We kijken anders naar hetzelfde

Stel je voor: een leven voorbij het oordeel, bevrijd van de opgelegde werkelijkheid.

Beste heer Rosenberg, ik begrijp nu dat u twee typen ogen onderscheidt bij mensen die onderzoek doen naar de authenticiteit van schilderijen: ogen die kijken met louter kennis van zaken, en de gezichtsorganen van de zogenaamde experts met dollartekens in hun blik.

Een combinatie van de twee is ook mogelijk: de halfkritische visie van geldbeluste connaisseurs. Die zouden het u moeilijk kunnen maken, maar nee, al deze mensen heeft u buitengesloten; zij doen u geen kwaad meer.

Sommigen van uw dierbaren, zo vertelde u, begonnen ook al raar te kijken. Pure afgunst. Zij waren van mening dat u een economisch belang hebt bij het bepalen van echt of nep. Dat noemde u blikvernauwing. Ook hen wees u de deur.

U bent geen charlatan maar een lichtmeester en een scherpslijper. U werd van jongsaf omringd door kunst. Toeval en gevoel voor schoonheid hebben u belast met iets enorms; iets onhandelbaars. U beweert een Rembrandt te bezitten.

Helaas voor u kunt u niet om de ‘toeschrijvingsautoriteiten’ heen. Dat zijn mensen – in uw woorden – die in geen enkele eerder genoemde categorie passen. Ze zijn verbonden aan musea en hebben het aureool van wetenschappelijkheid en objectiviteit.

Die trekt u niet in twijfel, maar de ware experts werken niet belangeloos. Ze willen geen onderzoek verrichten zolang u uw doek niet op voorhand in bruikleen geeft (mocht deze als echt worden aangemerkt).

Ziedaar de patstelling. U bent een noodgedwongen eigenaar en een actief conflictvermijder. U werkt nauwkeurig als het om uw hobby gaat (het vervaardigen van lenzen), maar u wilt zichzelf niet creatief noemen. Vervalsen bijvoorbeeld, u zou niet weten hoe dat moet. U heeft het werk verworven. Zoals je talent erft. De toedracht blijft vaag maar schijnt de garantie van echtheid te impliceren. Kun je daarmee volstaan?

Je zult het maar zijn: de bezitter van een Rembrandt. Het schilderij hangt in uw slaapkamer naast uw vroegere werkplaats. Het wil onderzocht worden; het verlangt naar ogen die het definitieve onderscheid maken, niet naar de blikken van simpele museumbezoekers. Toch zal het langs talloze beschouwers en commentatoren moeten, wil het werkelijkheidsgehalte ervan worden bepaald.

Ik weet niet goed waarom u zoveel vertrouwen in mij stelde. Omdat ik maar een postbode ben? Of juist omdat ik uw briefgeheimen bewaak? Dacht u dat ik zou zwijgen voor het overige? Maar ik ben een schrijver, meneer Rosenberg, ik ben eerst en vooral een schrijver; ook ik maak aanspraak op mijn eigen stukje originaliteit tegenover de rest van de wereld.

Ik herken de neiging dat je wilt pronken met iets en het wilt verstoppen. Je vindt dat het recht heeft op aandacht. Je doet alles en toch weer niets om vakkundige blikken op je werk te vestigen.

Ik weet wat het is: u wilt vragen uit de weg gaan. Maar u ervaart ook eenzaamheid. Duur bezit schept grote verantwoordelijkheid, drijft je weg van de meute. Vage herkomst verlangt een verklaring. En daarna nog één. Zo reageert een omgeving die zelf niet veel kan.

Er heerst totaal geen angst dat het oordeel uiteindelijk “nep” zal zijn. Dat zou ons eerder helpen. Het zou de bevrijding inluiden. Het werk wordt er niet lelijker van. Stel je voor: eindelijk bevrijd te worden van het predikaat van echtheid door een menigte die zelf geen grootsheid ervaart.

Niet uit zichzelf, nooit in de slaapkamer.