Wolkers over zijn biograaf

Tussen hommage en imitatie; een technisch eerbetoon of een digitale grensoverschrijding?

Met een mengeling van fascinatie en schroom heb ik geprobeerd de coverfoto van de biografie Het litteken van de dood tot leven te wekken. We zien het portret van Jan Wolkers, maar de stem die u hoort is de mijne. In een poging zijn unieke klank en cadans te vangen, heb ik hem woorden in de mond gelegd over zijn biograaf, Onno Blom; een tekst geschreven in de geest van de grootmeester zelf.

Ik ben mij ervan bewust dat dit experiment vragen oproept en ik ben dan ook zeer benieuwd naar uw reactie. Enerzijds technisch en artistiek: in hoeverre vindt u dat ik erin geslaagd ben om die typerende, gelaagde stem van Wolkers te benaderen? Anderzijds is er de ethische kant waar ik zelf ook over peins: geeft het eigenlijk wel pas om eigen woorden toe te schrijven aan een overleden auteur en deze via AI-techniek ‘echt’ te laten lijken? Is dit een wondere wereld van nieuwe mogelijkheden, of overschrijden we hier een grens? Uw ongezouten mening hoor ik graag.

Ik moet zeggen dat ik er na deze twee experimenten, verdeeld over twee blogberichten (zie eerder het bericht met Griet Titulaer) wel weer klaar mee ben. Tot slot volgt hier een AI-bewerking waarbij de ‘gedoodverfde’ Jan Wolkers nog expressiever is in zijn bewegingen maar minder goed lijkt op de echte schrijver. AI heeft er een hedendaags ventje van gemaakt. Daar staat tegenover dat hij nu wel ‘Triton’ zegt in plaats van ‘Trition’ en een beetje trager praat, hoewel minder gelijkend qua timbre en diepte.

Ik heb de opname voortijdig afgekapt. Me dunkt ‘het litteken van de dood’. De echte Wolkers bleek (gelukkig) niet te evenaren.

Chriet Titulaer is terug!

Chriet heb ik altijd graag geïmiteerd. Op 1 april 2026 laat ik ‘m even terugkomen om over iets monumentaals te praten. Na decennia van voorbereiding is het zover: de lancering van Artemis II. Dit is niet zomaar een wetenschappelijk project; het is de eerste keer sinds 1972 (Apollo 17) dat er weer mensen richting de maan vertrekken. De missie heet: Artemis II. In tegenstelling tot de onbemande Artemis I-testvlucht van een paar jaar geleden, zijn er nu vier astronauten aan boord van de Orion-capsule. Ze worden gelanceerd bovenop de Space Launch System (SLS), de krachtigste raket die NASA ooit heeft gebouwd.

Als mensen dit leuk vinden wordt mijn volgende imitatie: Jan Wolkers.

Angine de Poitrine

Mantra-rock dada pythago-cubisme.

Sinds het jaar 2023 schotelen de broers Klek en Khn de Poitrine ons een repertoire voor van gortdroge, instrumentale anti-arena-rock; een stijl die, analoog aan technomuziek, draait om een dynamisch spel van het toevoegen en wegnemen van voortdurend transformerende geluidspatronen. Met behulp van zijn behendige tenen en een elektronische looping-module neemt Khn in realtime meerdere lagen melodische versieringen op die hij vervolgens harmoniseert. Hierbij wisselt hij onophoudelijk tussen microtonale gitaar en bas; deze raken verstrengeld in chromatische, hoekige fraseringen in kwarttonen.

Angine de Poitrine is een anoniem artistiek project; iedere speculatie over de identiteit van de leden is niet geverifieerd, wordt niet door de groep ondersteund en zou een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kunnen vormen.

Via strakke, pulserende ritmes van het dof klinkende drumstel en complexe verstrengelingen van de gitaar met dubbele hals produceert de band wervelende cadansen van hypnotiserend geluid en beeld. Zo laten zij asymmetrische grooves dansen, voeren zij de intensiteit naar een hoogtepunt of verleggen zij precies op het juiste moment het ritmische ankerpunt. Sinds de release van Vol. 1 in 2024 bevindt Angine de Poitrine zich in het oog van een immer uitdijende storm van enthousiasme bij zowel het publiek als critici en de belangrijkste spelers uit de muziekindustrie.

Het volgende plukte ik van internet (over microtonaliteit).

