Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

Brief aan Femke Halsema

Over de anatomie van een verdachtmaking, de eenzaamheid van het pluche en de veerkracht van een persoonlijkheid.

Beste Femke,

Het is een vreemde gewaarwording om te zien hoe de geschiedschrijving de scherpe kantjes van het gitzwarte jaar 2002 – het jaar van de moord op Pim Fortuyn – afslijpt tot een overzichtelijke vertelling. Pas toen ik las over de persoonlijke details van die maanden, zoals jij ze opschreef in jouw autobiografische relaas genaamd Pluche, brak het besef door hoe desolaat, onbegrepen en bij vlagen vogelvrij jij je destijds moet hebben gevoeld. Ik schrijf je deze brief omdat ik die turbulente periode, en de wijze waarop jij daarin bent bejegend, weer haarscherp voor de geest heb1. Ik realiseer me dat er in de electorale en journalistieke kookpot van toen nauwelijks ruimte was voor de erkenning van het incasseringsvermogen dat jij destijds aan de dag legde.

De reconstructie die je schetst van de herfst van 2002 toont een politiek landschap in staat van ontbinding. De moord op Pim Fortuyn had de wetten van de logica en de fatsoensnormen vloeibaar gemaakt. Wat mij in jouw relaas met terugwerkende kracht het meest raakt, is de verstikkende fuik waarin je destijds met Paul Rosenmöller werd gedreven. Het was de volstrekte omkering van de werkelijkheid; de ironie wil dat een oppositionele, linkse partij als GroenLinks, die zich juist profileerde tégen de paarse consensus, met één grove penseelstreek werd bijgeschreven in het register van de ‘zelfingenomen Haagse kliek’.

Die dynamiek van de verdachtmaking – waarin ratio het aflegt tegen het mythische verhaal – bereikte een absoluut dieptepunt in de nasleep van de moord. Het is onvoorstelbaar hoe de term ‘demoniseren’ werd gekapitaliseerd om elke vorm van inhoudelijke kritiek monddood te maken. De opmerking die je destijds maakte bij Nederland kiest, waarin je Fortuyns uitspraken over moslims als ‘extreemrechts’ kwalificeerde, was in het licht van de politieke situatie een accurate observatie. Dat deze analyse naderhand als een boemerang terugkeerde en door figuren als Theo van Gogh live op televisie werd vertaald in een morele medeplichtigheid aan moord (“Jullie hebben loon naar werken”), is een vorm van verbale intimidatie die de democratische rechtsorde diep heeft beschadigd.

De eenzaamheid die uit die scènes spreekt, is tastbaar. Terwijl de publieke hysterie bezit nam van het land, moest jij dealen met een persoonlijke doodsbedreiging op de avond van de begrafenis van Ab Harrewijn; een zachtmoedig politicus wiens stille dood wrang contrasteerde met het luidruchtige spektakel op de straat. De psychologische tol van die periode laat zich raden: de noodzaak om publieke plekken te mijden, de intellectuele distantie die zelfs in je privéleven met Robert tijdelijk tot een verwijdering leidde, en de totale verlamming van het parlementaire werk.

Het absolute dieptepunt van die politieke verloedering kristalliseerde zich uit in de interruptie van Ferry Hoogendijk. Dat een zittend Kamerlid het presteert om een collega die opkomt voor de veiligheid van haar eigen fractievoorzitter, sissend toe te voegen: “Wegwezen jij!”, is exemplarisch voor de rauwe, onversneden vijandigheid waarmee jij destijds bent geconfronteerd. Je werd niet langer gezien als een volksvertegenwoordiger met een afwijkend standpunt, maar als een obstakel dat fysiek en electoraal geruimd moest worden.

Dat je deze periode hebt doorstaan zonder te vervallen in permanent cynisme of rancune, getuigt van een intellectuele en morele veerkracht die in de toenmalige waan van de dag onopgemerkt bleef. De wijze waarop je de dialoog aanging met je eigen bedreiger – een kwetsbare man met schulden – en vervolgens bij het Openbaar Ministerie pleitte voor het seponeren van de zaak, bewijst dat je weigerde mee te gaan in de verhitte logica van vergelding. Het toont een diep humanitair kompas dat in de politieke arena van 2002 nagenoeg onvindbaar was.

Toen Paul Rosenmöller op die bewuste veertiende november je kamer binnenstapte en verklaarde dat het ‘op’ was, lag de loodzware erfenis van een getraumatiseerde partij plotseling op jouw schouders. Je overwoog je kinderwens, je twijfelde aan je eigen ambitie. Dat waren legitieme menselijke overwegingen die in de harde logica van de macht meestal worden weggedrukt. Dat je desondanks ‘ja’ zei, niet uit ijdelheid, maar uit een gevoel van solidariteit en verantwoordelijkheid voor de publieke zaak, dwingt diep respect af.

