Over de anatomie van een verdachtmaking, de eenzaamheid van het pluche en de veerkracht van een persoonlijkheid.
Beste Femke,
Het is een vreemde gewaarwording om te zien hoe de geschiedschrijving de scherpe kantjes van het gitzwarte jaar 2002 – het jaar van de moord op Pim Fortuyn – afslijpt tot een overzichtelijke vertelling. Pas toen ik las over de persoonlijke details van die maanden, zoals jij ze opschreef in jouw autobiografische relaas genaamd Pluche, brak het besef door hoe desolaat, onbegrepen en bij vlagen vogelvrij jij je destijds moet hebben gevoeld. Ik schrijf je deze brief omdat ik die turbulente periode, en de wijze waarop jij daarin bent bejegend, weer haarscherp voor de geest heb1. Ik realiseer me dat er in de electorale en journalistieke kookpot van toen nauwelijks ruimte was voor de erkenning van het incasseringsvermogen dat jij destijds aan de dag legde.

De reconstructie die je schetst van de herfst van 2002 toont een politiek landschap in staat van ontbinding. De moord op Pim Fortuyn had de wetten van de logica en de fatsoensnormen vloeibaar gemaakt. Wat mij in jouw relaas met terugwerkende kracht het meest raakt, is de verstikkende fuik waarin je destijds met Paul Rosenmöller werd gedreven. Het was de volstrekte omkering van de werkelijkheid; de ironie wil dat een oppositionele, linkse partij als GroenLinks, die zich juist profileerde tégen de paarse consensus, met één grove penseelstreek werd bijgeschreven in het register van de ‘zelfingenomen Haagse kliek’.
Die dynamiek van de verdachtmaking – waarin ratio het aflegt tegen het mythische verhaal – bereikte een absoluut dieptepunt in de nasleep van de moord. Het is onvoorstelbaar hoe de term ‘demoniseren’ werd gekapitaliseerd om elke vorm van inhoudelijke kritiek monddood te maken. De opmerking die je destijds maakte bij Nederland kiest, waarin je Fortuyns uitspraken over moslims als ‘extreemrechts’ kwalificeerde, was in het licht van de politieke situatie een accurate observatie. Dat deze analyse naderhand als een boemerang terugkeerde en door figuren als Theo van Gogh live op televisie werd vertaald in een morele medeplichtigheid aan moord (“Jullie hebben loon naar werken”), is een vorm van verbale intimidatie die de democratische rechtsorde diep heeft beschadigd.
De eenzaamheid die uit die scènes spreekt, is tastbaar. Terwijl de publieke hysterie bezit nam van het land, moest jij dealen met een persoonlijke doodsbedreiging op de avond van de begrafenis van Ab Harrewijn; een zachtmoedig politicus wiens stille dood wrang contrasteerde met het luidruchtige spektakel op de straat. De psychologische tol van die periode laat zich raden: de noodzaak om publieke plekken te mijden, de intellectuele distantie die zelfs in je privéleven met Robert tijdelijk tot een verwijdering leidde, en de totale verlamming van het parlementaire werk.
Het absolute dieptepunt van die politieke verloedering kristalliseerde zich uit in de interruptie van Ferry Hoogendijk. Dat een zittend Kamerlid het presteert om een collega die opkomt voor de veiligheid van haar eigen fractievoorzitter, sissend toe te voegen: “Wegwezen jij!”, is exemplarisch voor de rauwe, onversneden vijandigheid waarmee jij destijds bent geconfronteerd. Je werd niet langer gezien als een volksvertegenwoordiger met een afwijkend standpunt, maar als een obstakel dat fysiek en electoraal geruimd moest worden.
Dat je deze periode hebt doorstaan zonder te vervallen in permanent cynisme of rancune, getuigt van een intellectuele en morele veerkracht die in de toenmalige waan van de dag onopgemerkt bleef. De wijze waarop je de dialoog aanging met je eigen bedreiger – een kwetsbare man met schulden – en vervolgens bij het Openbaar Ministerie pleitte voor het seponeren van de zaak, bewijst dat je weigerde mee te gaan in de verhitte logica van vergelding. Het toont een diep humanitair kompas dat in de politieke arena van 2002 nagenoeg onvindbaar was.
Toen Paul Rosenmöller op die bewuste veertiende november je kamer binnenstapte en verklaarde dat het ‘op’ was, lag de loodzware erfenis van een getraumatiseerde partij plotseling op jouw schouders. Je overwoog je kinderwens, je twijfelde aan je eigen ambitie. Dat waren legitieme menselijke overwegingen die in de harde logica van de macht meestal worden weggedrukt. Dat je desondanks ‘ja’ zei, niet uit ijdelheid, maar uit een gevoel van solidariteit en verantwoordelijkheid voor de publieke zaak, dwingt diep respect af.
Met deze brief wil ik die periode alsnog markeren, los van de toenmalige politieke waan die inmiddels alweer decennia achter ons ligt. De manier waarop jij de herfst van 2002 hebt overleefd, heeft de basis gelegd voor het leiderschap dat je in de jaren daarna hebt getoond; standvastig, helder van geest, en met een weigering om te capituleren voor de intimidatie van de schreeuwers. Dat mag, juist omdat het destijds zo schandelijk werd verzwegen, weleens hardop worden gezegd.
Met respectvolle groet,
Ronald van Noorden
- Aanleiding voor dit schrijven is mijn recente kennismaking met Pluche, dat ik toevallig aantrof in een straatbibliotheekje en meteen ben gaan lezen. Vanaf bladzijde 100 in het vierde hoofdstuk (getiteld ‘Wegwezen jij!’), sloeg mijn nieuwsgierigheid om in een diepe ontzetting. Tegen het einde bekroop mij een gevoel van machteloze woede. Het is ijzingwekkend om te zien wat integere, goedbedoelende politici kan worden aangedaan zodra stemmingmakers en malicieuze ambtgenoten het publieke klimaat doelbewust vergiftigen.
Mijn woede wordt extra gevoed door de actualiteit. Wat in 2002 nog de rauwe, ontregelende voorbode van een nieuw populisme leek, is inmiddels op de rechterflank verworden tot een vaste routine; een politieke overlevingsstrategie waarbij het systematisch verdacht maken van instituties, het op de persoon spelen en het intimideren van opponenten eerder regel dan uitzondering zijn geworden. Dit dwingende besef liet mij niet los en vormde de reden voor het schrijven van deze brief. ↩︎
