Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

Brief aan Femke Halsema

Over de anatomie van een verdachtmaking, de eenzaamheid van het pluche en de veerkracht van een persoonlijkheid.

Beste Femke,

Het is een vreemde gewaarwording om te zien hoe de geschiedschrijving de scherpe kantjes van het gitzwarte jaar 2002 – het jaar van de moord op Pim Fortuyn – afslijpt tot een overzichtelijke vertelling. Pas toen ik las over de persoonlijke details van die maanden, zoals jij ze opschreef in jouw autobiografische relaas genaamd Pluche, brak het besef door hoe desolaat, onbegrepen en bij vlagen vogelvrij jij je destijds moet hebben gevoeld. Ik schrijf je deze brief omdat ik die turbulente periode, en de wijze waarop jij daarin bent bejegend, weer haarscherp voor de geest heb1. Ik realiseer me dat er in de electorale en journalistieke kookpot van toen nauwelijks ruimte was voor de erkenning van het incasseringsvermogen dat jij destijds aan de dag legde.

De reconstructie die je schetst van de herfst van 2002 toont een politiek landschap in staat van ontbinding. De moord op Pim Fortuyn had de wetten van de logica en de fatsoensnormen vloeibaar gemaakt. Wat mij in jouw relaas met terugwerkende kracht het meest raakt, is de verstikkende fuik waarin je destijds met Paul Rosenmöller werd gedreven. Het was de volstrekte omkering van de werkelijkheid; de ironie wil dat een oppositionele, linkse partij als GroenLinks, die zich juist profileerde tégen de paarse consensus, met één grove penseelstreek werd bijgeschreven in het register van de ‘zelfingenomen Haagse kliek’.

Die dynamiek van de verdachtmaking – waarin ratio het aflegt tegen het mythische verhaal – bereikte een absoluut dieptepunt in de nasleep van de moord. Het is onvoorstelbaar hoe de term ‘demoniseren’ werd gekapitaliseerd om elke vorm van inhoudelijke kritiek monddood te maken. De opmerking die je destijds maakte bij Nederland kiest, waarin je Fortuyns uitspraken over moslims als ‘extreemrechts’ kwalificeerde, was in het licht van de politieke situatie een accurate observatie. Dat deze analyse naderhand als een boemerang terugkeerde en door figuren als Theo van Gogh live op televisie werd vertaald in een morele medeplichtigheid aan moord (“Jullie hebben loon naar werken”), is een vorm van verbale intimidatie die de democratische rechtsorde diep heeft beschadigd.

De eenzaamheid die uit die scènes spreekt, is tastbaar. Terwijl de publieke hysterie bezit nam van het land, moest jij dealen met een persoonlijke doodsbedreiging op de avond van de begrafenis van Ab Harrewijn; een zachtmoedig politicus wiens stille dood wrang contrasteerde met het luidruchtige spektakel op de straat. De psychologische tol van die periode laat zich raden: de noodzaak om publieke plekken te mijden, de intellectuele distantie die zelfs in je privéleven met Robert tijdelijk tot een verwijdering leidde, en de totale verlamming van het parlementaire werk.

Het absolute dieptepunt van die politieke verloedering kristalliseerde zich uit in de interruptie van Ferry Hoogendijk. Dat een zittend Kamerlid het presteert om een collega die opkomt voor de veiligheid van haar eigen fractievoorzitter, sissend toe te voegen: “Wegwezen jij!”, is exemplarisch voor de rauwe, onversneden vijandigheid waarmee jij destijds bent geconfronteerd. Je werd niet langer gezien als een volksvertegenwoordiger met een afwijkend standpunt, maar als een obstakel dat fysiek en electoraal geruimd moest worden.

Dat je deze periode hebt doorstaan zonder te vervallen in permanent cynisme of rancune, getuigt van een intellectuele en morele veerkracht die in de toenmalige waan van de dag onopgemerkt bleef. De wijze waarop je de dialoog aanging met je eigen bedreiger – een kwetsbare man met schulden – en vervolgens bij het Openbaar Ministerie pleitte voor het seponeren van de zaak, bewijst dat je weigerde mee te gaan in de verhitte logica van vergelding. Het toont een diep humanitair kompas dat in de politieke arena van 2002 nagenoeg onvindbaar was.

Toen Paul Rosenmöller op die bewuste veertiende november je kamer binnenstapte en verklaarde dat het ‘op’ was, lag de loodzware erfenis van een getraumatiseerde partij plotseling op jouw schouders. Je overwoog je kinderwens, je twijfelde aan je eigen ambitie. Dat waren legitieme menselijke overwegingen die in de harde logica van de macht meestal worden weggedrukt. Dat je desondanks ‘ja’ zei, niet uit ijdelheid, maar uit een gevoel van solidariteit en verantwoordelijkheid voor de publieke zaak, dwingt diep respect af.

Met deze brief wil ik die periode alsnog markeren, los van de toenmalige politieke waan die inmiddels alweer decennia achter ons ligt. De manier waarop jij de herfst van 2002 hebt overleefd, heeft de basis gelegd voor het leiderschap dat je in de jaren daarna hebt getoond; standvastig, helder van geest, en met een weigering om te capituleren voor de intimidatie van de schreeuwers. Dat mag, juist omdat het destijds zo schandelijk werd verzwegen, weleens hardop worden gezegd.

