De post herpakt: van puin tot wederopbouw

Een vers voor als Arnhem was bevrijd.

Onno van Dorreland sr., de grootvader van de gelijknamige schrijver (waarvan Cum Suis enkele titels mocht publiceren), was een jonge postbode in Arnhem toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Die zwarte periode zou gedurende geruime tijd de officiële uitoefening van zijn beroep aan banden leggen. De man zat echter niet stil. Hoewel de omstandigheden zwaar waren, verkeerde hij in de kracht van zijn leven.

Blauwe pakken? Dat gaat eigenlijk niet op voor de PTT-medewerkers. De pakken waren in de winter zwart en van wol, in de zomer groen en van katoen, en hadden een dubbele knopenrij. De pet bezat een rode bies.

Wat men later over hem zou ontdekken — hoewel nooit met zekerheid — was dat hij in stilte bleef rondgaan, zelfs toen de officiële postbedeling vanaf half augustus 1944 vrijwel tot stilstand kwam. Niet in uniform, niet met zijn vertrouwde leren tas, maar met de vastberaden tred van iemand die zijn weg kende, en zijn eigen route liep. Hij bezorgde geen brieven meer van gemeentewege, maar zogenaamde ‘witte post’. Deze post werd ‘wit’ genoemd omdat het geen officiële zegels of stempels droeg. Het ging puur om menselijkheid en de behoefte aan contact en hulp in de meest wanhopige tijden. Van Dorreland was geen saboteur, geen spion, geen held. Wat hij precies deed, bleef onduidelijk, zoals dat hoort bij hen die niet worden herdacht.

Wat wel met zekerheid overbleef, waren zijn gedichten. Zijn kleinzoon trof die later aan, achter een loszittende plank op zolder. Eén daarvan droeg de datum 10 april 1945, dus dat gedicht scheen slechts enkele dagen voor de bevrijding van Arnhem te zijn voltooid. In half uitgeveegd potlood, op een afgescheurde reep behang, noteerde hij bovenstaand vers.

In vredestijd was Onno van Dorreland sr. een vertrouwd gezicht geweest in de wijk Klarendal en het verder zuidoostelijk gelegen Spijkerkwartier. Elke ochtend deed hij zijn ronde langs de molen, de statige- en de arbeiderswoningen, de winkels en de café’s. De kinderen groetten hem, oude dametjes gaven hem thee met een koekje, en soms las hij een brief voor aan iemand wiens ogen niet meer zo goed wilden.

PTT-medewerkers onderschepten systematisch verraadbrieven. Ze openden voorzichtig brieven die bestemd waren voor Duitse instanties. Als ze daarin informatie vonden die landgenoten in gevaar bracht (bijvoorbeeld door Joden of onderduikers te verraden), waarschuwden ze de potentiële slachtoffers persoonlijk of schriftelijk met een kort bericht als ‘Wees voorzichtig’. Deze acties hebben ongetwijfeld levens gered en tonen een staaltje van burgerlijk verzet binnen een cruciaal staatsbedrijf.

De oude drogisterij De Bode op nr. 24 werd helaas opgedoekt op last van de bezetter.

In de nacht van 10 april 1945, terwijl het kanongebulder steeds dichterbij kwam en de lucht trilde van naderend geweld, zag hij in de verte de contouren van Elst, gehuld in rook en vlammen. Arnhem was sinds de mislukte Slag om Arnhem in september 1944 – een gewaagde maar tragisch verlopen geallieerde operatie – in Duitse handen gebleven. Men had de vernielde stad grotendeels ontruimd en leefde al maanden in afwachting van een nieuwe bevrijdingspoging. Nu trokken Canadese troepen eindelijk op vanuit het zuiden, en Elst – zwaar getroffen en in brand – lag op hun route naar Arnhem. In die gespannen nacht, met de bevrijding in aantocht maar nog vol onzekerheid, schreef hij een gedicht dat opmerkelijk licht van toon was. Jaren later zou zijn kleinzoon het beschouwen als een van de mooiste die hij ooit van de hand van zijn opa had gelezen. De man overleefde de oorlog en ook de vrede, hoewel hij daarvan slechts zes jaar heeft kunnen genieten. Onno van Dorreland sr. leerde nog wel de liefde van zijn leven kennen, en kreeg ook een zoon en een dochter. Hij stierf helaas vroegtijdig en onverwacht.

De postbezorging ging in Arnhem – en in grote delen van Nederland – door tijdens de Tweede Wereldoorlog, zij het met aanzienlijke verstoringen en beperkingen.

Voor de Slag om Arnhem (tot september 1944):

  • Beperkt maar functionerend: Over het algemeen bleef de PTT functioneren onder Duitse bezetting. Dit betekende dat brieven en pakketten nog steeds werden bezorgd, hoewel er natuurlijk censuur was en de bezetter de infrastructuur kon gebruiken voor hun eigen doeleinden.
  • Joodse postbodes: Zoals eerder vermeld, was er bijvoorbeeld een Joodse postbode, Elias Schaap, actief in Arnhem. Hij is een voorbeeld van de vele PTT-medewerkers die probeerden hun werk te blijven doen onder moeilijke omstandigheden.
  • Verzetswerk: Zoals het feitje over verraadbrieven al aangaf, gebruikten sommige PTT-medewerkers hun positie om verzetswerk te doen. Dit toont aan dat er ondanks de bezetting nog steeds een basisstructuur was.

Tijdens en na de Slag om Arnhem (september 1944 en daarna):

  • Catastrofale onderbreking: De Slag om Arnhem (Operatie Market Garden) in september 1944 had een verwoestende impact op de stad en daarmee ook op de postbezorging. Arnhem werd zwaar beschadigd, en een groot deel van de bevolking werd geëvacueerd.
  • Stakingen en logistieke problemen: Na Operatie Market Garden gingen Nederlandse spoorwegpersoneel in staking voor de rest van de oorlog. Dit had ernstige gevolgen voor de postdienst, omdat treinen en postwagens niet meer beschikbaar waren voor regulier transport.
  • Beperkte en vertraagde post: De postdienst raakte hierdoor ernstig verstoord. Post kon extreem lang onderweg zijn, en veel zendingen kwamen nooit aan. Er zijn voorbeelden van brieven die pas maanden of zelfs na de oorlog werden bezorgd, soms zelfs nadat de ontvanger al was omgekomen.
  • Rode Kruis en andere organisaties: In de periode na de Slag om Arnhem en tijdens de Hongerwinter speelden het Rode Kruis en andere hulporganisaties een cruciale rol bij het verzenden van berichten en pakketten naar en van getroffen gebieden, vaak via speciale routes en met goedkeuring van de bezetter.

De postbezorging ging in zekere zin door, maar in Arnhem werd dit na september 1944 zo goed als onmogelijk en onregelmatig door de enorme vernietiging en evacuatie.

In de bezettingsjaren werd de Menno van Coehoornkazerne kazerne door de Duitsers gebruikt. Op de eerste dag van (17 september 1944) van de geallieerde operatie Market Garden, bombardeerde een groep Britse jachtbommenwerpers de drie Arnhemse kazernes; de Engelsen wilden zo veel mogelijk Duitsers uitschakelen als voorbereiding op de operatie. De Willemskazerne brandde geheel uit. De Saksen-Weimarkazerne en de Menno van Coehoornkazerne ontsnapten aan dit lot. Wel troffen enkele bommen bedoeld voor de Van Coehoornkazerne nabijgelegen woonhuizen. In de Sintjanskerkstraat kwamen Engelse bommen neer die eigenlijk bedoeld waren voor de toenmalige kazerne aan Klarendalseweg een paar honderd meter verderop. De misrekening van de Engelse vliegers veroorzaakte een flinke schade. Ook vielen er diverse dodelijke slachtoffers.

Tussen verliefd zijn of bevriend

Niet de melodie die ik in gedachten had, maar toch.

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Wie weet waartoe de liefde dient?
Wie weet voortdurend wat hij wil?

Als dan wat tederheid ontstaat
tussen van schuld doordrongen lijven.
Als ik je strikt platonisch streel
maar wij de liefde haast bedrijven.

Staart dan verliefd zijn of bevriend
niet door dezelfde roze bril?
Zeg me, verliefd zijn of bevriend,
wat is nog eigenlijk het verschil?

Al heb je… mijn liefde…verdiend,
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.

Tussen verliefd zijn of bevriend
heeft men de grenzen aangegeven.
Onze gevoelens, uitgekiend,
’t wordt allemaal precies omschreven.

Zo hou je van je man, zo van je hond,
we worden in ’t nauw gedreven.
Jij bent een homo, jij bent bie,
dus wil je daar dan ook naar leven?

Of wij verliefd zijn of bevriend
houd dat maar liever even stil.
Zeg me, verliefd zijn of bevriend,
wat is nog eigenlijk het verschil.

Al heb je… mijn liefde…verdiend,
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.

Met dat verliefd zijn of bevriend
voelden wij ons vaak verlegen.
Je werd gezien, je werd gescreend,
je had de hele wereld tegen.

Door dik en dun, wij met z’n twee,
je kon ons niet meer zomaar scheiden.
Wij vlogen op de wolken mee,
er kwam geen ander tussenbeiden.

Of je bevriend bent of verliefd,
daar staat een kind nog niet bij stil.
Tussen verliefd zijn of bevriend,
ligt heus geen wereld van verschil.

Al heb je… mijn liefde…verdiend,
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.

(Tekst: Ronald van Noorden)

De eerste strofe stelde mij meteen voor een probleem. In het begin had ik dit:

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Een simpel bed, onaangediend
vraagt het verlangen wat het wil.

Maar AI – die ik voor het vinden van een melodie gebruik – kon niet uit de weg met het woord ‘onaangediend’. Luister maar:

Toen verzon ik:

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Ik heb je lichaam niet verdiend
maar waar een weg is, is een wil.

Dat vond ik weer te lichamelijk. Bovendien komt het woord ‘verdiend’ ook al voor in het refrein.

Een speciaal probleem vormde het gebruik van het woord ‘gescreend’ in de zevende strofe. In een nederlandstalig lied, maakt de zanger daar ‘geskréénd’ van. Luister maar:

Dat probleem bleek snel te verhelpen door in de geprompte tekst ‘geskrient’ in te vullen.

Daarna ging ik alweer te moeilijk doen in die vermaledijde eerste strofe met een paar onmogelijke zinnen:

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Wij weten waartoe liefde dient
maar ook wat het verlangen wil.

‘Wij weten waartoe liefde dient’. Huh? Juist niet, dacht ik. En ook niet wat het verlangen of de begeerte wil. Die strofe werd dus ook geschrapt.

De rijdende en de wandelende tak van mijn familie

Een stap in elkaars richting door Polarsteps.

Er bestaan overeenkomsten tussen mijn zus en mij, maar de verschillen overheersen. Zo is zij een fervente reiziger en ben ik een minstens even enthousiaste thuisblijver. We delen genen maar geen gewoonten. Ja, erfelijk gezien zijn we ‘uitlopers’ aan dezelfde boom, maar wat onze economische omstandigheden betreft, vormt zij de bloeiende loot die exotische vruchten draagt, en werd ik, zo wilde mijn lot, een tamelijk onzichtbare tak in deze dendrologische metafoor. Je zou mij ook – om een bruggetje te slaan naar haar vakantie in Italië, waarvoor zij en haar man hun BMW i7 M70 van stal haalden – de wandelende tak van de familie kunnen noemen.

Mijn zus en ik vertegenwoordigen verschillende vervoersmiddelen: ik ben van de voetverplaatsingen (nooit verder dan de grens), zij bemant het vierwiel- en vliegsegment; veelal voor verre reizen. Zij voert die voornamelijk uit met haar man, havenbaron van een overzees bevrachtings- en expeditiebedrijf aan het Hollandschdiep in Moerdijk.

Hoewel mijn zus en ik op het gebied van levensstijl duidelijk elkaars tegenpolen zijn — zij de jetsetter, ik de huisfilosoof — is er geen spoor van kinnesinne tussen ons te bekennen. We vormen een harmonisch broeder-zusterpaar, al kruisen onze fysieke paden elkaar zelden. Misschien is het juist die geografische afstand die ons in staat stelt de band zo vlot en conflictvrij te houden. Zaten we vaker met elkaar aan tafel, dan zouden er mogelijk scheurtjes ontstaan in het gladgestreken familiecanvas; vooral wanneer het gesprek afglijdt naar politiek. Maar dankzij ons onderlinge instinct — of onze diplomatieke elegantie — slagen we erin zulke struikelblokken moeiteloos te vermijden. Dat doen we deels bewust, deels op de autopiloot, door keurig uit elkaars buurt te blijven.

Toch tonen we ons betrokken. Vlak voor haar vertrek vroeg mijn zus me bijvoorbeeld of ik het leuk zou vinden haar te volgen op Polarsteps.com, een digitaal reisdagboek waarin reizigers hun avonturen delen met foto’s, kaartjes en verslagen. Een soort Instagram, maar dan zonder selfies in de sportschool en mét kaartcoördinaten. Ze vertrekken voor een drieweekse wijnreis door Italië; een zorgvuldig uitgestippelde tocht langs wijngaarden, truffelmarkten en Michelinverleidingen. Zij en haar echtgenoot tuffen in hun glanzende bolide door het Italiaanse heuvelland, terwijl ik me in mijn monikkenmodus nestel achter m’n eeuwige beeldscherm en zo met hen meereis, waarbij ik af en toe een glas supermarktwijn voor mezelf inschenk en proost op hun belevenissen.

