Het theater van de knevelaars

Waarom de geconstrueerde leugen altijd struikelt over zijn eigen details.

Ik las dat Hans Croiset de ‘Blijvend Applaus Prijs’ heeft gekregen voor zijn complete oeuvre. Prachtig natuurlijk, maar bij het horen van die achternaam dwalen mijn gedachten steevast af naar Jules. Of beter gezegd, naar die ene, voor de hele familie zo pijnlijke vraag die er altijd aan voorafgaat: welke Croiset had die ontvoering door neonazi’s ook alweer in scène gezet? Het is een typisch geval van wat ik een ‘pleonasme/tautologie-verwarring’ noem; zo’n feitje dat je een paar keer in je leven opzoekt, om het vervolgens weer even vrolijk te vergeten omdat de kwestie je uiteindelijk toch te weinig interesseert.

Terwijl Quentin Tarantino in ‘Inglourious Basterds’ (2009) nazi’s liet merken om hun identiteit onuitwisbaar te maken, hanteerde Jules Croiset het mes in 1987 in spiegelbeeld; hij kerfde het hakenkruis in eigen vlees om een fictieve dadergroep tot leven te wekken. Een macaber staaltje theater dat de gendarmerie al snel als ‘too much information’ doorzag. Het is een even fascinerende als tragische les in opsporingspsychologie. De leugenaar struikelt zelden omdat hij te weinig vertelt, maar omdat hij de werkelijkheid dwingend wil dicteren. Hij overschreeuwt de waarheid met een overvloed aan details, onwetend dat diezelfde details zich als getuigen tegen hem zullen keren.

Het bleek dus om Jules te gaan, de jongere broer. Zijn naam – en die van de rest van de dynastie – raakte in 1987 voorgoed bezoedeld in Namen in België (what’s in a name?). Juist daar zou hij in een hinderlaag zijn gelokt. Hij werd er in een “grote, donkere auto” geduwd en door deze “knevelaars” (echt zo’n theatraal Jules Croiset-woord) onder het uiten van antisemitische dreigementen richting de Franse grens gevoerd.

De zeventigjarige carrière van de negentigjarige Hans interesseert me subiet geen snars meer. Ik wil weer even alles van deze kidnapping weten, of liever: van de “faux-ontvoering” zoals de Belgische gendarmerie het eufemistisch doopte, nadat zij de feitelijke onmogelijkheden van het scenario hadden blootgelegd. Jules wist de recherche in eerste instantie met veel details te voeden, maar hij hield geen rekening met de nuchterheid waarmee zij zijn fantastische scenario naast de logistieke realiteit van zijn Franse soloritje legden.

Hier loopt de geconstrueerde werkelijkheid steevast in de klassieke val: de absolute controle willen behouden door middel van details. Wie de waarheid spreekt, hoeft alleen maar te putten uit een rommelig, organisch geheugen vol gaten en vage herinneringen. Wie daarentegen een leugen fabriceert, voelt de dwingende noodzaak om de toehoorder preventief te overtuigen. Elke ruimte voor twijfel moet vooraf worden geëlimineerd; dus wordt het verhaal dichtgetimmerd met ankerpunten, citaten, logistieke feiten en emotionele inkleuring. Wat de fantast echter over het hoofd ziet, is dat elk verzonnen detail geen versterking van zijn vesting vormt, maar een nieuw feit dat zich pijnlijk leent voor controle. Juist hier openbaart zich de paradox van de overdaad: de leugen verdrinkt niet in een gebrek aan fantasie, maar in een fatale overvloed ervan. Het perfecte script geldt paradoxaal genoeg altijd als de eerste aanwijzing dat er geregisseerd wordt.

Kijken we met die psychologische bril naar Jules Croiset, dan zie je de acteur onwillekeurig de regieaanwijzingen dicteren. Een daadwerkelijk getraumatiseerd slachtoffer van een ontvoering herinnert zich na een bevrijding meestal slechts flarden; de textuur van een bekleding, een specifieke geur of het vage verstrijken van de tijd. Jules niet. Jules herinnerde zich een complete theaterproductie.

