De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Mensenrassen bestaan niet

Onze school vertegenwoordigde de hele breedte van de menselijke waaier.

Ik bladerde eergisteren door mijn vogelboeken om een houtsnip van een watersnip te kunnen onderscheiden. Tijdens het bladeren herinnerde ik mij de volgende biologieles: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, te weten de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen. Wetenschappelijk gezien is elk mens voor gemiddeld 99,9% genetisch identiek aan ieder ander mens op aarde. De resterende 0,1% bepaalt alle onderlinge verschillen – zichtbaar en onzichtbaar – van oogkleur en lengte tot aanleg voor erfelijke aandoeningen, waarbij bijvoorbeeld kenmerken als huidskleur of gezichtsvorm slechts een klein deel van die variatie vormen. Ik vond het erg verstandig van onze biologieleraar dat hij ons hierop wees in de brugklas van een zeer gemêleerde school. Duur gezegd zat ik in een klas waar de geografische spreiding van het menselijk fenotype goed zichtbaar was, maar zo leerde ik later pas praten.

Waar de verschillende soorten ‘snipjes’ nooit elkaars nest zullen opzoeken, zijn wij mensen biologisch gezien elkaars spiegels. De nazi’s probeerden van de mens een vogelgids vol subpagina’s te maken, maar ze negeerden dat we allemaal uit hetzelfde nest komen.

De les diende in ieder geval een groot belang. Kennis voorkomt discriminatie, dus ik ga hier nog even verder met het opdissen van wat ik sinds die klas van ’75 zoal heb geleerd. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Terwijl twee groepen chimpansees in hetzelfde bos meer genetische verschillen kunnen vertonen dan twee mensen van verschillende continenten. 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan. Alle mensen op aarde behoren tot dezelfde biologische soort omdat zij geen reproductieve barrières kennen en overal ter wereld samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

Gisteren probeerde ik een houtsnip van een watersnip te onderscheiden. De determineermiddelen die mij ter beschikking stonden waren een dode snip, verschillende illustraties in aardig wat vogelboeken en hun bijbehorende beschrijvingen. Het werd een lastige klus. Daarom kwam de gedachte bij me op hoe raar het was dat een watersnip en een houtsnip nooit de aanvechting voelen om ‘het’ met elkaar te doen. Als ze onverhoeds toch overgingen tot de ‘daad’, zou het geen voortplanting opleveren en al helemaal geen nakomelingen die zelf ook weer vruchtbaar zijn. Natuurlijk is de reden simpel: ze kunnen niet voor (vruchtbaar) nakroost zorgen omdat ze twee verschillende soorten zijn.

Bij het determineren van vogels in de vrije natuur ben je vrijwel uitsluitend bezig met het onderscheiden van soorten. De term ‘ras’ wordt in de biologie anders gebruikt dan in het dagelijks spraakgebruik. Ik heb veel zitten lezen en begrijp nu het wetenschappelijke verschil, zodat ik inzie waarom de focus bij determinatie op de soort (species) ligt. Het is de fundamentele eenheid in de biologie. Soorten ontstaan door evolutie en natuurlijke aanpassing aan hun omgeving. Iets van die natuurlijke selectie hebben we allemaal wel eens geleerd op de middelbare school. Als twee groepen vogels genetisch te ver uit elkaar groeien (bijvoorbeeld door de ‘isolatie’ van een bergketen), stoppen ze met mengen en worden het aparte soorten. Een Koolmees en een Pimpelmees herkennen elkaar zodoende niet als partner.

In de vogelkunde wordt de term ras vaak als synoniem gebruikt voor ondersoort. Dit is een groep binnen een soort die er net even anders uitziet door geografische isolatie, maar nog wel vruchtbaar kan kruisen met de rest van de soort. Een ‘ras’ ontstaat vaak doordat een populatie in een uithoek van het leefgebied woont (bijvoorbeeld op een eiland). Waar de gebieden van twee rassen elkaar raken, zie je vaak mengvormen. Die kunnen het allemaal nog met elkaar doen met goede resultaten. Het is belangrijk om te weten dat de term ‘ras’ (Engels: breed) buiten de wetenschap vaak wordt gebruikt voor door mensen gefokte varianten. Denk aan postduiven, sierkippen of honden. Dit zijn geen natuurlijke ondersoorten, maar resultaten van menselijk ingrijpen. In het wild kom je dit eigenlijk alleen tegen bij ontsnapte kooivogels of “soepganzen” (kruisingen tussen tamme en wilde ganzen).

De nazi’s hadden het ook vaak over rassen, maar die maakten vanuit wetenschappelijk oogpunt een fundamentele denkfout. De nazi-ideologie was gebaseerd op een 19e-eeuwse vorm van pseudowetenschap. Eén van de belangrijkste wetenschappelijke redenen waarom hun “rassenleer” niet klopte heb ik in het begin genoemd: mensen zijn genetisch extreem homogeen. Als het DNA van twee willekeurige mensen (of ze nu uit Europa, Afrika of Azië komen) gemiddeld genomen voor 99,9% identiek is, valt een rassenonderscheid natuurlijk moeilijk vol te houden.