Met respectvolle groet,

Ronald van Noorden

  1. Aanleiding voor dit schrijven is mijn recente kennismaking met Pluche, dat ik toevallig aantrof in een straatbibliotheekje en meteen ben gaan lezen. Vanaf bladzijde 100 in het vierde hoofdstuk (getiteld ‘Wegwezen jij!’), sloeg mijn nieuwsgierigheid om in een diepe ontzetting. Tegen het einde bekroop mij een gevoel van machteloze woede. Het is ijzingwekkend om te zien wat integere, goedbedoelende politici kan worden aangedaan zodra stemmingmakers en malicieuze ambtgenoten het publieke klimaat doelbewust vergiftigen.
    Mijn woede wordt extra gevoed door de actualiteit. Wat in 2002 nog de rauwe, ontregelende voorbode van een nieuw populisme leek, is inmiddels op de rechterflank verworden tot een vaste routine; een politieke overlevingsstrategie waarbij het systematisch verdacht maken van instituties, het op de persoon spelen en het intimideren van opponenten eerder regel dan uitzondering zijn geworden. Dit dwingende besef liet mij niet los en vormde de reden voor het schrijven van deze brief. ↩︎

Niemand danst in zuiver daglicht

Breaking Bad is de ultieme parade van verborgen agenda’s.

Wanneer de fysieke uitputting van het klussen in mijn ‘nieuwe’ woning me te veel werd, bood de televisie de perfecte vluchtroute. Ik zeeg neer in mijn getrouwe binge-stoel en besloot Breaking Bad nogmaals in zijn geheel te consumeren. Vijf dagen; langer had ik niet nodig. Een prestatie die het midden houdt tussen bewonderenswaardige focus en acute schaamte over mijn gebrek aan doe-het-zelf-discipline.

Een ‘grappig’ contrast met de hoofdrolspelers is, dat de ‘Salamanca-Twins’ juist geen last hebben van een dubbelleven. Geen geheimen, geen dilemma’s: gewoon pure, onvervalste, en bloedstollende moordlustige toewijding. Hun agenda blijkt glashelder: dood en verderf zaaien. Zonder enige twijfel en met een angstaanjagende efficiëntie. Hun eendimensionale meedogenloosheid houdt welgeteld zeven afleveringen stand; daarna is het definitief gedaan met hun zwijgzame terreur. (Deze bewerkte ‘dik aangezette’ weergave van de broers door Luiz Henrique wordt afgedrukt met impliciete toestemming.)

Tijdens deze adembenemende herhaling schrok ik van mijn eerdere oppervlakkigheid. Wat had ik de eerste keer veel gemist; of was ik simpelweg vergeten hoe vernuftig deze Griekse tragedie in elkaar steekt? Het overkoepelende thema dat zich ditmaal onbarmhartig aan mij opdrong, was niet de drugshandel, maar het sinistere dubbelleven van praktisch elk hoofdpersonage. Niemand danst puur in het daglicht in deze serie.

Waarschuwing vooraf: Mocht je de afgelopen vijftien jaar onder een steen hebben geleefd en deze serie nog willen bekijken; hierna volgen monumentale spoilers. je bent gewaarschuwd.

Walter White:
In de buitenwereld kennen we hem als de sullige, ietwat meelijwekkende scheikundeleraar in een beige pantalon die worstelt met een terminale diagnose. Dat is de man die meelij opwekt. Achter die façade schuilt echter Heisenberg; een rücksichtloze, narcistische drugskoning die kickt op macht, manipulatie en puur gevaar. Waar hij aanvankelijk beweert de criminaliteit in te gaan voor het financiële welzijn van zijn gezin, blijkt zijn ware drijfveer vele malen donkerder: hij vindt het heerlijk om de almachtige schurk te zijn.

Skyler White:
Zij presenteert zich steevast als de bezorgde, moreel superieure huisvrouw en zwangere moeder die koste wat kost de schone schijn probeert op te houden. Haar verborgen realiteit is die van een uiterst kille, berekenende witwasser en strateeg. Zodra ze de omvang van Walts imperium doorgrondt, transformeert ze in een medeplichtige die koudbloedig adviseert over het monddood maken van getuigen; om over haar discrete buitenechtelijke escapade met haar baas nog maar te zwijgen.

Hank Schrader:
Voor zijn collega’s en familie is Hank de ultieme alfaman; de luidruchtige DEA-agent die flauwe grappen maakt over criminelen en absolute onkwetsbaarheid uitstraalt. In werkelijkheid is hij een doodsbange, kwetsbare man die kampt met zware paniekaanvallen en posttraumatische stress. Hank verbergt zijn psychologische breekbaarheid achter een dikke laag machismo en stort zich obsessief op de jacht naar Heisenberg om zijn eigen interne demonen te negeren.

Marie Schrader:
Marie ontmoeten we als de perfectionistische, ietwat bemoeizieke verpleegkundige die altijd klaarstaat met ongevraagd advies en een lichte obsessie voor de kleur paars. Haar schaduwzijde is die van een dwangmatige kleptomane en pathologische leugenaar. Wanneer de spanningen thuis ondragelijk worden, steelt ze dure spullen uit openhuizen en verzint ze complete alternatieve levens voor zichzelf om aan haar eigen benauwde realiteit te ontsnappen.

Gustavo Fring:
De stad kent hem als een gerespecteerde, filantropische ondernemer; de eigenaar van een succesvolle fastfoodketen en een gulle steunpilaar van de lokale gemeenschap. Achter die vriendelijke glimlach schuilt een ijskoude, angstaanjagend efficiënte drugslord met een onverzadigbare drang naar wraak. Gus is een sociopaat met twee gezichten wiens gehele imperium eigenlijk slechts een instrument is om de executie van zijn voormalige partner te wreken.

Saul Goodman:
Zijn publieke persona is dat van de flamboyante, ietwat komische ‘criminele’ advocaat die de wet buigt met glanzende reclamespots en goedkope praatjes. De man achter dit masker is een diep cynische, tragische opportunist die alle morele grenzen heeft weggedrukt. Onder de felle colberts schuilt Jimmy McGill; een man die zijn eigen trauma’s en schuldgevoelens over de dood van zijn broer overschreeuwt door volledig op te gaan in een moreel corrupt personage.

Mike Ehrmantraut:
Op het eerste gezicht is hij de norse, zwijgzame opa die liefdevol op de kleinkinderen past en overdag parkeertickets controleert bij de rechtbank. Zijn geheime leven is dat van een voormalige corrupte agent en een dodelijk efficiënte huurmoordenaar. Mike leeft in een strikt gecompartimenteerde realiteit waarin hij zijn gruwelijke werkzaamheden volledig loskoppelt van zijn rol als zorgzame grootvader.

