De VS hebben hun beste president vermoord

…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.

Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.

Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.

Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.

Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.

De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.

Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.

Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.

Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag

Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.

De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.

Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.

Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.

Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.

Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.

Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.

De man die de keizer zijn kleren ontzegt

Als Jeffrey Sachs het woord neemt, is het verstandig om even heel goed op te letten.

Jeffrey Sachs is een van die zeldzame stemmen die niet probeert te imponeren, maar te verduidelijken. Zijn analyses hebben niets van de gebruikelijke ruis die het publieke debat vaak verstikt. Hij spreekt met de rust van iemand die de feiten kent en met de scherpte van iemand die weigert zich te laten meeslepen door politieke slogans.

In zijn recente uitleg over het Amerikaanse handelstekort legt Sachs een ongemakkelijke waarheid bloot: de VS geeft structureel meer uit dan het produceert. Niet door buitenlandse manipulatie, maar door eigen begrotingsdiscipline die al jaren ontbreekt. De vergelijking met een creditcard is volgens hem voldoende om de logica te begrijpen: wie meer koopt dan hij verdient, kan moeilijk de verkoper de schuld geven. Dat deze simpele realiteit wordt omgebogen tot een beschuldiging richting China of andere landen, noemt hij economisch misleidend en politiek gemakzuchtig.

Maar Sachs’ kritiek reikt verder dan de handelsbalans. Hij ziet een land dat zijn internationale rol verwart met spierballentaal, dat diplomatie afbouwt terwijl het defensiebudget blijft groeien, en dat via noodverordeningen regeert waar het Congres zou moeten spreken. In A New Foreign Policy stelt hij dat het ‘America First’-beleid niet alleen een koerswijziging is, maar een vrijwillige terugtrekking uit de wereldorde die de VS zelf heeft opgebouwd.

Tegelijkertijd wijst hij op een technologische achterstand die niet ontstaat door buitenlandse concurrentie, maar door gebrek aan langetermijnvisie. Terwijl China investeert in elektrische mobiliteit, AI en industriële capaciteit, blijft de Amerikaanse koers grillig en reactief. De volatiliteit van Trumps beleid leidde volgens Sachs zelfs tot een moment waarop tien biljoen dollar aan marktwaarde verdampte; geen verschuiving, maar vernietiging van welvaart.

Ook de binnenlandse gevolgen blijven niet ongenoemd. De problemen van de Amerikaanse arbeidersklasse komen volgens hem niet voort uit Chinese import, maar uit automatisering. Door China tot zondebok te maken, ontwijkt de politiek de verantwoordelijkheid om te investeren in omscholing, sociale zekerheid en toekomstbestendige industrie. Het is geen strategie, maar uitstelgedrag.

Sachs’ conclusie is helder: de VS kampt niet met een handelsprobleem, maar met een realiteitsprobleem. Een land dat weigert zijn eigen begrotingsroes, technologische achterstand en sociale erosie onder ogen te zien, wijst liever naar anderen. Zijn pleidooi is dan ook niet voor meer protectionisme, maar voor een terugkeer naar multilaterale samenwerking en een economisch beleid dat gebaseerd is op feiten in plaats van slogans.

Dageraad van een wetenschappelijke winter

Angela Collier legt uit waarom de ‘Genesis Mission’ een scam is.

In de wereld van de natuurkunde kennen we Angela Collier als iemand die geen blad voor de mond neemt. In haar nieuwste video legt ze de vinger op een zere plek die ons allemaal zou moeten verontrusten. Terwijl de media juichen over de Genesis Mission – een grootschalig AI-initiatief van de Amerikaanse overheid – laat Angela zien dat dit project niet de toekomst van de wetenschap is, maar de vernietiging ervan.

Angela begint met een noodzakelijke correctie op ons taalgebruik. Wetenschappers gebruiken al decennia complexe algoritmen voor datareductie. Denk aan de astronomie; een telescoop produceert zoveel data dat geen menselijk oog ooit een half miljoen sterrenstelsels kan categoriseren. Welke methode passen we dan toe?

“[The current regime says:] ‘See, we have the Genesis mission.’ And then they made it impossible to apply for funding, impossible to understand what they want, and also impossible to deliver what they are asked. […] That is on purpose, in my opinion. You destroy [existing] funding, you create this [new] project, and then when all the scientists at universities and national labs fail to deliver, you’re like: ‘See? Why were we wasting [money]? I’ve saved so much money by killing science because they don’t know what they’re doing anyway.’ […] There’s Hanlon’s Razor, right? ‘Never attribute to malice that which is adequately explained by stupidity.’ But at this scale, at this level of power, it doesn’t matter if you’re stupid, because the consequences of your actions are still your fault.” (Angela Collier)

We trainen een algoritme op een kleine subset van data en laten het daarna los op de rest. Dit is machine learning; uiterst nuttig, maar het is geen kunstmatige intelligentie aldus Angela. De overheid presenteert die soort ‘AI’ nu als een magische toverstaf die fundamentele gaten in onze kennis kan dichten zonder dat er nog menselijk begrip aan te pas komt, en daarin schuilt een groot gevaar.

De Genesis Mission wordt verkocht als een transformatie van de Amerikaanse wetenschap. Maar Angela stelt een terechte retorische vraag; als een regime werkelijk geeft om wetenschap, waarom worden dan de budgetten van de NSF (National Science Foundation) en NASA gekort? Waarom worden gerespecteerde wetenschappers vervangen door talkshow-presentatoren? De Genesis Mission lijkt een ‘oplossing’ voor een probleem dat door de beleidsmakers zelf is gecreëerd door de reguliere financiering af te knijpen.

Bestaande beurzen (grants) worden simpelweg stopgezet. Wil je als natuurkundige je lab openhouden en voorkomen dat je promovendi zonder inkomsten komen te zitten? Dan ben je gedwongen om mee te doen aan Genesis en moet je jouw onderzoek in een met de haren erbij gesleept ‘AI-jasje’ steken. In plaats van beoordeling door vakgenoten (peer review) die de materie werkelijk begrijpen, worden voorstellen nu getoetst op hun ‘AI-potentieel’ door mensen (en mogelijk LLM’s, Large Language Models) die vooral kijken naar de commerciële verkoopbaarheid van het resultaat.

Wetenschap wordt behandeld als een productiefabriek voor de tech-giganten. Dit is misschien wel Angela’s meest vernietigende punt; de verplichte samenwerking met de industrie. Om in aanmerking te komen voor financiering, moet je een commerciële partner hebben.

Wetenschappers die hun leven lang aan nucleaire theorie hebben gewerkt, moeten nu plotseling binnen zes weken een partner bij Oracle AI zien te vinden om een ‘product’ op te leveren. Dit is geen wetenschap; dit is een kickback-systeem voor tech-oligarchen.