Spreken van ras op de manier zoals de nazi’s deden is dan ook een sociaal construct, geen biologisch feit. Ze probeerden mensen in “hokjes” te plaatsen op basis van uiterlijke kenmerken zoals oogkleur of schedelvorm. In de biologie noemen ze dit ‘typologisch denken’. In de natuur verlopen menselijke eigenschappen (zoals huidskleur of lengte) heel geleidelijk over de kaart. Er is nergens een harde biologische grens waar de ene “groep” stopt en de andere begint. De nazi’s bepaalden zelf welke kenmerken “superieur” waren. Dat is een subjectief oordeel, geen biologische meting. In de echte biologie bestaat er niet zoiets als een “beter” of “slechter” gen, alleen genen die op dat moment gunstig zijn voor overleving in een specifieke omgeving.

Naast deze biologische misvattingen, maakten de nazi’s ook een kapitale taalkundige en historische blunder door de term ‘Arisch’ te kapen. Oorspronkelijk verwees dit namelijk naar een taalfamilie (Indo-Iraans) en niet naar een genetisch type. Iemand die een bepaalde taal spreekt, behoort niet automatisch tot een aparte biologische groep. Het is alsof je beweert dat alle mensen die “vogel” zeggen, biologisch anders zijn dan mensen die “bird” zeggen. De nazi’s namen oppervlakkige uiterlijke verschillen en beweerden onterecht dat daar diepe, onoverbrugbare biologische en morele verschillen achter zaten. De moderne genetica heeft die claim volledig weerlegd. De nazi’s begonnen met een vooroordeel en zochten daar vervolgens (pseudo)wetenschappelijke bewijzen bij. Zij bedachten eerst de categorieën (“superieur” vs. “inferieur”) en probeerden mensen daar met geweld in te passen. Als de biologie niet meewerkte (bijvoorbeeld omdat “Arische” mensen ook donker haar hadden of “niet-Ariërs” blond waren), werden de data genegeerd of vervalst.

Zo bezien is de menselijke biologie eigenlijk heel overzichtelijk: in de vogelgids van het leven hebben we aan één pagina genoeg.

Dwaalgast

De vriendin moest echt af van het idee dat ze een vluchteling de dood in had gejaagd.

Gisteren vloog er bij een vriendin een snip tegen het raam. Het beest overleefde de botsing niet. Toen het mooi gedrapeerd op een blauw fond tussen een paar herfstversieringen dood lag te wezen, begon het determineren. We hadden het in wezen makkelijk want de meeste Nederlandse vogelgidsen bevatten maar twee snipvarianten: de watersnip en de houtsnip. Toch viel het nog niet mee. Na veel wikken en wegen concludeerden we dat het om een houtsnip moest gaan.

Wat ik me gisteren ook weer eens besefte tijdens het bladeren door mijn vogelboeken was het volgende: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, namelijk die van de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen of soorten. Een watersnip en een houtsnip kunnen zich onderling niet voortplanten omdat zij twee verschillende soorten zijn. Terwijl mensen van waar ook vandaan wel kinderen bij elkaar kunnen verwekken. Ik moet hier morgen een iets groter ei over leggen in een nieuw blogbericht.

Niet alleen de gelijkenis van het verse kadaver met de boekafbeeldingen leidde tot die conclusie, maar ook de bijbehorende omschrijving. Samengevat: houtsnippen horen thuis in vochtige bossen; als je er een aantreft op een binnenplaats in het hart van Amsterdam, is het beest zo goed als zeker verdwaald. Bij een watersnip kun je daar nog aan twijfelen. Er stroomt tenslotte water door het IJ. Mijn vriendin had zich enigszins schuldig gevoeld, want toen zij het dier – in nog levende staat – naderbij kwam, was het verschrikt opgeschoten. Vanachter een bamboestruik in haar ‘cours’ (zoals zij dat karig beplante vierkant tussen de apartementen noemt) vloog ‘snippie’ in een laatste opleving, zijn noodlot tegemoet.

Er was geen redden meer aan geweest, aldus mijn troostende verklaring. De vogel verkeerde waarschijnlijk al geruime tijd in een verhoogde staat van paniek. Ik vermoedde dat de eerste vuurwerkknallen hem volkomen gedesoriënteerd de stad in hadden gejaagd. De vriendin moest haar aandeel in zijn doodsnood niet overdrijven. Kwam ze niet altijd en overal op voor noodlijdende medeschepsels en deed ze dan niet alles wat in haar macht lag? Wat ze in dit geval kon, kwam neer op bezorgdheid tonen (aan de voortvluchtige in zijn nog levende hoedanigheid) en ‘een stukje nazorg’ (aan het hoopje ongeluk dat na de botsing zielloos ter aarde was gestort). Wat had ze anders kunnen doen dan toekijken? Ik bedoel: als stadsmens?