Met deze brief wil ik die periode alsnog markeren, los van de toenmalige politieke waan die inmiddels alweer decennia achter ons ligt. De manier waarop jij de herfst van 2002 hebt overleefd, heeft de basis gelegd voor het leiderschap dat je in de jaren daarna hebt getoond; standvastig, helder van geest, en met een weigering om te capituleren voor de intimidatie van de schreeuwers. Dat mag, juist omdat het destijds zo schandelijk werd verzwegen, weleens hardop worden gezegd.

Met respectvolle groet,

Ronald van Noorden

  1. Aanleiding voor dit schrijven is mijn recente kennismaking met Pluche, dat ik toevallig aantrof in een straatbibliotheekje en meteen ben gaan lezen. Vanaf bladzijde 100 in het vierde hoofdstuk (getiteld ‘Wegwezen jij!’), sloeg mijn nieuwsgierigheid om in een diepe ontzetting. Tegen het einde bekroop mij een gevoel van machteloze woede. Het is ijzingwekkend om te zien wat integere, goedbedoelende politici kan worden aangedaan zodra stemmingmakers en malicieuze ambtgenoten het publieke klimaat doelbewust vergiftigen.
    Mijn woede wordt extra gevoed door de actualiteit. Wat in 2002 nog de rauwe, ontregelende voorbode van een nieuw populisme leek, is inmiddels op de rechterflank verworden tot een vaste routine; een politieke overlevingsstrategie waarbij het systematisch verdacht maken van instituties, het op de persoon spelen en het intimideren van opponenten eerder regel dan uitzondering zijn geworden. Dit dwingende besef liet mij niet los en vormde de reden voor het schrijven van deze brief. ↩︎

De reconstructie van een debacle

Teruggeworpen in de tijd door een foto van een viertal tepels.

Van alle vakantiekiekjes die mij in deze periode bereikten is de foto die vriend Hans mij stuurde misschien wel het meest saillant, ook vanwege de veelzeggende tekst. Hij schreef: Groeten uit Normandië. Wat wij zien is geen ansichtkaart van de Mont Saint-Michel, noch de kliffen van Étretat. Hij stuurde de rauwe, ongefilterde essentie. Een macro-opname van een uier, zo monumentaal in beeld gebracht dat de rest van het rund fungeert als louter baldakijn. Dit is de motor achter het land van de camembert, de calvados en de vette roomsaus. Tussen de harige draaghemel door zien we een soortgenoot ontspannen aan een nieuwe lading zuivel werken. Hoe is het om uitgevleid in je eigen voedsel te mogen vegeteren tot je lebmagen wit zien van romige weelde? Om simpelweg te bestaan in een oneindige cyclus van grazen, herkauwen en produceren, zonder de intellectuele ballast van een naderend echec?

Gezien de kleur van de vacht hebben we hier vermoedelijk te maken met de Normande, het trotse ras dat eigenmachtig de basis legt voor elke ‘Vache qui rit’ die van de bekende verpakking staart. Er gaat een dwingende, haast klinische esthetiek uit van dit inzoomen. Zo’n zwellende uier is de ultieme reductie van een vakantieregio tot zijn puurste, meest veelzeggende textuur. En juist dat triggert een even scherpe herinnering. Want bij het zien van zoveel biologische spanningsopbouw schiet ik direct terug naar mijn eigen, destijds volstrekt gemankeerde vakantie in diezelfde regio; een reis waarin de gisting van mijn op hol geslagen hormonen en mijn ziedende jaloezie de omvang aannamen van een permanent, luidruchtig psychologisch drama.

Een reis die destijds al gedoemd was te mislukken op het perron, waar ik verscheen met het fysieke symbool van mijn toenmalige onvolwassenheid: een topzware, pretentieuze valise met houten baleinen. Een koffer die geen bagage ademde, maar pure, theatrale overdrijving. Ik zag Nicole er ter plekke op afknappen. We waren met z’n vieren; naast mijn genoemde liefje nog twee van haar schoolvrienden die ik amper kende. De Franse spoorwegen hadden de ultieme metafoor voor onze naderende breuk al op de rails gezet; de trein bestond uit twee fysiek gescheiden delen. Geen tussendeur, geen doorgang mogelijk. Nicole orkestreerde de logistiek met de koelbloedigheid van een strateeg. Zij glipte met een zekere Hans het voorste rijtuig in, terwijl haar vriendin zich opofferde om mij in het achterste deel te chaperonneren. Zij en het lot zorgden ervoor dat we gesegregeerd bleven tot aan Parijs.

