De perken te buiten?

Overgeleverd aan de overlevering wordt het pleit beslecht op de grens van percelen.

Een dagje wroeten in de voortuin bewijst maar weer eens dat een buurtgemeenschap onzichtbaar meekeurt. Die sociale controle deert me nauwelijks; ik kan de subtiele surveillance best hebben, zelfs als het verdict aanvankelijk riekt naar bemoeizucht. Het blijft echter fascinerend hoe vlot de tongen losraken en hoe vliegensvlug het oordeel – of vooruit, de roddel – van voordeur tot voordeur reist en zich richting mijn groen en mijn goede voornemens vreet.

Een mens zou in zijn eigen voortuin bijna vergeten dat hij deel uitmaakt van een groter ecosysteem, waarin de sociale cohesie steviger verankerd zit dan onverwoestbare hardhouten palen.

Je hoort mij niet zeggen dat ik louter applaus verwacht omdat ik als frisse buurman de wildernis tem, maar de reorganisatie die ik van plan ben door te voeren lijkt mij een flinke vooruitgang ten opzichte van de oude situatie; zeker als je bedenkt dat mijn voorganger zijn gazon hanteerde als hondentoilet om de wandeltocht naar het park te omzeilen (een historisch dieptepunt dat ik ook slechts via de tamtam vernam en dat dus niet per se waar hoeft te zijn).

Nu word ik in mijn rol van noeste tuinkabouter heus wel getolereerd, maar de wittebroodsfase blijkt voorbij. De ballotagecommissie begint zich langzaam te roeren. Mijn agrarische ambities omtrent het gazon blijken voor het gemiddelde jurylid net iets te frivool. Gezien de prehistorische hoogte van het gras speelde ik met het idee om een geit te adopteren; of desnoods een schaap te houden binnen een iets minder hoge omheining. Die ik dan natuurlijk wel eerst moest oprichten. De crux van het lokale onbehagen zit ’m in die gedroomde erfafscheiding.

Met dank aan de viervoeter van weleer heeft de buurvrouw de woningcorporatie zo ver gekregen om een heus defensiewerk op te trekken; een tactische buffer tussen haar huistijger en de toenmalige vechthond over de gehele lengte van de voortuin. Ik ben persoonlijk erg in mijn nopjes met deze geopolitieke erfenis. De palen reiken tot in de aardkern en zijn vervaardigd uit onverwoestbaar tropisch hardhout. Het geheel ademt een heerlijke onvergankelijkheid. Dit bracht mij op het idee om deze fortificatie op eigen kosten door te trekken langs de trottoirzijde. Daarvoor hoefde slechts een armetierig ijzeren restant met doorgezakt gaas en vermoeide dwarsverbindingen te wijken.

Gewapend met een haakse slijper ben ik gisteren dat dysfunctionele ijzerwerk te lijf gegaan. Het bleek een geluk bij een ongeluk dat mijn slijpschijven opraakten. Was dat niet gebeurd, dan waren de ijzeren palen – die zo mogelijk nog dieper ‘wortelen’ dan het reeds bezongen hardhout – ongetwijfeld ook ten prooi gevallen aan mijn saneringsdrang. Wat later fungeerde de buurvrouw als de ware noodrem. Zij appte mij met een ontwapenende vriendelijkheid: ‘[Iemand] vertelde dat de hekjes aan de voorkant van de tuin eigenlijk bij de huizen horen en dus niet weggehaald mogen worden!!! Ik zou het ff informeren voordat je hout e.d. gaat kopen.’

Een drievoudig uitroepteken als baken van corporatiewijsheid. De keten van de overlevering is sluitend. De ambtelijke molens draaien snel via het struikgewas. Tegen zoveel straatwijsheid kunnen mijn goede voornemens niet op. Wie de perken te buiten wil gaan, stuit vroeg of laat op een muur van huurregels. Mijn vernieuwingsdrift werd vakkundig ingedamd. Terwijl ik wacht op groen licht van de vastgoedbureaucratie, plaats ik visionaire plannen in de vriezer. Gehoorzaam heb ik mijn destructieve gereedschap in de schuur geparkeerd, in afwachting van een definitief besluit. Het zou immers zonde zijn als mijn hardhouten dromen sneuvelen op een paragraaf in een reglement.