Oeps. Die laatste opmerking was, vrees ik, één vergoelijking te veel van het goede.

Alternatieve covers

Zou, wat makkelijk was voor Ron, niet te eenvoudig worden voor onze lezer?

Onze bewaker Ron draagt in zijn vrije tijd graag vrouwelijke kleding. Dat zou, in een wereld met iets meer verbeeldingskracht en iets minder protocol, op het werk misschien ook moeten kunnen. Maar zo’n wereld is dit sanatorium helaas nog niet. Als CEO van Sanatorium Nervosa heb ik daar destijds toch een stokje voor gestoken; niet uit afkeer, niet uit angst, maar uit dat eigenaardige mengsel van verantwoordelijkheidsgevoel en institutionele lafheid dat zich zo graag vermomt als redelijkheid.

Even voor de duidelijkheid: Ron behoort tot geen enkele afkorting in het LHBTIQA-spectrum. Ron draagt in zijn vrije tijd graag vrouwelijke kleding. Er wordt in het boek niets gezegd over zijn genderidentiteit, noch over zijn seksuele oriëntatie. Kledingvoorkeur is genderexpressie, en die valt niet automatisch onder LHBTIQA-categorieën. Juist het feit dat hij niet netjes in een letter past is zijn kracht. Mocht men Ron willen onderbrengen in een afkorting, dan zou dat vooral iets zeggen over de behoefte van de lezer om orde aan te brengen, niet over Ron.

Ik zei: Was het maar zo makkelijk voor onze Ron, en meende dat ook. Want Ron bekleedt nu eenmaal een representatieve en gezagdragende functie, en gezag is hier een kostbaar, broos goed dat wij angstvallig proberen te bewaren door het zo herkenbaar mogelijk te houden.

Dat zegt waarschijnlijk meer over het sanatorium dan over Ron. Of over mij. Misschien over ons allemaal. Want terwijl Ron ’s avonds moeiteloos zichzelf kan zijn, moet hij overdag het uniforme gezicht dragen dat wij veiligheid noemen. En ik, ik draag het jasje van degene die beslist waar expressie ophoudt en functie begint. Discrimineer ik daarmee? Mogelijk. Maar dan wel op die keurige, weloverwogen manier die zich verschuilt achter woorden als context, kwetsbaarheid en orde. Dit boek is geen verontschuldiging, geen aanklacht en geen beleidsstuk. Het is hooguit een poging om Ron ruimte te geven waar ik die eerder heb ingeperkt; op papier, waar gezag minder dwingend is en kleding eindelijk mag zeggen wat zij altijd al wist.

Om veiligheidsredenen heeft Ron van E. (Dr. No) ervoor gekozen om niet op foto’s te verschijnen. Uiteraard blijft ook de achternaam van onze bewaker voor het publiek verborgen. Sommige bewoners van psychiatrische ziekenhuizen verblijven daar op gerechtelijk bevel in plaats van uit eigen keuze. Dit maakt het van cruciaal belang om streng te controleren wie het gebouw verlaat. Beveiligers ontvangen daarom vaak dagelijkse updates over wie wel en niet naar buiten mag of het gebouw mag verlaten. Evenzo kunnen artsen beperken wie een patiënt mag bezoeken, vooral als de bezoeker een gevaar vormt voor de patiënt. Beveiligers moeten erop toezien dat elke bezoeker geautoriseerd is en geen verboden voorwerpen, zoals wapens of drugs, het ziekenhuis binnenbrengt.

Alle medewerkers van psychiatrische ziekenhuizen hebben de plicht de privacy van patiënten te beschermen, maar beveiligers in psychiatrische instellingen weten vaak meer over patiëntgeschiedenissen dan collega’s in reguliere ziekenhuizen. Zo kunnen beveiligers aanwezig zijn bij therapiesessies of op de hoogte zijn van de dosering van medicatie die een patiënt gebruikt om angst te verminderen. De wet verbiedt beveiligers deze informatie met wie dan ook te delen — zelfs met familieleden — zonder specifieke, schriftelijke toestemming. Ik durf te stellen dat Dr. No op een bepaald moment in onze relatie meer over mij wist dan mijn verloofde.

Beveiligingsmedewerkers in psychiatrische ziekenhuizen vervullen vele rollen: van het beschermen van artsen en verpleegkundigen tot het bieden van gezelschap aan bewoners. In psychiatrische ziekenhuizen verblijft een zeer uiteenlopende groep mensen, variërend van personen die hulp zoeken voor relatief lichte psychische aandoeningen tot mensen die zijn opgenomen wegens strafrechtelijke ontoerekeningsvatbaarheid. Goede beveiligers doen daarom geen aannames over bewoners, maar blijven wel voortdurend waakzaam.