In typische westerse muziek is het kleinste interval waar we mee te maken hebben (dat wil zeggen : de kleinste kloof tussen twee noten) een halve toonafstand. Op een keyboard staat dit bekend als een half-step; het kleinste interval dat je omhoog of omlaag kan gaan vanaf elke willekeurige noot is dus een halve toon. Ondanks dat we ze niet gemakkelijk op een keyboard kunnen spelen, bestaan er ook toonhoogtes tussen deze twee noten.

De C heeft bijvoorbeeld de frequentie van 261,6 Hertz; dat is de frequentie waarmee deze geluidsgolven vibreren om de toonhoogte te creëren. De volgende noot omhoog, de Cis, springt op naar 277,2 Hertz. Er is ruimte tussen deze twee frequenties. Een noot die gestemd is tussen C en Cis, heeft als toonhoogte 269,4 Hertz en noemde we een C halfkruis (of specifieker: C kwarttoon verhoogd). Zelfs het ongetrainde oor kan horen dat deze noot duidelijk verschilt van zowel de C als de Cis.

Waarom is deze dan niet beschikbaar op een keyboard? Waarom gebruiken mensen geen halfkruisen wanneer ze muziek schrijven? Welnu, sommige muzikanten en componisten doen dat wel; de muziek die zij schrijven met gebruik van deze sub-halvetoonintervallen staat bekend als microtonale muziek. Westerse klassieke componisten experimenteren al met microtonaliteit sinds het begin van de 20e eeuw. Ons standaard westerse stemmingssysteem staat bekend als 12-TET, of twelve-tone equal temperament; omdat het het octaaf verdeelt in 12 gelijkmatig verdeelde toonhoogtes.

Maar componisten zoals Wisjnegradski en Ives gebruikten alternatieve systemen die het octaaf opdeelden in nog kleinere verdelingen; meestal 24 verdelingen, wat onze standaard twaalf toonhoogtes verdubbelde. Ze pakten dit meestal aan door te schrijven voor twee piano’s, waarvan de ene een kwarttoon lager was gestemd dan de andere; wat betekende dat ze tussen de twee piano’s toegang hadden tot 24 noten per octaaf. In Wisjnegradski’s Prélude nummer 1 maakt hij gebruik van de 24 kwarttonen door ze op en neer te laten rennen in deze ultra-chromatische toonladder.

In Charles Ives’ 3 Quarter-Tone Pieces slingert de focus van de muziek snel heen en weer tussen de twee piano’s; bewegend als een slinger tussen 12-tonige stemming en 24-tonige stemming. In de korte momenten dat we slechts één van de twee piano’s horen, ervaren we gewoon de standaard 12-tonige stemming; maar zodra de tweede piano weer invalt en de twee elkaar overlappen, worden we ondergedompeld in de microtonale troebelheid. Wanneer we naar de bladmuziek kijken, zien we eigenlijk geen voortekens voor kwarttonen; dat wil zeggen, geen halfkruisen of halfmollen; omdat elke piano op zichzelf niet daadwerkelijk microtonale intervallen speelt. Het is de interactie tussen deze twee piano’s, die een kwarttoon uit elkaar zijn gestemd, die de microtonaliteit creëert.

Microtonaliteit is dus gebruikt in sommige experimentele klassieke muziek; maar kunnen we het ook vinden in moderne pop- of rockmuziek? De meest gebruikelijke plek om microtonaliteit in westerse muziek te vinden is bij instrumenten die kunnen glijden of een glissando kunnen maken tussen de standaard 12 toonhoogtes. Bijvoorbeeld aan het begin van Rhapsody in Blue van George Gershwin glijdt de klarinet naadloos van de lage F omhoog naar de hoge Bes. Als de klarinet beperkt zou zijn tot het 12-tonige systeem, zoals een piano dat is, zou de glijvlucht niet zo glijdend klinken. Maar omdat de klarinet toegang heeft tot de noten tussen de standaard twaalf toonhoogtes, kan deze een gladde, naadloze glijvlucht bereiken.