Ik heb me voorgenomen een geschikte, meelevende en bij vlagen zelfs geestige broer te zijn in mijn reacties op haar reisverslag. En eerlijk is eerlijk: tot nu toe stel ik mezelf — en, naar ik vermoed, ook de meelezende kring van medevolgers — niet teleur. Al moet ik oppassen dat ik niet te enthousiast raak. De verleiding is groot om haar wijnreis rijkelijk te voorzien van voetnoten, thematische zijsporen en semigeestige terzijdes.

Laten we wel wezen: het is natuurlijk háár voorstelling. Ik ben slechts toeschouwer, geen kleinkunstenaar. Ik houd het dus keurig binnen de perken: ik like, ik bewonder, ik informeer op vriendelijke toon naar Umbrische aangelegenheden en doe mijn bescheiden plasje over het in-vino-veritasfestijn. Geloof me, ik weet: het geheim van een goede familierelatie schuilt vaak in precies dát: interesse tonen, zijdelings contact houden, royaal zijn met ruimte, een licht ironische toon aanslaan. Hieronder kan de lezer oordelen of ik daarin ben geslaagd. Ik kies steeds maar één of een kleine selectie van de vele foto’s die per locatie door mijn zus worden ge-upload, en blur – uit discretie – de gezichten van haar en mijn zwager.

Zus: Dordrecht. En route!! Onze hond gaat altijd mee. Bijgeloof. Hij is al in veel landen geweest. We rijden naar Zwitserland. Hotelletje aan Vierwaldstättersee. Rit van ong 9 uur. Vanmorgen stond ik nog in de etensbak van onze kat Ralph te peuren om zijn schildklierpillen te verstoppen want hij at ze niet zoals gewoonlijk met een worstje. Pffffff LOSLATEN; even geen katten, geen kattenharen, geen allergiepillen (ach, ik hou van die beestjes).
Broer: Geniet van de reis, het uitzicht én het haarloze hondengezelschap. Hij kijkt nu nog wat droevig, maar ik ken dat gladde, onbehaarde type: zijn innerlijke berggeit zal bij Basel ontwaken.

Zus: Luzern. Voor ons niet direct een bestemming die je uitkiest om een paar dagen te verblijven. Laat het nou een super leuke en mooie stad zijn. Wij bezochten de Altstadt en gingen kaasfonduen (want ineens heel veel zin in zo’n lekkere vette borrelende gruyerepan). We rijden met volle buikjes terug naar ons hotel en gaan liggen. Morgen naar Italië.

Broer: Wat een gezelligheid, ook voor mij als digitale meekijker. Dit is, voor een verstokte thuisblijver als ik, de meest sfeervolle en effectieve manier van reizen: mijn knip blijft gesloten maar mijn mond valt open.

Zus: Onderweg. Zwitserland. We nemen de route over de Gotthardpas in plaats van de tunnel en dan krijg je dit moois. Het is hier boven de 7.5Cº. We vervolgen zo onze weg via Como naar Faenza.
Broer: Jullie initialen, vereeuwigd in een gletscherwand. Op de foto wel te verstaan. Helaas niet in de gletscher, want die trekt zich tegenwoordig terug met de snelheid van een smeltende ijsklont in een glas Franciacorta. Ik weet niets van wijn, dus dat van die Italiaanse bubbeltjes heb ik opgezocht. Bij nader inzien twijfel ik er aan of we hier naar een gletcher kijken. Boven de Gotthardpas? Correctie: het zal wel een aan de kant geveegde hoop sneeuw zijn. Maar goed, toch indrukwekkend. En ik leef mee.

Zus: Faenza. Casa Spadoni. We zijn er, na een best wel vermoeiende reis met veel verkeer, is het aankomen in een oase van rust en schoonheid. Deze oude zijdefabriek is omgetoverd tot een betoverend paradijsje. We worden omvergeblazen door al het fraais om ons heen. Deze agriturismo staat bekend om haar restaurant en boerderij, ergens verderop, waar de Mora Romagnola varkens genieten van hun leven in de vrije natuur. Het zijn bijna zwarte varkentjes met lange slagtanden en kleine oogjes. De hammen en worsten die van ze gemaakt worden schijnen heel bijzonder te zijn. We gaan ze vanavond proeven. Onze vakantie is nu echt begonnen. Dit prachtige, eerste onderkomen is heerlijk van temperatuur (26Cº).

Broer: Van bijna file naar fijne varkens, wat een reis! En dan landen in een voormalige zijdefabriek, dus dan weet je wel hoe zacht je vanavond slaapt. Het is voor mij als meeliftpassagier ook een hele leerzame reis. Die Mora Romagnola’s klinken als een motorclub maar blijken gewoon smakelijke zwijntjes met karakter. Ik kijk reikhalzend uit naar jullie culinaire verslag, want ze moeten wel een keer in de pan natuurlijk, die verwende haute-couture hamleveranciers met hun bio-bubbelleventje, hun jaloersmakende bergzichtbestaan en ondierlijke vrije-uitloopfilosofie. Eet smakelijk en truste voor straks.

Zus: Nou, daar lig ik dan, aan ‘t zwembad, om kwart voor 8. Dacht even wat baantjes te gaan trekken, maar IK BEN TE VROEG😂. Ze zijn het nog aan ‘t reinigen. Dan maar even zonnen, het is al warm. Jur ligt nog trouwens; onder de draperieën. We gaan na het ontbijt naar Ravenna, daar schijnt een prachtige Basiliek te zijn met de mooiste mozaïeken.

Broer: Met het zwijnenvlees nog heerlijk verterend in de maagjes, op weg naar mozaïek in de basiliek, zeg ik: let vooral op de steunberen! Die werden ruim duizend jaar later toegevoegd (bron: wikipedia). In het gewelf houden engelen het Lam Gods omhoog (bron: wikipedia). Neem vooral de gladde hond mee: dieren lijken toegestaan. Veel plezier vandaag.

Zus: Wij werden er stil van, ZO MOOI, die piepkleine mozaïektegeltjes, wat een werk. Van een afstand lijkt het geschilderd. Dit is de stad ook waar Dante heeft geleefd en is gestorven. We hebben alles gelopen en een ticket gekocht voor de hele reutemeteut. Je bent zoet voor een uurtje of drie. Goed te doen. Heerlijk geluncht.

Broer: Wauw, je zou er gelovig van worden. Of licht in het hoofd (wat, zoals wij weten, hetzelfde is).

Zus: Onderweg naar ons volgende adres, wijken we even van de route om Gubbio te bezichtigen, een vd mooiste dorpjes in Italie; middeleeuws, en ja, dat is bij meer mensen bekend. Hoe druk zal dat zijn in het hoogseizoen. We doen ‘t op z’n Japans: erin en eruit. Is echt mooi en ik stel me er allerlei middeleeuwse taferelen bij voor. Er loopt een riviertje door het dorp. Stel je voor, vroeger, alle viezigheid uit die huisjes in die rivier. We lunchen ergens in the middle of nowhere, tussen de locals. De eerste truffelgerechten zijn binnen. Wat eten die Italianen VEEL: primi, secondi. Wij hebben de helft van onze primi laten staan. Was lekker en helemaal niet duur, dat is ook wel eens leuk. Nu op weg naar La Ghirlanda. High expectations.

Broer: Goed bezig, jullie! Ik heb ooit een Italiaan gekend die zijn gangen achterstevoren at: quartari, tertiari, secondi, primi… lift-off! Daarna ging hij als een raket.

Zus: Ooit las ik een blog van een fotograaf. Ik had namelijk een camera gekregen van Jur. Ik ging dus beetje googelen naar fotografeertips. Op die blog plaatste hij een foto van een prachtige mansion in Italie. Ik werd er meteen verliefd op, MAAR waar bevond het zich en heette het? Dat moest ik dan maar zien te raden; jammer joh. Maar je begrijpt het misschien al: ergens tijdens mijn favoriete bezigheid – het zoeken naar mooie plekjes op deze aardbol – vond ik het. Daar was ie dan: La Ghirlande. Nou, daar MOEST ik heen en zo geschiedde.
Broer: Gevonden! Machtig mooi. Geweldig als je er wat geld tegenaan kunt kletteren. Dan zie je nog eens wat.

Zus: Gualdo Cattaneo. Vanochtend wandeling langs de wijnvelden en een prachtig wijnhuis bezocht, lunch in Montefalco, weer zo’n middeleeuws plaatsje met fresco’s in de kerk, moeder wat is ‘t verzengend heet. We gaan op de terugweg langs de super en slaan wat dingen in want vanavond eten we voor ons huisje overlooking de prachtige vallei. Het hotel is inmiddels fully booked want 2 juni is hier een feestdag dus lang weekend gasten. Naast ons, aan ons vast zit nog een kamer, niet wetende dat het verhuurd is hoorden we een zeer klagelijk gejank, als van een hond. Ik op zoek naar Claudia, een Spaans temperamentvol meisje die ons gisteren ontving en ook de enige die Engels spreekt. Claidia niet te vinden, dan maar de keuken in, met handen, voeten en geluiden mijn verhaal gedaan want wat nou als daar een dier opgesloten zit, misschien bij het schoonmaken naar binnen geglipt. Uiteindelijk duidelijk geworden dat het een hondje is van een jong stel wat aan ‘t zwembad ligt pffffff ook weer opgelost.
Broer:
Marjan (in steenkolen-Italiaans maar met Italiaans temperament): “Scusi! Cane! Dentro! Awoe awoe! Nessuno! Porta chiusa! Forse… pulizia? Aiuto!”
Italiaanse Chef Jolly (allroundchef met noordelijke rust, in droog Brits accent): “Blimey, no need for a panic, love. It’s just the young couple’s mutt. Gets all dramatic the moment they’re out of sight. Little bugger thinks he’s been abandoned by the Queen herself.”

Zus: Spoleto, prachtig!! Je parkeert je auto, neemt 7 roltrappen en begint je wandeling op het hoogste punt, hier vandaan uitzicht op het aquaduct, dan wandel je naar beneden via prachtige oude pleinen en gebouwen, schattige straatjes, heel mooi allemaal. We lunchen buiten de stad want na zo’n stad willen wij groen om ons heen, stilte en local cuisine dus gegoogeld en gelukkig schot in de roos: heerlijke risotto met blauwe bessen en Italiaanse rookkaas, daarna een lekkere vette tiramisu met veel mascarpone. Jongens, WAT een heerlijk land.
Broer: De geest van Paul Valéry leeft voort (“Il faut toujours redescendre.”). Eerst met zeven roltrappen naar boven, dan alleen maar dalen, en eindigen in een risottoverrukking. Pure decadentie, pure poëzie. Italië zoals het bedoeld is: zonder zweet, mét mascarpone. Voor wie vindt dat klimmen het uitzicht bederft, oftewel: voor de fijnproever die het hemelse zoekt met machinaal gemak, en het aardse viert met de beste wijnen. Wat een land inderdaad! Ik geloof trouwens dat wat Valéry zei, filosofisch bedoeld was; als metafoor voor het leven of het creatieve proces. Maar er is een fraaie karikatuur uit ontstaan van lieden die graag van de schoonheid van de bergen genieten, maar het fysieke afzien van de klim vermijden. Enfin, ik wijk alweer uit. Dit is natuurlijk jullie podium, niet het mijne. Vergeef me: ik ben slechts een losgeraakt brokstuk dat iets te luidruchtig de helling afrolt, op weg naar een dalbeekje. In de diepte van het ravijn, waar ik thuishoor, wacht voor mij pas verkoeling.

Zus: Gualdo Cattaneo. Vandaag, 2 juni, is een nationale feestdag in Italie, we gaan naar Assisi, tenminste dat was het plan maar beetje dom plan want EN nationale feestdag EN super aantrekkelijke plaats waar iedereen heen wil. Politie leidt je om naar parkeerplaats buitenaf waar bussen klaarstaan: dat doen we dus niet. Change of plans; het wordt Bevagna, ik heb hier iets over gelezen. Bevagna leuk en weer zeer oud, maakt eigenlijk niet uit waar je heen gaat hier in Umbrie, het is allemaal prachtig. Nog niet zo overloaded als Toscane. Wij hadden weer fantastische lunch boven op een berg. Nu terug in onze mansion want bloedheet, dus met boek bij het zwembad onder de olijfboom.

Broer: Dagboekaantekening, 2 juni: ‘We lieten de bewonderaars van Franciscus in de file staan en werden door de stilte van Bevagna bevangen. Soms leidt een omleiding tot een openbaring. We zochten het goddelijke in Assisi, maar vonden de genade in Bevagna, alwaar de eerder genoemde heilige F. van Assisi tegen vogels stond te prediken.’
Zus: Een mooiere beschrijving kan IK niet geven Ron; we boffen toch maar dat je ‘meereist’.

Zus: Even een moment van diep besef hoe heerlijk we het hebben; dat we samen heppiedepeppie zijn en dat we van dit wonderschone deel van Italie met haar fantastische cultuur en indrukwekkende geschiedenis mogen genieten. En dan ook nog op deze manier. Thuis zijn onze heerlijke kinderen met wie het zo lekker gaat. Dit allemaal bij elkaar; ik ben een gezegend mens.