Een ongelukkige realiteit van het leven in een psychiatrisch ziekenhuis is dat sommige bewoners een gevaar vormen voor zichzelf. Beveiligers moeten alle bewoners beschermen. Dit kan betekenen dat zij kamers inspecteren op mogelijke risico’s, zoals schoenveters die gebruikt kunnen worden om zichzelf op te hangen. Het betekent ook dat zij moeten inschatten welk niveau van geweld gepast is bij patiënten die de controle verliezen. Zo kan iemand die een psychotische episode doormaakt eigendommen beginnen te vernielen en moet die persoon worden vastgehouden. Een goede beveiliger vermijdt overmatig en langdurig gebruik van dwangmiddelen, terwijl hij er toch voor zorgt dat patiënten geen gevaar vormen voor zichzelf of anderen.

Vooral in instellingen waar strafrechtelijk ontoerekeningsvatbaren verblijven, spelen beveiligers een actievere rol dan in reguliere ziekenhuizen. Het kan zijn dat je wordt toegewezen aan een afdeling die je voortdurend moet patrouilleren, en in sommige gevallen krijg je zelfs de taak een specifieke arts of verpleegkundige te beschermen. Wanneer medisch personeel met een patiënt werkt, kun je bij de gesprekken aanwezig zijn en wordt van je verwacht dat je ingrijpt als de patiënt gevaarlijk wordt.

(fragment uit: https://sanatoriumnervosa.wordpress.com/)

Brief aan mijn voormalige teamleider

‘Ik sta aan het hoofd van een eenmans-collectief van volledig naar mijn hand te zetten entiteiten.’

Beste Leo,

Ik heb het eerder meegemaakt op Facebook: ik plaatste een bericht dat op meerdere manieren uit te leggen was, waarna iemand me publiekelijk vroeg of het wel goed met me ging. Zo’n vraag is in die context zelden oprecht; het is een retorische zet, bedoeld voor meelezers. De onderliggende boodschap was: “Kijk eens hoe vreemd hij doet.” Het bleek een poging om mijn omgeving te polsen: “Vinden jullie hem ook zo’n mafketel?” Een subtiele uitnodiging om gezamenlijk afstand te nemen van mijn vermeende excentriciteit.

Jouw bericht was van een heel andere orde, en dat waardeer ik. Juist omdat je de vraag in een persoonlijk bericht stelde, voelde ik de oprechtheid die ik altijd in jou als teamleider heb gewaardeerd: een mens die werkelijk hart heeft voor de ander. Natuurlijk werd ook jij getriggerd door mijn post; de afbeelding met alle anagrammen van mijn naam suggereert immers een zekere mate van ‘versnippering’. Maar ik heb niet het idee dat je bang was dat ik een klinische dissociatieve identiteitsstoornis had ontwikkeld. Je zag simpelweg dat ik weer eens van me liet horen en was oprecht benieuwd hoe het met de mens achter het bericht ging.

Welnu, het gaat goed met me. Om je vragen te beantwoorden: ja, ik ben nog steeds postbode, al doe ik dat tegenwoordig vier dagen per week. Ik bezorg de post in Arnhem, de stad waar ik inmiddels een heel prettig thuis heb gevonden. Wat die afbeelding betreft: de anagrammen zijn voor mij pure intellectuele spielerei. Het is een spel met identiteit dat nauw samenhangt met mijn eenmansuitgeverij. Er schuilt een bewuste paradox in de naam Cum Suis. Hoewel het “met de anderen” betekent, zijn die “anderen” in mijn geval de denkbeeldige schrijvers die ik zelf in het leven heb geroepen. Waar de wereld soms overweldigend dichtbij kan komen, kies ik ervoor om de fysieke anderen op afstand te houden en hen te vervangen door personages die ik zelf regisseer.

Je zou het kunnen zien als een artistieke noodzaak. Het opvoeren van al die pseudoniemen is geen uiting van een verwarde geest, maar een manier om verschillende invalshoeken te verkennen zonder de beperkingen van één enkele naam. Het is een veilige, gecontroleerde vorm van gezelschap. En dat de boeken op mijn site vaak “Mockups” zijn? Dat is voor mij niet vreemd, maar eerder een vorm van conceptuele kunst. Het is het visualiseren van een potentieel; de architectuur van een idee voordat de eerste steen daadwerkelijk is gelegd. Voor een buitenstaander lijkt het misschien alsof ik een luchtspiegeling verkoop, maar voor mij is het een noodzakelijke stap in het creatieve proces: het vormgeven van een wereld die er nog niet is, maar die in mijn hoofd al volledig bestaat.