Angela haalt een citaat aan uit de Genesis-reclame; “Knowledge grows faster than our ability to understand it”. Ze fileert deze uitspraak genadeloos. Kennis zonder begrip bestaat niet. Als een computer (zoals ‘Deep Thought’ uit The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy) het antwoord “42” geeft zonder dat wij het proces of de context begrijpen, dan hebben we geen kennis vergaard. We hebben alleen een betekenisloos getal.

Angela Collier herinnert ons eraan dat wetenschap draait om het traag en zorgvuldig opbouwen van begrip, niet om het snel uitspugen van door AI gegenereerde ‘producten’ om commerciële partners tevreden te stellen. De Genesis Mission is een waarschuwing; wanneer politiek en hype de overhand krijgen over de wetenschappelijke methode, is de waarheid het eerste slachtoffer.

En wat Microsoft betreft? (Het is een leuke uitsmijter van haar drie kwartier durende aanklacht) Angela hoopt op hun spoedige ondergang, al was het maar omdat ze een hele generatie kinderen hebben opgezadeld met computers die 85 seconden nodig hebben om een tekstverwerker te openen. Angela is net als ik een gebruiker van Libre Office; het gratis programma waarop ik dit stukje heb geschreven.

Tegenstemmen uit de VS

Wat verbindt de commentatoren uit mijn eerdere lijstje?

In mijn eerdere blogbericht deelde ik een verzameling Amerikaanse commentatoren. Naar aanleiding van dat overzicht vroeg iemand zich af op grond van welke criteria deze selectie tot stand kwam. Die vraag rechtvaardigt een toelichting. Dit overzicht dient immers niet enkel als hulpmiddel om online opinievormers in kaart te brengen, maar wil ook een genuanceerder beeld schetsen van het Amerikaanse politieke landschap. Te vaak heerst in Europa de gedachte dat de Verenigde Staten louter uit extremen en chaos bestaan. De werkelijkheid blijkt gelukkig een stuk complexer en genuanceerder.

Gisteren voorspeld, vandaag bewaarheid. Trump heeft inderdaad het voornemen uitgesproken om MTN voor de rechter te slepen. Ben Meiselas – advocaat van huis uit – lust hem rouw. (Ik schreef trouwens voor het eerst over deze mogelijkheid op 25 oktober 2025 in https://ronaldvannoorden.com/2025/10/25/drie-kanaries-in-een-kolenmijn/)

Ik toon hier eerst de verzameling van opiniemakers, zoals ik die gisteren ook online zette:

  • Ben MeiselasMeidasTouch Network.
  • David PakmanThe David Pakman Show.
  • Tim MillerThe Bulwark.
  • JessiahPondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan GonzálezDemocracy Now!.
  • Brian Tyler CohenNo Lie.
  • Luke BeasleyThe Luke Beasley Show.
  • Krystal BallBreaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle KulinskiSecular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana KasparianThe Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie WynnContraPoints.
  • Sam SederThe Majority Report with Sam Seder.
  • Chris HedgesThe Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara SwisherOn With Kara Swisher.
  • Hasan PikerHasanAbi.
  • Thom HartmannThe Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara SwisherPivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin HorowitzReally American.
  • Adam MocklerThe Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.

De lijst is samengesteld op basis van de volgende uitgangspunten:

  1. Het betreft overwegend progressieve denkers en analisten, opiniemakers en commentatoren. Het stempel ‘progressief’ is een politiek en sociologisch begrip. De commentatoren van The Bulwark komen oorspronkelijk vaak uit conservatieve of centrumrechtse hoek. Die houd ik, eerlijk gezegd, wat kritischer in de gaten.
  2. Het volledige gezelschap bezit de Amerikaanse nationaliteit. Dit staatsburgerschap is een verifieerbaar juridisch feit (hoewel de gekte van de huidige politiek met zich meebrengt dat sommige van de legaal in de VS wonende commentatoren toch te vrezen hebben voor wat ICE met hun beschermde status zal uitrichten. Zij hebben namelijk een migratieachtergrond.).
  3. De onderwerpen van hun uitzendingen richten zich overwegend op de binnenlandse politiek en maatschappelijke debatten in de Verenigde Staten. Er is dus nauwelijks internationale berichtgeving. Deze Amerikanocentrische focus schept duidelijkheid.
  4. Ieder van hen manifesteert zich via het videoplatform YouTube; dit medium fungeert als hun digitale megafoon. Velen van hen zijn ook als podcast te beluisteren. Sommigen van hen gebruiken de YouTube-factor louter als distributiekanaal voor hun podcasts of radio-uitzendingen.
  5. De inkomsten komen veelal van crowdfunding, abonnees op platforms zoals Patreon of betaalde podcasts, waardoor zij losstaan van traditionele mediabedrijven. Hun financiële onafhankelijkheid is belangrijk.
  6. Er is sprake van een hecht ecosysteem waarin de makers geregeld in elkaars programma’s verschijnen; deze intertekstualiteit en netwerkinspanningen versterken hun gezamenlijke online bereik aanzienlijk.
  7. Hun content bevindt zich in de categorie duiding, analyse en opinie. Je kunt hun commentaren wel objectieve journalistiek blijven noemen omdat zij doen aan factchecking. Zij duiden de actualiteit op een journalistiek verantwoorde manier.
  8. Zij leveren kritisch commentaar in plaats van uitsluitend droog nieuws te verspreiden. Hun uitgesproken standpunten creëren een inhoudelijke signatuur die overeenkomt met mijn eigen politieke voorkeur. Het merendeel pleit voor linkse dus democratische standpunten; denk hierbij aan sociale hervormingen en progressieve wetgeving. Wat is er mis met een moraal die deugt?

Europa kampt met een forse opkomst van radicaal-rechtse bewegingen. Hoewel de naald op ons continent vooralsnog uitslaat naar een democratische meerderheid, balanceren ook wij op de rand van autocratische ontwikkelingen. Wanneer we over de oceaan kijken, zien we iets hoger oplopende spanningen. Toch is er een aanzienlijke groep Amerikanen met een scherp moreel kompas en een diepgeworteld besef van beschaving. Zij vormen in de praktijk nog altijd de overhand, ook al is dat door de lawaaierige polarisatie niet altijd direct zichtbaar.

De aankomende verkiezingen zullen hier meer duidelijkheid over verschaffen. Pas na die stembusgang kunnen we hopelijk weer spreken van een normalisatie van de bilaterale relaties tussen beide continenten. Tot die tijd is het cruciaal om de stemmen van de rede te blijven beluisteren en delen.