Ik dank mijn soortgenoten voor hun waakzaamheid; het is een geruststellende gedachte dat, mocht ik ooit een geit huisvesten, belanghebbenden de omheining hebben goedgekeurd voordat ook het beest begint te mekkeren.

Semantiek als schild

Hoe één voorzetsel het verschil maakt tussen een meeloper en een master.

Beste Stéphanie en Janneke,

In een van jullie laatste podcastuitzendingen van De Shitshow ventileren jullie de ergernis aan mensen die een sweater dragen met het logo van Harvard, terwijl ze nooit aan die universiteit hebben gestudeerd. Als voorbeeld valt de naam van Humberto Tan.

In de laatste uitzending van de podcast Dit is Amerika wil presentator Michiel Vos, die naar jullie heeft geluisterd, van zijn gesprekspartner weten hoe het nou zit: “Heb je op Harvard gezeten of niet?”

De beroemde voetballer Tonny Harvard en zijn Ziggo-fans.

Het is grappig om te horen hoe Humberto hier semantiek gebruikt om toch te kunnen suggereren dat hij daar onderwijs heeft genoten. Hij bezigt namelijk consequent de formulering: “Ik heb bij Harvard gezeten.”

Dat is een prachtig staaltje taalkundige gymnastiek. Het echte antwoord op de vraag van Vos is even simpel als ontnuchterend: nee, hij heeft daar geen reguliere academische graad behaald. De presentator is gewoon in de rechten afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn specifieke woordkeuze spreekt hij technisch gezien overigens wel de waarheid; zijn achterwerk heeft daadwerkelijk contact gemaakt met het meubilair op de campus in Cambridge.

In 2016 volgde hij daar namelijk een kortstondige masterclass aan de Harvard Business School. Het betrof de collegereeks The Business of Entertainment, Media, and Sports, gedoceerd door de Nederlandse professor Anita Elberse. Zo’n intensief ‘executive’ traject duurt doorgaans geen jaren, maar slechts een dag of vier. Het is een prestigieuze netwerkcursus waar vermogende prominenten aanschuiven; Tan deelde de collegebanken destijds met onder anderen acteur Channing Tatum en rapper LL Cool J.

Zijn zorgvuldig gekozen bewoordingen functioneren als een schild. Het voorkomt de valse claim van een volwaardige master of PhD, terwijl de elitaire associatie met het instituut subtiel overeind blijft. Een even slimme als ironische strategie om status te cultiveren.

Aangezien beide podcasten onder de vleugels van Tonny Media vallen, vermoed ik dat ik jullie hiermee geen schokkend nieuws breng en dat de onderlinge ergernissen op de kantoorvloer niet al te hoog oplopen. Maar toch; de anekdote is te vermakelijk om onbenoemd te laten.

Met vriendelijke groet,

Ronald

Lezersreactie:
Laat het ontdekken van de dubbele bodem in het onderschrift van die afbeelding maar aan de scherpte van de lezer over. De klankovereenkomst met ‘sycophants’ is volkomen duidelijk.

Antwoord:
Dank je. Bij deze geschrapt.

Haha, hij heeft daar dus niet regulier in de boeken gezeten. Toch vind ik het eigenlijk wel een meesterlijk staaltje verbale acrobatiek. Met die formulering zoekt hij exact de grens op tussen een feitelijke herinnering en pure status, wat maar weer eens bewijst dat de man retorisch ijzersterk is. Wat mij betreft hoeft hij hierom niet direct genadeloos aan de schandpaal; je moet hem de sportiviteit van de woordspeling bijna nageven.
Bram_V

Dat hij bij elke anekdote over zijn ‘Harvard-tijd’ direct de namen van Channing Tatum en LL Cool J laat vallen, maakt het er nou niet bepaald geloofwaardiger op. Als je met Hollywoodsterren en rappers in de collegebanken zit, weet je eigenlijk al dat je niet bezig bent met een gortdroge studie macro-economie, maar met een peperduur netwerkfeestje voor prominenten. Juist de behoefte om die namen te noemen, verraadt de drang naar status.
Eline, Haarlem

De laatste colporteurs van het zondebesef

Over zeldzaam wordende zielverkopers die dachten dat ook koppensnellers behoefte hadden aan scholastiek.

