Rel, del, del, wie trekt er aan de bel en geeft er een schop onder de derrière van het hele koninklijke stel?
(Bram de Jager, Deventer)

Je wordt bedankt. De vreselijke misstappen van de kroonprinselijke stiefzoon transformeren in mijn hoofd nu ook tot absurdistisch gerijm. Een opeenvolging van schandalen, rigoureus afgewisseld met idiote woordcombinaties: Huisvredebreuk, dat wel. Slachtofferhulp, oorlel. Prinselijk privilege, kasteelbel. Messentrekkerij, what the hell. Kroonprinselijk debacle, welk een gezwel!
(Kees Groenewegen, Vlaardingen)

Een concept met een luchtje

Voedselverspilling is niet het probleem maar wel dat we limonade in zee gieten die z’n prik heeft verloren.

Het zal weer even als vanouds gaan geuren in het Boijmans Van Beuningen. De pindakaasvloer keert namelijk terug; ditmaal als eerbetoon. Je zou denken dat het broodbeleg waar we allemaal groot mee zijn geworden, snel ranzig wordt buiten de pot. Maar dat was ook de vorige keer het probleem niet. Er trok misschien een wat weeë geur door de zalen, maar de hoofdkritiek betrof toch voedselverspilling. In mijn soort van kringen werd daar niet over gezeurd; Wim T. Schippers was heilig. De conceptuele kunst al evenzeer. Bovendien smeert het museum het goedje ditmaal uit ter nagedachtenis aan de bedenker. Dan zwijg je uit respect, zo dicteert de etiquette.

Oude concepten op herhaling; we kijken niet meer naar het werk van een gevaarlijke dissident, maar naar een gepatenteerde museumclown die binnen de lijntjes van de goede smaak mag rebelleren. Als licentiekunst niet langer ontregelend overkomt maar eerder ondeugend, is ze dan niet veel te gezapig geworden?

De persoonlijkheidscultus gedijt uitstekend bij dit schoolvoorbeeld van zuivere conceptuele kunst; het idee past op een door een notaris beëdigd A4-tje, waarna de uitvoering slechts een kwestie is van veel Calvé bestellen. Door de inferieure en vervangbare eigenschappen van de materie, blijft het kunstwerk immuun voor de tand des tijds. Dat vormt althans de achterliggende gedachte: het vergaat niet, het kan feilloos herrijzen, volstrekt onverschillig welke anonieme medewerker de smurrie uitsmeert en naderhand weer opdweilt. Wat valt er te verpesten aan de meesterlijke vondst van een vloertje gemalen pinda’s?

De ironie wil dat de mythe van deze kunstvorm, die we hardnekkig ophangen aan de cultus van de vedette, wankelt zodra het idee de gedaante aanneemt van een onverwacht probleem dat de nodige nazorg vergt.

Ik doel nu op een ander project van Wim T. Schippers in datzelfde museum, genaamd ‘Het is me wat’. De toeschouwer kreeg een rotsblok te zien dat de zwaartekracht tartte, maar werd natuurlijk bij de neus genomen, dat begrepen de meesten ook wel. De ‘kei’ bleek een optische illusie; een vederlichte schil van purschuim rond een verborgen magneetkern. Het idee was leuk maar in beginsel technisch onvoldragen. De meegeleverde elektronica in de sokkel was zo delicaat dat de magneetbalans al crashte bij de minste zucht wind, laat staan wanneer de tastgrage museumbezoeker de moeizaam zwevende steen een duwtje gaf. Het ding stortte dan ook herhaaldelijk in.

Het concept zoals de gevierde kunstenaar het bedoeld had, bleek in de weerbarstige realiteit een fysische onmogelijkheid, totdat de wetenschap te hulp schoot. Er moest een heel leger aan ingenieurs van de TU Delft opdraven om de haperende illusie te reanimeren. Zij stripten de sokkel en brachten de nodige wijsheid in; via geavanceerde lasersensoren en razendsnelle feedback-algoritmen herprogrammeerden zij het magnetische veld totdat de computer elke menselijke aanraking live kon corrigeren. Zíj maakten het kunstwerk functioneel en dus af.