En dan is er de grote uitzondering op de regel. Waar ieder ander personage een beschaafd masker opzet om een innerlijk monster of een diep gebrek te camoufleren, bewandelt Jesse Pinkman de omgekeerde weg.

Zijn publieke gezicht is dat van een luidruchtige, opstandige ‘wanna-be gangster’ die grossiert in straattaal, goedkope drugs en een schijnbaar totaal gebrek aan fatsoen. Maar zijn schaduwzijde herbergt een diep getraumatiseerde, empathische ziel met een verrassend zuiver moreel kompas.

Jesses geheim is niet dat hij slechter is dan hij zich voordoet; zijn geheim is dat hij juist inherent goed is. Hij is een beschadigde jongen die wanhopig zoekt naar goedkeuring en liefde, maar gevangen raakt in een web van sociopaten. Zijn verborgen kant is een diepe kwetsbaarheid en een oprecht beschermend instinct voor de zwaksten in de samenleving, met name verwaarloosde kinderen. Waar Walter White transformeert van mens naar monster, blijft Jesse tegen de klippen op zijn menselijkheid bevechten. Dat maakt hem niet alleen het meest tragische personage van de serie, maar ook het eigenlijke morele anker.

Het mechanisme achter al deze dubbellevens is overigens fascinerend. In de psychologie spreekt men van cognitieve dissonantie wanneer iemands daden niet stroken met zijn zelfbeeld. Om die spanning te overleven, splitsen deze personages hun persoonlijkheid op. Het is een wetenschappelijk verklaarbaar overlevingsmechanisme; al is de uitwerking in dit geval destructief.

Al met al een geruststellende gedachte terwijl ik na mijn binge-sessies naar mijn eigen onaffe muren stond te kijken: mijn huis mocht dan een puinhoop zijn, ik heb tenminste geen miljoenen aan drugsgeld in de kruipruimte liggen. Althans; dat houd ik mijn buren voorlopig voor.

Wat meer naar achteren

Het gat dat Esther slaat, vul je niet zomaar met een nieuw gezicht.

Iedere keer als er een leider weggaat in een partij controleer ik welke functieterm men hanteert voor de vacant geworden baan. Esther Ouwehand stapt op als ‘fractieleider’ maar in krantenkoppen staat ook vaak ‘fractievoorzitter’. Christine Teunissen neemt per direct de dagelijkse aanvoering en het handwerk binnen de Tweede Kamer over, dus die functie is vergeven. Ja, fractieleider (media-term) en fractievoorzitter (officiële term) mag je door elkaar gebruiken. De genoemde werknemer stuurt de club aan die daadwerkelijk in de Tweede Kamer zit. Het is een fulltimebaan die zich puur afspeelt binnen de muren van het parlement, waarbij men voorgaat in het voeren van debatten, wetsvoorstellen indient en dagelijkse Haagse politiek bedrijft.

Misschien ben ik niet geschikt om voor een representatieve, louter rationele stemmer door te gaan. Hoewel ik viel voor haar glasheldere idealen en de eloquente wijze waarop ze die etaleerde, speelde er een zwaktebod mee: een vorm van vooringenomenheid die ik liever voor mezelf houd. Charisma is een fenomeen dat je nooit slechts rationeel kunt verklaren. Laten we zeggen dat de politieke arena er met haar vertrek als partijboegbeeld een stuk minder elegant op wordt. Maar gelukkig blijft ze wel in de Kamer.

Esther is nooit partijvoorzitter geweest; degene die sinds 25 maart 2024 deze interne, bestuurlijke functie bekleedt heet Zwanny Naber. Zij volgde destijds Michiel Knol op, die de rol tijdelijk ad interim had waargenomen na het nogal tumultueuze vertrek van de daarvoor zittende voorzitter, Ruud van der Velden. Het partijvoorzitterschap behelst de minst zichtbare, maar organisatorisch wel heel belangrijke rol van interne verenigingsbaas. Deze persoon zit niet in de Tweede Kamer en bedrijft geen actuele politiek. De partijvoorzitter leidt de vereniging achter de schermen: de financiën, het organiseren van congressen, het selecteren van kandidaat-Kamerleden en het sussen van interne ruzies. Alleen al dat laatste zou bij de PvdD een hele enerverende taak worden.

Tot nu toe alles helder. Maar naast de manager van de kamerleden en de interne verenigingschef blijkt er ook nog behoefte aan een landelijk boegbeeld dat luistert naar de term ‘politiek leider’ (officieel) of ‘partijleider’ (media-term). Dit is het gezicht op de verkiezingsposter. De persoon die de ideologische koers uitzet, de grote interviews geeft en de partij vertegenwoordigt naar de hele samenleving. Vaak bezet de politiek leider ook stoel 1 (zoals Ouwehand deed), maar dat hoeft niet. Wat Esther Ouwehand betreft, kan ik melden dat zij naast de functie van fractievoorzitter de rol van partijleider heeft neergelegd zonder meteen een vervanger te noemen; de partij is vanaf nu dus officieel op zoek naar een nieuw nationaal uithangbord. (De twee kranten die ik lees waren hier gisteren niet echt duidelijk over. Vandaag ook niet, zo te zien.)

Ik denk dat Esther een gat laat vallen. Dat doet ze ongewild; ze heeft nog nooit een kuil gegraven voor een ander. Dit in tegenstelling tot andere partijgenoten die dat foute schopje wel hanteerden. Ik durf te beweren dat partijleider Ouwehand ook een gat zou laten vallen als er voor deze functie wel meteen een nieuwe kandidaat was aangesteld. Wat ik met zoveel woorden wil beweren, is dat Esther Ouwehand mij onvervangbaar lijkt. Althans voorlopig.