Het was een meesterlijke coup, want de kaarten waren allang geschud. Vijand Hans – de herinneringshans die in niets leek op mijn gulle vriend Hans van de grazers – bezat een onmiskenbare Nick Cave-achtige uitstraling; een melancholische, duistere coolness waar mijn houten koffer en ik onmogelijk tegenop konden. Dat mijn reisgenoten vrienden waren van Nicole en niet van mij, hielp ook niet mee. Het drietal had samen het volwassenonderwijs in Breda doorlopen; zo’n instituut waar je strandde als je op de reguliere middelbare school was vastgelopen, maar waar zij dat jaar wel mooi hun VWO-diploma behaalden. Ze waren zoveel verder dan ik. Mijn eigen schoolcarrière was evenmin gladjes verlopen, maar mijn stapelproces van havo naar het atheneum had mij louter theoretisch gevormd en was bovendien meer het gevolg geweest van een uiterst langzame rijping. Zij waren gekneed door hun eigen hobbels, die hen gaandeweg wijzer hadden gemaakt; ik vertrouwde blind op boekenkennis en zeulde altijd met te grote, verkeerde bagage. Nicole was de eclectische reiziger die later kunstgeschiedenis zou gaan studeren in Amsterdam; ik bleef de achterblijver in het verkeerde deel van een trein.

Vanaf dat moment was het pleit beslecht. Ik wist dat ik het grandioos verloren had van vijand Hans. De rest van de reis werd een exercitie in collectief ongemak. Alles wat ik deed en zei in ‘ons’ huisje aan de Normandische zee was geforceerd. Ik zadelde mijn reisgenoten op met een geestelijk onrijpe, lichamelijk onvolgroeide adolescent vol zelfmedelijden. Een toxische cocktail die Nicole er logischerwijs toe bewoog mij zoveel mogelijk te mijden. Terwijl zij en Nick Cave de Normandische romantiek cultiveerden, hield hun vriendin zich met mij onledig. Het moet een immense, bijna bovenmenselijke opoffering voor haar zijn geweest om die afgesproken separatie vol te houden.

Het meest bizarre, het meest pijnlijke achteraf, is mijn verblindheid. Het feit dat ik maar niet inzag dat ze mij in de verste verte niet meer zag zitten. Dat ik er beter aan had gedaan om haar te ontlasten, mijn houten koffer te pakken en nog iets van eer aan mezelf te houden. Zelfs na die dramatische reis, die mij toch overduidelijk het einde van de relatie inpeperde, ben ik blijven proberen om contact met haar te onderhouden. De wanstaltigheid van dat gedrag bezorgt me nu, decennia later, nog steeds een intense schaamte. En het is niet eens ‘plaatsvervangende’ schaamte, want de jongen die destijds zijn uitvergroting van het persoonlijke lijden aan de anderen opdrong als een permanent verwijt, heeft nog altijd de neiging om de hele wereld te bestraffen voor zijn persoonlijke sores.

Ik toonde mij die vakantie pas nobel als ik mij losmaakte uit de verstikkende groepsdynamiek en in mijn eentje lange, zwijgzame wandelingen ging maken langs de grijze Normandische kust. Die eerste vakantie met ‘vrienden’ heeft mij, dwars door de jaloezie en het zelfmedelijden heen, het nut van de eenzaamheid geleerd, of liever de ‘solitude’ zoals iemand anders, die ik later ontmoette, die kunst van het alleen zijn noemde. Separatie niet langer als een straf van de afwijzing, maar als mijn eigen reddingsmechanisme.

De foto van vriend Hans is daarmee meer dan een groet uit Normandië. Het is, net als toen, een haarscherpe uitsnede van een realiteit die geen franje duldt. Een herinnering aan de dag dat ik leerde dat sommige treinen nu eenmaal uit twee delen bestaan die nooit met elkaar verbonden zullen worden; en dat de ene Hans de andere niet is.

Lezersreactie:

Wat een prachtige overdenking, Ronald. Die houten koffer is een sterke metafoor voor je neiging tot exuberantie.
(Hans, Arnhem)

Wormvormig aanhangsel

Een wankel vorstenhuis en de vorstelijke vergeefsheid van een bijwoordelijke bepaling.