Hij wist de gendarmerie destijds haarscherp te vertellen hoe de antisemitische dialogen in die grote, donkere auto klonken, kon de politieke motieven van zijn knevelaars tot in detail fileren en schetste een motief dat zo naadloos paste bij de maatschappelijke storm rond het Fassbinder-toneelstuk, waarin hij een rol vertolkte, dat het wel móést kloppen. Elk personage in zijn auto sprak precies zoals de buitenwereld dacht dat een neonazi zou spreken. Het was dramaturgisch vlekkeloos.

Om dit huiveringwekkende relaas van de vermeende ‘fascistische dreiging’ van het ultieme bewijs te voorzien, ging Croiset in zijn zucht naar realisme zelfs over tot fysieke enscenering. Hij toonde de verbijsterde autoriteiten zijn ontblote borstkas, waarin de ontvoerders met een mes een hakenkruis zouden hebben gekerfd. Het was een even macabere als theatrale afleidingsmanoeuvre; een moreel schild dat kritische vragen kortstondig onmogelijk maakte. Wie twijfelt er immers aan een man die de littekens van de haat fysiek met zich meedraagt?

Precies op die schijnbare perfectie liep hij vast. Het bleek de ultieme overdaad in zijn paradoxale constructie. De rechercheurs in Namen lieten zich namelijk niet gijzelen door de enorme emotionele lading van dit antisemitische drama. Terwijl de publieke opinie in Nederland nog trilde op haar grondvesten, hielden de Belgen het hoofd koel; zij ruilden de morele verontwaardiging in voor de landkaart en de stopwatch. Toen zij de theoretische rijtijden naast de werkelijke chronologie legden, de getuigenverklaringen ter plekke controleerden – waar niemand een worsteling rond een grote auto had gezien – en de benzinetank van Croisets eigen wagen peilden, bleek de logistieke realiteit sterker dan het script. De acteur had simpelweg te veel kruisjes op de kaart gezet.

Toen de gendarmerie hem vervolgens confronteerde met de medische realiteit van het hakenkruis – dat qua hoek en diepte verdacht veel weghad van een zelftoegebrachte wond – en hem ook nog vroeg hoe hij zichzelf met een acrobatisch vernuft dat de gemiddelde boeienkoning jaloers zou maken had weten vast te binden in die Franse kelder, stortte het kaartenhuis in. Het spel was uit. De fantasie was te zwaar geworden voor de dunne ijslaag van de werkelijkheid. Jules bekende dat hij de autorit alleen had afgelegd, de brieven zelf had getypt en het mes in eigen hand had genomen.

In Inglourious Basterds dwingt Aldo Raine de nazi’s om hun ware aard voor altijd op hun voorhoofd te dragen; Jules Croiset kerfde het symbool daarentegen in zijn eigen borst om te veinzen dat hij door hen was belaagd. Dezelfde plastische handeling, maar met een volslagen omgekeerde psychologische dynamiek. Ik ga hier zo op door omdat ik stomtoevallig die film weer eens had opgezet, geheel onwetend dat ik de volgende dag, door de prijstoekenning aan Hans Croiset, aan de automutilatie van zijn broer zou worden herinnerd.

Lezersreactie:

Goed bezig Ronald. Als jij je eenmaal ergens in vastbijt…
(Gertrud Wiesenthal, Braunau am Inn)

Mijn reactie:

Jazeker, Gertrud. En ik zou iedereen die iets te verbergen heeft op neo-nazigebied willen meegeven: treed nooit te veel in detail. Dat is mijn parool aan de zelfverloochenaar: tuig geen complex, overgedetailleerd alternatief verhaal op om een dubieus verleden mee af te dekken. Verdruk de ware geschiedenis als je dat niet kunt laten, maar strooi geen overdaad aan zand in mijn ogen. Dat wekt de onderzoeksjournalist in mij acuut uit zijn tent. Bedenk wel, dat ik afstam van een verzetsman én krantenjongen; het opsporen van verzwegen geschiedenissen zit me in het bloed.
Dank voor je reactie, Gertrud. Hoe staat het met jouw eigen onderzoeken daar? Ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen? We schrijven elkaar weer snel.