Gerekend vanaf het moment dat ze in oktober 2019 het fractievoorzitterschap overnam van Marianne Thieme, kon je bij landelijke verkiezingen drie keer op haar stemmen in de drievoudige hoedanigheid van lijsttrekker, politiek leider en fractieleider. Dat heb ik ook gedaan. 2021 was haar vuurdoop. Omdat ik al iets van haar had gezien in haar rol van kamerlid, gaf ik haar toen niet zomaar het voordeel van de twijfel. In 2023, na de val van het kabinet-Rutte IV, had zij zich zodanig gemanifesteerd dat ze mijn electorale steun nog overtuigender verdiende. Bij de meest recente Tweede Kamerverkiezingen van 2025 was ik een onverholen en van elke bedenking gevrijwaarde fan.

Ze heeft nu een beslissing genomen die haar geschiktheid voor het leiderschap in de politiek alleen maar onderstreept: ze doet een stap terug maar blijft wel zitten als kamerlid. Eén van de redenen formuleert ze in een interview in de Volkskrant zo: ‘[…] anders blijf je afhankelijk van dat ene bekende gezicht en dat is niet gezond.’ Daaruit spreekt een verlichte leider die wat mij betreft nog wel even aan had mogen blijven.

Maar misschien ben ik niet geschikt om voor een gemiddelde, objectieve stemmer door te kunnen gaan. Natuurlijk hadden haar heldere ideeën en verbale souplesse mijn voorkeur; het zou echter oneerlijk zijn om te ontkennen dat er ook een ander soort bekoring in het spel was. Een vorm van zwakheid waar je als veertien jaar oudere man bij de koffieautomaat discreet over zwijgt, maar die de gang naar de stembus wel een extra glans gaf.

Lezersreactie:
Ronald, je hoeft je sapioseksualiteit hier echt niet zo omfloerst op te kroppen hoor. We snappen allemaal dat je wild wordt van een goed geredigeerd amendement. Maar wees gerust: ze blijft gewoon in de Kamer zitten, dus je kunt je intellectuele libido de komende jaren blijven laven aan haar optredens bij de interruptiemicrofoon. Neem tussendoor een koude douche.
@Ouwe_Snor_67

Lezersreactie:
Na een wat saaie opsomming op het einde toch nog een lyrische biecht. Ik vrees dat ze jouw veertien jaar oudere hartslag nog naar gevaarlijke hoogten zal jagen als hoogst irritant kamerlid.
Ben, Endegeest

Lezersreactie:
Typisch weer een buitenstaander die de dynamiek binnen onze vereniging niet snapt. Alsof het partijvoorzitterschap van Zwanny Naber gereduceerd kan worden tot het ‘sussen van ruzies’. Bestuurlijke vernieuwing en de ecocentrische koersbewaking vergen visie! Dat jij Esther vooral ‘elegant’ vond, zegt meer over jouw oppervlakkige, antropocentrische blik dan over de electorale realiteit. Lees eerst ons partijprogramma eens fatsoenlijk.
@Groen_Kikker_91

Lezersreactie:
Ouwehand stapt natuurlijk niet zomaar op ‘omdat een bekend gezicht ongezond is’. Dat is pure spindoctoring voor de bühne. Er broeit allang weer wat op het partijbureau. En dat Teunissen de boel nu overneemt? Interim-management voor gevorderden. Over drie maanden praten we wel weer verder als de evaluatie van de lijsttrekkersprocedure online lekt.
Truus_van_Rijn, Wijnjerade

Lezersreactie:
Nou, ik vond Esther altijd veel te schreeuwerig. Altijd maar over die bio-industrie terwijl de gewone man de boodschappen niet meer kan betalen. En dat jij dan op haar stemt omdat ze zo ‘eloquent’ praat… trap er nou niet in! Het zijn allemaal zakkenvullers daar in Den Haag, of ze nou ‘fractieleider’ of ‘partijleider’ op hun visitekaartje hebben staan. Ze plukken ons allemaal kaal. Maar ja, smaken verschillen blijkbaar.
@KritischeKlaasvaak

Lezersreactie:
Het gat van Esther vul je niet zomaar met een blotebillengezicht!
Karel, Terneuzen

Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

De VS hebben hun beste president vermoord

…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.

Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.

Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.

Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.

Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.

De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.

Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.

Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.

Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag

Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.

De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.

Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.

Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.

Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.

Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.

Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.

De man die de keizer zijn kleren ontzegt

Als Jeffrey Sachs het woord neemt, is het verstandig om even heel goed op te letten.

Jeffrey Sachs is een van die zeldzame stemmen die niet probeert te imponeren, maar te verduidelijken. Zijn analyses hebben niets van de gebruikelijke ruis die het publieke debat vaak verstikt. Hij spreekt met de rust van iemand die de feiten kent en met de scherpte van iemand die weigert zich te laten meeslepen door politieke slogans.

In zijn recente uitleg over het Amerikaanse handelstekort legt Sachs een ongemakkelijke waarheid bloot: de VS geeft structureel meer uit dan het produceert. Niet door buitenlandse manipulatie, maar door eigen begrotingsdiscipline die al jaren ontbreekt. De vergelijking met een creditcard is volgens hem voldoende om de logica te begrijpen: wie meer koopt dan hij verdient, kan moeilijk de verkoper de schuld geven. Dat deze simpele realiteit wordt omgebogen tot een beschuldiging richting China of andere landen, noemt hij economisch misleidend en politiek gemakzuchtig.

Maar Sachs’ kritiek reikt verder dan de handelsbalans. Hij ziet een land dat zijn internationale rol verwart met spierballentaal, dat diplomatie afbouwt terwijl het defensiebudget blijft groeien, en dat via noodverordeningen regeert waar het Congres zou moeten spreken. In A New Foreign Policy stelt hij dat het ‘America First’-beleid niet alleen een koerswijziging is, maar een vrijwillige terugtrekking uit de wereldorde die de VS zelf heeft opgebouwd.