In moderne elektronische popmuziek wordt een glijvlucht als deze vaak een riser genoemd. Net als de klarinet-glissando maken risers gebruik van de noten tussen de noten, omdat ze anders deze naadloze, spanningverhogende klim niet zouden kunnen bereiken. Op een gitaar kan de snaar worden opgedrukt zodat de noot die klinkt ergens tussen twee standaard toonhoogtes in ligt. Noten worden vaak een kwarttoon opgedrukt in plaats van een volledige halve toon, wat ons een microtonale noot geeft. Dit is een zeer gebruikelijke techniek in de blues, of ten minste muziek die beïnvloed is door de blues, zoals rock. Het basloopje van Are You Gonna Be My Girl van Jet bevat bijvoorbeeld een kwarttoon-bend; wanneer de D hier wordt opgedrukt, stijgt deze slechts tot D-halfkruis in plaats van helemaal door te reiken tot onze gebruikelijke Dis. Omdat de noot zo kort en ornamenteel is, kan het lastig zijn om het verschil te horen; maar er is er zeker één. Wanneer je de twee verschillende noten afzonderlijk speelt, is het verschil veel duidelijker. In de context van het lied fungeert deze noot als een blue note. Microtonen zijn perfect voor gebruik als blue notes; aangezien blue notes noten zijn die van buiten de toonladder worden toegevoegd om een gevoel van spanning toevoegen. Wat is er meer buiten de toonladder dan een microtoon?

Maar misschien is het best geschikte instrument in de westerse muziek voor microtonaliteit de stem. De menselijke stem is natuurlijk niet beperkt tot enig stemmingssysteem, dus hij kan gemakkelijk alle intervallen zingen; mits goed getraind. Het is bijvoorbeeld gebruikelijk voor zangers om hun melodieën te versieren door tussen twee verschillende noten van de toonladder te glijden. In het nummer Misery Business van Paramore glijdt Hayley Williams aan het einde van het refrein langzaam tussen deze twee noten; waarbij ze een aanzienlijke hoeveelheid tijd doorbrengt in de ruimte tussen de standaard toonhoogtes. Deze langzame, opzettelijke glijvlucht maakt gebruik van die microtonale dissonante noten tussendoor. Het enige probleem met het aanduiden van glijvluchten en glissando’s als microtonaal, is dat ze bijna altijd slechts door een microtonale noot passeren op weg naar een standaard toonhoogte. Ze rusten niet lang genoeg op de microtonale noot om de luisteraar deze echt te laten registreren.

Is er pop- of rockmuziek die microtonale intervallen met hetzelfde gewicht gebruikt als normale intervallen, in plaats van als een klein snufje zout bovenop onze standaard tonaliteit? In 2017 bracht de Australische rockband King Gizzard & The Lizard Wizard hun album Flying Microtonal Banana uit, dat is geschreven met gebruik van 24-TET stemming. De band bereikte deze 24-TET stemming door speciaal gebouwde microtonale gitaren te gebruiken met extra frets op de hals. Stu Mackenzie schreef deze plaat oorspronkelijk om gespeeld te worden op zijn baglama; een Turks instrument dat frets heeft op intervallen die dicht liggen bij wat westerse muzikanten kwarttonen zouden noemen. Luister naar hun nummer Rattlesnake; dat is geschreven in Fis-mineur, maar met een halfverlaagde tweede trap, wat ons een G-halfkruis geeft in plaats van Gis; en ook een halfverhoogde zesde trap, wat ons een D-halfkruis geeft in plaats van een D.

De resulterende tonaliteit is als een mix van oud en nieuw voor westerse oren. De belangrijkste intervallen van de mineurtoonladder – de kwint, de kwart en de kleine terts – zijn allemaal bewaard gebleven, maar de halfverlaagde tweede en halfverhoogde zesde trap plaatsen ons in een exotisch niemandsland tussen de Aeolische, Phrygische en Dorische toonladder. Bij het luisteren naar Flying Microtonal Banana valt je wellicht op dat de muziek, in plaats van gebaseerd te zijn op akkoordprogressies, harmonisch statisch is; meestal blijvend op één dreunend kernpunt voor het hele nummer. De muziek focust in plaats daarvan op melodische ontwikkeling. Dit komt ten minste deels door het feit dat het schrijven van bevredigende akkoordprogressies met microtonale intervallen vaak erg uitdagend en verwarrend kan zijn voor westerse muzikanten. Maar een andere reden kan zijn om de luisteraar niet te overweldigen; door kwarttonen alleen periodiek in de melodie te laten verschijnen, bevinden we ons voor een groot deel van het nummer eigenlijk gewoon in de normale 12-TET stemming.

How to Disappear Completely van Radiohead bevat wat microtonaliteit in het strijkersarrangement, gecomponeerd door Jonny Greenwood. De strijkers glijden lukraak tussen toonhoogtes, wat een chaotische en verontrustende textuur creëert. Het is lastig om de toonhoogtes die de strijkers hier spelen echt te identificeren, en dat is min of meer het punt; ze brengen net zoveel tijd door in de ruimtes tussen de standaard toonhoogtes als erop, wat leidt tot een ultra-chromatisch, totaal gedesoriënteerd geluid.