“Het besluit van een beschaving om over te gaan tot de afschaffing van de monarchie gaat niet over één nacht ijs”, aldus de Noorse commentator in het discussieprogramma waar ik zomaar inviel. Hij voegde daar aan toe: “Maar wat helpt en het proces versnelt is een goede rel, dat wel.” En daar ging het mis. Niet met de ondergang van de monarchie – die historische wetmatigheid voltrekt zich door alle schandalen immers geheel volgens schema – maar met mijn zorgvuldig gecultiveerde republikeinse focus. Terwijl de deprimerende feiten omtrent onze bovenbuur-royals voor de zoveelste maal de revue passeerden, bleef mijn aandacht steken. Onwrikbaar. Als een Noorse zalm in een håv (wat geloof ik Scandinavisch is voor fuik).

Mijn blik was gegijzeld door die laatste twee woorden: ‘dat wel’. De taaljongen in mij won het direct van de staatsrechtelijke criticus. De absolutie van de monarchie kon plotseling wachten; we hadden hier immers een acute taalkwestie aan de hand. Want wat is dat ‘dat wel‘ in hemelsnaam (om niet te zeggen: dan wel niet), semantisch en syntactisch gesproken? Wat voegt zo’n frase toe aan de mededeling, behalve een linguïstisch klopje op de schouder? Had de oorspronkelijke Noorse spreker daadwerkelijk een idioom gebruikt dat deze annex noodzakelijk maakte, of was de vertaalcomputer – die tegenwoordig ongetwijfeld door een oververhitte AI wordt aangestuurd – weer eens aan het overpresteren en hallucineren?

Laten we deze taalkundige bijvangst eens fileren. Syntactisch gezien is ‘dat wel’ een modale toevoeging, een soort nagedachte die functioneert als een restrictief voegwoordelijk bijwoord. Het zwom onverhoeds mee met de buit, zeg maar. Het is een zinsdeel met de allure van een wormvormig aanhangsel. Zoals de monarchie dat zelf trouwens ook is: een rudimentair aanwezig overblijfsel uit een feodaal verleden dat in een moderne democratie geen enkele heldere functie meer vervult, maar dat we toch maar laten bungelen totdat iemand die overbodigheid durft te elimineren.

Twee woordjes maar. Semantisch gezien doen ze iets fascinerends. Ze relativeren niet, maar accentueren juist de eerdere bewering door een hypothetisch contrast bij voorbaat uit te sluiten. Ze zeggen: “Mocht u twijfelen aan de kracht van een koninklijk schandaal, doet u dat dan vooral niet.” Is het overbodig? Strikt taalkundig: ja. Psychologisch: nee. Misschien zelfs noodzakelijk voor de nuance.

Ondertussen stort in Oslo het kaartenhuis ineen. Men spreekt daar over zeer serieuze zaken zo zwart als mishandeling, aanranding, cocaïnemisbruik, ongezonde koninklijke privileges en messentrekkerij. De monarchie wankelt op haar grondvesten. Maar de mens is een vreemd wezen dat zich in tijden van crisis laat afleiden door de gekste futiliteiten. Terwijl het volk aan de koninklijke stoelpoten zaagt, zit ik te dubben over de grammatica. Dat wel. Of óók. Correctie: méér nog. Ik bedoel: dan dat. Ik bedoel: dan dat ik me onledig houd met de eigenlijke kwestie. Begrijp je? Echt wel.

Het is een tragische constatering: ik probeer me te focussen op dit monarchische melodrama maar de associatieve kortsluiting in mijn brein is compleet. Om mezelf te kalmeren, bedenk ik juist iets dat helemaal losstaat van de koninklijke janboel, namelijk hoe het taalkundige aanhangsel ‘dat wel’ zich in andere Noorse contexten zou gedragen. “De Noren hebben een existentieel gebrek aan zonlicht, en toch is het een krachtig volk; maar goed, tegenwoordig slikt men vitamine-D en vroeger waren het Vikingen, dat wel!” Als we de AI-vertaalmachine de vrije loop laten, vermoed ik dat elk Noorse zin binnenkort met deze linguïstische staartmees eindigt:

“De fjorden zijn onpraktisch diep en de houtkachel verspreidt meer fijnstof dan een kolencentrale, maar met Noorse sokkenwol brei je de ellende zo weg, dat wel.”

“De Noorse trui zit volstrekt oncomfortabel en kriebelt tot op het bot, maar het ding zorgt niettemin dat je beschermd bent tegen tocht, dat wel.”

“Odin en Thor waren destructieve types met een ongezonde fixatie op hamers en runen, maar de Noorse mythologie is qua plotwisseling superieur aan de gemiddelde Netflix-serie, dat wel.”

“Spitsbergen ligt er koud en verlaten bij, ongeschikt voor menselijke bewoning, maar de ijsberen hebben er tenminste geen last van ronkende talkshows over falende prinsen, dat wel.