Tegelijkertijd wijst hij op een technologische achterstand die niet ontstaat door buitenlandse concurrentie, maar door gebrek aan langetermijnvisie. Terwijl China investeert in elektrische mobiliteit, AI en industriële capaciteit, blijft de Amerikaanse koers grillig en reactief. De volatiliteit van Trumps beleid leidde volgens Sachs zelfs tot een moment waarop tien biljoen dollar aan marktwaarde verdampte; geen verschuiving, maar vernietiging van welvaart.

Ook de binnenlandse gevolgen blijven niet ongenoemd. De problemen van de Amerikaanse arbeidersklasse komen volgens hem niet voort uit Chinese import, maar uit automatisering. Door China tot zondebok te maken, ontwijkt de politiek de verantwoordelijkheid om te investeren in omscholing, sociale zekerheid en toekomstbestendige industrie. Het is geen strategie, maar uitstelgedrag.

Sachs’ conclusie is helder: de VS kampt niet met een handelsprobleem, maar met een realiteitsprobleem. Een land dat weigert zijn eigen begrotingsroes, technologische achterstand en sociale erosie onder ogen te zien, wijst liever naar anderen. Zijn pleidooi is dan ook niet voor meer protectionisme, maar voor een terugkeer naar multilaterale samenwerking en een economisch beleid dat gebaseerd is op feiten in plaats van slogans.

Dageraad van een wetenschappelijke winter

Angela Collier legt uit waarom de ‘Genesis Mission’ een scam is.

In de wereld van de natuurkunde kennen we Angela Collier als iemand die geen blad voor de mond neemt. In haar nieuwste video legt ze de vinger op een zere plek die ons allemaal zou moeten verontrusten. Terwijl de media juichen over de Genesis Mission – een grootschalig AI-initiatief van de Amerikaanse overheid – laat Angela zien dat dit project niet de toekomst van de wetenschap is, maar de vernietiging ervan.

Angela begint met een noodzakelijke correctie op ons taalgebruik. Wetenschappers gebruiken al decennia complexe algoritmen voor datareductie. Denk aan de astronomie; een telescoop produceert zoveel data dat geen menselijk oog ooit een half miljoen sterrenstelsels kan categoriseren. Welke methode passen we dan toe?

“[The current regime says:] ‘See, we have the Genesis mission.’ And then they made it impossible to apply for funding, impossible to understand what they want, and also impossible to deliver what they are asked. […] That is on purpose, in my opinion. You destroy [existing] funding, you create this [new] project, and then when all the scientists at universities and national labs fail to deliver, you’re like: ‘See? Why were we wasting [money]? I’ve saved so much money by killing science because they don’t know what they’re doing anyway.’ […] There’s Hanlon’s Razor, right? ‘Never attribute to malice that which is adequately explained by stupidity.’ But at this scale, at this level of power, it doesn’t matter if you’re stupid, because the consequences of your actions are still your fault.” (Angela Collier)

We trainen een algoritme op een kleine subset van data en laten het daarna los op de rest. Dit is machine learning; uiterst nuttig, maar het is geen kunstmatige intelligentie aldus Angela. De overheid presenteert die soort ‘AI’ nu als een magische toverstaf die fundamentele gaten in onze kennis kan dichten zonder dat er nog menselijk begrip aan te pas komt, en daarin schuilt een groot gevaar.

De Genesis Mission wordt verkocht als een transformatie van de Amerikaanse wetenschap. Maar Angela stelt een terechte retorische vraag; als een regime werkelijk geeft om wetenschap, waarom worden dan de budgetten van de NSF (National Science Foundation) en NASA gekort? Waarom worden gerespecteerde wetenschappers vervangen door talkshow-presentatoren? De Genesis Mission lijkt een ‘oplossing’ voor een probleem dat door de beleidsmakers zelf is gecreëerd door de reguliere financiering af te knijpen.

Bestaande beurzen (grants) worden simpelweg stopgezet. Wil je als natuurkundige je lab openhouden en voorkomen dat je promovendi zonder inkomsten komen te zitten? Dan ben je gedwongen om mee te doen aan Genesis en moet je jouw onderzoek in een met de haren erbij gesleept ‘AI-jasje’ steken. In plaats van beoordeling door vakgenoten (peer review) die de materie werkelijk begrijpen, worden voorstellen nu getoetst op hun ‘AI-potentieel’ door mensen (en mogelijk LLM’s, Large Language Models) die vooral kijken naar de commerciële verkoopbaarheid van het resultaat.

Wetenschap wordt behandeld als een productiefabriek voor de tech-giganten. Dit is misschien wel Angela’s meest vernietigende punt; de verplichte samenwerking met de industrie. Om in aanmerking te komen voor financiering, moet je een commerciële partner hebben.

Wetenschappers die hun leven lang aan nucleaire theorie hebben gewerkt, moeten nu plotseling binnen zes weken een partner bij Oracle AI zien te vinden om een ‘product’ op te leveren. Dit is geen wetenschap; dit is een kickback-systeem voor tech-oligarchen.

Angela haalt een citaat aan uit de Genesis-reclame; “Knowledge grows faster than our ability to understand it”. Ze fileert deze uitspraak genadeloos. Kennis zonder begrip bestaat niet. Als een computer (zoals ‘Deep Thought’ uit The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy) het antwoord “42” geeft zonder dat wij het proces of de context begrijpen, dan hebben we geen kennis vergaard. We hebben alleen een betekenisloos getal.

Angela Collier herinnert ons eraan dat wetenschap draait om het traag en zorgvuldig opbouwen van begrip, niet om het snel uitspugen van door AI gegenereerde ‘producten’ om commerciële partners tevreden te stellen. De Genesis Mission is een waarschuwing; wanneer politiek en hype de overhand krijgen over de wetenschappelijke methode, is de waarheid het eerste slachtoffer.