De menselijke stem is misschien wel het meest veelzijdige instrument voor microtonale muziek; een fantastisch voorbeeld hiervan is Jacob Colliers a capella arrangement van In the Bleak Midwinter. Colliers arrangement gebruikt niet alleen microtonale akkoorden, maar het moduleert daadwerkelijk naar een microtonale toonsoort; door het gebruik van vier steeds meer microtonale akkoorden worden we verschoven van standaard E-majeur naar de toonsoort G-halfkruis-majeur. Jacob demonstreert dat zijn nummer voorafgaand aan de modulatie perfect gestemd is met een standaard piano; maar slechts vier akkoorden later is hij naadloos gemoduleerd naar een kwarttoon buiten de standaard stemming. De vier akkoorden die Jacob hier gebruikt maken gebruik van subtiel verbrede of vernauwde intervallen; tegen de tijd dat we het einde van de progressie bereiken, is onze perceptie van de stemming zodanig verschoven dat de toonsoort G-halfkruis volkomen logisch en harmonieus klinkt.

Eén veelvoorkomend punt van verwarring zijn nummers die niet op concerttoonhoogte zijn opgenomen. Als je een muziekstuk pakt en de toonhoogte verschuift zodat het niet langer gestemd is op een van onze 12 tonen, dan is dat eigenlijk geen voorbeeld van microtonaliteit. Friday I’m in Love van The Cure en Don’t Look Back in Anger van Oasis zijn beide niet opgenomen op de standaard concerttoonhoogte; ze zijn niet opgenomen op A = 440 Hertz. De reden dat dit deze nummers niet microtonaal maakt, is dat microtonaliteit gaat over het gebruik van intervallen die kleiner zijn dan onze standaard westerse intervallen; niet over het gebruik van noten die gestemd zijn op verschillende toonhoogtes. De frequenties van de noten mogen dan anders zijn dan normaal, maar alle frequenties zijn met dezelfde hoeveelheid verplaatst; ze zijn relatief ten opzichte van elkaar verschoven, dus de intervallen tussen de toonhoogtes zijn nog steeds hetzelfde als voorheen.

Als muzikant of componist is microtonaliteit een van die concepten die je benadering van muziek volledig op zijn kop zet. Je kunt niet langer vertrouwen op je jarenlange ervaring en je spiergeheugen; het dwingt je om volledig buiten de gebaande paden te denken. Je kunt zelf een microtonale compositie schrijven. Stel je keyboard zo in dat het in 24-TET speelt, oftewel in kwarttonen. Zoek naar de ‘extra verlaagde’ kleine terts; het interval tussen G-halfmol en A. Je merkt dat het te verwarrend is om dit op het keyboard te spelen, dus in plaats daarvan kun je de noot neurieën die je wilde horen en deze opzoeken in je MIDI-omgeving.

Microtonaliteit kan vrij gebruikelijk zijn in sommige niet-westerse culturen.

Mijn superieure lijden (1)

Adana wa ‘Kawaii Karimero’ desu.

Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Dejima is kleinschalig, museaal en historisch accuraat. Met zijn houten pakhuizen en woningen lijkt het exact op het kunstmatige eilandje in het centrum van Nagasaki dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. In Dejima voel je de geschiedenis van eenzame Nederlandse koopmannen die jarenlang op een houten vlonder naar de zee staarden. Dat is een speciaal soort melancholie dat mijn personage in zijn rol van vertaler goed kan uitstralen. (Voor deze fotobewerking heb ik, met impliciete toestemming, een foto van de Japanse beroemdheid Tsuji Hitonari gebruikt. Dat leek me om meer dan één reden een uitstekende match. Zie onder.)

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.

De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.

Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?

De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.

In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.

De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.

Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.

Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.

Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.

Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.

Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).

Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

Fictie voor gevorderden

Over grote mensen die de weg kwijtraken in de poppenkast van de werkelijkheid.

In Duitsland werd een acteur die een fascist speelde in het stuk Catarina and the Beauty of Killing Fascists door het publiek beloond met een vliegende fruitmand en een poging tot zijn fysieke verwijdering van het podium. Een kind dat zich bemoeit met een poppenkastverhaal vormt een compliment aan de speler. Maar grote mensen die geen verschil meer zien tussen schijn en werkelijkheid? Je denkt aan emotionele onvolwassenheid, verstandelijke beperking en/of de kracht van confrontatie. Kennelijk voelden sommigen in de zaal zich persoonlijk aangesproken.