Totdat documentairemaker Jan Maarten Deurvorst zich ging verdiepen in het leven en werk van de laatste Franciscanen in Nieuw-Guinea, scheen hij ongeveer dezelfde gedachte over missie- en zendingswerk te hebben gehad als ik: dat het in wezen neerkwam op een mengeling van religieus imperialisme, cultureel vandalisme en goedbedoeld paternalisme, uitgevoerd door mannen op sandalen die vonden dat de bewoners van de jungle dringend behoefte hadden aan Europese schuldgevoelens, catechismussen en het correcte gebruik van westers bestek.

‘De kloosterorde der Franciscanen is een bedelorde. Niemand heeft bezit. Daarmee betoont de orde haar solidariteit met de armen […], wat misschien haar populariteit verklaart. [De broeders en zusters] werden ver de binnenlanden [van West-Papoea] ingestuurd. De Franciscanen […] legden het gebied dus min of meer open. Opvallend was dat ze zich daarbij nogal anti-institutioneel gedroegen. […] Ook al omdat ze weinig bagage hadden om mee te nemen.’ (radiofragment)

Misschien moet ik verder alleen voor mezelf praten: ik vond dat religieuze verspreidingsarbeid vooral neerkwam op het vervangen van lokale mythen door westerse, met als twijfelachtige bonus een kerkgebouw, een schoolbord en een permanent gevoel van beschavingssuperioriteit. De missionarissen van “Papoealand” – zoals zij het ook wel noemden – waren in essentie spirituele koloniale ambtenaren. Wereldvreemde mannen Gods die koppensnellers kwamen vertellen dat kannibalisme verkeerd was, maar ondertussen wel een complete cultuur archiveerden, herschreven en gedeeltelijk ontmantelden.

Ziezo, dat vooroordeel is opgetuigd. Maar de radiodocumentaire De laatste der Franciscanen, uitgezonden door het geschiedenisprogramma OVT van de VPRO, maakt het beeld aanzienlijk ingewikkelder. Zij heeft de hinderlijke eigenschap mijn atheïstische wereldbeeld te ontregelen.

Wat deze documentaire bijzonder maakt, is dat zij niet alleen gaat over missionering in koloniale context, maar vooral over de onverwachte wederzijdse beïnvloeding tussen missionarissen en Papoeastammen zoals de Asmat en de Marind. In Nederlandse koloniale verhalen stonden die groepen lang bekend als koppensnellers en kannibalen; een beeld dat sensationeel was. De documentaire onderzoekt wat er werkelijk gebeurde toen Franciscanen zich daar na de Tweede Wereldoorlog op grotere schaal vestigden.

De Franciscaanse aanwezigheid in Nederlands Nieuw-Guinea begon al in 1937. Nederlandse minderbroeders werkten in gebieden rond Merauke, Mimika en later ook in het Asmatgebied. Hun werk beperkte zich niet tot religie: zij hielden zich bezig met onderwijs, gezondheidszorg, taalstudie en infrastructuur. Opvallend is dat Franciscaanse missionarissen relatief veel belangstelling hadden voor lokale rituelen en culturen, in tegenstelling tot meer paternalistische missiebenaderingen elders.

Interessant is de bredere historische achtergrond. West-Papoea werd tot 1962 bestuurd als Nederlands Nieuw-Guinea. Daarna kwam het gebied onder Indonesisch bestuur, wat leidde tot langdurige spanningen en onafhankelijkheidsbewegingen. Sommige missionarissen gingen zich later nadrukkelijk uitspreken over mensenrechten en geweld tegen Papoea’s. De uitzending blijkt sowieso niet alleen een verhaal over religie te zijn, maar ook over identiteit, antropologie, culturele ontmoeting, kolonialisme en het verdwijnen van een Nederlandse wereld in de Pacific.

In de documentaire speelt dat – het verdwijnen van een tijdperk – een grote rol. Juist daar krijgt het verhaal een menselijke scheur die verhelderend licht doorlaat. Vrijwel alle Nederlandse missionarissen zijn inmiddels vertrokken of overleden. De titel De laatste der Franciscanen verwijst naar de laatste nog aanwezige Nederlandse pater in het gebied, die Deurvorst heeft geïnterviewd. Dat geeft het programma een melancholische laag: het einde van een Nederlands-katholieke aanwezigheid in Papoea die bijna negentig jaar heeft geduurd.