Een curieuze paradox

Omdat het maar zelden gebeurde dat een prominente journalist werd betrapt op AI-misbruik, ging de naam van Bennie van Bergen die week over ieders lippen. Hij kwam hoofdzakelijk negatief in het nieuws, wat hem – wie had dit ooit gedacht – opvallend koud liet. Hij werd als werknemer door zijn nieuwsorganisatie op non-actief gesteld, maar de journalist in Van Bergen ging gewoon door met zijn werk. Zodoende constateerde hij iets merkwaardigs; in de collectieve afrekening tekende zich een opvallend patroon af.

Hij ontdekte een verband dat anders nooit was opgevallen: hoe meer je te maken had met collega-journalisten die het literaire gehalte van wat je schreef het belangrijkste vonden, hoe groter de afwijzing. Hoe sterker iemands’ nadruk op vorm boven inhoud, hoe feller de veroordeling. Het waren de estheten van de redactieburelen, de fijnproevers van de interpunctie, de hoeders van stijl en toon, zij die hun carrière zorgvuldig hadden opgebouwd op veilige afstand van elke inslaande granaat, die als eersten opstonden om hem de maat te nemen.

Voor hen is een tekst een zorgvuldig gepolijst sieraad, wist Bennie; iets om te bewonderen, niet om te gebruiken. Geen kogel die doel moet treffen; geen boodschap die de wereld in moet voordat ze veroudert. Een waarheidsschending door AI-gebruik, hoe onbedoeld ook, wordt in dat universum niet beschouwd als een operationeel risico, een bedrijfsfoutje, maar als een esthetische misdaad. Pleitbezorgers van die parochie spreken dan ook zonder aarzeling van ‘een smet op het blazoen van de journalistiek’; een heiligdom waarin zij zichzelf tot hogepriesters hebben gekroond.

Bennie moest heimelijk lachen. Hij noteerde: ‘Hun eigen handelingen zijn heel ritueel, hun geschrijf zit vol herhaling. Dat maakt hen volstrekt inwisselbaar.’ Hij meende een curieuze paradox op het spoor te zijn.

Ondertussen in de rechtse roedel…

Mona, de parmantige show-poedel, heeft haar wonden gelikt en laat alle zogenaamde alfamannetjes nog even in het ongerede.

Natuurlijk zal dit slinkse nest niet rusten voordat alle neuzen haar kant op wijzen. Het gaat niet goed met de opperbazen in de Boreale bossen van Teutholia. Blafhond Geert had teveel afscheiding na de laatste coupe. De hooghartige bloedhond Markusz liep een vette kluif mis en blaft nu al een toontje lager. De potsierlijke Teckel Thierry verliet zijn roedel overhaast en keerde terug met hangende pootjes, wat een slappe indruk maakte. Kettinghond Henk kan alleen het boerenerf bewaken en laat zijn oren teveel hangen naar, de niet minder voorspelbare, one-trick pony Van der Plas. De Eerdmanterriër tenslotte baalt dat zijn alfavrouwtje vaker wordt aangehaald door asielhoudster Jinek dan hij.

Begin 2026 leek de politieke pikorde op rechts te wankelen. Zeven PVV-Kamerleden, onder leiding van Gidi Markuszower, scheidden zich af van Geert Wilders. Hun plan was even ambitieus als opportunistisch; ze maakten aanspraak op een ‘bruidsschat’ van ruim 1,3 miljoen euro uit de fractiereserves. Met dit kapitaal wilden zij een eigen machtsblok vormen en zelfs een strategische alliantie aangaan met de BBB van Mona Keijzer om het minderheidskabinet-Jetten over rechts te gijzelen. De werkelijkheid bleek echter hardvochtig voor de afsplitsers. Het presidium van de Tweede Kamer – waar hun voormalige alfa, Geert Wilders, zelf in meebesliste – stak een stokje voor de uitbetaling. Door hun vertrek juridisch te bestempelen als een ‘afscheiding’ in plaats van een ‘splitsing’, bleven de miljoenen in de kas van Wilders. De politieke isolatie werd compleet toen ook de flirt met de BBB mislukte; Mona Keijzer werd door haar eigen partij gepasseerd, mede vanwege haar geheime toenadering tot de groep. Wat restte was een roedel zonder tanden en zonder budget; gedwongen om met hangende pootjes terug te keren in de marge van het parlement. De likorde op rechts zal opnieuw moeten worden bevochten.

Ze doet slechts afstand als voorzitter en leider

Vastgereden in de drek van mijn wensgedachten, begrijp ik nu dat ze de stem voor het platteland nog luider gaat vertolken.

Even dacht ik dat ze er mee op zou houden. “Rijd de tractor maar voor, ik betaal de transportkosten.” Maar ze doet slechts afstand als leider. Ze blijft actief als Kamerlid. Ze blijft boeren mobiliseren. Ze trekt alleen de kar niet meer. Dit is geen koerswijziging; dit is stationair draaikonten op het erf.

Breaking the Spell (Part III; Hfst 9, 10 en 11)

Part III: Religion Today (9: Toward a Buyer’s Guide to Religions, 10: Morality and Religion, 11: Now What Do We Do?)

In Part III van Breaking the Spell verlaat Daniel C. Dennett het historische en evolutionaire perspectief en richt hij zich op het heden. Na te hebben laten zien hoe religie is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, stelt hij nu de vraag: wat betekent dit alles voor de wereld waarin wij vandaag leven? Dit deel gaat niet meer over oorsprong, maar over gevolgen en keuzes. Dennett vraagt hoe we met religie omgaan in een samenleving die steeds beter begrijpt hoe overtuigingen werken, maar waarin religie nog altijd een sterke rol speelt; in moraal, onderwijs en politiek. De drie hoofdstukken van dit deel horen nauw bij elkaar. Ze bouwen voort op elkaar en bewegen van vergelijking, via morele reflectie, naar verantwoordelijkheid. Samen vormt Part III het meest directe en actuele deel van Breaking the Spell. Het is geen aanval op religie, maar een uitnodiging tot helderheid. Dennett vraagt de lezer niet om te geloven of niet te geloven, maar om na te denken over wat geloven vandaag betekent, en wat het doet.

In hoofdstuk 9 (Toward a Buyer’s Guide to Religions) stelt Dennett een ongemakkelijke, maar eenvoudige vraag: als religies echte invloed hebben op mensen en samenlevingen, waarom zouden we ze dan niet mogen vergelijken? Hij pleit niet voor ranglijsten of afschaffing, maar voor openheid. Religie mag geen uitzondering zijn op kritisch denken. Wie vrijheid serieus neemt, moet ook keuze en informatie serieus nemen.