Vrienden op afstand

Want stel je voor dat je mij in het ware licht ziet?

Beste H,

Als we elkaar nogmaals ontmoeten kan ik het beeld dat ik van mezelf wil creëren niet waarmaken. Ik zal banaal blijken en dat verdraag ik niet. Ik zal afbreuk doen aan wat ik buiten mijn bereik wil handhaven. Het is iets dat schijnbaar bestaat in sommige van mijn beste uitingen. Maar dat ben ik niet. Of toch; heel soms, dus veel sporadischer dan ik zou willen. Affijn, dat van die jeuk aan m’n kont was echt (ik deel dat gegeven als een frivole uitsloverij of een provocatie naar mezelf). Maar ook dat wat ik schreef in het gedicht berust op waarheid: dat ik je soms, tegen mijn zin, moet weggummen. Omdat je de diepste kijker bent onder mijn vrienden. “Maak geen röntgenfoto’s van mij”, schreeuw ik dan. Neem genoegen met de door mij opgerichte façade. Maar je behandelt mij zoals je jezelf behandelt. Mag ik je zelfportret zo zien? Als een hele diepe waarneming? Bijna te diep voor het mooie?
(25 april 09:30u)

Beste H,

Waren alle toekomstschetsen maar zo, zoals jij ze vangt in je beeld en de bijbehorende titel. Maar er wordt vaak te veel ingevuld als het om het ‘verre heden’ gaat. Ik bijvoorbeeld schrijf over het ‘openstaande morgen’ met jeuk aan m’n kont. Maar dat is nu; toevallig. Omdat ik zo opstond; krabbend aan m’n gat vanwege die ene hete peper van gisteren. Zie je wel: too much information. Onbegonnen tijd is onbegonnen werk. Dus daar ga ik weer met mijn foefjes. Te veel stelligheid over zoiets onkenbaars. Het ‘uitgestelde nu’ in vloeibaar vooruitzicht. De extrapolatie. Het altijd maar invullen; praten, bekennen, uitleggen. Het besef van de toekomst blijft voor mij een blabla-gebeuren. Dat wil zeggen: zolang ik leef. Wanneer mag ik zwijgen? Wie slaat mij dood? Ik wil eindigen in een goot.
(25 april, 02:10u)

Gisteren is VrijMiPo begonnen

De stille introductie van een nu al achterhaalde traditie.

Voor het gedicht dat u zo gaat lezen wilde ik een aanleiding creëren die geworteld was in een geschiedenis die nooit echt tot rust is gekomen. Daarbij dacht ik terug aan iemand die ik werkelijk heb gekend: Richard, een journalist die zijn sporen vooral heeft verdiend in het Midden- en Zuid-Amerika van de jaren tachtig en negentig. Richard schreef altijd vanuit een diep gevoel voor rechtvaardigheid. Hij verslond de nieuwsberichten over El Salvador, Guatemala en Nicaragua. Over boeren, studenten en arbeiders die opstonden tegen dictators die, met stille of openlijke steun van de Verenigde Staten, in het zadel werden gehouden. Hij koos steevast de kant van de onderdrukten, de verdrevenen, de gemartelden. Hij schreef voor linkse bladen, met een felheid die hem niet alleen siert, maar die zijn stukken ook een morele helderheid gaf die destijds weinig journalisten wisten te bereiken.

Maar er was één domein waarop die helderheid wegviel, waarop de nuance zoekraakte: dat van zijn eigen familiegeschiedenis. Richard was de zoon van repatrianten die de Bersiap aan den lijve – of liever: in de nabijheid van hun eigen ouders, vriendengroepen, en afbrokkelende gemeenschappen – hadden gevoeld. Het ging om mensen die beschadigd uit Indonesië waren teruggekeerd, en dat verdriet had zich in Richard vastgezet als een oude splinter die nooit helemaal werd verwijderd of kon uitzweren.