Zus: Assisi is een bedevaartsoord en de geboorteplaats van Franciscus van Assisi. Wij waren zeer onder de indruk. Weet niet wat dit kan overtreffen. Heet wel: 30Cº. En je klimt je een ongeluk. We laten de komende dagen de oude stenen maar even voor wat ze zijn. ‘For now’ ietwat verzadigd op dit gebied. Het wordt tijd voor wat wijnproeverijen 🍷. Back to the homebase; we trekken ons weer terug aan het zwembad waar niemand is (en dat is maar goed ook want ik ruil vandaag mijn badpak in voor een bikini). Nog even een voetnoot: bedankt Truus voor de goede zorg voor Ralph want dat was weer even een dingetje. Nu kan ik echt volledig genieten ❤️

Broer: Die Franciscus was een sobere knakker. Dat iemand zich wil bekeren tot een leven van armoede en zich daartoe terugtrekt tot de eenzaamheid van een kluizenaar, komt enigszins logisch op mij over. Maar om je vervolgens aan de melaatsen te gaan wijden? Kijk nou toch uit jongen, je was al zo ziek op je twintigste! Nou goed, je wordt natuurlijk niet zomaar de eerste der Franciscanen (vergeleken daarmee had de laatste der Mohicanen het makkelijker). Zijn geschiedenis vormt een prachtig contrapunt met jullie escapades. Ik zou zijn voorbeeld vooral niet volgen. Morgen wacht er wijn, en zo moet het zijn.

Zus: Vin Santo. Vandaag staat in het teken van wijn proeven. Vroeg op want de eerste wijngaard ligt een uur van ons vandaan in Toscane. Jur had thuis al de meest interessante opgezocht. Super tour, compleet met proeverij, en ook wijn gekocht. Daarna naar een wijndomein waar we 3 of 4 jaar geleden ook waren. Ik wist nog waar, want ik heb daar de heerlijkste dessertwijn ever geproefd: VIN SANTO! Je kunt mijn bad ermee vullen en ik drink ‘t langzaam leeg. Wij lunchen er en drinken nog meer wijn. Jur kent mij natuurlijk al 37 jaar; voor mij geen juwelen. Na het betalen komt ie aan met een schattig kistje met twee lieflijke flesjes Vin Santo. Mijn dag kan niet meer stuk.
Broer: Wonderlijk eigenlijk, dat die cypressen er zo slank bij blijven, en zo dapper rechtop blijven staan, tussen al die wijnranken.


Zus: Vandaag, onze laatste dag in Umbrie, gaan we naar Orvieto. Uurtje rijden. Daar is ook weer een wijnhuis en sowieso gaan we de stad zien want het schijnt er prachtig te zijn. En inderdaad, die DUOMO!! We kijken weer onze ogen uit. Dan speelt ineens uit het niets de organist Toccata con Fuga van Bach. Mooier wordt ‘t niet. We laten het hierbij, eten een broodje en gaan naar het wijnhuis Castella della Sala; in een kasteel dus. We kopen wat wijn die thuis nog wat liggen kan (meestal lukt dat bij ons niet) en sluiten maar weer af bij het zwembad. Jur zal waarschijnlijk met de Engelsman, die ook in het hotel verblijft, gaan kletsen over wijn. We kregen tot nu toe heel veel tips van hem. Hij is een fanatieke collector, is overal geweest, heeft thuis een kelder vol met ZOVEEL wijn dat ie die in zijn leven niet meer opkrijgt. Wij moeten nog steeds een wijnkast gaan uitzoeken.
Broer: Scan ik die streepjescode, begint er een Fuga te toccelen.

Zus: Loreto op een mooie pinksterdag. Bij toeval deze basiliek ontdekt. Blijkt 1 van de 3 meest belangrijke in heel Italië te zijn. Gelovigen uit de hele wereld trekken hiernaar toe. Vanochtend pakten we de auto om een rustig strandje op te zoeken. Dat lukte niet door een aaneenschakeling van Italianen die op hun vrije dag op weg waren naar hun favoriete strandlido’s. AFSCHUWELIJK en absoluut een no go. De enige plek waar het wat rustig was, bleek een ‘hondenstrand’ maar omdat we geen eten bij ons hadden, zijn we doorgereden. Weg van de kust, en toen dus Loreto aangedaan, dat op een steenworp afstand ligt van het massatoerisme. Ongelooflijk, zo mooi! We hebben besloten om net als gisteren te gaan lunchen bij Il Ritorno (simpele maar heerlijke pan op tafel, prima karaf huiswijn). Voor vanavond hebben we brood en beleg gekocht. Straks zijgen we neer ‘by the pool’; best wel blij om wat vroeger terug te zijn.

Broer: Als ik moest kiezen tussen een plebejeruittocht, een playaroedel of een papenritueel, zou ik de lido’s en het hondenstrand ook achter me laten, het basiliekje meepikken, en daarna vliegensvlug naar die heerlijke pan met voedsel Ritorneren.

Zus: Sirolo. Vandaag met de shuttlebus van het hotel naar een fraai strand. Dit is vele malen aangenamer omdat het busje veel verder naar beneden rijdt dan wij met onze auto kunnen doen. Toch alsnog een flinke afdaling, maar goed, prachtige baai. Onze eerste dag zonder bezichtigingen, helemaal gewijd aan zwemmen, zonnen en lezen. We lunchen boven het strand dus weer klimmen en dan weer terug. Pan met tagliatelle en seafood. Mijn 4e Tiramisu deze vakantie en deze is ECHT de beste, precies de juiste verhoudingen. Ik ben er gek op en ik MOET en zal nog ijs eten ook, maar dat doe ik in Toscane, daar gaan we overmorgen heen. Morgen boottrip langs de Conero kust, naar strandjes waar je met de auto niet kunt komen. Waarschijnlijk snorkelen. Wel heel vroeg op want boot vertrekt om 09.30 vanuit Numana; half uur van tevoren aanwezig, half uurtje rijden, tsjonge jonge, maar wel een must want deze kuststrook is bjoetifoel. Eerlijk gezegd is La Marche, in tegenstelling tot Umbrië, een deel van Italie waar we niet verliefd op zijn geworden. Dus dit is een eenmalige ervaring!

Broer: Is genoteerd.
Resumerend (op grond van enkele proefondervindelijke constateringen tot nu toe):
1. La plache: eenmalig (vooral vanwege de vele plebejers met hun platitudes in strandpaviljoenen).
2. Diepliggende, met de eigen bolide onbereikbare, baaien: eenmalig (mits met shuttlebus door hoteleigenaar gebracht).
3. Tiramisu: te onweerstaanbaar dus continuerend (mits bikini definitief in de koffer in de kofferbak achter slot en grendel blijft).
4. Bezienswaardigheden: valt te bezien (zijn er hoogteverschillen? is er een liftje? Oordeel wordt per geval geveld; steen kan je gaan opbreken maar bordkarton is ook weer niet de bedoeling).
5. Wijnproeverijen: behoeft geen betoog (het doel van de reis mag niet uit het oog worden verloren, zelfs niet als we dubbel zien).
6. Wijn bij de maaltijd: onuitputtelijk (laat maar komen, laat maar stromen; wij zijn tenslotte doorleefde oenologen cq. smaakbewuste sommeliers).
7. Umbrië: behoeft geen betoog (de naam spreekt boekdelen: komt van het Latijnse ‘umbra’, wat ‘schaduw’ of ‘luwte’ betekent, hoewel anderen beweren dat de naam ‘Umbria’ te maken heeft met ‘het samenkomen van vissen in de paartijd om eieren te leggen’, waar ook niets mis mee is).
8. Boottochten: dit oordeel is nog hangende (of liever: dobberend. Aan de kade van Numana; zie morgen).

Zus: Met een volle boot naar spaggia di Due Sorelli. Tijdens de tocht daarheen geeft de intens gebronsde kapitein uitleg over ????, wij verstaan er HELEMAAL niets van; thuis maar taalcursus doen. Strand is mooi, wij zijn qua rotsformaties in de Algarve zeer verwend, dus die twee zusjes, mwah, wel mooi die witte gesteenten, het maakt de zee superblauw en onze lifeguard kleurt er ook prachtig bij 😵‍💫. Eenmaal terug maken we nog een wandeling door Sirolo en lunchen we wederom bij Il Ritorno, deze keer neem ik als dolce de Semifreddo di Mandorle, het beeld van de lifeguard snel verdringend.
Broer: ‘Il Ritorno’ doet z’n naam echt eer aan (tot zover mijn kennis van het Italiaans). Zaten jullie op de SIMBA of de CALIPSO en ging die BIMBO met die letters op haar BIBSA ook mee? (Doe mij dan maar een Moltofreddo).

Zus: Enoteca Tognoni wordt vermeld in iedere blog over Bolgheri. Het plaatsje is piepklein maar oh zo schattig. We zijn vroeg en reserveren een tafel in de Enoteca. We hebben daar de mogelijkheid om mooie wijnen te proeven per glas (je kiest uit 5 en 10 cl). We hebben nog wat tijd en rijden naar een wijnhuis in de buurt, een beroemde ook, en daar doen we een bescheiden proeverijtje. We zijn blij nu eindelijk in HET wijngebied van Italie te zijn. De natuur is overweldigend mooi hier. Weg van die naaldbomen, is het klimaat hier anders; je ziet al best wat grote trossen. Terug in Bolgheri proeven we de duurdere wijnen want ‘why nut’. Tenslotte houden we van een stevige. Op de rondjes onder aan het glas staat naam en prijs van een fles. Wij vinden de wijnen lekker maar worden niet omvergeblazen. Die Sassicaia (meest beroemde wijn hier)? MWAH. We hadden flink op onze wijnapp gezocht en komen erachter dat we net zo goed naar Boonstoppel in Dordt kunnen gaan. MAAR toch een leuke ervaring!
Broer: Nondeju. Wat heerlijk als je de middelen hebt om je hier aan over te geven zonder wakker te liggen van de prijzen. Ik besef weer eens dat ik een enorme krent ben, ontstaan uit een slecht gerijpte, zure druif. Als de wijn me niet omver zou blazen, dan wel de rekening. Wat fijn dat jullie daar zo ontspannen mee omgaan. Jullie hebben elkaar echt gevonden; een gouden combi!

Tot zover deze vergaande vorm van meebeleven. Ik herinner mij Italië als vakantieland voornamelijk vanuit het perspectief van een puber op de achterbank van een vierkante Fiat met roestplekken (waarvoor ik mij schaamde, zoals voor alles op die leeftijd). Mijn ouders moesten zonodig die kant op en ik werd te onvolwassen geacht om thuis te mogen blijven. Het werd een hectische ervaring vol…Italianen.

Andermans pelgrimages werkten op mij zelden aanstekelijk, maar van deze Polarstepspresentatie stond ik paf; waarschijnlijk omdat ik passief – want vanaf mijn vaste thuispost – kon participeren. Ook het schematische kaartje dat de BMW-verplaatsingen bijhield werkte aanlokkelijk. Meebeleven dekt de lading niet; het voelt alsof ik een reis heb geadopteerd. Voor het eerst begrijp ik iets van de onblusbare behoefte aan buitenlandse belevenissen. Dit was een prachtig avontuur.

Ik hoef voorlopig niet meer op vakantie.

Milieufilosofie

Een discipline die de aarde centraal stelt (en soms uit het zicht verliest).

The GreenXtreme – Hoofdstuk 3

Ergens halverwege de twintigste eeuw begon het te dagen: de ecologische crisis was niet slechts een kwestie van wetenschappelijke modellen of beleidsmaatregelen, maar een existentieel vraagstuk. Een moreel appel, een cultureel trauma, een beschavingskwestie. Het ging niet langer alleen om wat we konden doen, maar om wie we waren, als soort, als samenleving, als bewoners van een kwetsbare planeet. Zo ontstond de milieufilosofie: een tak van de wijsbegeerte die het menselijk denken opnieuw wilde wortelen in de aarde.

Milieufilosofie vormt een denkdiscipline in de schaduw van de catastrofe. Tussen activisme en abstractie, tussen ecosysteem en empathie, groeit een filosofie die niet langer slechts vraagt wat de mens moet doen, maar wat de mens is, wanneer hij luistert naar de aarde. Met Haraway, Latour en anderen treedt de milieufilosofie buiten haar oorspronkelijke kaders. Zij wordt een veelstemmige, interdisciplinaire praktijk waarin de aarde niet alleen onderwerp is van denken, maar mededenker, actor, participant. De filosofie die zich opnieuw met de aarde verbindt, moet niet alleen de wereld begrijpen, maar ook zichzelf heruitvinden.

Aanvankelijk stond dit nieuwe veld nog in de schaduw van de klassieke ethiek en politieke theorie. Milieufilosofen vroegen zich af of bomen rechten konden hebben, of rivieren belangen, of soorten intrinsieke waarde. Zulke vragen waren ongewoon, lastig te beantwoorden en, voor sommigen, onuitstaanbaar abstract. Niet zelden raakte de milieufilosofie verstrikt in een taalveld vol academisch jargon, metafysische spitsvondigheden en morele subtiliteiten, mijlenver verwijderd van het smeltende poolijs, de uitdijende woestijnen en de op hol geslagen klimaatmodellen waarmee activisten, burgers en beleidsmakers dagelijks werden geconfronteerd.