Hoofdstuk 10 (Morality and Religion) gaat dieper in op een hardnekkige overtuiging: dat moraal zonder religie niet kan bestaan. Dennett onderzoekt deze gedachte zorgvuldig en laat zien dat morele intuïties ouder zijn dan religieuze systemen. Religie kan moraal ondersteunen en versterken, maar is niet de enige bron ervan. Daarmee maakt hij moraal los van angst en gehoorzaamheid, en plaatst hij haar terug in het menselijke samenleven.

In hoofdstuk 11 (Now What Do We Do?) komt alles samen. Dit is geen afsluitend antwoord, maar een open vraag. Dennett roept niet op tot strijd of afwijzing, maar tot volwassenheid. Als we religie begrijpen als een menselijk verschijnsel met echte gevolgen, dan hebben we ook de verantwoordelijkheid om er eerlijk en zorgvuldig mee om te gaan; in onderwijs, debat en persoonlijke keuzes.

Part III: “Religion Today”, Hoofdstuk 9“Toward a Buyer’s Guide to Religions”

Korte samenvatting van hoofdstuk 9

Met hoofdstuk 9 zet Dennett een opzettelijk prikkelende stap. De titel alleen al — Toward a Buyer’s Guide to Religions — klinkt voor veel lezers ongemakkelijk. Religie vergelijken met een product? Dat lijkt respectloos of zelfs cynisch. Precies dat ongemak is onderdeel van Dennetts punt. In dit hoofdstuk onderzoekt hij hoe religies vandaag functioneren, en stelt hij de vraag of het mogelijk — en verantwoord — is om religies te vergelijken, beoordelen en bespreken op hun effecten. Niet op hun heiligheid, maar op wat ze doen in het leven van mensen. In “Toward a Buyer’s Guide to Religions” maakt Dennett duidelijk dat de evolutie van religie niet stopt bij geloof, groepsvorming of zelfbescherming. In de moderne wereld komt daar verantwoordelijkheid bij. Dit hoofdstuk vraagt om volwassenheid. Niet om spot, niet om eerbied, maar om eerlijkheid. Als religies deel uitmaken van het publieke leven, dan horen ze ook thuis in het publieke gesprek; inclusief kritiek, vergelijking en twijfel. Met dit hoofdstuk opent Dennett Part III: een onderzoek naar religie zoals zij nu functioneert, in een wereld waarin mensen kunnen kiezen, twijfelen en vergelijken.

Waarom een “buyer’s guide”?

Dennett bedoelt met een buyer’s guide geen winkelgids en geen reclamefolder. Hij gebruikt de term als metafoor voor kritisch vergelijken. Zoals we dat doen bij scholen, therapieën of politieke systemen. De onderliggende vraag is eenvoudig: als religies echte invloed hebben op mensen en samenlevingen, waarom zouden we dan niet mogen vragen welke beter of slechter uitpakken? Dennett stelt dat we dit soort vragen op veel terreinen normaal vinden, behalve bij religie. Daar geldt vaak een stilzwijgende regel: niet vergelijken, niet beoordelen, niet kiezen op basis van gevolgen.

De breuk met “belief in belief”

Dit hoofdstuk bouwt direct voort op hoofdstuk 8. Waar belief in belief laat zien dat geloven vaak wordt verdedigd omdat het geloof is, doorbreekt hoofdstuk 9 dat patroon. Dennett zegt hier in feite: als we geloven belangrijk vinden omdat het iets doet, dan moeten we ook eerlijk kijken naar wat het doet. Dat betekent: niet alle religies over één kam scheren, maar ook niet doen alsof elke vorm van religie automatisch goed is.

Religie als pakket van praktijken

Een belangrijk punt in dit hoofdstuk is dat religie volgens Dennett geen enkelvoudig idee is, maar een pakket:

  • overtuigingen,
  • rituelen,
  • sociale regels,
  • machtsstructuren,
  • morele verwachtingen.

Wie religies vergelijkt, vergelijkt dus geen abstracte waarheden, maar manieren van leven. Dat maakt vergelijking lastig, maar niet onmogelijk. Dennett pleit ervoor om te kijken naar vragen als:

  • Bevordert deze religie nieuwsgierigheid of gehoorzaamheid?
  • Stimuleert zij verantwoordelijkheid of afhankelijkheid?
  • Maakt zij vreedzaam samenleven makkelijker of moeilijker?

Waarom deze vergelijking zo gevoelig ligt

Dennett begrijpt goed waarom het idee van een buyer’s guide weerstand oproept. Religie raakt aan identiteit, familie, traditie en emoties. Vergelijken voelt al snel als veroordelen. Maar hij draait het om iets anders; juist omdat religie zo diep ingrijpt, is kritiek geen luxe maar een verantwoordelijkheid. Het verbod op vergelijking beschermt religie tegen vragen, maar laat mensen vaak alleen met de gevolgen, positief of negatief.

Geen aanval op gelovigen

Belangrijk is dat Dennett dit hoofdstuk niet schrijft als aanval op gelovigen. Hij maakt herhaaldelijk duidelijk dat religies mensen kunnen steunen, zin kunnen geven, gemeenschappen kunnen dragen. Maar dat ontslaat ze niet van beoordeling. Goede bedoelingen zijn geen garantie voor goede uitkomsten. Dennett wil weg van de gedachte: “Als het iemand helpt, mogen we er niets over zeggen.” Hij wil toe naar: “Als het iemand helpt, laten we begrijpen hoe en tegen welke prijs.”

Vrijheid betekent ook vergelijken

Een subtiel maar belangrijk punt is dat Dennett religieuze vrijheid koppelt aan kennis. Echte keuzevrijheid bestaat alleen als mensen:

  • alternatieven kennen,
  • informatie hebben,
  • vragen mogen stellen.

Een samenleving die religies niet mag vergelijken, biedt geen echte keuze, maar traditie bij gebrek aan alternatief. De buyer’s guide staat dus symbool voor:

  • openheid,
  • volwassen omgang met religie,
  • vertrouwen in het denkvermogen van mensen.

De kern van Dennetts voorstel

Dennett stelt geen definitieve gids op. Hij zegt niet welke religie “het beste” is. Zijn voorstel is bescheidener, maar radicaler: laten we doen alsof religie een menselijk systeem is dat besproken, onderzocht en vergeleken mag worden. Dat alleen al zou een grote verandering zijn.