In plaats van een klinisch syndroom (MPS?), is het eerder een passie voor de constructie. Ik bouw aan een universum waarin ik zowel de uitgever, de auteur als de compagnon ben. Een eenmans-collectief, zogezegd. En dan is er nog het punt waar mijn omgeving — vaak ongevraagd — het meest over struikelt: mijn schaamteloze gebruik van AI. Men werpt al snel termen op als ‘intellectuele armoede’, ‘gebrek aan authenticiteit’ of zelfs ‘valsspelen’. Ik zie dat fundamenteel anders. Voor mij is AI een medewerker, een medeontwerper en een klankbord dat precies die ‘ongrijpbare ander’ invult. Omdat het geen mens van vlees en bloed is, kan ik deze entiteit volledig naar mijn hand zetten zonder de ruis van interpersoonlijke frictie.

Ik blijf te allen tijde de architect. Ik lever de concepten, de eerste tekstuele aanzetten en de visie. Alles gaat door het filter van mijn eigen bemoeienis; ik heb zelf het kader geschapen — de uitgeverij, de blogomgeving, de hele context — waarbinnen deze experimenten kunnen bestaan. Ik voel me in de eerste plaats een kunstenaar. Alles wat op mijn pad komt en bruikbaar is, absorbeer ik en transformeer ik met behulp van mijn eigen creativiteit tot iets nieuws.

Het is opvallend dat de kritiek vaak komt van degenen die zelf zelden met iets origineels voor de dag komen. Ik heb dan ook weinig geduld met het dedain van mensen die de techniek niet begrijpen en mijn werkwijze vanuit een soort conservatisme veroordelen. Voor mij is het geen armoede, maar een verrijking van het instrumentarium waarover ik als eenling beschik.

Beste Leo, dit is in een notendop hoe ik er nu in sta. Ik ben nog steeds diezelfde eigenwijze geest die je kende van de NS, maar dan in een nieuwe omgeving en met een gereedschapskist die eindeloos veel groter is geworden.

Ik hoop dat het met jou ook goed gaat.

Hartelijke groet,

Ronald

Niet allemaal tegelijk graag

Hoeveel ballen kan één man in de lucht houden?

Lieve Ana,
Namens de hele staf van Sanatorium Nervosa willen wij jou kolossaal bedanken voor je inspanningen, vooral nu de donkere dagen op ons af denderen en onze overmoedige slede, zoals ieder jaar rond deze tijd, in een nogal steile afdaling dreigt te raken. Jij bent ons stille genie, het Manusje-van-Alles die onze chaos in de meest perfecte work flows omzet. Zonder jou zouden Ronda Dolan-Vernon’s dossiermappen in een versnipperaar zijn verdwenen, Rev. Dr. Ann Lando-Ono’s […] in een gebedshuis veranderen, en zouden Noald ‘Varn’ O’Donner’s ergotherapie-elastieken in een gordiaanse knoop zijn geeindigd!

Zoals je weet, sta ik, de Ronald van Noorden-variatie die momenteel de lakens uitdeelt (en soms de vloeren dweilt), op het punt om een… eh… interne retraite te beginnen. Dit brengt ons bij de zwaarmoedige kant van de mij vertrouwde, maar soms verwarrende, bipolaire stoornis. Terwijl ik op mijn ‘normale’ dagen, in de manische fase, de CEO/patiënt speel die barst van de ideeën (zoals het aanleggen van een helihaven op het dak of het adopteren van 73 therapiekatten), is er nu een verschuiving. De depressieve fase die eraan komt, impliceert dat de energie en het enthousiasme totaal wegvloeien.

Wat betekent dat voor jou, Ana? In mijn manische fase zou ik misschien roepen dat je voor Kerst een gouden eenhoorn als bonus krijgt! Maar als depresieveling: Ik zal de komende weken de ‘afwezige aanwezige’ zijn. Ik ben er wel, in mijn kamer, maar mijn aanwezigheid zal lijken op een stilgelegde ventilator; functioneel in de herinnering, maar niet meer in beweging. Ik heb geen puf om zelfs maar een simpele to-do-lijst te maken.

Kortom: De bipolaire stoornis is een constante achtbaan. Nu ga ik even omlaag, en daarom wordt de roep op jouw talenten, om de boel draaiende te houden, des te groter! Alle zeven van onze hardwerkende krachten (zie de foto!) staan te popelen om jou te prijzen. Ana, bedankt dat je in deze ‘hoog-laag’-tijden de constante factor bent. Geniet van de komende feestdagen. Rust uit wanneer je kunt. En weet dat we intens dankbaar zijn voor jouw inzet. Met de meest correct gespelde groeten, namens het hele Nervosa-team,

Ronald van Noorden (Huidig CEO/Baas in eigen bed)

Ronda Dolan-Vernon (Psychiater): “Ana’s ordening is mijn zen. Ze is de enige die de anagrammen van onze patiëntencijfers begrijpt. Onno van Dorreland (Psycholoog): “Ana is de stabiliteit. Zonder haar zouden de therapieschema’s meer op een schilderij van Escher lijken dan op een plan.” Rev. Dr. Ann Lando-Ono (Kapelaan): “Zij is een zegen, een wonder. Dorrena von Nøland: “Moge haar ‘ø’ van Nøland eeuwig correct gespeld blijven.”