Het is niet dat Theo van der Broek van zijn geloof viel; hij zou graag zijn doorgegaan als drager van het kruis, bemiddelaar tussen Rome en het moeras, vertegenwoordiger van de hemelse hoofdvestiging. Als traditionele leverancier van zondebesef bleek hij echter niet geschikt. Uiteindelijk toonde deze vertegenwoordiger van de eeuwigheid zich vatbaar voor iets aards. De minderbroeder ontmoette zijn min. Jawel, de pater werd verliefd op een vrouw. Daarmee verloor de kerk een missionaris, maar kreeg de documentaire haar ontroerendste detail. Hij werd verbannen en door zijn geloofsgenoten met de nek aangekeken.

Op een enkeling na; iemand die begreep dat medemenselijkheid pas geloofwaardig wordt zodra zij ophoudt een investering in het hiernamaals te zijn.1 Met andere woorden: iemand die uiteindelijk de mens belangrijker vond dan het systeem waarin hij had leren geloven.

  1. Aanvankelijk stond hier: “iemand die de ware implicaties van het geloof had begrepen.” Maar juist daarin schuilt voor mij een probleem. Religieuze moraal blijft moeilijk los te zien van het idee dat goede daden uiteindelijk plaatsvinden binnen een verhouding tot God; als onderdeel van een morele boekhouding van zonde, schuld en verlossing. Dat roept de vraag op in hoeverre christelijke naastenliefde volledig belangeloos kan zijn wanneer zij tegelijk verbonden blijft aan eeuwige consequenties voor degene die haar verricht. Misschien waren het daarom eerder humanistische impulsen die die ene oud-collega van de verbannen pater volgde: een direct moreel besef, los van de gedachte dat een goede daad tevens een investering kan zijn in hemel, verlossing of goddelijke goedkeuring. ↩︎

Sterk geschreven, maar je reduceert religieuze naastenliefde wel erg gemakkelijk tot een soort kosmische bonusregeling. Alsof ongelovigen nooit handelen uit ijdelheid of behoefte aan erkenning, of – je raadt het al – ware compassie.
— Marianne, Nijmegen

Die zin over ‘spirituele koloniale ambtenaren’ is hard, maar niet onterecht. Missionering was vaak gewoon imperialisme met een bijbel onder de arm.
— Peter, Groningen

Interessant stuk juist omdat het weigert eenvoudig anti-katholiek te worden. Dat maakt het ongemakkelijker en dus eerlijker.
— Anoniem

Als antropoloog mis ik wel nuance over de Asmat. Het woord ‘koppensnellers’ blijft toch een koloniale categorie, zelfs wanneer je uitlegt dat het een historisch beeld betreft.
— Drs. H. van Leeuwen

Die arme pater. Negentig jaar in het moeras voor Rome gewerkt en uiteindelijk alsnog ingewisseld vanwege bureaucratische kuisheid.
— Theo, Breda

Ik ben gelovig en toch herken ik die ‘hemelse boekhouding’ waar je over schrijft. Juist daarom vond ik de noot sterker dan het essay zelf.
— Els, Antwerpen

De ironie druipt er soms iets te dik bovenop. Alsof iedere missionaris automatisch een koloniale karikatuur was. Maar goed, misschien is dat juist je stijlmiddel.
— Johan

OVT blijft fantastisch in het oproepen van dat melancholische gevoel van verdwenen Nederlandse werelden. Je ruikt in die documentaire bijna het schimmelende missiekantoor.
— Karel

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






Een curieuze paradox

Omdat het maar zelden gebeurde dat een prominente journalist werd betrapt op AI-misbruik, ging de naam van Bennie van Bergen die week over ieders lippen. Hij kwam hoofdzakelijk negatief in het nieuws, wat hem – wie had dit ooit gedacht – opvallend koud liet. Hij werd als werknemer door zijn nieuwsorganisatie op non-actief gesteld, maar de journalist in Van Bergen ging gewoon door met zijn werk. Zodoende constateerde hij iets merkwaardigs; in de collectieve afrekening tekende zich een opvallend patroon af.

Hij ontdekte een verband dat anders nooit was opgevallen: hoe meer je te maken had met collega-journalisten die het literaire gehalte van wat je schreef het belangrijkste vonden, hoe groter de afwijzing. Hoe sterker iemands’ nadruk op vorm boven inhoud, hoe feller de veroordeling. Het waren de estheten van de redactieburelen, de fijnproevers van de interpunctie, de hoeders van stijl en toon, zij die hun carrière zorgvuldig hadden opgebouwd op veilige afstand van elke inslaande granaat, die als eersten opstonden om hem de maat te nemen.