Over het lot van studenten in San Salvador sprak hij met grote empathie en militante solidariteit. Maar zodra het over Indonesië ging, over de onafhankelijkheidsstrijd, de politionele acties, de pemoeda’s, en de complexe verstrengeling van daderschap en slachtofferschap, veranderde zijn toon. Daar kon hij niet meer de journalist zijn die afstand bewaart. Zijn betrokkenheid werd familiair, zijn oordelen hard, zijn redeneringen scheefgetrokken door een loyaliteit die hij niet kon of wilde afleggen.

Voor mijn gedicht besloot ik van die spanning gebruik te maken, maar dan in een fictieve vorm. Ik verzon een oud-journalist (deels geïnspireerd door Richard, deels door de verhalen van andere kinderen van oud-Indiëgangers, KNIL-militairen, Molukkers en Indische Nederlanders) die aan het einde van zijn carrière een boekje publiceert over de Bersiap. In dat boek probeert hij te verklaren waarom dit deel van de geschiedenis volgens hem nooit eerlijk is verteld. Hij bekritiseert de Indonesische zwijgzaamheid over geweld tegen niet-inlanders, maar veracht het idee dat Nederland überhaupt iets te verwijten valt.

Zijn toon is die van iemand die geen rust vindt in het verleden dat hij heeft geërfd. De trauma’s van zijn ouders worden de argumenten van zijn boek; hun angst wordt zijn rechtvaardiging. Hij schrijft niet zozeer om recht te doen aan de geschiedenis, maar om recht te doen aan hen, aan hun pijn, aan wat ze hebben doorstaan; of wat hij meent dat zij hebben doorstaan.

Er gaat een zekere tragiek van uit, juist omdat ik Richard kende: hoe iemand die zo scherp, zo eerlijk, zo moedig kon schrijven over andere wereldconflicten, toch een blinde vlek bewaart voor het koloniale verleden waarvan hij zelf een erfgenaam is. Hoe jammer zou het geweest zijn als mijn vriend die kleine kronkel in een boekje had geperst, alsof hij daarmee niet alleen zijn ouders, maar ook zichzelf wilde vrijpleiten. Gelukkig heeft hij dat gelaten, maar in zijn nalatenschap zijn wel aanzetten tot zo’n poging gevonden.

Wie opgroeit met ouders die verwond zijn, zoekt soms de rest van zijn leven naar een vorm van rechtvaardiging die die wonden verzacht. De fictieve oud-journalist in mijn tekst draagt dat verlangen met zich mee. Niet als een politiek standpunt, maar als een morele erfenis. Uit die spanning, uit dat verlangen naar rechtvaardiging en dat misplaatste morele zelfvertrouwen, ontstond een (gelukkig) nooit geplubliceerd boek alsook het gedicht dat u zo gaat lezen. De ‘je’ die daarin wordt aangesproken is geen werkelijk bestaande persoon, maar een samenstelling van stemmen uit die generatie; een echo van Richard, maar ook van vele anderen.

Misschien, als ik heel eerlijk ben, richt het gedicht zich niet alleen tot die verzonnen man, gebaseerd op een journalist die ik echt heb gekend, maar ook tot een bepaalde versie van mijzelf. Een denkbeeldige ik die óók had kunnen eindigen met een boekje dat eigenlijk meer een verdediging is dan een verhaal. Een ik die krampachtig probeert te bewijzen dat zijn verleden, zijn standpunten, zijn twijfels allemaal een sluitende logica volgen. Zo’n ik die, in zijn pogingen tot rechtvaardiging, alleen maar weerstand oproept en onbedoeld laat zien waar zijn rafelrandjes zitten.

Daartegenover zou dan het andere deel van mij moeten staan: de blogberichtenschrijver van wie u hier een stukje leest, en het parmantige, ouderwets aandoende dichtertje dat ik soms ook ben. Hopelijk zijn dat figuren die geen gelijk hoeven te krijgen. Ik weet niet of dat hier gelukt is. Ik kan mijn andere ikken goed met schamperheid beschrijven, dat wel. Het zou mooi zijn als ik ooit verlost raakte van de hardnekkige drang om iemand – inclusief mezelf – te overtuigen, zodat ik niet steeds wegzink in de modder van goedpraterij en ander zelfbedrog, maar me eenvoudig kan beperken tot het ontmaskeren van waarheden, hoe ongemakkelijk die ook zijn.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.