IJdelheid in ijle lucht

Over geldingsdrang die niet goed van de grond komt.

In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.

Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.

Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.

Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.

Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.

Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.

Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.

Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?

We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.

Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Veertien richels, veertien sommetten


Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?

Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.

Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,

heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!


©Ronald van Noorden ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Smeltwater en zeewater in overvloed.

Maar ijspret zit er helaas niet meer in.

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen. Ik voeg er nog een ‘waterig’ gedicht aan toe, genaamd bezoeking. Omdat het winter is eindigt het in een wak.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Verdronken Land


Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

©Ronald van Noorden ©2015 Uitgeverij Cum Suis

Bezoeking


Kerstavond. De slaapzaal krijgt bezoek.
Vrienden brengen vrieskou binnen.

M. overkomt iets groots en blonds, iets met een
schamper lachje. Ze geeft hem sloffen.

Ze roert de kwestie van een lening aan;
in dialect dus niet te volgen.

Later, ze laat haar ogen rondgaan en wordt boos;
die ene plant kon hij nog niet verzorgen?

Op de gang draait ze joints en
gunt ons geen trekje. Als ze weg is…

waarom huil je M.? (Al zijn honden werden vals
en moesten worden weggebracht).

Ga nu zelf de kou in. Vanavond nog
hak ik een wak voor alle Friezen.


©Ronald van Noorden ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Waar het heilige vervloog

Laat het aardse het sacrale overal met zachte hand de deur uit begeleiden.

In een populaire, laagdrempelige vorm fungeert de bekendste heilige van Nederland – protagonist van de pakjesbezorging die daags voor zijn verjaardag nog overuren draait – als voorbeeld van hoe een goed, rechtvaardig of barmhartig leven eruit kan zien. De scheidslijn tussen religie en volksgeloof is altijd poreus geweest. In de hele geschiedenis liepen heiligenverering, legendevorming, volksverhalen en religieuze overtuigingen voortdurend door elkaar. Veel “echte” heiligen zijn doordrenkt van mythologische elementen, en veel volksfiguren vinden hun oorsprong in religieuze tradities. Sinterklaas is hiervan simpelweg een modern voorbeeld. Het kinderfeest heeft niet dezelfde sacrale status als heiligen die onderdeel zijn van liturgie en doctrine, maar dat zijn culturele scheidslijnen, geen wezenlijke. Zoals ieder weldenkend mens weet, berust het heilige op menselijke verbeelding, niet op bovennatuurlijk bewijs.

In alle gevallen draait het om de projectie van idealen. Zowel heiligen als de goedheiligman fungeren als dragers van goedheid, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en bescherming van zwakken. De een is ernstig verpakt, de ander feestelijk, maar de psychologie erachter – het verlangen naar belichaamde goedheid – is identiek. Het grote onderscheid dat gelovigen maken is cultureel en theologisch, niet historisch of psychologisch. De goedheiligman is een heilige in verhalende, verwereldlijkte vorm. De afstand zit vooral in de manier waarop we de figuur benaderen, niet in zijn oorsprong of functie. Uiteindelijk komt het heilige voort uit de mens zelf: zijn neiging tot verbeelding, tot zingeving, en – niet zelden – tot het creëren van symbolen die autoriteit en macht legitimeren.

Maar waarom begon ik hier eigenlijk over? Omdat ik zelf een postbezorger ben? Misschien omdat het thema van heiligheid — echt of verzonnen — de laatste tijd onverwacht vaak op mijn pad kwam. De afgelopen weken werd ik geconfronteerd met verschillende vormen van geloofsbeleving. Niet in een grote theologische discussie (want daartoe ben ik niet bij machte), maar in kleine, terloopse momenten: een opmerking, een ontmoeting, een tekst waarop mijn oog viel. De herinneringen die dat losmaakten bleven zich vermenigvuldigen. Ik moest denken aan zoekers die ik heb gekend, die geworsteld hebben met hun geloof, die houvast zochten, het vonden, het weer verloren, of zich er juist heel stevig aan vastklampten. Dat alles begon zich te roeren, alsof er een lade werd opengetrokken die ik lang geleden had dichtgeschoven.

En dus begon ik te schrijven. Fragmenten, losse gedachten, schetsen. Ik voelde dat het richting een essay ging en maakte daar ook esthetisch werk van; ik pretendeer tenslotte ook uitgever te zijn. De uiterlijke vormgeving liep vooruit op de inhoud, zoals dat meestal gaat bij mij. En toen, ergens halverwege, kwam ik vast te zitten. Mijn kennis van religie schoot tekort; ik voelde dat ik op drijfzand stond. Op dat moment leek het me verstandig om niet door te duwen, maar eerst grond te zoeken. Niet door mezelf nog meer woorden te laten produceren, maar juist door mijn woorden even te laten zwijgen. En dus greep ik naar een boek van een ander. Een stevig boek, een kritisch boek: The God Delusion van Richard Dawkins. Ik vond het tijd worden om het weer eens grondig te herlezen; om wat lucht, structuur en tegenwicht te vinden.