Part III: “Religion Today”, hoofdstuk 10“Morality and Religion”

Korte samenvatting van hoofdstuk 10

In hoofdstuk 10 behandelt Dennett een van de meest gevoelige en beladen onderwerpen in het hele boek: de relatie tussen religie en moraal. Dit is het punt waar veel lezers onrustig worden, omdat hier een diepgewortelde overtuiging wordt aangeraakt: het idee dat moraal zonder religie niet kan bestaan. Dennett pakt dit onderwerp voorzichtig maar vastberaden aan. Hij ontkent niet dat religie vaak een morele rol speelt in het leven van mensen. Wat hij wel betwist, is het idee dat religie de bron van moraal is. In “Morality and Religion” ondergraaft Dennett een hardnekkige aanname: dat religie de bewaker is van goed en kwaad. Hij laat zien dat moraal dieper ligt dan geloof, en ouder is dan godsdienstige systemen. Dit hoofdstuk nodigt de lezer uit om moraal niet te zien als een vast pakket regels, maar als een gedeeld menselijk project, gevormd door ervaring, medeleven en nadenken. Daarmee zet Dennett een belangrijke stap in Breaking the Spell: hij laat zien dat het mogelijk is om religie serieus te nemen, zonder haar tot morele maatstaf te verheffen.

De centrale vraag van dit hoofdstuk

De kernvraag van dit hoofdstuk is eenvoudig, maar ingrijpend: hebben mensen religie nodig om moreel te zijn? Of scherper geformuleerd: komt moraal van religie,
of gebruikt religie morele ideeën die al bestonden? Dennett laat zien dat deze vragen vaak door elkaar worden gehaald. Dat zorgt voor verwarring én voor angst: wie religie bekritiseert, zou moraal ondermijnen. Dit hoofdstuk probeert die koppeling los te maken.

Moraal als menselijk verschijnsel

Dennett begint met het idee dat moraal ouder is dan georganiseerde religie. Samenleven vraagt altijd om regels: eerlijkheid, wederkerigheid, zorg voor zwakkeren, beperking van geweld. Deze morele ideeën zijn nodig in elke groep, religieus of niet. Ze ontstaan niet uit openbaringen, maar uit het simpele feit dat mensen met elkaar moeten leven. Religie neemt deze morele intuïties niet over om ze te creëren, maar om ze te versterken, te structureren en te rechtvaardigen.

Religie als morele versterker, niet als bron

Dennett erkent dat religie moraal zichtbaar en bindend kan maken. Geboden, verhalen en rituelen geven morele regels gewicht. Ze zorgen ervoor dat mensen zich eraan houden, ook als niemand kijkt. Maar dat betekent nog niet dat moraal zonder religie verdwijnt. Dennett maakt hier een belangrijk onderscheid: religie kan moraal ondersteunen, maar zij bezit haar niet. Dit onderscheid wordt vaak genegeerd, waardoor religie moreel onmisbaar lijkt, terwijl zij in werkelijkheid één van de manieren is waarop moraal wordt doorgegeven.

Het gevaar van morele immuniteit

Een van Dennetts scherpste punten in dit hoofdstuk is dat religie soms morele regels afschermt tegen kritiek. Als iets moreel juist is “omdat God het wil”, wordt het moeilijk om vragen te stellen. Dat kan problematisch zijn wanneer morele regels verouderd raken, schade veroorzaken, of botsen met nieuwe inzichten. Dennett laat zien dat morele vooruitgang vaak juist plaatsvindt ondanks religieuze weerstand, niet dankzij religieuze vastheid.

Moraal zonder religie is geen leegte

Dennett verzet zich tegen het idee dat een niet-religieuze wereld moreel leeg zou zijn. Hij noemt dit een vals dilemma: alsof er maar twee opties zijn: religie of chaos. Hij benadrukt dat empathie, verantwoordelijkheid, zorg en rechtvaardigheid ook zonder religieuze basis kunnen bestaan. Mensen kunnen moreel handelen omdat zij begrijpen wat hun gedrag met anderen doet, niet alleen omdat het is voorgeschreven.

Waarom religie moreel aantrekkelijk blijft

Toch begrijpt Dennett waarom religie moreel aantrekkelijk is. Ze biedt duidelijke regels, vaste verhalen en een gevoel van zekerheid. Voor veel mensen is dat rustgevend. Maar die zekerheid heeft een prijs: minder ruimte voor twijfel, aanpassing en groei. Dennett stelt geen verbod voor, maar een keuze: willen we moraal vastzetten, of willen we haar blijven ontwikkelen?

De inzet van dit hoofdstuk

Dit hoofdstuk is geen aanval op moraal, maar een bevrijding van moraal uit religieuze exclusiviteit. Dennett wil laten zien dat:

  • moraal van ons allemaal is,
  • moraal bespreekbaar moet blijven,
  • moraal kan groeien.

Door moraal los te koppelen van religie, wordt zij niet zwakker, maar juist eerlijker en menselijker.

Part III: “Religion Today”, hoofdstuk 11“Now What Do We Do?”

Korte samenvatting van hoofdstuk 11

Met hoofdstuk 11 komt Breaking the Spell op een punt waar filosofie, wetenschap en verantwoordelijkheid samenkomen. Na alle analyses, verklaringen en kritische vragen blijft er één onvermijdelijke kwestie over: wat moeten we nu doen met deze kennis?Dennett presenteert dit hoofdstuk niet als een handleiding of een manifest. Het is eerder een open uitnodiging om volwassen om te gaan met religie, nu deze niet langer buiten kritiek is geplaatst. In “Now What Do We Do?” laat Dennett de lezer niet achter met antwoorden, maar met verantwoordelijkheid. Het boek eindigt niet met een conclusie, maar met een opdracht. Religie is geen taboe en geen vijand. Het is een menselijk systeem met kracht, schoonheid en risico’s. Wie die serieus neemt, moet haar durven onderzoeken. Het echte “nu wat?” is daarom geen oproep tot actie, maar tot een houding: eerlijkheid boven geruststelling, begrip boven ontzag, en volwassenheid boven angst. Daarmee sluit Breaking the Spell af zoals het begon: niet met vernietiging van religie, maar met het vertrouwen dat mensen het aankunnen om haar te begrijpen.

Geen triomf, geen afrekening

Dennett begint met het afwijzen van een misverstand. Zijn boek is geen poging om religie te “ontmaskeren” om haar daarna af te schaffen. Hij viert geen overwinning op geloof en roept niet op tot spot of strijd. Integendeel: hij benadrukt dat religie een krachtig en diepgeworteld menselijk verschijnsel is, dat niet zomaar verdwijnt en ook niet zou moeten verdwijnen zonder nadenken. De vraag is dus niet: “hoe raken we religie kwijt?” maar: “hoe gaan we er verstandig mee om?”

De prijs van eerlijkheid

Dennett erkent dat het “breken van de betovering” ongemakkelijk is. Wie religie onderzoekt zoals andere menselijke systemen, neemt zekerheden weg. Dat kan angst oproepen, vooral bij mensen voor wie religie steun, zin of structuur biedt. Toch stelt Dennett dat eerlijkheid onvermijdelijk is. Als religie echte gevolgen heeft — moreel, politiek, psychologisch — dan hebben we de plicht om haar te begrijpen, ook als dat pijn doet. Niet onderzoeken is geen neutraliteit, maar nalatigheid.