Het Noorse koningsdrama is een serieuze zaak – het biedt momenteel minder stabiliteit dan een Zweedse zelfbouwkast – maar zolang de vertaalcomputers ons trakteren op onverwachte taalkundige versieringen, wankelt mijn brein vrolijk mee. Morgen ga ik over tot de orde van de dag en de harde politieke realiteit. Denk ik. Of ik raak afgeleid door een verdwaalde puntkomma. De kans is aanwezig, dat zeker.

Lezersreacties:

Dat wel, dat wel? Wat ben jij snel afgeleid Ronald. Rel, del, del, wie trekt er aan de bel en geeft er een schop onder de derrière van het hele koninklijke stel?
(Bram de Jager, Deventer)

Je wordt bedankt. De vreselijke misstappen van de kroonprinselijke stiefzoon transformeren in mijn hoofd nu ook tot absurdistisch gerijm. Een opeenvolging van schandalen, rigoureus afgewisseld met idiote woordcombinaties: Huisvredebreuk, dat wel. Slachtofferhulp, oorlel. Prinselijk privilege, kasteelbel. Messentrekkerij, what the hell. Kroonprinselijk debacle, welk een gezwel!
(Kees Groenewegen, Vlaardingen)

Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Paul kwakelt hooghartige shit

Over de logica van de betweter, de wetten van de steekproef en waarom ‘iedereen’ het mis heeft.

M: Ken jij het ezelsbruggetje: Piet koopt hoge schoenen?

R: De beginletters verwijzen naar de grachten van Amsterdam, is het niet? Ben je dingen voor jezelf op een rijtje aan het zetten?

M: Nee. Iemand zei dat iedereen in Nederland dit kent, maar ik kende het niet. Dus nu doe ik een klein onderzoekje.

R: ‘Iedereen’ is een onhoudbare generalisatie in vrijwel elke bewering. Als je dat woord op die manier gebruikt, krijgt het direct iets denigrerends. Het wordt, volgens mij, vooral gebezigd door iemand met een beperkte kennis, die het weinige dat hij weet zo maximaal mogelijk wil uitbuiten om status te claimen.

M: Kan het ook gewoon zijn dat diegene er oprecht van overtuigd was dat dit tot de algemene kennis behoort? Misschien is dat ook zo en ben ik de enige die dit gemist heeft.

R: Als die persoon daarvan uitgaat, is hij onvoldoende doordrongen van de statistische werkelijkheid. Het woord ‘iedereen’ wordt hier misbruikt als retorische stijlfiguur. Trap er niet in; hij past een semantisch trucje toe om autoriteit te veinzen. Met dit persoonlijke onderzoekje buig je voor zijn imponeringsgedrag. Zo wek je de indruk dat het zinvol is om ongefundeerde claims te poneren. Ik zou de bewering simpelweg als deductief onjuist kwalificeren en er verder geen intellectuele energie aan verspillen.

M: Het staat nu 3-1. Mijn moeder en een vriendin kenden het ezelsbruggetje ook direct.

R: Wat de eindstand van je steekproef ook wordt, de omvang ervan is irrelevant. Je hebt de universele claim allang gefalsifieerd. Jouw uitzonderingspositie vormt het zwarte schaap dat de stelling dat ‘alle zwanen wit zijn’ eigenhandig slacht. Die ene stem van jou zegt logisch gezien genoeg. Wat ik je op het hart wil drukken is: vind jezelf belangrijk genoeg om de onhoudbaarheid van andermans borrelpraat in te zien, zonder dat je daar eerst een heel databestand voor aanlegt.

M: Wat maak jij er een gigantische big deal van! Ik vraag gewoon wat rond, ik ben geen wetenschappelijk onderzoek aan het optuigen. Ik was gewoon onzeker of ik een gat in mijn opvoeding had. Waarom moet alles bij jou altijd meteen veranderen in een intellectuele loopgravenoorlog?

R: Mag ik je vragen of er toevallig een man achter deze absolute stelling zat?

M: Het was Paul.

R: Ah. Paul laat weer eens van zich horen. Als ik het niet dacht.

M: Pfffff. Wat doet de persoon er nou toe? Waarom sleep je dat er in hemelsnaam bij?

R: Omdat de afzender in dit geval de hele lading dekt.

M: Begrijp je dat ik dit een enorm negatieve en vermoeiende benadering vind?

R: Niet echt, want ik neem het hier voor je op. Jij plooit je naar de arrogantie van iemand die zomaar wat roept. Je had, vind ik, wat geëmancipeerder en autonomer kunnen reageren op zijn stelligheid.

M: Dit heeft werkelijk ab-so-luut niets met emancipatie te maken! Ik vroeg me gewoon iets af en jij kaapt mijn onschuldige nieuwsgierigheid om je eigen vete met Paul uit te vechten. Je neemt het helemaal niet voor me op. Je vindt het maar niks hoe ik hiermee omga. Je kleineert me waar ik bij sta.