Vanuit die combinatie van confrontaties, herinneringen, zoeken en lezen, ontstond het thema van vandaag. Want ja, het is vrijdagmiddag. En op vrijdagmiddag vieren we VrijMiPo, onze Vrijdagmiddag Poëzie. Iedere week rond een ander thema, en het kon eigenlijk niet uitblijven dat ooit het geloof aan de beurt zou zijn. Dus welkom in dit denkbeeldige kerktheater, een plek die niet gewijd is en vrij kan ademen, waardoor er ruimte ontstaat voor lichtheid. Een ruimte waar de onwrikbare, soms benauwende ernst van een kerkbankverleden botst met de open, rumoerige levendigheid van een poëziepodium. Hier leken het heilige en het alledaagse elkaar heel even te dulden, tot het heilige tenslotte vervloog; en dat was eerlijk gezegd een bevrijding. Misschien zou het overal zo moeten gaan: dat het aardse het sacrale langzaam maar beslist naar de achtergrond dringt.

Ik zadel u op met drie gedichten die steeds iets anders aanraken van hetzelfde. De conclusie is in alle gevallen hoopvol, tenminste als je bereid bent geloof te zien voor wat het vaak is: een excuus, een aanjager en een dekmantel. Laat even los wat geloof voor u betekent, of juist niet betekent. Laat de middag binnenkomen. Laat de woorden hun eigen weg zoeken.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Een zondag in Lagorce

De kerk is uit, de boeren worden jagers, en schieten
offervaardig een rustdag aan flarden.

Verdreven vogels vluchten in de toren, maar de koster
houdt geen schuilkerk voor vluchtelingen.

Voor zijn late dienst hangt hij zelf in de touwen.
En zie: het regent lood.

De mannen hebben schik om wat hun voor
de loop komt van godswege.

©Ronald van Noorden in De Toverhazelaar | ©2011 Uitgeverij Augustus, ISBN: 9789045705385

Ondergraving

Onze spatels reiken dieper dan het slijk
waarnaar wij ketters ons begeven.
Wij leggen bloot: de toedracht rond een lijk;
dat wil de kerk ons niet vergeven.

Waarheid lag in brokstukken te wachten.
Weten wil vooruit en kent geen grens.
Ons spitwerk ondergroef de wens
die vader was van één gedachte.

Geleerden die ons leerden te wantrouwen,
verkozen weten boven beterweten,
en lieten ons dat bot voor bot herkauwen.

Je hoort ze aan, de bange exegeten,
die hun god de schepping toevertrouwen,
maar ondertussen ga je door met meten.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Novice de Chartres

In het om hem heen gebouwd theater
waar wierook brandde voor de sfeerverhoging
was hij die avond voor zijn gevoel
wel driemaal getrouwd en gescheiden.

Hij verlangde naar buiten. Neukte stiekem,
dus moeizaam en schrijnend, tussen
persoonlijk ontheiligd marmer, onverklaard
blijvende stigmata in zijn lamswollen pijen.

Steeds bevreesder dat z’n lul van z’n lichaam
zou vallen, werd het tijd voor een list
of een wonder; aldus verklaarde hij
zich op de valreep ongelovig.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Moerdijk moet nodig met de tijd mee

Café De Put is niet meer in zak en as; juist omdat het er niet meer is.

Mijn zwager is de CEO van een Opslag- en expeditiekantoor in Moerdijk. Bij die onderneming hoort een gigantische loods. Het ding bestond al toen de verdozing van Nederland nog niet als een onesthetische aanval op de omgeving werd gezien maar als een teken van welvaart. Het ging goed met zijn bedrijf met als gevolg dat de loods te klein werd. Daarom kwam er een tweede. Dat ding was vele malen groter. Toen je loods 1 naast loods 2 zag staan, begreep je pas hoe bescheiden mijn zwager was begonnen en met hoeveel succes hij het bedrijf naar de top had geleid. Dat werd alleen maar duidelijker bij iedere volgende uitbreiding.

Ik probeerde hier iets poëtisch over op papier te zetten voor op het jubileum; het bedrijf bestond 50 jaar. Er kwamen zinnen bij mij op als ‘matroesjka’s in het kwadraat’, ‘het grote omvademt het kleine’, ‘het kind dat blokkentorens omslaat’, ‘Hij zal gebouwen in gebouwen doen verdwijnen.’ Maar ik werd geukkig niet uitgenodigd. Mijn schrijfader slibte weer dicht; kust veilig.