Voor hen is een tekst een zorgvuldig gepolijst sieraad, wist Bennie; iets om te bewonderen, niet om te gebruiken. Geen kogel die doel moet treffen; geen boodschap die de wereld in moet voordat ze veroudert. Een waarheidsschending door AI-gebruik, hoe onbedoeld ook, wordt in dat universum niet beschouwd als een operationeel risico, een bedrijfsfoutje, maar als een esthetische misdaad. Pleitbezorgers van die parochie spreken dan ook zonder aarzeling van ‘een smet op het blazoen van de journalistiek’; een heiligdom waarin zij zichzelf tot hogepriesters hebben gekroond.

Bennie moest heimelijk lachen. Hij noteerde: ‘Hun eigen handelingen zijn heel ritueel, hun geschrijf zit vol herhaling. Dat maakt hen volstrekt inwisselbaar.’ Hij meende een curieuze paradox op het spoor te zijn.

Ondertussen in de rechtse roedel…

Mona, de parmantige show-poedel, heeft haar wonden gelikt en laat alle zogenaamde alfamannetjes nog even in het ongerede.

Natuurlijk zal dit slinkse nest niet rusten voordat alle neuzen haar kant op wijzen. Het gaat niet goed met de opperbazen in de Boreale bossen van Teutholia. Blafhond Geert had teveel afscheiding na de laatste coupe. De hooghartige bloedhond Markusz liep een vette kluif mis en blaft nu al een toontje lager. De potsierlijke Teckel Thierry verliet zijn roedel overhaast en keerde terug met hangende pootjes, wat een slappe indruk maakte. Kettinghond Henk kan alleen het boerenerf bewaken en laat zijn oren teveel hangen naar, de niet minder voorspelbare, one-trick pony Van der Plas. De Eerdmanterriër tenslotte baalt dat zijn alfavrouwtje vaker wordt aangehaald door asielhoudster Jinek dan hij.

Begin 2026 leek de politieke pikorde op rechts te wankelen. Zeven PVV-Kamerleden, onder leiding van Gidi Markuszower, scheidden zich af van Geert Wilders. Hun plan was even ambitieus als opportunistisch; ze maakten aanspraak op een ‘bruidsschat’ van ruim 1,3 miljoen euro uit de fractiereserves. Met dit kapitaal wilden zij een eigen machtsblok vormen en zelfs een strategische alliantie aangaan met de BBB van Mona Keijzer om het minderheidskabinet-Jetten over rechts te gijzelen. De werkelijkheid bleek echter hardvochtig voor de afsplitsers. Het presidium van de Tweede Kamer – waar hun voormalige alfa, Geert Wilders, zelf in meebesliste – stak een stokje voor de uitbetaling. Door hun vertrek juridisch te bestempelen als een ‘afscheiding’ in plaats van een ‘splitsing’, bleven de miljoenen in de kas van Wilders. De politieke isolatie werd compleet toen ook de flirt met de BBB mislukte; Mona Keijzer werd door haar eigen partij gepasseerd, mede vanwege haar geheime toenadering tot de groep. Wat restte was een roedel zonder tanden en zonder budget; gedwongen om met hangende pootjes terug te keren in de marge van het parlement. De likorde op rechts zal opnieuw moeten worden bevochten.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

Kantoorliefde anno 1960

Het relaas van het ontslag van Onno’s moeder.

Met Kantoorliefde anno 1960 heeft Onno van Dorreland een opmerkelijk boek geschreven: half familiekroniek, half aanklacht tegen de verstikkende moraal van het begin van de jaren zestig. De ondertitel Het relaas van mijn moeders ontslag klinkt bureaucratisch, bijna droog, en dat is precies de wrange ironie die door het hele boek heen sluimert.

Van Dorreland vertelt het verhaal van zijn moeder, een vrouw die weigerde zich neer te leggen bij het voorspelbare levenspad dat haar generatiegenotes werd voorgehouden: jong trouwen, kinderen krijgen, de eigen ambities opbergen. Zij wilde een carrière, wilde zichzelf zijn. Maar in de kantoorwereld van begin jaren zestig was dat al een vorm van rebellie. Vrouwen die trouwden, dienden op te stappen of werden eruit gewerkt. Het huwelijk gold als een stilzwijgend ontslagformulier.