R: Paul gedraagt zich als het ultieme schoolvoorbeeld van een mansplainer.

M: En ondertussen wil jij mij even haarfijn uitleggen hoe ik had moeten reageren en wat ik moet voelen. Wie is hier nu eigenlijk de mansplainer?

R: Dit is geen uitleggen, ik formuleer slechts een wens over hoe je je eigen autonomie kunt beschermen. Bovendien doe ik dat zonder enig gevoel van patriarchale of intellectuele superioriteit. Daarnaast pas ik simpelweg wat elementaire logica toe: als jij – en jij alleen, te midden van duizend anderen – nog nooit van het ezelsbruggetje hebt gehoord, maakt dat de stelling dat ‘iedereen’ het kent logisch onhoudbaar. Dat is geen mening, dat is een feit.

M: Nu doe je het wéér! Je verpakt je betweterigheid in een theoretische mal om je gelijk te halen!

R: Ik geef juist aan dat jouw individuele stem afdoende is; dat jij het als persoon meer dan waard bent om die claim direct te verwerpen, wat jou in feite superieur maakt aan de waardeloze stellingnemer. Ik hoop simpelweg dat mensen die mij lief zijn niet buigen voor iemand die ten onrechte stellig is.

M: Zoals jij nu doet bedoel je?

R: Als ik me ten onrechte stellig uitlaat over een falsifieerbare zaak, hoop ik net zozeer dat mensen mij met argumenten corrigeren. Maar in dit specifieke geval stel ik louter vast dat iemand een onhoudbare stelling lanceert. En roep ik jou op, als vriend, om die onzin met gepast disrespect te behandelen.

M: Jouw hele reactie is volkomen misplaatst. Waarom moet je altijd zo rücksichtslos arrogant en drammerig zijn als je denkt dat je de logica aan je zijde hebt? Ik vind het zo ontzettend onnodig en kwetsend.

R: Dat is jouw perceptie, en die staat je vrij. Arrogantie en drammerigheid zijn echter psychologische kwalificaties; iets wezenlijk anders dan analytische stelligheid, waaraan ik me in deze niet schuldig maak. Je vindt me een arrogante zak. Dat kan. Dat aanvaard ik als de prijs voor de waarheid.

M: Je bent er zo heilig van overtuigd dat je de waarheid in pacht hebt. Dat is exact dezelfde stelligheid waar je Paul van beschuldigt.

R: Dat jij dat zo ervaart, maakt het onaanvechtbaar; een subjectief gevoel onttrekt zich immers per definitie aan de logica. Maar epistemologische stelligheid en psychologische zelfovertuiging zijn twee volstrekt verschillende grootheden.

M: Wat een schitterend theoretisch rookgordijn. Dus omdat jij Pauls uitspraak epistemologisch noemt, en die van jou niet, is jouw betweterigheid heilig?

R: Nou heilig; in ieder geval van kritiek ontheven. Stelligheid is een eigenschap van de gedane bewering; zelfovertuiging is een karaktertrek van de persoon. Waar die eerste vorm van overtuigingskracht expliciet uitdaagt tot inhoudelijk verzet en tegenargumenten, blijft de tweede variant volstrekt immuun voor de rede. Stelligheid kun je direct aanvechten door feitelijk aan te tonen dat de claim onterecht is. Zelfovertuiging biedt die opening niet; die laat zich door geen enkel rationeel argument bestrijden. Kortom: stelligheid is falsifieerbaar, zelfovertuiging is hooguit laakbaar. Jij falsifieerde Pauls stelling met één adequate, goudeerlijke reactie. Het enige wat ik wilde aangeven, was: dat volstond, daar had je het bij kunnen laten. Niet dat ik je daartoe kon verplichten, dat zou immers pas echt autoritair en arrogant zijn. Maar omwille van de intellectuele hygiëne richting de vertolker van het misplaatste aplomb, had ik het simpelweg wenselijk gevonden.

M: Prachtig geformuleerd hoor. Maar onderaan de streep zit ik hier met een vriend die zich gedraagt als een arrogante zak, puur omdat hij me wilde beschermen tegen Paul. Het is fascinerend: jij kunt het op zo’n manier voor me opnemen dat ik je na afloop een enorme lul vind. Schiet mij maar lek.

Een herkenbare drang tot ordening

Over grenzen, controle en een universum dat weigert chaotisch te zijn.