Dit filosofische isolement maakte dat de milieufilosofie — ondanks haar diepe urgentie — lange tijd het karakter van een nichecultuur hield. Een bezigheid voor vakgenoten in conferentiezaaltjes, eerder dan een bron van inspiratie voor concrete verandering. Toch vonden sommigen binnen dit veld wél manieren om de kloof tussen denken en handelen te overbruggen en om een taal te vinden waarin de aarde zelf weer kon spreken. In dit hoofdstuk volg ik die ontwikkeling: van het eerste, schuchtere gefluister over ‘intrinsieke waarde van de natuur’ tot het radicalere denken van ecocentristen, deep ecologists en ecofeministen, die probeerden om mens en wereld niet langer als tegengestelden, maar als verweven werkelijkheden te denken.

We zullen kennismaken met pioniers zoals Arne Naess, Holmes Rolston III, Val Plumwood en anderen, wier denken — hoe verschillend ook — getuigt van één gedeelde overtuiging: dat de ecologische crisis vraagt om een omwenteling in het denken zelf. Daarmee betreden we een filosofisch landschap waarin ethiek, identiteit en ecologie steeds inniger verstrengeld raken.

Van diepe ecologie tot ecofeminisme

Een van de eerste stemmen die werkelijk resoneerde in het pas gevormde veld van de milieufilosofie was die van de Noorse filosoof Arne Naess (1912–2009), grondlegger van de zogeheten diepe ecologie (deep ecology). Waar veel milieudenken bleef steken in utilitaire overwegingen — hoe kunnen we de natuur behouden omdat we haar nodig hebben? — pleitte Naess voor een radicaal andere houding. Hij introduceerde het idee van het ecologische zelf: een zelf dat niet ophoudt bij de huid, maar zich uitstrekt tot ecosystemen, bergen, rivieren. Voor Naess was ecologische verantwoordelijkheid geen plicht jegens iets externs, maar een uiting van zelfzorg in de breedste zin.

“Het zelf wordt verruimd en verdiept tot het zich identificeert met alle levende wezens. Zorg voor de natuur is dan geen altruïsme, maar een vorm van verlicht eigenbelang.”
— Arne Naess, Ecology, Community and Lifestyle (1989)

Naess’ denken vond navolging, maar ook kritiek. Sommigen verweten de diepe ecologie een abstract, universeel mensbeeld waarin de sociale verhoudingen uitgewist werden. Hier treedt Holmes Rolston III (geb. 1932) naar voren, een Amerikaanse denker die juist sterk hamert op de unieke waarde van soorten, ecosystemen en evolutie als morele bron. Zijn pleidooi voor een earth ethics bepleitte een moreel kader waarin natuurlijke processen intrinsiek betekenisvol zijn, onafhankelijk van menselijk nut.

“De natuur heeft niet alleen een geschiedenis, zij ís geschiedenis. En die geschiedenis verdient respect.”
— Holmes Rolston III, Environmental Ethics (1988)

Een geheel andere, maar even fundamentele wending in de milieufilosofie kwam uit feministische hoek. Denkers als Val Plumwood (1939–2008) toonden aan hoe de westerse traditie de natuur eeuwenlang had onderworpen en hoe dat parallel liep met de onderdrukking van vrouwen, inheemse volken en ‘de ander’. In haar werk bekritiseert Plumwood het dualistische denken dat mens tegenover natuur plaatst, subject tegenover object, rede tegenover lichaam.

“De natuur werd gezien als het vrouwelijke andere: passief, exploiteerbaar, zwijgend. Het is tijd om die stilte te doorbreken.”
— Val Plumwood, Feminism and the Mastery of Nature (1993)

Ecofeministen boden meer dan kritiek. Ze boden ook nieuwe modellen van denken, geworteld in zorg, relatie, en wederkerigheid. Hun bijdrage aan de milieufilosofie is niet alleen politiek, maar epistemologisch: zij vragen hoe we weten, wie er mag spreken, en welke stemmen — ook die van bomen, wolven of getijdenstromen — systematisch uitgesloten blijven.

Een korte uitbreiding op het voorgaande:

Hoewel Naess vaak als de vader van de diepe ecologie wordt beschouwd, ontstond er al snel een bredere familie van denkers die zich met soortgelijke thema’s bezighielden. In de jaren zeventig en tachtig nam het aantal filosofische stemmen dat de natuur niet langer beschouwde als decorstuk of hulpbron, maar als moreel referentiepunt, gestaag toe. Velen baseerden zich op ecologische wetenschap, maar gaven daar een existentieel, soms spiritueel accent aan, zonder noodzakelijkerwijs religieus te worden.

Zo ontwikkelde de Amerikaanse filosoof J. Baird Callicott een variant van milieufilosofie die voortbouwde op de ideeën van de ecoloog Aldo Leopold, met name diens land ethic. In plaats van enkel morele relaties tussen mensen te overwegen, pleitte Leopold (en Callicott in zijn spoor) voor een ethiek waarin ook land, water, planten en dieren als leden van een morele gemeenschap werden beschouwd. De natuur is niet langer object, maar gemeenschap; niet iets buiten ons, maar iets waar wij als burgers deel van uitmaken.

“Een ding is juist wanneer het de integriteit, stabiliteit en schoonheid van de biotische gemeenschap bevordert. Het is verkeerd wanneer het dat niet doet.”
— Aldo Leopold, A Sand County Almanac (1949)

Maar ook deze benadering riep vragen op. Is het voldoende om ‘de natuur’ als collectief moreel subject te zien, of verdwijnt daarmee juist het concrete lijden van individuen — mens én dier — naar de achtergrond? Sommige dierenethici, zoals Tom Regan en Peter Singer, zagen in het ecocentrisme een onwenselijke verschuiving van aandacht: waar bleef het individu in deze holistische ethiek? Kan men een ecosysteem redden door individuele dieren te doden, zoals ecobeheer soms voorschrijft in de strijd tegen invasieve soorten of overpopulatie? De spanningen tussen milieufilosofie en dierenethiek zijn nooit helemaal verdwenen en markeren een blijvend debat over schaal, waarde en verantwoordelijkheid.

Tegelijkertijd bleven ecofeministen wijzen op de politieke dimensies van milieudenken. Karen Warren, Carolyn Merchant en Greta Gaard breidden het ecofeministisch denken verder uit en verbonden de ecologische crisis aan kapitalistische exploitatie, koloniale geschiedenis en patriarchale cultuurpatronen. Merchant, historica van de wetenschap, liet in The Death of Nature (1980) zien hoe de mechanisering van het wereldbeeld in de zeventiende eeuw gepaard ging met een veranderende houding ten opzichte van de natuur: waar de aarde voorheen als een voedende moeder werd gezien, werd zij nu benaderd als een inert mechaniek (te onderwerpen, te ontleden, te controleren).

“Wanneer de natuur haar ziel verliest, verliest de mens zijn maat.”
— Carolyn Merchant, The Death of Nature (1980)

Ecofeminisme werd daarmee niet alleen een kritiek op traditionele milieufilosofie, maar een uitnodiging tot verbreding: aandacht voor stemmen die uitgesloten bleven, voor contexten waarin destructie geen abstract probleem is, maar dagelijkse realiteit. Het verbond de zorg voor de aarde met sociale rechtvaardigheid, en het denken met het lichaam, de taal van de aarde met die van de gemeenschap.

Sommige ecofeministen trokken dit nog verder door met het concept situated knowledges*, een idee dat later krachtig werd uitgewerkt door Donna Haraway, op wie we in het volgende deel terugkomen. Wat telt als kennis, zo luidde hun vraag, en wie bepaalt dat? De klassieke, neutrale, afstandelijke blik van de wetenschapper of filosoof werd hiermee verdacht: misschien is het juist de betrokken, belichaamde, lokale blik die het meest recht doet aan de complexiteit van ecologische relaties.
(*‘Situated knowledges’ verwijst naar het idee dat alle kennis gevormd wordt vanuit een specifiek standpunt; belichaamd, gesitueerd, en nooit volledig objectief. Juist door deze situering kan kennis recht doen aan de complexiteit van de werkelijkheid.)

Van ecofeminisme naar posthumanisme en new materialism

De roep om situated knowledges, belichaamde perspectieven en relationele vormen van weten, kreeg vanaf de jaren negentig een krachtige uitwerking in het werk van Donna Haraway. Haar beroemde essay A Cyborg Manifesto (1985) en latere werken zoals Staying with the Trouble (2016) stelden niet alleen vragen over gender en technologie, maar ook over de manier waarop mensen, dieren, machines en ecosystemen met elkaar verweven zijn. Haraway pleitte voor een denken in netwerken van symbiose, wederzijdse afhankelijkheid en ‘making kin’, nieuwe verwantschappen tussen soorten en systemen.

“We moeten andere verwanten maken als we willen overleven. Verwantschap is geen bloedband, maar een kwestie van keuze en zorg.”
— Donna Haraway, Staying with the Trouble (2016)

In haar denken wordt milieufilosofie een kwestie van meervoudige verbondenheid: met dieren, machines, verhalen en het onbekende.

Ook Bruno Latour (1947–2022), socioloog en filosoof van de wetenschap, droeg bij aan een radicaal andere visie op de rol van natuur in het denken. In plaats van natuur en cultuur als gescheiden domeinen te behandelen, sprak Latour over hybride actoren, waarin mensen, dingen, technologieën en organismen gezamenlijk handelen. Zijn werk (We Have Never Been Modern, Facing Gaia) benadrukt dat het moderne wereldbeeld — waarin de mens als enige actor boven of buiten de natuur staat — nooit echt gewerkt heeft.

“De aarde is niet ons decor. Ze is een actor die terugspreekt.”
— Bruno Latour, Facing Gaia (2015)

Latour’s werk breekt definitief met het idee van een passieve natuur en luidt een tijdperk in waarin niet-menselijke actoren deel gaan uitmaken van het morele en politieke denken.

Binnen het posthumanisme wordt deze kritiek op het antropocentrisme nog verder uitgediept. Posthumanisten stellen niet alleen de mens als maat aller dingen ter discussie, maar ook het idee van een autonome, rationele, afgescheiden mens. Ze denken in termen van netwerken, assemblages, ecologieën van interactie. De grens tussen mens en niet-mens — of tussen leven en niet-leven — wordt poreus. Een belangrijke stem hier is die van Rosi Braidotti, die pleit voor een affirmatief posthumanisme: een denken waarin menselijke beperkingen worden erkend én waarin nieuwe mogelijkheden van solidariteit tussen soorten ontstaan.

Verwant hieraan is de opkomst van het new materialism, een stroming waarin materie zelf als actief, betekenisvol en veranderlijk wordt opgevat. Denkers als Jane Bennett (Vibrant Matter) onderzoeken hoe dingen — van plastic tot stroomdraden, van rivieren tot virussen — een zekere vitaliteit en agency bezitten. Deze stroming sluit aan bij ecologische vragen, maar verbindt die met inzichten uit wetenschapstheorie, feminisme en politieke filosofie.

Een bijzonder invloedrijke, eigentijdse denker in deze context is Timothy Morton, die het begrip hyperobject introduceerde: entiteiten zoals klimaatverandering, nucleair afval of de biosfeer, die zo grootschalig, diffuus en langdurig zijn dat ze ons gewone begrip overstijgen. Voor Morton vraagt ecologisch denken om een esthetische en existentiële heroriëntatie. Zijn dark ecology biedt geen geruststelling, maar een confrontatie met het onvermijdelijke verweven-zijn van alle leven, inclusief het destructieve.

“We zijn niet in de natuur; we zijn natuur. En dat is misschien wel onze grootste angst.”
— Timothy Morton, Dark Ecology (2016)

Wat al deze denkers verbindt, is hun weigering om de mens als middelpunt van betekenis te behouden. In plaats daarvan richten ze de aandacht op relaties, verwevenheden en het besef dat denken zelf slechts één vorm van respons is, ingebed in lichamen, landschappen, en technologische netwerken. De milieufilosofie wordt hier geen poging om over de natuur te spreken, maar om mét haar te denken.

Nog even over Bruno Latour

De Franse socioloog en filosoof Bruno Latour (1947–2022) speelde een sleutelrol in het verbreden van het milieufilosofisch denken. Bekend van zijn werk over wetenschapspraktijken en zijn ontwikkeling van de actor-netwerktheorie (ANT), keerde Latour zich tegen de klassieke moderniteit en haar harde scheiding tussen natuur en cultuur. In zijn invloedrijke boek We Have Never Been Modern (1991) stelde hij dat deze scheiding een fictie is: een mythe die wetenschap presenteert als objectief en los van sociale praktijken, en politiek als puur menselijk domein. In werkelijkheid, betoogde hij, zijn natuur en samenleving altijd al verstrengeld geweest.