Rotte tomaten waren altijd al de ultieme dialoog tussen kunst en toeschouwer zodra deze laatste zich ongemakkelijk begon te voelen. Een zekere vorm van ontlading vanuit de zaal kan soms als een compliment worden opgevat. Noem het de ongevraagde vorm van publiekparticipatie die in ieder geval betrokkenheid bewijst. Maar wat als de Jan Klaassens onder hen door de vierde wand breken omdat ze ‘de wolf’ niet meer van de acteur kunnen onderscheiden?

Wat te doen als een artistiek concept wordt geïnterpreteerd als de creatie van een vijandsbeeld? Het is tegenwoordig een hele opgave: onderscheid maken tussen een zorgvuldig geregisseerde illusie en een directe aanval op de eigen wereldbeschouwing. In theaters wordt de vierde wand niet langer doorbroken door de acteur, maar door de toeschouwer die besluit dat een politiek incorrecte monoloog een prima reden is voor een bestorming. We zien het vaker: zodra een personage niet onmiddellijk als een karikaturale schurk met een snorretje wordt neergezet, raakt de moderne theaterbezoeker in een existentiële crisis.

Dat toeschouwers zich opwinden, vind ik overigens een goede zaak. Het geeft aan hoe sterk ze zich betrokken voelen; zolang men het minieme verschil tussen de acteur en zijn rol (dus tussen echt en ernst) maar in het achterhoofd houdt. We wanen ons in een beschaafde tijd, maar een stille zaal vormt geen vooruitgang. Van de Griekse oudheid tot aan Shakespeare was het theater een luidruchtig bordeel van emoties. Men gooide met rot fruit en scandeerde door dialogen heen. In dat opzicht is een beetje boegeroep en traag geklap bij de schijn van antisemitisme eigenlijk een charmante terugkeer naar onze wortels.

Ik juich deze ‘kettingreacties’ toe. De voorstelling is niet het laatste woord, en het protest evenmin. De ongefilterde uitwisseling van artistieke vrijheid en maatschappelijk debat zegeviert juist in de schuring. De schrijver en de acteur lokken de reactie uit en de zaal antwoordt. Dat is geen incident; dat is dialoog. Ja, ik geloof onvoorwaardelijk in het vrije woord, maar toch een kleine handleiding voor de ‘tere zieltjes’ onder ons: voor wie de confrontatie met het onaangename niet aan kan, is er goed nieuws. Net zoals een televisie een uitknop heeft, bevindt zich bij de ingang van elk theater een loket. Je hoeft niet naar binnen. Je kunt er ook voor kiezen de acteurs niet te gaan bekijken.

Als we de schijn van de werkelijkheid niet meer verdragen, kunnen we beter collectief terug naar de poppenkast. Daar is de boze wolf tenminste nog herkenbaar aan zijn dik aangezet gegrom en zijn voorspelbare valsheid. Kunst moet de onaangename kantjes integreren en de advocaat van de duivel spelen om ons tot reflectie te dwingen. Dat daarbij af en toe iemand van zijn stoel valt van verontwaardiging, hoort bij het vak. Geweld tegen acteurs en regisseurs blijft natuurlijk kwalijk en dient bestraft te worden, maar een beetje passie op de tribune? Graag.

Smeltwater en zeewater in overvloed.

Maar ijspret zit er helaas niet meer in.

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen. Ik voeg er nog een ‘waterig’ gedicht aan toe, genaamd bezoeking. Omdat het winter is eindigt het in een wak.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Verdronken Land


Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

©Ronald van Noorden ©2015 Uitgeverij Cum Suis

Bezoeking


Kerstavond. De slaapzaal krijgt bezoek.
Vrienden brengen vrieskou binnen.

M. overkomt iets groots en blonds, iets met een
schamper lachje. Ze geeft hem sloffen.

Ze roert de kwestie van een lening aan;
in dialect dus niet te volgen.

Later, ze laat haar ogen rondgaan en wordt boos;
die ene plant kon hij nog niet verzorgen?

Op de gang draait ze joints en
gunt ons geen trekje. Als ze weg is…

waarom huil je M.? (Al zijn honden werden vals
en moesten worden weggebracht).

Ga nu zelf de kou in. Vanavond nog
hak ik een wak voor alle Friezen.


©Ronald van Noorden ©2012 Uitgeverij Cum Suis