Voorafgaand aan de expositie van Tobias Tebbe in Kunstruimte NUN te Arnhem werd mij meegedeeld dat de kunstenaar autistisch is, en dat mijn recent opgevatte plan om voortaan als onderzoeksjournalist door het leven te gaan, moeilijk slechter getimed had kunnen zijn; althans, als ik van plan was de maker ter plekke vragen te stellen over zijn werk. Wat ik echter ook vernam, was dat ‘Tebbe de jonge’ steevast door zijn vader wordt begeleid. Deze Leon Tebbe is zelf een bekende Arnhemse kunstenaar en graficus. Het leek mij dan ook aannemelijk dat ik mijn vragen desnoods tot hem kon richten.

Tobias Tebbe, met links het werk Dutch Democratic Republic. Een universum waarin Arnhem een grenspost is en niets aan het toeval wordt overgelaten.

Tobias ‘annexeert’ zijn familieleden geregeld in zijn werk en kent hun rollen toe binnen een gefantaseerde staatsstructuur. Neem alleen al het werk dat de uitnodiging voor de expositie siert: Dutch Democratic Republic. Onderaan prijkt, in een versierd medaillon, de naam ‘Leon Tebbelsévier’. Vader Leon lijkt hier niet slechts begeleider, maar eerder een functionaris – zo niet een patriarch – binnen dit regime.

Wat ik a priori over dit werk kon achterhalen, was het resultaat van een kort maar doelgericht vooronderzoek; de moderne term voor een kwartier geconcentreerd surfen. Dat leverde een fascinerend beeld op van wat zich laat omschrijven als een cartografische koortsdroom.

Het werk blijkt geen op zichzelf staand tafereel, maar een fragment uit een omvangrijk geopolitiek project. In Tebbes parallelle universum zijn de grenzen van West-Europa niet slechts verschoven, maar doelbewust geannexeerd en samengesmolten tot een hybride staat die het midden houdt tussen de polder en de voormalige DDR. Met opmerkelijke precisie herschrijft hij de kaart. We zien fenomenen als ‘West-Arnhem’ en de creatie van ‘East-Dutchia’. Het waarschuwingsbord in het centrum van de compositie – “Achtung! Sie verlassen jetzt West-Arnhem” – fungeert als een venijnige parodie op de teksten bij Checkpoint Charlie. Arnhem verschijnt hier als een laatste bastion, vlak voor het onbekende begint.

De compositie vertoont een gezonde vorm van horror vacui: geen millimeter blijft onbenut. Berekeningen – zoals de raadselachtige vermelding 19 times 105 – suggereren dat deze wereld rust op een fundament van strikte, haast wiskundige wetmatigheden, ver verwijderd van enige spirituele zweverigheid. Mocht dat inderdaad het geval zijn, dan heb ik er een geestverwant bij op dat zeldzame droge eiland in de woeste stroom van hedendaagse esoterie.

De kunstenaar speelt bovendien een geraffineerd spel met de begrippen ‘Dutch’ en ‘Deutsch’. Vlaggen versmelten, namen vervormen; het resultaat is een visuele identiteitscrisis waar zelfs de meest doorgewinterde douanier het spoor bijster van zou raken. Het geheel oogt als een poging om de chaos van de werkelijkheid te bezweren door haar te vangen in een rigide, bijna bureaucratisch systeem.

De vraag was of ik die middag toestemming zou krijgen om deze wereld te betreden, of al bij het eerste Allied Checkpoint zou worden teruggestuurd wegens een gebrek aan de juiste papieren. Vooralsnog leek het mij verstandiger om eerst in stilte te observeren.

Dat bleek geen probleem. Tobias noch zijn vader voelde de behoefte hun werk met een verkooppraatje te begeleiden. De vernissage trok bovendien voldoende publiek om eventuele toenaderingspogingen van mijn kant overbodig te maken. Opvallend was hoezeer de aanwezigen met elkaar bezig waren, en hoe weinig met het werk zelf, maar voor een opening schijnt dat gebruikelijk te zijn. Eén bezoeker probeerde het sociale gebeuren zo fanatiek vast te leggen dat zij, al achteruitlopend, een schilderij van de muur stootte.

Ik ontkwam overigens niet aan zelfkritiek. Tot mijn eigen ergernis stond ik al snel met een biertje in mijn hand; en daarna met een glas wijn. Alsof alcohol noodzakelijk was om Tebbes universum te doorgronden. Dat bleek allerminst het geval. De reeks waarin Nederland en Duitsland samensmelten tot een denkbeeldige staat is eerder een heldere, ironische geste dan een uiting van wat men gemakshalve een ‘spectrum’ noemt.