“We hebben nooit in een zuiver moderne wereld geleefd. Onze wereld is altijd samengesteld geweest uit hybriden, netwerken van mensen en niet-mensen.”
Bruno Latour, We Have Never Been Modern (1991)

Latour stelde voor om niet alleen mensen als handelende wezens (actoren) te beschouwen, maar ook niet-mensen: machines, virussen, bossen, satellieten. In zijn actor-netwerktheorie zijn deze entiteiten deel van dynamische netwerken waarin allianties worden gevormd en werkelijkheden gezamenlijk worden geproduceerd. Wetenschap is in dat licht geen neutrale ontdekking van een voorgegeven waarheid, maar een proces van co-productie waarin zowel menselijke als niet-menselijke actoren een rol spelen. De natuur is daarbij geen decor, maar medespeler.

In zijn latere werk — met name Facing Gaia (2015) en Down to Earth (2017) — verbond Latour zijn inzichten explicieter met ecologische vraagstukken. Hij zag de klimaatcrisis niet alleen als een milieuprobleem, maar als een crisis van de moderniteit zelf: een ineenstorting van de categorieën waarmee we dachten de wereld te begrijpen. De aarde is daarin niet langer een passief object, maar een actor die ons confronteert en antwoord eist.

“De aarde is niet langer het stabiele podium van ons handelen, maar een speler die het toneel meebepaalt.”
Bruno Latour, Facing Gaia (2015)

Latour pleitte voor een terrestrische politiek: een manier van denken en handelen die uitgaat van plaatsgebondenheid, onderlinge afhankelijkheid en gedeelde kwetsbaarheid. In plaats van de aarde als levenloos decor te beschouwen, riep hij op om onszelf opnieuw te positioneren: niet als heersers, maar als aardbewoners temidden van andere aardbewoners.

Zijn bijdrage aan de milieufilosofie is daarmee niet primair ethisch of spiritueel, maar epistemologisch en politiek: ze raakt aan vragen over agency, verantwoordelijkheid en gemeenschap in een wereld waarin alles met alles verbonden is. Latours denken vormt een brug tussen wetenschapssociologie, ecologie en posthumanistisch denken, en dwingt ons het begrip ‘natuur’ fundamenteel te herzien.

“Het verschil tussen natuur en samenleving is geen gegeven, maar een verdeling die we telkens opnieuw maken en moeten herzien.”
Bruno Latour, We Have Never Been Modern (1991)

Opmaakfoutjes

Onafhankelijkheid, machtsuitoefening en meeloopgedrag.

Soms wil je een eerder geplaatst blogbericht herschrijven en opnieuw delen, omdat uit de reacties blijkt dat je bedoelingen niet duidelijk genoeg zijn overgekomen. In dit geval gaat het mij om een fundamenteel onderscheid tussen drie vormen van onwaarachtigheid. Niet elke vorm van misleiding is namelijk even verwerpelijk. Er bestaat een verschil tussen een leugentje om bestwil in dienst van de kunst, tussen verdraaiing als instrument van de macht, en tussen het schaamteloos meebuigen uit carrière-overwegingen. Anders gezegd: ik wil de spanning onderzoeken tussen onafhankelijke fictie, manipulerend beleid en volgzaam spreekbuisgedrag. Drie houdingen, drie motivaties: creatieve vrijheid, machtshandhaving en meeloperij.

In het vervolg laat ik drie voorbeelden zien, elk met een eigen soort ‘onwaarheid’. En ik nodig de lezer uit om zich af te vragen: welke van deze drie verdient eigenlijk de meeste afkeuring? Ter illustratie geef ik drie voorbeelden – drie ‘exhibits’ – elk belichamend een ander type onwaarachtigheid: artistieke fictie, politieke vervalsing en ideologische meeloopretoriek. De verschillen zijn soms subtiel, de uitwerking niet. Wat begint als spel of stijlkeuze, kan eindigen als massale misleiding. De vraag die daarbij steeds terugkomt, is: wanneer wordt onwaarachtigheid werkelijk kwalijk?

Exhibit Nr. 1: Een boekcover. Van een boek dat ik zogenaamd schreef. In werkelijkheid is het een mockup, laten we zeggen een oefening in zelfpromotie, over een window dresser met literaire aspiraties. Dan hebben we het over tweedegraads onechtheid. De inhoud bestaat niet. De buitenkant wel. Vorm zonder inhoud: een klassieker.

Exhibit Nr. 2: Het MAHA-rapport, dat onlangs werd gepresenteerd door minister van Volksgezondheid Robert F. Kennedy Jr. en zijn commissie. Make America Healthy Again heet het. Een pleidooi voor de gezondheid van kinderen, gebaseerd op studies die, oeps, niet bestaan of verkeerd geciteerd blijken te zijn. Gelukkig kun je zulke onwaarheden eenvoudig corrigeren door het rapport gewoon een beetje aan te passen. Beetje kneden, beetje bijsturen en de regering Trump sukkelt in al z’n leugenachtigheid voort tot het zoveelste schandaal.

Exhibit Nr. 3: Karoline Leavitt, Trump-woordvoerster, die het hele MAHA-debacle afdeed als ‘opmaakfoutjes’. Alsof het ontbreken van bewijs slechts een kwestie is van verkeerd geplaatste voetnoten.

Dus ik vraag u: wat is de érgste vorm van onechtheid? De fictieve façade van een verzonnen boek? De inhoudelijke vervalsing van een beleidsrapport? Of de bagatelliserende retoriek die alles reduceert tot een “formatting issue”? De lezer mag het zeggen. Maar lees eerst nog even mijn toelichting op alle drie de gevallen.

Laat ik, voordat men mij de maat neemt, direct schuld bekennen en Exhibit Nr. 1 persoonlijk verduidelijken (en verdedigen). Ja, ik heb een boekcover gefabriceerd van een boek dat niet bestaat. En nee, ik zie daar ethisch geen enkel bezwaar in. Integendeel: het is artistieke vrijheid, zelfexpressie, misschien zelfs een mild gebaar richting de denkbeeldige lezer die dit werk ooit had kunnen lezen. Geen misleiding, maar een spel. Geen oplichterij, maar een knipoog. Wat ik mezelf wél aanreken, is de opmaakfout. De titel valt weg tegen de achtergrond. Onleesbaar. Dát is pas schandalig. Dáár had een commissie zich over moeten buigen. Als we dingen verzinnen, laat het er dan op z’n minst goed uitzien.

Dan Exhibit Nr. 2: het MAHA-rapport. Een document dat pretendeert de gezondheid van Amerikaanse kinderen te beschermen, maar zich baseert op studies die niet bestaan, foutief geciteerd zijn of simpelweg uit de lucht komen vallen als engelen die te veel ivermectine hebben geslikt. Het werd plechtig gepresenteerd door minister Robert F. Kennedy Jr., die kennelijk zijn roeping als kwakzalver in marmeren zalen heeft gevonden. En ja, ik weet het, Kennedy is geen Trump, maar de geur is dezelfde: die van gladgestreken pseudowetenschap, netjes verpakt in patriotisme, met een strikje van “wij maken ons zorgen.” Het is niet eens subtiel meer. De waarheid wordt hier niet per ongeluk overgeslagen, ze is met opzet van het schoolplein gestuurd.

Onschuldige opmaaklol

Dit is geen op zichzelf staand incident. We hebben het over een politieke cultuur waarin orkanen met viltstift worden bijgetekend (Sharpiegate), waarin een pandemie “onder controle” was terwijl mensen stierven bij tienduizenden, waarin de verkiezingsuitslagen als fraude werden bestempeld omdat men simpelweg verloor (de lijst van voorvallen is veel langer*). En nu dus dit: een rapport over kinderen dat kinderen gebruikt om onwaarheden te verspreiden. Het zou tragisch zijn als het niet zo misselijkmakend was. Want ergens houdt het een keer op; al was het maar omdat de waarheid uiteindelijk altijd bovendrijft.

Exhibit Nr. 3 brengt ons bij Karoline Leavitt, Trumpwoordvoerster oftewel: wandelend spreekbuismeubelstuk van het post-truth tijdperk. In haar reactie op de ophef rond het MAHA-rapport sprak ze over “formatting issues,” alsof de afwezigheid van wetenschappelijke onderbouwing te herleiden was tot een slordig geplakte paginanummering of een vergeten regelafstand. Leavitt heeft zich ontwikkeld tot wat men in journalistieke kringen een ‘geselecteerde echo’ noemt. Er zijn stemmen die haar omschrijven als ‘a well-groomed amplifier of autocratic nonsense,’ of als ‘de spindoctor die vergeten is dat je soms ook een patiënt moet genezen, niet alleen symptomen verhullen.’

Waarom kiest iemand zo radicaal voor de rol van reclamelakei of blindvolger in een regime dat z’n eigen leugens niet eens meer fatsoenlijk hoeft te verpakken? Heeft het te maken met macht, met carrière, met ideologische driften die nog niet door de realiteit zijn ingehaald? Of is het gewoon makkelijker om op een zinkend schip de purser te blijven, zolang het buffet openblijft? Hoe dan ook: als “formatting issues” de samenvatting wordt van vier jaar presidentschap, dan weet je dat de inhoud al lang van de pagina’s is gewist.

Gelukkig is er de kunst. Kleinkunst in dit geval, want wie werkelijk wil begrijpen wie Leavitt is, hoeft alleen maar te kijken naar comédienne Lisandra Vazquez, die haar met zoveel verve, spot en precisie persifleert dat je soms vergeet dat je niet naar Leavitt zelf kijkt. En daarmee zijn we weer terug bij exhibit Nr. 1: de kunstmatige representatie, de uitvergroting, de fictionele façade. Want anders dan bij Leavitt is het bij Vazquez tenminste opzettelijk ironisch. Je kunt in al je onechtheid dus gewoon ook eerlijk zijn.

Karoline Leavitt versus Lisandra Vazquez


Misschien draait het uiteindelijk niet om de leugen zelf, maar om de context waarin ze wordt verteld. In de kunst knipoogt ze naar de waarheid, in de politiek maskeert ze haar, en in de propaganda vermomt ze zich als deugdzame bezorgdheid. En wie daarin meegaat, doet dat soms uit overtuiging, soms uit opportunisme. Maar zeg nu zelf: welke van de drie roept de meeste weerzin op? Niet elke vorm van onwaarachtigheid is even schadelijk, maar allemaal zeggen ze iets over de verhoudingen waarin ze ontstaan. De kunstenaar kiest voor illusie om vrijheid te winnen. De machthebber kiest voor vervalsing om die vrijheid in te perken. En de meeloper kiest voor gemak, carrière, of simpelweg overleving (‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’). De vraag is niet alleen welke vorm het ergst is, maar ook: welke laten we ongemoeid? Kunst mag misleiden, zolang ze er eerlijk over is. Macht verdraait, omdat ze zich onkwetsbaar waant. En wie dat met droge ogen verdedigt als ‘opmaakfoutjes’, maakt van ironie een rookgordijn. Misschien is dat wel de grootste onwaarachtigheid: doen alsof je niets te verbergen hebt, terwijl je niets te vertellen hebt.

*Een beknopte lijst van waarheidsovertredingen en realiteitsvervorming onder de Trump Administration:

De aanval op de Capitol (6 januari 2021)
– Een poging tot staatsgreep gevoed door fabels. De bestorming van de waarheid in real time.

Sharpiegate (2019)
– Toen Trump een orkaanvoorspelling eigenhandig “corrigeerde” met een viltstift om zijn eerdere uitspraak te staven. Klimaatwetenschap, maar dan als kleurplaat.

“We have it totally under control” (januari 2020)
– Over COVID-19, vlak voordat tienduizenden Amerikanen stierven en ziekenhuizen overspoeld werden. Vrede op aarde, met ventilatoren.

Bleachgate (april 2020)
– Trump suggereerde dat ontsmettingsmiddel misschien ingespoten kon worden bij mensen om het virus te doden. De wetenschap haalde diep adem (en nam afstand).

De herhaaldelijke bewering dat de verkiezingen van 2020 “gestolen” zijn
– Omdat verliezen simpelweg geen optie was. Rechters, hertellingen, en zelfs Trumps eigen kiescommissie vonden géén bewijs, maar het narratief bleef.

Charlottesville (“very fine people on both sides”, 2017)
– Over een neonazi-optocht waarbij een vrouw werd doodgereden. Een “gebalanceerde” kijk op haat, zogezegd.

De familiegesponsorde regeringsaanpak
– Jared Kushner kreeg het Midden-Oosten, Ivanka “empowerde” vrouwen, en Eric en Don Jr. mochten de tweets op smaak brengen. Diplomatie als familiebedrijf.

De immigratieban (“Muslim ban”, 2017)
– Een presidentieel decreet dat niet alleen moreel omstreden was, maar ook juridisch werd teruggefloten — meerdere keren.

Kinderen in kooien (2018)
– Migrantenkinderen gescheiden van hun ouders aan de grens. Later gepresenteerd als “een humanitaire maatregel.”

Altering hurricane maps vs. altering medical reports
– Van Sharpiegate tot MAHA-rapport: het patroon blijft gelijk. Eerst de waarheid, dan het potlood.

Alternative facts (2017)
– Kellyanne Conway verdedigde leugens over de inauguratie-opkomst met deze Orwelliaanse term. Waarheid? Keuzeoptie.

De beautytreatment van dictators
– Kim Jong-un was “a smart cookie”, Poetin “a strong leader”, en Mohammed bin Salman “maybe did it, maybe didn’t” (over de moord op Khashoggi). Realpolitik als fanclub.