En wat Microsoft betreft? (Het is een leuke uitsmijter van haar drie kwartier durende aanklacht) Angela hoopt op hun spoedige ondergang, al was het maar omdat ze een hele generatie kinderen hebben opgezadeld met computers die 85 seconden nodig hebben om een tekstverwerker te openen. Angela is net als ik een gebruiker van Libre Office; het gratis programma waarop ik dit stukje heb geschreven.

Zet mij maar op de zwarte lijst

Het zou mij tegenvallen als het Trump-regime mij niet als staatsgevaarlijk zou bestempelen.

Er is opnieuw felle kritiek vanuit de VS op Europa. Naast de bekende stokpaardjes van radicaal rechts – dat Europa een broedplaats voor terreurdreigingen zou zijn vanwege massamigratie, zwakke grenzen en narco-terroristen – trekt het Trump-regime nu ook van leer tegen “extremistisch links”. Maar wat zijn eigenlijk de criteria waarmee de Nationale Veiligheidsraad van het Witte Huis bepaalt dat bewegingen als ‘antifa’ een “grote bedreiging” vormen?

De would-be dictator Trump wordt hier in één beeld gevangen met George Wahington, de eerste president van de VS. Washington was een republikein in de klassieke zin (voorstander van een republiek), geen democraat in de hedendaagse Amerikaanse partijbetekenis. Hij stond boven de partijen en waarschuwde juist tegen de polarisatie die we vandaag de dag zien. Hij was meer een ‘staatsman’ dan een partijdige politicus. In zijn beroemde Farewell Address (1796) waarschuwde hij expliciet tegen het gevaar van politieke partijen (“the spirit of party”). Hij vreesde dat ze de eenheid van het land zouden ondermijnen en zelfs tot despotisme zouden leiden. In het geval van Trump heeft hij gelijk gekregen. (Foto van EPA wordt hier geplaatst met gesupposeerde toestemming.)

In de nieuwe Amerikaanse antiterreurstrategie voor 2026 wordt ‘antifa’ niet zozeer behandeld als een formele organisatie, maar eerder als een ideologisch netwerk of een politieke parapluterm. Daarmee ontstaat een rekbare definitie van extremisme, die veel verder gaat dan het bestrijden van concreet geweld. Laat me raden waar de kritiek uiteindelijk op neerkomt. De Trump-regering kijkt vermoedelijk allang niet meer uitsluitend naar vormen van terrorisme. Groepen kunnen al verdacht worden zodra zij:

  1. anti-statelijke of revolutionaire retoriek bezigen;
  2. internationale netwerken onderhouden;
  3. maatschappelijke mobilisatie organiseren;
  4. culturele of ideologische alternatieven tegenover ‘Amerikaanse waarden’ plaatsen;
  5. invloed uitoefenen binnen universiteiten, media, NGO’s, de ambtenarij of technologiebedrijven.

Kortom: de definitie van ‘extremistisch links’ verschuift van ‘geweldstoepassing’ naar ‘verwerping van traditionele normen en nationale instituties.’ Dat is een fundamentele verschuiving.

In de VS is het in principe legaal om radicaal-linkse, anarchistische of antikapitalistische ideeën te hebben zolang men geen concrete geweldsdaden plant of pleegt. Maar uit de retoriek van het Trump-regime blijkt dat begrippen als “anti-Amerikaans”, “radicaal pro-transgender” en “anarchistisch” moeiteloos door elkaar heen lopen. Dat wijst erop dat de criteria niet louter veiligheidsgericht zijn. De selectie van doelwitten vindt plaats op basis van een doctrinair kader. Men volgt het programma van een sektarische, revanchistische partij.

De consequentie laat zich raden: politieke inzet van veiligheidsdiensten tegen ideologische tegenstanders, intensievere surveillance van activisten, criminalisering van protest en verdere aantasting van burgerrechten.

Je bent al snel verdacht in het Amerika van nu. Ondersteun je autonome vrijplaatsen? Onderhoud je internationale contacten? Doe je weleens mee aan een bezetting? Organiseer je maatschappelijke onrust, al is het maar in de breedste, meest politieke betekenis van het woord? Wees dan Trumps motto indachtig:

Misschien is het daarom verstandig om alvast wat helderheid te verschaffen. Bij gebrek aan officiële criteria geef ik zelf graag aan waarom ik aan gene zijde van de Atlantische Oceaan mogelijk als staatsvijand moet worden aangemerkt. Dit zijn mijn ‘zeven vinkjes’:

  1. In 2017 noemde ik Trump in een interview met de Volkskrant een “potsierlijke geilneef.” Achteraf bezien hield ik mij nog in. Ik wou dat ik toen de tegenwoordigheid van geest had gehad om de president te typeren zoals Ben Meiselas vaak doet (zie verder).
  2. Mijn boek The GreenXtreme vraagt op de cover openlijk: “Is it Time to Break the Law for the Right to Breathe?” Daarboven staan bovendien de woorden: “No Law But Justice.” Niemand hoeft nu nog te weten dat ik in het belangrijkste, derde deel, van dat boek, het gebruik van geweld stelselmatig afwijs.
  3. Ik beschouw mezelf als een milieuactivist die zich (tot nu toe) weet in te houden.
  4. Ik onderhoud contacten met buitenlandse activistische netwerken.
  5. Ik weiger de autocratische impulsen van het huidige Trump-regime te normaliseren als legitiem democratisch gezag. Want laten we eerlijk zijn; het functioneert slechts onder de dekmantel van een representatieve (dus volkssoevereine) autoriteit, maar kan absoluut niet worden gezien als een reguliere uiting van constitutioneel bestuur.
  6. Ik stem op de Partij voor de Dieren.
  7. Ik ben radicaal pro-transgender.

Ik verzoek de Nationale Veiligheidsraad van de VS om mij preventief op hun zwarte lijst te plaatsen. Het zou vervelend zijn als daar later administratieve onduidelijkheid over ontstaat. Ik beschouw het als een eer om door een schurkenregime als persona non grata (of erger) te worden verklaard.