Dan gebeurt wat niet had mogen gebeuren: een kantoorromance. Een collega maakt haar het hof en er bloeit in het geniep een relatie op. Totdat het uitkomt. En dan toont de hypocrisie van die tijd zich in zijn meest venijnige vorm. De man blijkt getrouwd, heeft kinderen; details die hij angstvallig verzwegen had. Maar waar je zou verwachten dat hij ter verantwoording wordt geroepen, gebeurt het omgekeerde. Zij krijgt ontslag. Hij blijft gewoon zitten. Sterker nog: hij ontkent zijn aandeel, minimaliseert de affaire tot een onbenullige flirt, en laat haar vallen als een baksteen.

Van Dorreland schrijft met ingehouden woede, maar ook met een scherpe pen. De opmerking dat hij “blij is dat deze man niet zijn vader is geworden” heeft iets van zwarte humor; een zoon die zijn eigen ontstaansgeschiedenis welhaast bedankt voor een gemiste kans op een waardeloze vader. Het is die droge toon die het boek draaglijk maakt, die voorkomt dat het een slachtoffer-epos wordt.

Want een slachtoffer is zijn moeder niet geworden, althans niet in de ogen van haar zoon. Zij ontmoette later een betere man, trouwde, werd moeder. Maar – en hier zit de angel van het boek – ze werkte nooit meer. Ze werd inderdaad die huisvrouw die ze juist niet had willen zijn. Van Dorreland wijst er nadrukkelijk op dat dit niet haar keuze was, niet haar zwakte, maar het resultaat van een maatschappij die geen ruimte liet voor herstel of een tweede kans. Een vrouw met zo’n ‘smet’ op haar blazoen kwam er niet meer bovenop.

Het boek leest als een persoonlijke afrekening, maar overstijgt het individuele verhaal. Van Dorreland schetst een tijd waarin vrouwen structureel werden achtergesteld – lagere lonen voor hetzelfde werk, dubbele moraal bij seksueel gedrag, ontslag bij huwelijk – en laat zien hoe die mechanismes niet abstract waren, maar levens verwoestten. Echte levens. Zoals dat van zijn moeder.

Kantoorliefde anno 1960 is geen prettig boek, maar wel een noodzakelijk. Het combineert persoonlijke geschiedenis met maatschappijkritiek, pijn met precisie, verontwaardiging met verdriet. En het doet dat met een literaire finesse die voorkomt dat het verzandt in sentiment. Een indringend portret van een tijd die gelukkig voorbij is, en een waarschuwing dat rechtvaardigheid nooit vanzelfsprekend is.

De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Alternatieve boekomslagen

Een opvanghuis voor boeken zonder inhoud.

Het menu ALT op mijn site bevat een pagina voor boeken die nooit zijn afgemaakt. ALT staat voor alternatieve boekomslagen. Dat verwijst naar een versie die wél van de grond kwam. ALT biedt ook onderdak aan Mock Books, Ghost Books en Cover-ups; projecten waarvan de ontwikkeling bleef steken in hun buitenkant. Het zijn creaties van een Window Dresser (om in Engelse termen te blijven). Je kunt me ook een Facade Engineer noemen of een Vanity Press Publisher, want ijdelheid vormt een belangrijk deel van mijn motivatie.

Het boek genaamd Vapor Book Writer lost na een optreden van The Beatles in rook op. Daar had ik tenslotte niets zinnigs meer aan toe te voegen. Kan het vluchtiger? We leven in een beeldcultuur en ik doe graag mijn duit in het zakje. Ondertussen probeer ik grappig te zijn, en bescheiden; begrippen die elkaar vaak in de weg zitten.

Ik speel de ALTviool. Niet de melodie, niet de solo, maar een begeleidend stemmetje dat meedoet maar zelden wordt opgemerkt. Je zou deze hele onderneming psychologisch kunnen interpreteren als een zorgvuldig geconstrueerde manier om aanwezig te zijn zonder de inhoud te hoeven verklaren. Die laat zich tegenwoordig mede beïnvloeden door AI en dat durf ik (nog) niet hardop te zeggen.