Het weer opzeggen van het Klimaatakkoord van Parijs (2017)
– “Ik ben president van Pittsburgh, niet van Parijs.” Vervuilen met vlagvertoon.

De verheerlijking van hydroxychloroquine (2020)
– Naar eigen zeggen nam hij het zelf ook. Het hielp tegen malaria, niet tegen feiten.

Het uit de WHO stappen midden in een pandemie (2020)
– De logica: als je je oren dichtdoet, bestaat het virus niet.

Het Clinton-obsessie-circus
– “Lock her up” als standaard refrein, nog jaren na de verkiezingen. Alsof hij ’s nachts wakker werd van e-mails.

De Bible photo-op (2020)
– Protesten tegen politiegeweld werden hardhandig uiteengedreven, zodat Trump met een Bijbel (op z’n kop) op de foto kon voor een kerk. Religie als rekwisiet.

Het ontslag van inspecteurs-generaal en ambtenaren
– Onafhankelijke toezichthouders werden massaal aan de kant gezet. Controlemechanismen? Te negatief.

De mislukte coronatest-infrastructuur
– “Iedereen die een test wil, kan er een krijgen.” Spoiler: dat was niet zo. Tenzij je NBA speelde.

De ‘perfecte’ telefoontjes
– Naar Oekraïne (2020), waarin hij Zelensky onder druk zette om compromitterende info over Biden te vinden. Dat leidde tot de eerste impeachment. “Perfect” volgens Trump zelf. Zwart-wit, volgens iedereen met een geweten.

Het laten verdwijnen van het vertaalteam voor pandemieën (2018)
– In 2018 werd het pandemieteam bij de National Security Council ontbonden. Want wat kon er gebeuren?

Covfefe (2017)
– De legendarische onafgemaakte tweet. De eerste officiële presidentiële typo die tot filosofisch debat leidde.

De injectie van politiek in onafhankelijke instellingen
– FBI, CDC, FDA: alles werd politiek gereviseerd. Het ministerie van Volksgezondheid als verkiezingsinstrument.

De geheime belastingaangiftes
– Hij zou ze “binnenkort” vrijgeven. Spoiler: dat gebeurde pas via gerechtelijke dwang, en ze lieten zien dat hij nauwelijks belasting betaalde. Great businessman.

Trump University
– Technisch van vóór zijn presidentschap, maar in toon volledig op één lijn: een “universiteit” die vooral leergeld vroeg. Letterlijk.

Het voortdurend herhalen van leugens tot ze waar lijken
– Volgens The Washington Post meer dan 30.000 feitelijke onjuistheden in vier jaar tijd. Een gemiddelde van 21 per dag. Productiviteit in post-truth.

Het benoemen van rechters die het systeem langdurig conservatief verankeren
– Waaronder drie Hooggerechtshofrechters, mede verantwoordelijk voor de afschaffing van Roe v. Wade. Geen leugen, maar wel een blijvend gevolg van een man die zwoer bij chaos.

De wall die nooit kwam (of werd betaald door Mexico)
– De Grote Muur bleef steken in een paar honderd mijl hekwerk. Betaald door de Amerikaanse belastingbetaler.

De demonisering van de pers (“Enemy of the people”)
– Kritische media werden consequent beschuldigd van leugens, terwijl propaganda als “truth” verkocht werd. Orwell zou instemmend grinniken — of huilen.

De poging om poststemmen te saboteren
– Door de Postmaster General bewust postverwerking af te remmen. Post-truth werd letterlijk snail mail.

De Lafayette Square ‘rechtzetting’
– Het officiële verhaal was dat de ordetroepen demonstranten “toevallig” uit het park verwijderden vlak vóór Trumps fotomoment met de Bijbel. De werkelijkheid: het park werd leeggeknuppeld voor een PR-foto. Een scenariowijziging in real-time.

De orkaan die afboog dankzij een Sharpie (Sharpiegate)
– Omdat Trump ten onrechte zei dat orkaan Dorian ook Alabama zou treffen, werd er later een kaart getoond waarop het orkaanpad… met een stift was aangepast. Meteorologie à la Trump.

“Stand back and stand by”
– Tijdens een presidentieel debat vroeg men hem zich te distantiëren van racistische groeperingen. Zijn antwoord aan de Proud Boys: een bijna militaire opdracht. Dog whistle? Nee hoor, dit was een megafoon.

De Trump Tower bijeenkomst met Russische advocaten (2016)
– “Adoptiebeleid”, volgens het officiële verhaal. In werkelijkheid ging het over het verkrijgen van dirt over Hillary Clinton. Verloedering in ruil voor verkiezingswinst.

De poging om Groenland te kopen (2019)
– Echt gebeurd. Trump wilde Groenland kopen van Denemarken. Toen Denemarken het belachelijk vond, annuleerde hij het staatsbezoek. Imperialisme met kinderwens.

De suggestie om Californië ‘terug te geven’ aan Mexico
– Een van de off-the-record hersenspinsels van de president. Als je dan toch alles opnieuw wil onderhandelen…

Het injecteren van bleekmiddel (2020)
– Tijdens een persconferentie vroeg Trump zich hardop af of desinfectiemiddel niet “geïnjecteerd” kon worden in mensen om COVID-19 te bestrijden. De medische wereld sloeg collectief de handen voor de ogen.

De hernoeming van COVID-19 tot ‘Kung Flu’
– Een racistische grap in speeches, bedoeld om China de schuld te geven — maar ook om af te leiden van beleidstekort. Viruspolitiek met een vleugje nativisme.

De aanstelling van familieleden in sleutelposities
– Jared Kushner en Ivanka Trump kregen officiële functies in het Witte Huis. Geen ervaring nodig, zolang je bij de familie hoort. In het Trump Hotel, zeg maar.

De heroïsche mislukking van de Tulsa-rally (2020)
– Trump dacht een stadion vol aanhangers aan te treffen. Bleek dat TikTok-gebruikers massaal nepkaartjes hadden gereserveerd. Jongeren: 1, Oranjereus: 0.

De beschuldiging dat windmolens kanker veroorzaken (2019)
– Ja, echt. “The noise causes cancer,” zei hij. Wetenschappelijk gezien volstrekt onzinnig, maar wel goed voor de olie-industrie.

Het vernietigen van documenten (2022 onthuld)
– Na zijn termijn bleek dat Trump documenten doorscheurde, liet verdwijnen en zelfs in het toilet spoelde. Archiefbeheer zoals een kleuter zijn tekeningen selecteert.

Het Mar-a-Lago-documentenschandaal (2022–)
– Geheime documenten in een privéclub bewaard, in dozen tussen golfclubs en schoonmaakspullen. Bij een ander zou dit spionage heten. Bij Trump: “mijn persoonlijke souvenirs.”

De omarming van QAnon
– Hij retweette tientallen QAnon-gerelateerde accounts en weigerde afstand te nemen. Een president die samenzweringswaan omarmt alsof het beleid is.

De eindeloze recounts en audits in Arizona
– Duizenden dollars uitgegeven aan het controleren van al lang vastgestelde verkiezingsuitslagen. De enige die fraude pleegde, was ironisch genoeg… een Trump-stemmer.

Het “Go back to your country” tegen vier congresvrouwen (2019)
– Een expliciete racistische uitval naar vrouwen van kleur die — o ja — allemaal Amerikaans staatsburger zijn. Drie van hen zelfs geboren in de VS.

Het uitlachen van een gehandicapte journalist (2015)
– Een van de eerste momenten dat de wereld dacht: dit wordt hem nooit. Maar het werd hem. Moraal: onderschat nooit het gebrek aan moreel besef.

Het in twijfel trekken van de geboortestatus van Kamala Harris (2020)
– Na Obama was zij het volgende doelwit van birther-achtige theorieën. Ironisch genoeg geboren in Oakland, Californië. Duidelijker Amerikaans dan Trump zelf.

De claim dat hij de ‘meest milieuvriendelijke president ooit’ was
– Terwijl hij tegelijkertijd natuurgebieden opende voor olieboringen. Het enige groen aan zijn presidentschap was het geld.

De permanente campagne-modus
– Zelfs na zijn verlies ging Trump door met rallies, fondsenwerving en retoriek alsof hij nog regeerde. Een exit die voelt als een seizoensfinale met te veel cliffhangers.

Klusjes die uitgroeien tot existentiële vraagstukken

En dat alles in een onvindbaar boek van een onbekende schrijfster.

We zitten aan de altijd gezellige koffietafel in de bijkeuken van de wethouder en zoeken naar de naam van een Vlaamse schrijfster. Zijn vaste klusser kwam er mee. Nu breken we er gedrieënlijk ons brein op. Een boek waarvan hij wel de titel kent, die is gemakkelijk zat. Het heet De Klusser en het vertoont veel verwantschap met zijn eigen leven. Kom, hoe heet die vrouw nou toch?

De schrijfster laat je gniffelen om de herkenbaarheid van menselijke tekortkomingen en de kleine, ongemakkelijke waarheden van het bestaan. Ze schuwt de melancholie niet, maar balanceert die perfect met een humor die je tot nadenken stemt, waardoor je met een glimlach én een vleugje weemoed het boek dichtslaat. De vraag is wel: hoe heet de schrijfster? En luidt de titel van haar boek wel echt ‘De Klusser’?

Mensen van een jongere leeftijd dan wij, zouden al op Google zitten, of liever: een Chatbot raadplegen. Dat is niet wat wij als eerste geneigd zijn te doen. Die volharding van ons bevat een paradox: degene die het meeste baat hebben bij een digitaal hulpmiddel, spitten hun geheugen uit, terwijl jongeren, die nog fris van geest zijn, hun hersenen liever niet uitdagen als een AI-systeem het beter en sneller kan.

Griet Op de Beeck en Kristien Hemmerechts zijn de enige namen die ik op kan hoesten, maar nee, die zijn het allebei niet, verzekert de klusjesman. Verder komt er bij mij niets bovendrijven. Sterker nog: ik weet heel zeker dat er niets meer in zit. Het is niet zo verbluffend van het geheugen, vind ik, dat je, als je weet dat je iets weet, soms lang naar iets moet zoeken, tot het je te binnen schiet. Het raadselachtig mooie van je memorie is meer dat je in een splitseconde weet dat je iets niet weet.

Dit geldt, wat betreft de auteur, in ieder geval voor ons, de toehoorders. De klusser zit in dat andere proces; hij kan zichzelf wel voor z’n kop slaan. “Laat zitten”, troost de wethouder hem, “vertel ons eerst dat verhaal.” Nou goed, Het gaat over een vrouw die in een grote stad woont en een druk, enigszins chaotisch leven leidt. Ze besluit een klusjesman in te huren om wat zaken in haar huis op te knappen. Deze hulp blijkt echter meer te zijn dan alleen een handige Harry. Hun ontmoeting creëert een onverwachte band.

Dus onze klusjesman belandde ook in zo’n verhaal? Inderdaad ja. Wat begon als een zakenlijke relatie, kreeg al snel een meer persoonlijke en soms ongemakkelijke lading. De grens tussen privé en professioneel werd geschonden, nog voor het werk was gedaan. Sterker nog, de badkamer werd veel later betegeld dan gepland. Het kraantje bleef nog heel lang lekken. De passie vrat veel tijd op. Tot dusver nogal clichématig, denk ik stiekem. Eerlijk gezegd doet de titel me denken aan een bepaald soort film; een genre dat veel beter De Klusser kon heten.

Maar een ander thema uit het boek blijkt ook op te gaan voor de echte klusjesman, en dat maakt het al een stuk interessanter: de zoektocht naar betekenis. Net als de personages in het boek worstelde hij en zijn klant, na haar te hebben geschaakt voor het leven, met hun plek in de wereld en hun eigen verlangens en verwachtingen. “Is het een somber boek”, wil de wethouder weten? Oh nee, de kenmerkende humor en observaties van alledaagse situaties van de schrijfster, schijnen ruimschoots aan bod te komen.

Of, om zijn uitleg parafraserend over te nemen: de absurditeit van het moderne leven wordt met een droogkomische blik en scherpe dialogen blootgelegd. We moeten geen luidruchtige grappen verwachten; eerder een subtiele hilariteit die voortkomt uit onhandige sociale interacties, onvermijdelijke misverstanden en de soms ronduit bizarre logica waarmee de twee hun dagelijkse beslommeringen aanpakken.

Over die dagelijkse beslommeringen gesproken, waarvoor was de klusjesman eigenlijk naar hier gekomen? De wethouder legt uit dat er in de tuin een Acacia staat die om moet. De boom bezwijkt onder een klimop die zich er overwoekerend omheen heeft genesteld. “Is er echt geen redden meer aan?” vraag ik, mij richtend tot de klusser, om er ietwat betweterig aan toe te voegen: “kun je niet alleen de stam van de klimop doorzagen en wachten tot die is afgestorven?”

Onzin natuurlijk. “We hebben het te lang op z’n beloop gelaten” is zijn resolute antwoord. Terwijl ik berust in dit oordeel en ervan uitga dat hierover alles wel gezegd is, voegt de klusjeman er plotseling aan toe: “Sommige verbintenissen nemen alle ruimte in. Relaties kunnen opeens heel verstikkend zijn, een wurggreep die doet denken aan een liefde die te allesomvattend was.” Hij heeft wel drie verschillende zagen meegenomen. Het is duidelijk: beide planten moeten er voorgoed aan geloven.

