Joris is ontketend

Zijn draak, dat zijn wij allemaal: de cynische gezapige nietsdoeners.

Een van de laatste uitzendingen van de NRC-podcast Het Uur van Pieter van der Wielen heeft Joris Luyendijk als gast. Eerst dacht ik: oh god, daar heb je die veelprater van een Luyendijk weer, die doorgaans wel zinnige dingen zegt, maar… en voelde een soort van tegenzin om hem aan te horen, juist vanwege dat ondefinieerbare ‘maar’. Toch heeft wat hij zei, en zelfs de manier waarop, mij ditmaal volledig overtuigd. De voormalige journalist schetst een fundamentele breuk met zijn oude professie; een breuk die direct voortvloeit uit zijn huidige denkbeelden over de geopolitieke situatie in Europa.

Het medium journalistiek eist een neutraliteit die het onmogelijk maakt om de rauwe, persoonlijke emoties van het front over te brengen. Daarom wil Luyendijk daar geen deel meer van uitmaken. Als voormalig journalist gaat hij nu vaak naar Oekraïne in de rol van ‘engagé’.

Luyendijk manifesteert zich niet langer als de analyserende buitenstaander, maar als een fel geëngageerd denker die vindt dat de tijd van vrijblijvende journalistieke neutraliteit voorbij is. Ik realiseerde me dat dit standpunt volledig aansluit bij wat ik in mijn boek ‘The GreenXtreme’ probeer (lees: aan het proberen ben) te beweren. Dat project dreigt echter een eeuwige aanklacht in spe te blijven, terwijl bij Luyendijk de persoonlijke ontwikkeling richting doen in plaats van toekijken (maar ook het formuleren van deze overgang), veel sneller is gegaan. Zelfs mijn afgunst hierover deed me niet voor hem en dit vraaggesprek terugdeinsen. Ik bespeurde ook niets meer van ijdelheid of pedanterie bij hem. Hij is echt een toegewijd betrokkene geworden, een ware verdediger van onze democratische verworvenheden.

Hieronder volgt een samenvatting van zijn actuele wereldbeeld, zijn felle maatschappijkritiek en zijn psychologische ontleding van de “intellectualiserende klasse”. Ik heb hiervoor de podcast als bron genomen. Ik geloof niet dat er al een boek van hem uit is over deze nieuw ingeslagen weg. Hij heeft zich wel op een zelfde manier in een paar essays uitgelaten. Daarnaar verwijst hij in de uitzending, maar ik heb die (nog) niet gelezen.

​Luyendijk stelt dat Europa zich in een feitelijke oorlogstoestand bevindt. Het conflict in Oekraïne is in zijn ogen geen lokaal grensconflict, maar een gevecht aan ons eigen front. Mocht Oekraïne vallen, dan krijgt het regime van Poetin de beschikking over gigantische agrarische en technologische resources, en het meest ervaren leger van Europa. Dat de Russische autocratie daarna vrijwillig zal stoppen met het invallen van andere soevereine staten, noemt hij gevaarlijk wensdenken.

​Zijn vertrek uit de journalistiek is ingegeven door de strikte beroepsregels van het gilde; met name de eis tot objectiviteit en afstand nemen tot het onderwerp. Die neutraliteit beklemt hem. In tijden van existentiële dreiging ervaart Luyendijk de journalistieke plicht tot hoor en wederhoor en distantie als een keurslijf. Hij wil niet langer de gelegenheidsargumenten van beide kanten belichten, maar “zijn land dienen” door expliciet positie te kiezen. Hoewel hij de term activist accepteert, verkiest hij het Franse engagé. Hij herinnert de luisteraar eraan dat alle grote maatschappelijke verworvenheden – van vrouwenrechten tot de rechtsstaat – historisch gezien door activisten zijn bevochten op een onwillig establishment. Journalistiek reduceert grote existentiële crises (zoals oorlog of klimaatverandering) te vaak tot louter “content” die moet concurreren met triviale virale filmpjes.

Een substantieel deel van het gesprek besteedt Luyendijk aan een aanval op de houding van de Nederlandse publieke opinie en in het bijzonder de intellectuele elite. Hij introduceert hierbij de metafoor van de kinderboerderij die het bestaan van roofdieren is vergeten. Luyendijk verwijt gestudeerde mensen dat ze scepsis en nuance hebben verheven tot een doel op zich. Deze constante drang om te problematiseren, te relativeren en kanttekeningen te plaatsen, fungeert volgens hem als een comfortabele rechtvaardiging om zelf buiten schot te blijven en niets te hoeven riskeren. Hij haat deze apathie van de intellectuele klasse.