Op zijn veelbekeken kanaal, het MeidasTouch Network (MTN), spaart Ben Meiselas de huidige president niet. Zijn vocabulaire is doorspekt met juridische ernst vermengd met een flinke dosis retorische verontwaardiging. Wanneer Meiselas van leer trekt, gebruikt hij vaak de volgende termen en typeringen:

  • Convicted Felon: Sinds de uitspraak in de zwijggeldzaak in New York is dit zijn absolute favoriet. Hij herhaalt dit bijna als een mantra om de juridische status van Trump te benadrukken.
  • Adjudicated Rapist: Verwijzend naar de civiele rechtszaak van E. Jean Carroll. Meiselas hecht veel waarde aan het gebruik van de exacte juridische terminologie die door de rechter is bevestigd.
  • Fraudster: Meestal in de context van de civiele fraudezaak in New York waarbij de zakelijke praktijken van de Trump Organization onder de loep werden genomen.
  • Authoritarian / Wannabe Dictator: Hij waarschuwt regelmatig voor de antidemocratische retoriek en de plannen die Trump heeft voor een eventuele derde termijn.
  • Incompetent / Chaotic: Meiselas zet Trump vaak neer als iemand die intellectueel niet in staat is om de complexiteit van het landsbestuur of zelfs zijn eigen juridische verdediging te begrijpen.
  • The Leader of the MAGA Cult: Hij positioneert Trump niet als een traditionele politicus, maar als een sekteleider die zijn volgers misleidt.
  • Cognitive Decline: Meiselas deelt vaak clips waarin Trump woorden vergeet of verward overkomt, om te betogen dat hij mentaal ongeschikt is voor het ambt.
  • Low Energy / Weak: In schril contrast met de “strongman”-persona die Trump probeert uit te stralen, schildert Meiselas hem vaak af als een kwetsbare, paniekerige man die doodsbang is voor de gevangenis (waar hij thuishoort).

Lezersreactie:
Interessante analyse. Wat u hier beschrijft bij het Trump-regime, lijkt overigens verdacht veel op de klassieke theorie van de ‘Dual State’ van Ernst Fraenkel. Hij stelde vast dat in autoritaire systemen een normatieve staat (die de schijn van de wet ophoudt voor de ‘brave’ burger) zij aan zij bestaat met een prerogatieve staat; een machtsapparaat dat volledig willekeurig en naar eigen goeddunken afrekent met iedereen die als ‘vijand’ is gelabeld.
Het is een bittere ironie dat een regime dat de mond vol heeft van de rule of law, in de praktijk vooral de regels van de prerogatieve staat hanteert om critici monddood te maken. Het zou verfrissend zijn als men in de VS deze wetenschappelijke realiteit eens onder ogen kwam, in plaats van te blijven geloven in de fabel van een ongeschonden democratie.

De geboorte van de spreadsheet-samenleving

Hoe we de wereld verruilden voor getallen.

Het is een wrange grap van de geschiedenis; we wonnen de strijd om de efficiëntie, maar verloren onderweg de realiteit uit het oog. In de lente van 1968, terwijl de straten van New York kolkten van sociaal onbehagen, voltrok zich in de achterkamers van de Verenigde Naties een revolutie zonder geweerschoten. Statistici herschreven de regels van wat we ‘waarde’ noemen. Wat voorheen werd gezien als een noodzakelijk kwaad of een faciliterende dienst – het uitlenen van geld tegen rente – werd plotsklaps gepromoveerd tot de motor van onze welvaart. De documentaire genaamd Een kapitale denkfout van Tegenlicht, die afgelopen dinsdag door de VPRO werd uitgezonden, legt de vinger op een zere plek die velen van ons wel voelen, maar zelden kunnen aanwijzen. We lijden aan een collectieve tunnelvisie, waarbij alles wat niet in een Excel-hokje past, simpelweg ophoudt te bestaan.

VPRO Tegenlicht belicht de wortels van onze spreadsheet-samenleving. Een noodzakelijke waarschuwing, die we eigenlijk al decennia hadden kunnen horen. Dat een vergeten VN-commissie uit 1968 onze definitie van waarde voorgoed veranderde, is absoluut een eye-opener, maar deze ‘kapitale denkfout’ werd zeker niet door iedereen over het hoofd gezien. Veel economen hebben gewaarschuwd voor het feit dat extra arbeidswaarde niet meer eerlijk werd verdeeld, maar rechtstreeks vloeide naar de zakken van de renteniersklasse. (Kritiek op meerwaarde van extra inspanning die niet wordt vertaald in loonstrookjes, maar wordt opgezogen door het kapitalisme, is natuurlijk Marx ten voete uit; alleen was er in zijn tijd nog geen ICT in combinatie met een financiële markt.) De eigenlijke vraag is dan ook: hebben we die kapitalisering door de financiële sector gemist, of wilden we het gewoon niet zien?

We moeten het hebben over de erfenis van Robert McNamara. Als architect van de Vietnamoorlog probeerde hij een conflict te managen alsof het een autofabriek was. Als de ‘bodycount’ maar hoog genoeg was en de statistieken van afgeworpen munitie gunstig kleurden, dan móésten we wel winnen, toch?

Niet dus. De menselijke moraal, de culturele weerstand en het diepe sentiment van een bevolking laten zich niet vangen in een staafdiagram. Deze McNamara Fallacy – het negeren van de onmeetbare werkelijkheid omdat deze lastig te kwantificeren is – is inmiddels de standaardprocedure geworden in onze bestuurskamers. Of het nu gaat om de zorg, het onderwijs of de klimaatcrisis; we staren ons blind op de dashboard-indicatoren terwijl de motor in de soep loopt.

Vanuit een progressief-economisch perspectief is de beslissing van 1968 niets minder dan de juridische erkenning van het rentenierskapitalisme. Door bankactiviteiten mee te tellen in het Bruto Binnenlands Product (BBP), creëerden we een perverse prikkel. In plaats van een economie die goederen en diensten produceert om menselijke behoeften te bevredigen, bouwden we een systeem dat ‘groei’ simuleert door schulden op te stapelen.