Onderwijs als sleutel

Een belangrijk praktisch punt in dit hoofdstuk is onderwijs. Dennett pleit niet voor religieuze indoctrinatie, maar voor kennis over religie. Dat betekent:

  • leren hoe religies zijn ontstaan,
  • begrijpen waarom ze overtuigend zijn,
  • zien hoe ze functioneren in groepen.

Volgens Dennett maakt kennis mensen niet cynisch, maar weerbaar. Wie begrijpt hoe overtuigingen werken, kan er bewuster mee omgaan, gelovig of niet.

Vrijheid vraagt om volwassenheid

Dennett verbindt religieuze vrijheid aan verantwoordelijkheid. Vrijheid van geloof betekent niet dat geloof boven kritiek staat. Het betekent dat mensen mogen kiezen, maar keuzes hebben alleen waarde als ze geïnformeerd zijn. Dit sluit aan bij het idee van de “buyer’s guide” uit hoofdstuk 9: geen verplichting, geen verbod, wel open vergelijking en bespreking. Een samenleving die religie beschermt tegen vragen, ondermijnt uiteindelijk haar eigen vrijheid.

Wat doen we met twijfel?

In eerdere hoofdstukken liet Dennett zien hoe belief in belief twijfel verdacht maakt. In dit slothoofdstuk draait hij dat om. Twijfel is geen vijand, maar een teken van betrokkenheid. Dennett pleit voor een cultuur waarin:

  • vragen stellen normaal is,
  • onzekerheid mag bestaan,
  • overtuiging geen schild is tegen kritiek.

Dat geldt niet alleen voor religie, maar voor alle sterke overtuigingen.

Moraal zonder angst

Dennett keert nog één keer terug naar moraal. Hij benadrukt dat eerlijk nadenken over religie geen morele leegte hoeft te creëren. Integendeel: moraal die niet rust op angst of gehoorzaamheid, maar op inzicht en zorg, is vaak duurzamer. Hij vraagt de lezer om vertrouwen te hebben in menselijke vermogens:

  • empathie,
  • samenwerking,
  • verantwoordelijk denken.

De toon van het slot: voorzichtig optimisme

Opvallend aan dit hoofdstuk is de toon. Dennett is kritisch, maar niet kil. Hij is bezorgd, maar niet somber. Hij gelooft dat mensen beter kunnen omgaan met religie dan vaak wordt aangenomen. Zijn optimisme is echter voorwaardelijk: alleen als we bereid zijn te leren, te praten, en moeilijke vragen niet uit de weg te gaan.

Breaking the Spell (Part II; Hfst 7 en 8)

Part II: The Evolution of Religion (7: The Invention of Team Spirit, 8: Belief in Belief)

Na de beschrijving van de wortels, de vroege vormen en het beheer van religie, verschuift Dennett in hoofdstukken 7 en 8 de aandacht naar iets anders: wat religie met mensen doet. Niet op individueel niveau, maar in groepen. Deze hoofdstukken laten zien hoe religie niet alleen ideeën voortbrengt, maar ook verbondenheid, loyaliteit en overtuiging over overtuiging zelf. Samen laten hoofdstukken 7 en 8 zien hoe religie zich verdiept en verhardt. Eerst door mensen tot hechte groepen te smeden, daarna door geloof zelf te verheffen tot iets wat verdedigd moet worden. Ze vormen daarmee het tweede deel van het evolutionaire verhaal: niet hoe religie begon, maar hoe zij zich stevig in het menselijk samenleven heeft vastgezet.

In hoofdstuk 7 (The Invention of Team Spirit) laat Dennett zien hoe religie zich ontwikkelt tot een krachtig middel om mensen samen te brengen. Door gedeelde rituelen, symbolen en regels ontstaat een sterk gevoel van “wij”. Mensen gaan zich onderdeel voelen van een groep die groter is dan henzelf. Dat maakt samenwerking makkelijker en versterkt onderlinge trouw. Religie werkt hier als een soort lijm die groepen bij elkaar houdt. Tegelijk maakt Dennett duidelijk dat dit groepsgevoel niet zonder gevolgen is. Waar een duidelijk “wij” ontstaat, verschijnt ook een “zij”. Religie vergroot de bereidheid om voor de eigen groep op te komen, maar kan ook afstand scheppen tot buitenstaanders. Dat is geen toeval en ook geen bewuste keuze; het is het resultaat van een lange ontwikkeling waarin groepsbinding steeds belangrijker werd.

Hoofdstuk 8 (Belief in Belief) gaat nog een stap verder. Hier onderzoekt Dennett een opvallend verschijnsel: mensen hechten soms meer waarde aan het hebben van geloof dan aan de inhoud ervan. Zelfs wie twijfelt, kan geloven dat geloof op zichzelf nodig of goed is — voor zichzelf, voor anderen, of voor de samenleving. Geloof wordt zo iets dat beschermd moet worden, los van de vraag of het waar is. Dennett laat zien hoe deze houding religie extra sterk maakt. Niet alleen overtuigingen worden doorgegeven, maar ook het idee dat geloven belangrijk is. Dat maakt religie minder kwetsbaar voor kritiek, omdat twijfel nu niet alleen een intellectueel probleem wordt, maar ook een sociaal of moreel risico.

Part II: “The Evolution of Religion”, Hoofdstuk 7: “The Invention of Team Spirit”

Korte samenvatting van hoofdstuk 7

Religie evolueerde tot een systeem om mensen tot een hecht team te smeden. Dennett: “Religie overleeft omdat zij mensen niet alleen laat geloven, maar samen laat horen.” Wie religie wil begrijpen, moet haar sociale ‘magie’ doorzien. Het bindt mensen door hen deel te maken van iets groters en precies daarin schuilt haar kracht én gevaar. Het is een uitzonderlijk middel dat samenwerking mogelijk maakt, maar ook uitsluiting. De teamgeest maakt geloof duurzaam, en bereidt de weg voor naar geloof in het geloof zelf. Dennett: “Voordat mensen geloven om waarheid, leren zij geloven om erbij te horen.” Dit hoofdstuk laat zien hoe religie zich ontwikkelt tot een sociaal mechanisme dat groepen vormt, bindt en disciplineert. Het is niet het einde van de evolutie, maar het moment waarop geloof robuust en sociaal onmisbaar wordt. Naast dit geloof als groepsmechanisme bestaat er natuurlijk ook zoiets als een persoonlijk beleefd geloof, maar Dennett is van mening dat zelfs zo’n individuele benadering historisch overleeft dankzij sociale structuren.