Tebbe hanteert een eigen, consequent doorgevoerde mythologie, zichtbaar in terugkerende symbolen en patronen. Van enig metafysisch gedweep is geen sprake; integendeel, het werk ademt een zekere nuchterheid. Driehoeken met een oog of cirkel, repetitieve structuren; ze geven het geheel een controlerende uitstraling die naadloos aansluit bij thema’s als grensbewaking en toezicht.

Het werk is doordrenkt van een fascinatie voor grenzen, paspoorten en identiteit. Dat valt gemakkelijk als obsessief te bestempelen. Hoewel Tebbe vaak onder Art Brut wordt geschaard, lijkt zijn oeuvre mij eerder een doordachte en complexe constructie van een parallel universum. De neiging tot volledige opvulling – het eerder genoemde horror vacui – is onmiskenbaar aanwezig, maar laat zich ook lezen als een vorm van systematiseren: een cognitieve strategie om de wereld te ordenen via schema’s, regels en structuren.

Moet dit per se worden weggezet als Art Brut? Mag het, afgezet tegen de waan van de tijd en de oppervlakkigheid van tijdgenoten, niet eenvoudigweg worden erkend als een indrukwekkende prestatie: het bouwen van een coherente, alternatieve werkelijkheid?

Wat er vervolgens gebeurde, leek mijn vermoeden te bevestigen dat het autisme-aspect wellicht wordt overbelicht. Terwijl ik daar stond te mijmeren, verscheen Tobias plotseling naast mij; opmerkelijk toegankelijk en bereid tot gesprek.

De vragen die ik had voorbereid, bleven echter steken in hun eigen lichtvoetigheid. Ik had hem willen vragen: “Meneer Tebbe, hoe streng is de visumcontrole tussen West-Arnhem en East-Dutchia?” Of, met betrekking tot de interne hiërarchie: “Welke functie bekleedt Leon Tebbelsévier binnen dit bestuur?” En ook: “Zijn uw grenzen gebaseerd op historische gegevens, of hanteert u een eigen cartografische logica?”

Het waren vragen met een speels karakter; misschien te speels voor het moment. Belangrijker was wat in de openingsrede al ter sprake was gekomen. Tobias vertelde met zichtbaar enthousiasme over de meridianen en breedtegraadcirkels die het dichtst langs zijn woonadres lopen, en over de opmerkelijke toevalligheden die zich langs die lijnen voordoen.

Iedereen bevindt zich immers binnen een raster van dergelijke lijnen. Wie ze volgt – op de kaart, welteverstaan – kan ontdekken hoe zij langs onverwachte plaatsen, gebeurtenissen en verbanden voeren. Die toevalligheden worden door Tebbe niet verheven tot mystiek of wereldwonder, maar nuchter geregistreerd en verwerkt in zijn werk.

Misschien is juist dat het meest intrigerende aspect van zijn universum: dat het, ondanks alles, weigert om zweverig te worden.

Van schaamteloos naar schaamrood

Op een demonstratie van hopeloze hofmakerij volgde een exposé van idiote inschikkelijkheid.

Wie had dat gedacht? In een verwoede poging de ‘lijnen open te houden’, mogen Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima logeren in het Witte Huis; een ‘eer’ die maar weinig buitenlandse staatshoofden te beurt valt. Premier Rob Jetten staat vierkant achter het plan, want, zo impliceerde hij met diplomatieke ernst, het is essentieel om in gesprek te blijven. Trump heeft ook al eens in Paleis Huis ten Bosch geslapen; volgens de diplomatieke etiquette kun je zo’n uitnodiging dan niet zomaar afslaan. Het is een kwestie van ‘geven en nemen’ (tit for tat); of in dit geval: ‘slapen en laten slapen’, waarbij Klaas Vaak kwistig zand in de ogen mag strooien.

De slijmerige smeermiddelen genaamd protocol, etiquette en loyaliteit zijn slechts verschillende tinten van eenzelfde kleur: het schaamteloos oranje.

Als republikein – en laat ik heel duidelijk zijn: we hebben het hier over de nobele leer van het antimonarchisme, niet over de Amerikaanse variant waar ik me met hand en tand tegen verzet – bekijk ik deze diplomatieke ongerijmdheden met afschuw. Het is een tragikomedie in optima forma: de Koninklijke familie, gevangen in een diplomatieke spagaat, genegen om de lijnen open te houden met een gek. Het is de ultieme paradox om openingen te willen creëren die inhoudloos blijven. In een staat zonder monarchie en een sterke regering zou een gezond gevoel van verlegenheid ontstaan met deze situatie.

Die zou zo’n karige knieval richting een ontspoorde autocraat onwenselijk achten en meteen een hotel boeken. Desnoods op onze kosten; als we daardoor op een normale manier met onze schaamte uit de voeten konden.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.