‘Ken je Taalmaatjes?’ vroeg de opbouwwerker

Daar stond ik dan, met m’n luxeprobleem.

Ik was de opbouwwerker al tweemaal voorbijgelopen. Ze stond met een bolderwagentje op het plein voor het winkelcentrum op de Klarendalseweg. In de kar bevonden zich thermosflessen, want ze bood thee en koffie aan, met een koekje, een folder en vooral ook een praatje. Haar functie viel af te lezen van de aanduiding op haar rug, vandaar dat ik kon vermoeden wat ze daar deed: ze was een aanspreekpunt voor mensen in de wijk. Bij de derde keer wisselden we een glimlach uit, waarna zij mij naar zich toe gebaarde met een bekertje in de ene hand, dat ze zogenaamd met de andere volschonk.

Ze heette Jennifer. We raakten aan de praat over de wijk, over Rijnstad, over hoe je zichtbaar kon zijn zonder opdringerig te worden. Ze vertelde hoe de stichting, met meer dan zeshonderd vrijwilligers en honderden professionals, dagelijks werkte aan wat zij noemde: ‘een sociaal en duurzaam perspectief’. Niet door te zenden, maar door te luisteren. Door naast mensen te gaan staan in plaats van tegenover hen. Of dat nu ging om een ouder met stress rond de opvoeding, iemand met geldzorgen die vastliep in de brieven van de Belastingdienst, of een jongere die nergens naartoe wilde maar ook nergens terechtkon.

“Bij ons betekent helpen: iemand de regie teruggeven,” zei ze. “En het hoeft niet groot te zijn.” Ze gaf me tenslotte haar visitekaartje. Ik haalde mijn eigen kaartje uit m’n zak als wisselgeld. Toen ze taaljongen.nl las, vroeg ze: “Ken je Taalmaatjes?” Ik had er vaag van gehoord, maar nooit echt bij stilgestaan. Ze legde uit dat Taalmaatjes mensen aan elkaar koppelde – vaak nieuwkomers en vrijwilligers – om samen in gesprek te gaan. Niet in een leslokaal, maar op een bankje, aan een keukentafel, in de wachtruimte van de dokter, nou ja, overal elders eigenlijk dan in een schoolse omgeving.

Ik knikte. Ik dacht aan hoe ongemakkelijk ik me op dat moment bewoog in mijn taal, in deze stad waar ik nog niet woonde. Ik had haar uitgelegd wat ik deed in deze buurt: ik was zo op en neer aan het drentelen omdat ik een indruk wilde krijgen van de straat. Dankzij een urgentieverklaring had ik het voorrecht bovenaan de lijst te eindigen voor een woning, iets verderop, ter hoogte van eetcafé Sugar Hill, waar de sfeer niet alleen gezellig werd, maar ook een vleugje cachet kreeg. Ik had de sleutel nog niet en de bezichtiging moest nog volgen, maar terwijl de renovatiewerkzaamheden plaatsvonden, had ik al even mogen binnenlopen. Zo stond ik daar, met m’n luxeprobleem, terwijl zij sprak over mensen met een lagere sociaaleconomische status; mensen die, vanzelfsprekend, onze volle aandacht behoorden te krijgen.

Jennifer vertelde over de wijk waarin een kwart van de volwassenen moeite had om rond te komen; flink boven het landelijke gemiddelde. Over de eenzaamheid onder ouderen, 51 procent, zei ze, en de gezondheidsproblemen die daarmee samenhangen. Over het grote aandeel sociale huurwoningen in de oudere delen van de wijk. Over de mensen zonder werk, met een lage opleiding. Maar ook over het groen, de voorzieningen, de gezinnen die hier graag kwamen wonen, en de actieve bewoners die zich vrijwillig inzetten voor hun buurt.

Het was belangrijk, wat ze zei. En ik luisterde. Nou ja, laten we zeggen: voor zo goed en zo kwaad als mijn haperende concentratievermogen me toeliet te luisteren. Eerlijk is eerlijk: ik was er niet helemaal bij met m’n aandacht. Misschien zou dat nog komen. Op dat moment was ik vooral vol van mezelf. Ik moest een beslissing nemen over dat huis. Ik voelde me net Trump op werkbezoek in Saoedi-Arabië: vriendelijk glimlachend, af en toe knikkend, regelmatig iets doms zeggend, en ondertussen vooral denkend aan het eigen belang. Een tikje narcistisch, moet ik toegeven.

En ergens wilde ik haar ook gewoon meenemen naar de bezichtiging. Niet voor een hulpvraag of een intake, maar gewoon om te horen wat zij vond van de lichtinval in de woonkamer, het uitzicht op het parkje, de plek van het stopcontact onder het keukenraam. Iemand met een eerlijk, esthetisch oordeel. Maar ja, daar misbruik je natuurlijk geen opbouwwerker voor. Thuis raken begon niet bij een nieuw adres. Het begon bij een goed gesprek. Niet iets wat je voert met je hoofd al half bij de kleur van het tapijt en het nieuwe behang aan de wanden van je bijna woonkamer. Een goed gesprek vroeg om aanwezigheid, en ik was nog enorm onderweg.

Een vroeg gefluister van verzet

De geboorte van klimaatactivisme.

The GreenXtreme – hoofdstuk 1

Ik herinner me de eerste momenten waarop ik begon te beseffen dat de wereld om me heen veranderde en niet op een manier die geruststelde. Het was geen plotseling inzicht, maar een langzaam ontwaken. Een gevoel dat er iets niet klopte, dat zich beetje bij beetje opdrong. Verhalen over onrecht, en over mensen die daartegen in verzet kwamen, trokken steeds meer mijn aandacht. In de geschiedenis kwam ik telkens weer figuren tegen die hun stem verhieven tegen onderdrukking, vaak tegen de stroom in. Of het nu ging om politieke tirannie, sociale ongelijkheid of, later, de dreiging van een ecologische ramp. Als ik terugdenk aan het begin van mijn betrokkenheid bij klimaatactivisme, kom ik uit in de jaren zeventig, al ligt de oorsprong natuurlijk verder terug.

Voor mij begon het verzet met een gevoel van onbehagen, een knagend besef dat er iets goed fout zat. Het zat niet in grote gebaren, maar in kleine momenten van tegenspraak: situaties waarin ik leerde om vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken. Ik denk aan mijn jeugd, in een Brabants dorpje aan de rand van het bos. Dat bos moest langzaam wijken voor een nieuwbouwwijk. Het bracht nieuwe speelkameraadjes, maar ook een groeiend besef van hoe kwetsbaar de natuur is. Verhalen over de vernietiging van het regenwoud of de vervuiling van rivieren raakten me diep. Het was de soort onmacht die je als kind kunt voelen, vermengd met een eerste glimp van woede.

Het boek Walden van Henry David Thoreau uit 1854 is in vele prachtig vormgegeven edities verschenen. Het vormt een filosofisch verslag van Thoreau’s teruggetrokken leven in de natuur, waarin hij reflecteert op eenvoud, zelfvoorziening en de essentie van het bestaan. Dit meditatieve relaas over een leven in eenvoud en harmonie met de natuur is Thoreau’s poging om de wereld te begrijpen door haar deels achter zich te laten. Hij werd daarmee een pionier van de alternatieve levenshouding en het onafhankelijke denken.

Deze vroege kiemen van verzet, dit intuïtieve gevoel dat er iets moest veranderen, vond ik later terug in de verhalen van mensen die hun leven radicaal anders inrichtten, voorlopers die zich bewust losmaakten van de heersende opvattingen en nieuwe morele richtingen verkenden. Ik las over denkers als Henry David Thoreau, die met zijn boek Walden (1854) een pleidooi hield voor een simpeler, zelfvoorzienender leven in harmonie met de natuur. Hoewel zijn verzet primair filosofisch en individueel van aard was, inspireerde zijn idee van burgerlijke ongehoorzaamheid latere generaties van activisten. Voor mij was Thoreau een bevestiging dat het mogelijk was om een alternatieve weg te kiezen, los van de dominante cultuur.

Het collectieve klimaatactivisme zoals we dat nu kennen, ontstond natuurlijk pas later. Maar de wortels ervan reiken dieper; tot in de geschiedenis van milieubewustzijn en maatschappelijke strijd. Voor mij markeerde de overgang van een algemeen verzet tegen onrecht naar specifiek klimaatactivisme een verdieping van dat oorspronkelijke onbehagen. Het besef dat we niet alleen elkaar, maar ook de planeet schade toebrengen, kwam als een schok; ook voor mij.

Ook het boek Silent Spring van Rachel Carson, oorspronkelijk verschenen in 1962, kent inmiddels vele uitgaven, vaak voorzien van een nieuw voorwoord of nawoord. Silent Spring gaf de natuur een stem op het moment dat haar stilte dreigde in te treden. Het geldt als een baanbrekend werk dat milieubewustzijn op de kaart zette, met een indringende aanklacht tegen het gebruik van pesticiden en de schade die dit aanricht aan ecosystemen.

Een cruciale figuur in deze ontwikkeling, die mij diep heeft beïnvloed, is Rachel Carson met haar baanbrekende boek Silent Spring uit 1962, het jaar waarin ik werd geboren. Het stond bij ons thuis in de kast maar het duurde even voordat ik het voor het eerst las. Toen het zover was, bleek het een openbaring. Carson toonde op wetenschappelijke en tegelijk poëtische wijze de desastreuze gevolgen van het onbeperkte gebruik van pesticiden zoals DDT. Haar werk was geen oproep tot radicale actie zoals straatprotesten, maar een verzet van de meest fundamentele soort: het blootleggen van de waarheid, het doorbreken van de stilte. Silent Spring veroorzaakte een schokgolf en wordt algemeen gezien als het startschot van de moderne milieubeweging. Voor mij was het een wake-up call, een bevestiging dat mijn diffuse angst een concrete grondslag had.

Na Carson zag ik een geleidelijke verschuiving. De focus verlegde zich van lokale milieuproblemen naar een breder, mondiaal perspectief. In de jaren ’70 verschenen de eerste wetenschappelijke rapporten over de opwarming van de aarde. Er werden voorzichtige kleine stappen richting klimaatactivisme gedaan. Het proces verliep moeizaam: de boodschap was complex en de gevolgen leken nog abstract en ver weg. Ik denk aan de eerste Earth Day in 1970, georganiseerd door onder anderen Gaylord Nelson en Denis Hayes; het werd een belangrijke mijlpaal in het mobiliseren van publieke aandacht voor milieukwesties. Nog geen klimaatactivisme in de strikte zin van het woord, maar wél een moment waarop het collectieve besef groeide dat zorg voor de planeet een gedeelde verantwoordelijkheid vormt.

In de jaren ’80, met de opkomst van het concept van duurzame ontwikkeling (gepopulariseerd door het Brundtland Rapport uit 1987, ook bekend als Our Common Future), begon het besef te groeien dat economische groei en milieubescherming met elkaar verzoend moesten worden. Dit was een belangrijke stap, want het bracht de discussie over milieu verder dan alleen het beschermen van natuurgebieden; het betrof nu de kern van ons economische systeem. Ik zag hoe de eerste klimaatconferenties, zoals de inmiddels legendarische UNFCCC-top in Rio de Janeiro in 1992, voorzichtig probeerden internationale samenwerking te smeden. Hoewel de resultaten vaak teleurstellend waren, vormden dit belangrijke vroege stappen in het formuleren van een wereldwijde respons.

Pas in de jaren ’90 en vroege jaren 2000’s begon het klimaatactivisme echt vorm te krijgen. Organisaties als Greenpeace en Friends of the Earth richtten hun aandacht steeds nadrukkelijker op klimaatverandering. Ik raakte voor het eerst betrokken bij een lokale klimaatgroep; een klein, wat onbeholpen begin, maar toch een duidelijke uiting van collectieve weerstand tegen de inertie en het ontkennen van de ernst van de situatie. De namen van mensen als Bill McKibben, met zijn vroege waarschuwingen in The End of Nature (1989), en later Al Gore, met zijn film An Inconvenient Truth (2006), galmden door de publieke ruimte. Zij gaven een stem aan de wetenschappelijke consensus en probeerden die te vertalen naar een breder publiek, een inspanning die de basis legde voor verdere mobilisatie.

Voor mij is de reis van het vroege verzet naar het hedendaagse klimaatactivisme een persoonlijke reis van groei en betrokkenheid geweest. Het begon met een onbestemd onbehagen, gevoed door verhalen en figuren die me inspireerden, en is uitgegroeid tot een diepgeworteld geloof in de noodzaak van actie. Het is de realisatie dat verzet, in al zijn vormen, van stille contemplatie tot luide protesten, essentieel is om de wereld, en onszelf, te beschermen. De strijd is nog lang niet gestreden, maar de zaadjes van verzet, geplant door de visionairs van weleer, zijn inmiddels uitgegroeid tot een wereldwijde beweging.

Wat ik helaas ook bij mezelf ontdekte, was dat actievoeren niet echt in mijn bloed zit. Niet dat ik ongevoelig ben voor wat er gebeurt. Integendeel, soms brand ik vanbinnen. Maar dat vuur is traag, bijna bedaard, als smeulend hout dat niet wil opvlammen, alleen maar rook verspreidt die in je ogen bijt. Ik vraag me nu af waarom ik juist deze metafoor van vuur en rook kies, terwijl ik juist fel tegen houtstook ben. Misschien zegt het iets over mijn karakter: innerlijk vol tegenstrijdigheden, mild hypocriet, maar altijd met de beste bedoelingen.