De centrale these van hoofdstuk 7

Dennett betoogt hier: Een essentieel product van religieuze evolutie is het vermogen om sterke groepsloyaliteit en collectieve identiteit te genereren. Religie produceert geen losse overtuigingen, maar sociale verbanden. Team spirit is daarmee geen bijkomstigheid, maar een evolutionair verklaarbaar effect.

Team spirit als selectie-effect, niet als ontwerp

Religie is niet “uitgevonden” om groepen te smeden, maar religieuze vormen die dit deden, bleken gewoon succesvoller. Dat is in lijn met de darwinistische methodologie van Part II; groepen met sterke interne cohesie konden beter samenwerken, waren veerkrachtiger en droegen hun praktijken betrouwbaarder over. Team spirit is dus het resultaat van culturele selectie.

Rituelen als sociale synchronisatie

Hoofdstuk 7 bouwt voort op hoofdstuk 5 (praktijk) en 6 (beheer); rituelen functioneren hier als coördinatiemechanismen, lichamelijk én emotioneel. Gezamenlijk zingen, bewegen, vasten, bidden leidt tot gedeelde ritmes, gedeelde emoties, en verminderde individuele afwijking. Dennett benadrukt impliciet: groepsgevoel ontstaat niet primair door overtuiging,
maar door gedeeld handelen.

Kosten, offers en betrouwbaarheid

Religieuze systemen vragen vaak tijd, discipline, geld, sociale beperkingen. Waarom blijven zulke eisen bestaan? Dennett’s verklaring: kostbare signalen zijn geloofwaardig. Wie bereid is offers te brengen toont echte loyaliteit, is minder geneigd tot opportunisme en wordt een veilig groepslid. Team spirit vereist dus zichtbare betrokkenheid.

Het ontstaan van “wij” en “zij”

Hoofdstuk 7 maakt duidelijk dat team spirit altijd groepsgrenzen impliceert; morele verplichtingen worden intern gericht. Gevolg:

  • verhoogd altruïsme binnen de groep;
  • potentiële uitsluiting van buitenstaanders.

Dit mechanisme is evolutionair begrijpelijk, maar ethisch ambivalent. Dennett presenteert dit niet als moreel oordeel, maar als verklarend inzicht.

Geloof als sociaal signaal (voorbereiding op hoofdstuk 8)

Geloof wordt: niet alleen een innerlijke overtuiging, maar een publiek herkenningsteken. Belijdenissen, symbolen en taalgebruik markeren groepslidmaatschap en functioneren als sociale wachtwoorden. Dit is de directe opmaat naar hoofdstuk 8, waar geloof zelf onderwerp van geloof wordt (belief in belief).

7. Culturele groepsselectie voorzichtig toegepast

Dennett begeeft zich hier op gevoelig terrein. hij spreekt niet over biologische groepsselectie maar over culturele systemen die concurreren. Religies die sterke team spirit genereren, discipline afdwingen en overdraagbaar zijn, blijven bestaan en verspreiden zich. Hiermee wordt team spirit een stabiliserende kracht in religieuze evolutie.

8. De spanning met waarheid en kritiek

Team spirit heeft een prijs:

  • conformiteit wordt beloond;
  • afwijking wordt verdacht;
  • kritiek kan groepsbinding ondermijnen.

Dit verklaart:

  • weerstand tegen wetenschappelijke correctie;
  • heiligverklaring van overtuigingen;
  • emotionele reacties op twijfel.

Niet omdat twijfel onwaar is, maar omdat zij sociale cohesie bedreigt.

9. Religie is niet uniek, maar uitzonderlijk effectief

Dennett plaatst religie in een breder kader. Ook nationalisme, ideologie, sportcultuur, produceren team spirit. Maar religie onderscheidt zich door:

  • transcendente legitimatie;
  • kosmische betekenis;
  • existentiële beloning en straf.

Dat maakt religieuze team spirit dieper verankerd, moeilijker los te laten en emotioneel krachtiger.

Part II: “The Evolution of Religion”, Hoofdstuk 8: “Belief in Belief”

Korte samenvatting van hoofdstuk 8

Met “Belief in Belief” bereikt Dennett een cruciaal punt in Breaking the Spell. In dit hoofdstuk onderzoekt hij niet zozeer wat mensen geloven, maar waarom zij het belangrijk vinden dát er geloof is. Het gaat hier om een verschuiving: van religie als overtuiging naar religie als waarde op zichzelf. Dennett laat zien dat religie in dit stadium niet langer alleen draait om goden, verhalen of rituelen, maar om het idee dat geloven zelf iets goeds, nuttigs of noodzakelijks is, zelfs als men twijfelt aan de inhoud van dat geloof.

Wat betekent “belief in belief”?

Met belief in belief bedoelt Dennett het volgende: mensen geloven niet alleen iets, ze geloven ook dat geloven belangrijk is. Dat kan verschillende vormen aannemen:

  • “Ik weet niet of het waar is, maar het is goed om te geloven.”
  • “Zonder geloof valt de samenleving uit elkaar.”
  • “Religie geeft mensen hoop, ook al twijfel ik zelf.”

In al deze gevallen wordt geloof verdedigd los van waarheid. Het nut van geloof wordt belangrijker dan de vraag of het klopt. Dennett ziet dit als een belangrijke stap in de evolutie van religie. Geloof krijgt nu een beschermende laag: wie het bekritiseert, bekritiseert niet alleen ideeën, maar ook iets dat als sociaal of moreel waardevol wordt gezien.

Van overtuiging naar houding

In eerdere hoofdstukken liet Dennett zien hoe religie:

  • ontstond uit menselijke neigingen,
  • groeide via rituelen,
  • werd beheerd door instituties,
  • groepen samenbond.

In hoofdstuk 8 laat hij zien wat er daarna gebeurt: religie wordt een houding tegenover twijfel. Twijfel is niet langer gewoon een vraag, maar iets wat gevaarlijk kan lijken:

  • gevaarlijk voor de gemeenschap,
  • gevaarlijk voor moraal,
  • gevaarlijk voor zingeving.

Hier ontstaat het idee dat het beter is om te geloven dan om te twijfelen, zelfs als men geen sterke redenen heeft. Geloof wordt een soort verzekering: misschien niet bewezen, maar wel geruststellend.

Waarom dit evolutionair gezien logisch is

Dennett benadrukt dat belief in belief geen complot is en geen bewuste misleiding. Het is een cultureel gevolg van eerdere stappen. Als religie groepen bijeenhoudt (hoofdstuk 7), stabiliteit biedt en gedrag stuurt, dan is het logisch dat mensen gaan denken: “Dit werkt, laten we het beschermen.” Zo ontstaat een cultuur waarin:

  • geloof wordt aangemoedigd,
  • twijfel wordt verzacht of ontmoedigd,
  • open vragen worden gezien als risico.