Wanneer een bank een lening verstrekt voor een speculatieve vastgoeddeal, stijgt het BBP. De statistiek juicht, maar de samenleving schiet er niets mee op; de huizen worden onbetaalbaar en de rijkdom concentreert zich bij degenen die al over kapitaal beschikken. We hebben de financiële sector, die ooit diende als de olie in de machine, verward met de machine zelf. Het resultaat is een economie die op papier floreert, terwijl de sociale cohesie verdampt en de mentale gezondheidssituatie precair wordt.

Gedurende het kijken naar deze documentaire moest ik de hele tijd denken aan een andere economomische schok, die wat later plaatsvond en waarvan iedereen heeft gehoord. Ik dacht aan het loslaten van de goudstandaard. Hoewel de Tegenlicht-uitzending focust op de statistische verschuiving in 1968, is de ‘Nixon Shock’ van 1971 – het moment dat de koppeling tussen de dollar en goud werd doorgesneden – volgens mij de andere helft van de schaar (bij gebrek aan een betere beeldspraak).

Zit er een correlatie tussen deze momenten? Volgens mij wel. In 1971 zorgde ‘men’ ervoor dat de hoeveelheid geld niet langer beperkt werd door een fysieke voorraad goud. Velen zagen dat als een bevrijding, maar het was natuurlijk het begin van de ellende. Ik begrijp nu dat deze rampspoed werd ingeleid in 1968 door wat je ‘De creatie’ zou kunnen noemen: eerst bepaalden we dat het verschuiven van geld ‘productief’ was.

Zonder de rem van goud kon de financiële sector exponentieel groeien. Geld werd een abstractie die uit het niets kon worden gecreëerd door commerciële banken. De spreadsheet werd niet alleen een meetinstrument, maar een vehikel voor de schepping van een schijnwerkelijkheid. Sinds de vroege jaren 70 zie je dat de productiviteit van werknemers blijft stijgen, maar dat hun lonen stagneren; de vruchten van die verhoogde productiviteit verdwijnen sindsdien in het zwarte gat van de financiële sector, die we in 1968 eigenhandig tot het hart van onze economie bombardeerden.

De cirkel is rond nu we deze logica toepassen op kunstmatige intelligentie. We trainen algoritmes op basis van historische data; data die al vervuild zijn door deze ‘kapitale denkfout’. Als we AI vertellen dat succes gelijkstaat aan de optimalisatie van cijfers, zal de machine diezelfde kille efficiëntie toepassen op ons leven, zonder oog voor de menselijke maat.

Het is tijd dat we erkennen dat een spreadsheet een handig hulpmiddel is, maar een rampzalig kompas. Een samenleving die enkel stuurt op wat meetbaar is, eindigt als een prachtig vormgegeven grafiek die rechtstreeks de afgrond in wijst. Misschien is het tijd om de koppen van de financiële berichten eens te negeren en te luisteren naar wat er in de marges wordt gefluisterd. Want daar bevindt zich de werkelijkheid die we al die tijd ‘gemist’ hebben.

Sta mij toe dat ik aan dit zogenaamde ‘gemiste’ moment een kritische annex toevoeg, want laten we eerlijk zijn: zo nieuw is deze boodschap nu ook weer niet.

We moeten ophouden met deze collectieve verbazing; het staat ons eerlijk gezegd nogal hypocriet. We doen nu alsof we de dupe zijn geworden van een bureaucratisch foutje uit 1968, een verdwaalde komma in een VN-statistiek die de wereld per ongeluk heeft verkocht aan de bankiers. Maar wie houden we voor de gek? De waarschuwingen waren nooit geschreven in onzichtbare inkt. Ze stonden in kapitalen op de muren van de geschiedenis; van de vlijmscherpe analyses van Marx tot de kille data-exercities van Piketty.

We wisten het. Of we hadden het kunnen weten, als we niet zo druk waren geweest met het bewonderen van onze eigen digitale spiegelbeelden.

Het loslaten van de goudstandaard was geen technisch mankement; het was onze collectieve ontsnapping uit de realiteit. We vonden het wel prettig, die wereld waarin geld uit het niets kon worden getoverd om de illusie van eeuwige groei te voeden. We hebben de financiële markten niet per ongeluk laten fixeren op winstmaximalisatie; we hebben die markten de sleutels van de stad gegeven omdat we stiekem hoopten op een graantje van de winst. Of dat nu via onze pensioenfondsen was of de stijgende overwaarde op ons huis; we zijn allemaal verslaafd geraakt aan de heroïne van het fictieve kapitaal.

De “McNamara-denkfout” is inmiddels onze tweede natuur geworden. We meten alles: onze stappen, onze slaap, onze vriendschappen in digitale interacties en onze economie in abstracte getallen die niets meer zeggen over de kwaliteit van het bestaan. We hebben de menselijkheid ingeruild voor de spreadsheet omdat die ons beloofde dat alles beheersbaar was.

Een systeem dat gebouwd is op het extraheren van waarde zonder iets wezenlijks toe te voegen, móét uiteindelijk imploderen. We hebben de financiële parasiet tot gastheer gekroond en kijken nu verbaasd dat het lichaam – onze samenleving -begint te wankelen.

AI is slechts de laatste spiegel die ons wordt voorgehouden. Het is de ultieme rekenmeester die we zelf hebben ontworpen om de logica van 1968 tot in het absurde door te voeren. Als we straks in een wereld leven die perfect geoptimaliseerd is op papier, maar waar geen ruimte meer is voor de onmeetbare chaos van het mens-zijn, dan kunnen we niet zeggen dat we niet gewaarschuwd zijn. We waren erbij, we zagen het gebeuren, en we bleven kijken naar de koersen zolang ze maar groen kleurden.

Die kapitale denkfout? Dat was geen foutje van statistici. Dat was een bewuste keuze van ons allen.