Ik bewonder hen die direct in actie komen. Die spandoeken maken en zich vastlijmen aan asfalt. Ik zie ze staan, daar op het Malieveld of in de kou voor een bestuursgebouw, en voel een soort heimwee naar iets wat ik nooit gehad heb: die vanzelfsprekende overgave, die innerlijke roep die geen tegenspraak duldt. Mijn engagement werkt anders. Ik twijfel veel. Ik schrijf liever dan dat ik schreeuw. Ik observeer, analyseer, ontleed; soms tot in het absurde. Waar een ander opstaat en loopt, blijf ik nog zitten, in gesprek met m’n geweten, m’n angst, m’n verlangen naar nuance.

Is dat laf? Misschien. Maar ik geloof ook dat er meer vormen van verzet zijn dan de zichtbare. Activisme, zo dacht ik lang, moest luid zijn, moet storen, moet breken. Maar er is ook een soort verzet dat langzaam werkt. Dat de taal inzet als middel. Dat zoekt naar beelden die beklijven, naar verhalen die niet schreeuwen, maar wél blijven hangen.

Soms verwijt ik mezelf dat ik niet radicaler ben. Niet fysieker. Alsof mijn lichaam weigert mee te doen aan de strijd waarin mijn geest al jaren verwikkeld is. Alsof ik een soldaat ben die voortdurend zijn geweer vergeet. Toch probeer ik deel te zijn van de beweging. Op mijn manier. Ik voer gesprekken. Ik stel vragen, ook aan mezelf. Ik probeer te luisteren naar die onderstroom die de wereld in stilte verandert; de langzaamste revolutie die er is: die van inzicht, van verandering van binnenuit.

Misschien ben ik geen activist, maar een activerende schrijver. Iemand die niet de barricade opklimt, maar een ladder naar begrip bouwt. En ik hoop, al is het maar een beetje, dat ook dat telt. Dat ook traag vuur kan branden (maar dan liefst zonder fijnstof).

Nog even dit:

Silent Spring ademt een soort van ingehouden verzet, en dat maakt het boek des te krachtiger. Rachel Carson schreef het niet als een pamflet, maar als een wetenschappelijk onderbouwde, haast literaire aanklacht. Ze was biologe en marien ecoloog, geen activist in de traditionele zin. Toch schuilt er in haar rustige, zorgvuldige toon een diep moreel appel. Ze zet geen grote woorden in, maar juist in haar beheersing voel je de urgentie.

Carson verzette zich — bijna stilletjes maar uiterst doeltreffend — tegen het dominante geloof in technologische vooruitgang zonder ethische begrenzing. Ze stelde de chemische industrie verantwoordelijk voor ecologische schade, en bracht tegelijk het overheidsfalen aan het licht. Haar verzet lag in het openbaren van wat anderen liever verborgen hielden. Haar boek werd een kalme, maar onverzettelijke aanklacht tegen de vernieling van de natuur, geschreven met de precisie van een wetenschapper en de overtuigingskracht van iemand die wist dat haar woorden het verschil konden maken.

Voor mij bood Silent Spring een vorm van erkenning: dat betrokkenheid ook intellectueel en stil kan zijn. Het boek liet zien dat verzet zich niet altijd uit in spandoeken en leuzen, maar net zo goed in het geduldig verzamelen van feiten, het helder formuleren van een ongemakkelijke waarheid, het schrijven dat de lezer aan het denken zet. Carson liep niet voorop in demonstraties, maar wat zij deed — grondig onderzoek vertalen naar toegankelijke taal — was minstens zo ontwrichtend voor het heersende narratief.

In zekere zin voelde het als een rechtvaardiging van mijn eigen neiging tot een stiller engagement: ik hoefde niet per se op de barricade te staan om toch iets van verzet te voelen of uit te dragen.

Humans in space is very old school

There will be an efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space.

The ‘Fading Horizons’ trilogy by Noald “Varn” O’Donner is summed up by the captain’s statement in part 3: “Space doesn’t take prisoners, it takes everything.” Throughout the mission, he and his crew not only leave planets behind, but after each discovery, also parts of themselves. Varn O’Donner summarizes it like this: “We search for life among the stars, but it’s the losses that follow us home.” Varn is a nickname the author earned during his time at ISRO (Indian Space Research Organisation) in Bangalore.

O’Donner was born in 1959 in Wicklow, Ireland as the son of a local physician and a secondary school literature teacher.

RvN: Varn, welcome, and thank you for agreeing to this short interview. Let me start by asking: What brought you to Bangalore and ISRO? It seems quite a leap from your earlier work.

Varn O’Donner: Thank you, Ronald, it’s a pleasure to be here. Yes, it does seem like quite a leap. Before ISRO, I worked in a sanatorium in the US as a Social Worker and Occupational Therapist. My background is in medicine and psychology, and I specialized in stress management, particularly for high-intensity environments. When the opportunity came up at ISRO, they needed someone in a role like that; a specialist to help manage the psychological and physical stress the workers faced in such a demanding institution. Space research is thrilling but can be immensely taxing on the mind and body.

RvN: That’s fascinating. So it was your expertise in handling stress that brought you there. But during your time in India, something else sparked—your love for science fiction. Can you tell us how that came about?

VO: Yes, it was an unexpected discovery. Sci-Fi had always intrigued me, but it was in India, surrounded by cutting-edge space research and the unique cultural atmosphere, that I found the real inspiration. There’s something deeply resonant about the intersection of ancient philosophy and modern science that you encounter there. The vastness of space felt almost spiritual, and I started seeing Sci-Fi not just as a genre but as a way of exploring the human condition. It was also during this time that I earned the nickname ‘Varn,’ which has roots in Sanskrit and represents the diversity of human characteristics. It felt like the perfect fit, especially with how the experiences at ISRO shaped my writing.

RvN: That’s an insightful connection you make between science fiction and the human condition. Now, as someone who has written extensively about space exploration, I’m curious—do you think manned space travel will continue to be the future of exploration?

Is it O’Donner’s reflective nature? His thoughts seem to drift between his current life and the fictional worlds he has created. There is a pause, as O’Donner glances out of the window.

VO: Well, here’s the thing—I actually don’t believe in manned space travel, at least not in the way we imagine it today. The reality of the future, in my view, is that exploration will be done entirely by the machines we create. Flesh-and-blood humans? Too fragile, too resource-intensive for the distances and timescales involved. We’ve barely scratched the surface of what robotics and AI can do, and I think they’ll be the true explorers of space. We might watch their journey, we might even feel connected to it, but physically? I don’t think we’ll be out there.

RvN: That’s quite a bold statement, especially for someone who has built a career on writing about human experiences in space. Does that affect how you approach your writing now?

VO: It does, actually. And that ties into something else I’ve been thinking about for a while now. To be honest, I don’t have much faith in the future of science fiction literature either. The visual culture we’re in today is simply too overwhelming. Films, series, documentaries—they dominate how we consume stories about the future. In many ways, literature has become more of a stepping stone—a precursor to a screenplay, or a concept that might eventually turn into a film or visual project. And the pace of technological change? It’s relentless. You write about one thing, and by the time it’s published, it’s already outdated.

The latest volume completes the trilogy |© Cum Suis

RvN: That’s a sobering view. Do you think Sci-Fi writers, like yourself, should adjust to that new reality?

VO: I think we already are. It’s not so much about resisting the change as it is about embracing it. Many of us are moving towards more visual mediums, collaborating with filmmakers, or even writing with the screen in mind. The traditional sci-fi novel might still have a place, but it’s increasingly becoming part of a broader ecosystem. To stay relevant, we have to adapt—just like the worlds we create.

The mood in the room subtly shifts as O’Donner’s words challenge traditional notions of space travel and literature. His voice carries a certain detachment, a realism that borders on cynicism, but his passion for the subject remains evident.

RvN: Varn, before we wrap up, I have to ask—what led you to publish with me at Cum Suis? You’ve had opportunities with bigger publishers, yet here you are with a smaller, independent press. What drew you to me?

VO: That’s an interesting question. Honestly, I’ve always felt that creativity thrives better outside the pressure of large, commercial systems. There’s a certain freedom you get with an indie publisher like Cum Suis, a space where you can take risks and push boundaries without worrying about fitting into a specific market trend. For me, it’s not just about getting the work out there; it’s about having a true dialogue with someone who believes in the work, from the editor to the readers. I found that with you. The personal connection, the shared vision—that’s rare in publishing today. I appreciate that you allow the work to breathe, to be what it needs to be, rather than squeezing it into a formula.

RvN: I’m incredibly honored to have you in my portfolio, Varn. Your work challenges the boundaries of science fiction and literature itself, and it’s a privilege to be part of that journey. I ‘m excited to see where your stories take us next.

VO: Thank you, Ronald. The feeling is mutual. It’s been a rewarding partnership, and I look forward to continuing to explore new horizons together.

As the interview draws to a close, there’s a sense of quiet camaraderie between us. The room feels lighter, filled with the warmth of mutual respect.

Noald “Varn” O’Donner’s perspective on space exploration reflects a growing trend in modern science fiction that emphasizes the practicality and efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space. His belief that robots, rather than humans, will be the key to interstellar discovery is grounded in several practical arguments.

Firstly, the limitations of the human body in space are well-documented. Human biology struggles to adapt to the extreme conditions of space travel, including exposure to radiation, bone density loss in low gravity, and the psychological toll of isolation. Robots, on the other hand, are not subject to these vulnerabilities. They can operate in harsh environments, withstand radiation, and perform tasks without the need for food, air, or rest.

Secondly, robots are more cost-effective. Sending humans into space requires vast amounts of resources—life support systems, safety measures, and fuel. Robots can be built to be more efficient, potentially enabling long-term missions without the need to return to Earth. They can also perform tasks autonomously or semi-autonomously, reducing the need for human intervention and making deep space missions more feasible.

From a storytelling perspective, Varn O’Donner might argue that robots represent a future where exploration is driven purely by logic, efficiency, and scientific discovery, unburdened by the emotional and ethical dilemmas humans face. His stance likely critiques the romanticized vision of human explorers bravely venturing into space, proposing instead a future where AI and robotics take the lead, allowing humanity to discover new frontiers from a distance, without risking lives.

In his view, humans in space might appear outdated because, as technology evolves, we could delegate our curiosity to machines that are far better suited for the task—allowing humans to stay on Earth or inhabit controlled environments, while robotic explorers pave the way.

Nooit goed van de grond gekomen

Ze trouwde met een jongen in de verpakking van een man.

Een thema, een diepe duik, talloze invalshoeken; Cover Story Magazine blijft trouw aan zijn naam en opzet. Elk nummer staat volledig in het teken van één onderwerp, dat van voor tot achter wordt verkend, ontleed en soms ook voorzichtig opgetild uit de schaduw. In deze meimaand buigen we ons over een fenomeen dat op het eerste gezicht onschuldig aandoet, zelfs charmant: Het Peter Pan syndroom.

Voor wie de term vaag bekend voorkomt uit de psychologie of de popcultuur: het Peter Pan syndroom verwijst naar volwassenen – doorgaans mannen – die weigeren volwassen verantwoordelijkheden op zich te nemen. Ze blijven hangen in een jeugdige levensstijl, mijden engagement, en worstelen met het idee van ouder worden. Dat lijkt misschien een detail, een eigenaardigheid zelfs, maar de realiteit is vaak schrijnender.

Psycholoog en gedragswetenschapper prof. dr. Malcolm D. Harrow, gespecialiseerd in volwassenontwikkeling en relationele dynamieken, gaat vanaf pagina 15 diep in op het fenomeen. Met scherpe analyses en voorbeelden uit zijn praktijk laat hij zien hoe het syndroom niet alleen de persoon zelf beïnvloedt, maar ook zijn of haar omgeving.

Een schrijnend én herkenbaar verhaal komt van Maaike en Jens van Zalinge, een echtpaar uit Deventer dat op het eerste gezicht gelukkig getrouwd is. Toch knaagt er iets. Jens is grappig, creatief, zorgeloos; precies dat wat Maaike ooit aantrok. Maar inmiddels is zij 62, moeder van twee volwassen kinderen, en zoekt ze houvast in de toekomst. Jens leeft nog steeds met één voet in Neverland. De ironie van de coverquote is sprekend: “Mijn ouders juichten toen ik iemand van mijn eigen leeftijd ontmoette. Maar Peter Pan is geen ideale partner, zodra je klaar bent om Neverland te verlaten.”

Hun verhaal leest als een liefdesverklaring en een waarschuwing tegelijk. Het illustreert hoe lastig het is om samen te leven met iemand die weigert de sprong naar volwassenheid te maken, hoe charmant en liefdevol hij ook is.

Uitgeverij Cum Suis is trots op deze editie van alweer de negende jaargang in opdracht van Cover Story Magazine en tevreden met de rijke schakering aan invalshoeken die dit themanummer biedt. Een magazine dat niet alleen leest als een dossier, maar ook als een spiegel en soms: een wake-up call.