Het idee dat geloof goed is, helpt religie zichzelf voort te zetten, ook wanneer inhoudelijke overtuigingen wankelen.

Geloof zonder inhoud

Een van Dennetts scherpste observaties in dit hoofdstuk is dat mensen soms religie verdedigen zonder zelf precies te weten wat zij geloven, of zelfs terwijl zij innerlijk twijfelen. Het gaat dan niet om geloof in God, maar om geloof in:

  • traditie,
  • troost,
  • sociale orde,
  • moreel houvast.

Religie wordt zo iets wat men wil laten bestaan, ongeacht de feiten. Dat maakt haar sterk, maar ook kwetsbaar voor misverstanden: kritiek wordt niet meer gehoord als inhoudelijk argument, maar als bedreiging.

De morele draai: “religie is goed voor mensen”

Dennett bespreekt ook het veelgehoorde argument dat religie misschien niet waar is, maar wel goed voor mensen. Dit argument speelt een centrale rol in belief in belief. Hier wordt religie niet meer verdedigd op waarheid, maar op vermeend nut. Dennett vraagt zich af of dit argument wel zo vanzelfsprekend is. Hij stelt geen simpel tegenantwoord, maar wijst op het probleem: als we geloven dat geloof noodzakelijk is, ontzeggen we mensen de ruimte om zonder geloof zinvol te leven.

Waarom dit hoofdstuk het einde van Part II vormt

Hoofdstuk 8 is het conceptuele sluitstuk van Part II.

  • Hoofdstuk 7 liet zien hoe religie groepen vormt.
  • Hoofdstuk 8 laat zien hoe geloof wordt geheiligd als idee.

Hier is religie niet alleen een systeem, maar een norm: geloven is goed
niet-geloven is riskant. Vanaf dit punt kan Dennett verdergaan naar de gevolgen:

  • moreel,
  • politiek,
  • cultureel.

Part II eindigt dus niet met geloof zelf, maar met een meta-geloof: geloof over geloof.

De kern van Dennetts punt

Dennett wil met dit hoofdstuk niet zeggen dat alle religieuze mensen oneerlijk zijn of zichzelf voor de gek houden. Zijn punt is subtieler: soms verdedigen mensen religie niet omdat ze overtuigd zijn, maar omdat ze bang zijn voor wat er zonder religie zou gebeuren. Belief in belief is dus een vorm van voorzichtigheid, maar ook van zelfbehoud van religie als systeem.

Slotbeschouwing

Met “Belief in Belief” laat Dennett zien hoe religie zich aanpast aan twijfel. Niet door twijfel weg te nemen, maar door haar te omzeilen. Geloof wordt belangrijker dan waarheid, en bescherming belangrijker dan begrip. Dit hoofdstuk maakt duidelijk waarom religie zo moeilijk bespreekbaar blijft. Niet omdat mensen niets willen weten, maar omdat zij zijn gaan geloven dat geloven zelf niet ter discussie mag staan. Daarmee sluit Part II af, en wordt de weg vrijgemaakt voor het laatste deel van Breaking the Spell, waarin Dennett de bredere gevolgen van deze ontwikkeling onderzoekt.

Terug naar de roeken van het stoppelveld (deel 2)

Hoe de schijn van bevrijding een blijk bleek van nieuwe schijnheiligheid.

Mathias was een katholieke jongen van huis uit die het geloof nog dagelijks beleed. Maar hij deed dat op zijn eigen intellectuele manier, waardoor zijn religieuze overtuiging een logische bocht richting existentialistische en roomsgeöriënteerde filsosofen had genomen; ergens, als ik hem goed begreep, tussen Kierkegaard en Gabriel Marcel in. Misschien zat ik er naast. Het maakte helaas niet meer uit; nog voor ik in staat was mij goed en wel in zijn wijsgerige helden te verdiepen, nam hij een afslag richting esoterie, buiten het terrein van de rede.

Mat begon als oud-katholiek koorknaapje, dweepte onderweg met een stoet rooms-geïnspireerde filosofen, en eindigde, via de bekende weg van spirituele zelfontginning, goeroeverering en zacht bloeiende grootheidswaan, als zelfverklaard zenmeester met een uurtarief van 90 euro. (Ik schrijf ‘eindigde’ maar ik begrijp dat zijn prijs per uur inmiddels naar boven is bijgesteld in verband met inflatiecorrectie.)

Hij gaf mij een boekje te leen van K. von Dürckheim (Ons dagelijks leven als oefening) en ik wist dat ik te maken had met de zoveelste gelovige uit een gevestigde denominatie – een kind van de kerkelijke leertraditie en erfgenaam van een confessioneel systeem dat in het Brabant van zijn jeugd nog naar behoren had gewerkt – die een spiritueel niemandsland was binnengetreden waar de filosofie ophoudt en de mist begint. Hij sloeg zijpaden in van spiritualiteit die zich aan wetenschappelijke toetsing onttrokken.

Het was geen omslag geweest maar een geleidelijk proces; ik heb het bij veel vriendjes en vriendinnetjes uit gezinnen met een sterke geloofsachtergrond zien gebeuren. De ontkerkelijking liep bij hen synchroon met de dageraad van hun postpuberale groeistuipen. Het begon in de periode waarin het kinderbrein zich in volle vaart tot een volwassen stel hersens ontwikkelde. Ze waren hard op weg om de doctrinaire traditie achter zich te laten; daaruit mocht hun geloofsovertuiging sowieso niet meer putten.

Nadat de georganiseerde religie was verlaten, trad, al naar gelang de persoonlijke levensomstandigheden, fase twee in werking. Het creëren van een eigen gezin en de dood van hun ouders maakte het loskomingsproces compleet. Zonder triomfantelijk te willen zijn of evangelistisch op een atheïstische manier, bereidde ik me voor om hen met open armen te ontvangen: geen wortel van hun institutionele geloof leek er nog over en ik hoefde zelfs niet te helpen met doorzagen. Het idee over erfzonde was één van de eerste dogma’s die hoorbaar waren begonnen te kraken.

Hoopvolle ontwikkelingen, maar helaas; er slopen, gedurende deze periode, bij veel van die inmiddels op leeftijd gekomen jongvolwassenen, mystieke ideeën in, die zich ver van de filosofische grondslagen bewogen. Ze bleken op een innerlijk pad te zitten dat meer op gevoel dan op gedachte steunde. Vanuit een duister domein van intuïtieve zelfverheffing zonden ze uit, dat het geloof nog helemaal niet overboord was gegooid. Integendeel; het had zich nu getooid in een metafysisch jasje dat meeging met de mode van de tijd.

Iedereen bleek in een, persoonlijk opgetuigde, zweefmolen te zijn gestapt.