Daar wringt wat mij betreft één schoen in de moderne kunstbeschouwing. Waarom cultiveren we de uniekheid van de solitaire schepper, als het werk in de praktijk pas kan overleven dankzij dit gecombineerde ‘kunstenaarschap’? Zonder de specifieke expertise van de Delftse bètatechnici was ‘Het is me wat’ een dood brok isolatiemateriaal op een sokkel. Zij vormden geen louter gereedschap; zij waren de feitelijke makers. De kunstwereld functioneert soms exact zoals de bergsport: wetenschappers en ander hulpvaardig personeel vormen in deze vergelijking de sherpa’s van de conceptuele kunst. Zij leveren naamloos de loodzware, cruciale prestaties in de ijle lucht van het grote idee, terwijl de man met de reputatie de media te woord staat en de lof oogst.

Vandaag de dag moeten we de hardnekkige illusie van de geniale vedette misschien een beetje loslaten. Complexe kunst fungeert immers als een groepscreatie, waarbij iedere deelnemer zijn eigen noodzakelijke expertise inbrengt. Het conceptuele idee is leuk zolang de handtekening eronder maar het juiste gewicht draagt en de hele ‘massa’ vertegenwoordigt.

Om het nog even over die vage groep te hebben die ik hierboven als ‘ons soort mensen’ aanduidde: we kunnen soms best kritisch zijn over verschillen tussen arm en rijk in de wereld, over de groeiende kloof tussen de intellectuele praatklasse en de praktische uitvoerders, en over de kwalijke gevolgen van de meritocratie als ideologische rechtvaardiging voor deze ongelijkheid. Die kritiek betreft vooral de commerciële wereld. In de kunstwereld daarentegen is de heldenverering nog nauwelijks een punt van discussie. Natuurlijk reiken we prijzen uit, organiseren we retrospectieven rondom solistische genieën en kennen we miljoenenbeurzen toe aan individuele namen. Bij zoiets delicaats als een concept dat louter bij de gratie van andermans zweet en intellectuele arbeid in de lucht wordt gehouden, vind ik die hardnekkige focus op de publiekslieveling soms misplaatst.

Goed, we maken de ene mens dus belangrijker dan de ander en kleineren ondertussen onszelf; dat punt heb ik proberen te maken. Ik wil hier ook gezegd hebben dat we niet alleen onze bewondering voor zekere individuen overdrijven maar ook die voor hun voortbrengsels. Dat is de tweede schoen die mij wringt. Pindakaas op een vloer uitsmeren is als flesjes Exota naar de zee dragen. Vergelijkbare concepten bestonden in 1961 al in talloze uitvoeringen. Ook het wekken van de suggestie van magnetische afstoting was conceptueel nooit zo uniek dat je er patent voor hoefde aan te vragen; het natuurverschijnsel zelf lijkt me van nature boeiender.

Ik denk dat er sprake is van een cruciaal esthetisch failliet: de institutionalisering van de avant-garde. Wat gisteren nog aanstoot gaf vormt de gesubsidieerde erfgoedzorg van vandaag. Zodra een ontregelend idee wordt geadopteerd door de directie en met fluwelen handschoentjes wordt beheerd, verliest het zijn tanden. De museale bureaucreatie heeft dit expressiemiddel inmiddels zo grondig ingekapseld dat de angel er definitief uit is. Je kijkt al gauw naar een man die een beetje mal doet in plaats van naar een dwarsligger die gegarandeerd mensen op de kast jaagt.

Het blijft de ultieme paradox van de gecontroleerde rebellie: de pindakaasvloer jaagt niemand meer de stuipen op het lijf; het lokt hooguit nog een milde glimlach uit bij een publiek dat braaf aanschuift voor een portie nostalgische excentriciteit. Als kunst onvoorwaardelijk en permanent moet ontregelen – een standpunt dat ik het mijne noem – dan vormt deze gecultiveerde herhalingsoefening juist het tegendeel. De museale bureaucreatie reduceert de heiligschennis tot een ongevaarlijk ritueel, keurig goedgekeurd door de welstandscommissie van de kunstelite.

Sorry Wim T. Schippers, je was een grappige kerel met een heerlijke provocerende inslag; een man wiens kunst dreef op absolute onvoorspelbaarheid. Juist daarom slaat deze in memoriam-tentoonstelling de plank zo mis. Het museum eert niet de beeldenstormer, maar balsemt de rebellie tot een behaaglijke traditie. Waarom moet de herinnering aan jouw scherpe karaktertrek zo kort na je dood zo braafjes in beeld worden gebracht? En waarom durven we sommige ideeën van gelauwerde lieden na verloop van tijd niet voor clichés uit te maken? Ook wat, goed geconserveerd, in een la ligt, als louter licentie, kan op een zeker moment zijn tijd echt gehad hebben.