Als mij in het bijzijn van iemand duidelijk wordt dat ik een onpraktische taalgebruiker ben, dan is het wel wanneer ik de praktijkgeschoolde kerel, die mijn zwager is, over 6.500 m2 hoogwaardige loodsruimte hoor spreken, of over zijn fantastische alarmsysteem, de bovenloopkranen met een capaciteit van 10.000 kg per stuk, de brede overheaddeuren, stellingen met ontelbare palletplaatsen, zijn AEO certificering, zijn ISO certificering, of de verwarmingskamer met een capaciteit van nog eens 60 pallets.

Niet dat mijn zwager en ik elkaar niet mogen, maar we zitten verschillend in de wedstrijd (zoals de uitdrukking luidt), en nu we het toch over sport hebben: hij sponsert de plaatselijke voetbalclub. Dat bedoel ik, hij betekent iets voor zijn omgeving, hij is zo’n ondernemer die anderen laat meeprofiteren van zijn welvaart. Dus is het niet eens omwille van de goede vrede dat ik onze verschillen niet benadruk als we elkaar ontmoeten. We kennen elkaars meningen bovendien al lang. Ik vind dat er in de wereld een steeds grotere ruimte wordt ingenomen door het kapitalisme, maar mij vergaat de lust om daarover te beginnen in zijn bijzijn. Hij heeft mensen uit het dorp toch maar mooi aan een baan geholpen.

Helaas moeten zij op een goed moment wel hun huizen verlaten. Zoals ik al zei: de zaken gaan goed in Moerdijk. Geen wonder dat het dorp te klein wordt voor bewoners. Het woord uitbreiding is gevallen en daarmee ook het doek voor de gewone burger. Het gehucht valt feitelijk uiteen in twee groepen: 1. zij die ondernemen en schaalvergroten, en 2: zij die mijmeren over gunstige uitkoopregelingen en alvast inpakken. Bij die terugtrekkende bewegingen wordt natuurlijk gefoeterd. Toch vind ik dat het dorp, gezien de situatie, opvallend weinig echt boze bewoners telt. Dat komt misschien omdat veel mensen die er woonachtig zijn ook werken voor een bedrijf aldaar. Want er is werk zat. En wiens brood men eet…

Niet alles wat zaken doet in Moerdijk heeft overigens kans gezien om te expanderen. Er was een café dat de Put heette. Daar viel het doek, ruim voordat de doem van uitbreidende industrieterreinen opdook. Ik vrees dat we hier gewoon moeten denken aan een geval van slecht ondernemerschap. Café de Put heet trouwens niet zo omdat zich hier een natuurlijke bron bevond, of een wonderput waaruit een mooie sage of legende kwam opborrelen. De naamgever was gewoon een vent die een kroeg begon en het een leuk idee vond dat bezoekers naar huis konden bellen met: “Schat, ik kom wat later, ik zit nog in De Put.” Wat dat betreft had de tent beter tot het laatste moment open kunnen blijven.

Omdat het vandaag VrijMiPo is en ik mij ten doel heb gesteld om iedere week een of twee gedichten op te voeren in uw denkbeeldige café, laat ik u bij deze een gedicht horen over iemand  die zijn geboortewijk zo snel mogelijk wilde verlaten, en een gedicht over iemand die zo’n zelfde verlangen koesterde wat betreft produktie-arbeid.

Een laan op zuid

Kleumende telg uit een bakluchtbuurt
waar buikzieke wijven in hun raamkozijnen
gesmoorde vloeken uit hun kussens klopten.

Sleepnet over brakke grond sleurde zijn wijk
langs de aarde, wierf het vullis voor een drietal
kroegen, wat winkeltjes en woningen in rijen.

Weke wezens van de moddergrond, ontstaan
uit kikkerrit van huizen; om lucht snakkend
leven dat groeide naar de grootte van die bak.

Lijpe laan waar men hem leerde lopen, vluchtplan
van te late ouders. Eerste stap die daar
vandaan de verte van een thuis verlangde.

©Ronald van Noorden ©Cum Suis 2012

Non-stop

De werveling is ooit in gang gezet.
Miljoenenijver hield de zaak aan ’t draaien.
Overvloedige vingers slaan het alfabet.
Ontelbare handen die de band afgraaien.

Een dag, verhangen tussen prikklokslagen.
Drie pauzes, voor het leven gemarkeerd.
Wij fantaseren uit ons hoofd geleerd,
wat wij gaan doen met onze snipperdagen.

We weten wel wat goed is en wat slecht.
Het lichaam schreeuwt om zelfbeheer,
de vrijheid van een niemandsknecht!

Maar iedere dag komt op hetzelfde neer:
we staan hier straks en nu en morgen weer.
Wat komt van al ons later nog terecht?

©Ronald van Noorden ©Cum Suis 2012

Café de Put schijnt z’n eigen kuil te hebben gegraven, nog voordat de doem van uitbreiding van bedrijfsterreinen zich aankondigde. Het fijne weet ik er eerlijk gezegd niet van.