In vredestijd is intellectuele twijfel een sieraad van de democratie; in oorlogstijd werkt het verlammend. Luyendijk vergelijkt de houding van de presentator en zijn bubbel met iemand die naast een brandend huis staat te filosoferen of de vlammen wel écht zullen overslaan, in plaats van de brandslang te pakken. Deze ‘vredestijdhouding’ is in deze tijd zeer onwenselijk. Nederland lijdt aan de hardnekkige illusie dat een dictatuur en haar geopolitiek geweld op magische wijze stoppen bij de landsgrenzen. Hij trekt een parallel met de laconieke houding in de vroege dagen van de coronapandemie en de neutraliteitsillusie aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

​Het interview escaleert op een fascinerende manier wanneer Luyendijk de presentator aanvalt op diens professionele distantie. Hierin legt hij een directe verbinding met de thematiek uit zijn eerdere boek De zeven vinkjes. De mensen die de afgelopen tachtig jaar carrière hebben gemaakt in de top van de media en de politiek, zijn gesocialiseerd in risicomijdend gedrag, consensus en het strikt volgen van procedures. Dit specifieke type leider is volgens Luyendijk volstrekt ongeschikt voor crisistijd, waarin improvisatie, daadkracht en het nemen van grote risico’s vereist zijn. Hij spreekt van vervormd leiderschap.

Geprivilegieerde mannen (de zogeheten zevenvinkjesmannen) hebben nooit geleerd om werkelijke kwetsbaarheid te tonen, omdat ze overal het voordeel van de twijfel krijgen. Juist die weigering om de eigen kwetsbaarheid – en daarmee de existentiële angst voor de veranderende wereld – onder ogen te zien, creëert een psychologische weerstand. Men vlucht in de ironie, de tegenvraag en de nuchtere distantie om de interne paniek niet te hoeven voelen. Ik denk dat dit onvermogen tot kwetsbaarheid in zijn nieuwe boek ruimschoots aandacht zal krijgen.

Luyendijk pleit voor een collectieve rouwperiode over het wegvallen van het optimisme uit de jaren negentig. Het naïeve idee dat de hele wereld uiteindelijk zou transformeren naar een liberale, westerse democratie is definitief aan diggelen. De gedwongen terugval in een harde, binaire wereldorde is pijnlijk, maar de realiteit moet onder ogen worden gezien.

Volgens Luyendijk verdrijft handelen de angst. Door concreet bij te dragen aan de defensie-industrie, drones te ontwikkelen of humanitaire projecten op te zetten, verdwijnt de verlamming. Wie op het hek blijft zitten twijfelen, heeft de strijd in zijn eigen hoofd al verloren aan de Russische cognitieve oorlogvoering.

Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

Het theater van de knevelaars

Waarom de geconstrueerde leugen altijd struikelt over zijn eigen details.

Ik las dat Hans Croiset de ‘Blijvend Applaus Prijs’ heeft gekregen voor zijn complete oeuvre. Prachtig natuurlijk, maar bij het horen van die achternaam dwalen mijn gedachten steevast af naar Jules. Of beter gezegd, naar die ene, voor de hele familie zo pijnlijke vraag die er altijd aan voorafgaat: welke Croiset had die ontvoering door neonazi’s ook alweer in scène gezet? Het is een typisch geval van wat ik een ‘pleonasme/tautologie-verwarring’ noem; zo’n feitje dat je een paar keer in je leven opzoekt, om het vervolgens weer even vrolijk te vergeten omdat de kwestie je uiteindelijk toch te weinig interesseert.

Terwijl Quentin Tarantino in ‘Inglourious Basterds’ (2009) nazi’s liet merken om hun identiteit onuitwisbaar te maken, hanteerde Jules Croiset het mes in 1987 in spiegelbeeld; hij kerfde het hakenkruis in eigen vlees om een fictieve dadergroep tot leven te wekken. Een macaber staaltje theater dat de gendarmerie al snel als ‘too much information’ doorzag. Het is een even fascinerende als tragische les in opsporingspsychologie. De leugenaar struikelt zelden omdat hij te weinig vertelt, maar omdat hij de werkelijkheid dwingend wil dicteren. Hij overschreeuwt de waarheid met een overvloed aan details, onwetend dat diezelfde details zich als getuigen tegen hem zullen keren.

Het bleek dus om Jules te gaan, de jongere broer. Zijn naam – en die van de rest van de dynastie – raakte in 1987 voorgoed bezoedeld in Namen in België (what’s in a name?). Juist daar zou hij in een hinderlaag zijn gelokt. Hij werd er in een “grote, donkere auto” geduwd en door deze “knevelaars” (echt zo’n theatraal Jules Croiset-woord) onder het uiten van antisemitische dreigementen richting de Franse grens gevoerd.

De zeventigjarige carrière van de negentigjarige Hans interesseert me subiet geen snars meer. Ik wil weer even alles van deze kidnapping weten, of liever: van de “faux-ontvoering” zoals de Belgische gendarmerie het eufemistisch doopte, nadat zij de feitelijke onmogelijkheden van het scenario hadden blootgelegd. Jules wist de recherche in eerste instantie met veel details te voeden, maar hij hield geen rekening met de nuchterheid waarmee zij zijn fantastische scenario naast de logistieke realiteit van zijn Franse soloritje legden.

Hier loopt de geconstrueerde werkelijkheid steevast in de klassieke val: de absolute controle willen behouden door middel van details. Wie de waarheid spreekt, hoeft alleen maar te putten uit een rommelig, organisch geheugen vol gaten en vage herinneringen. Wie daarentegen een leugen fabriceert, voelt de dwingende noodzaak om de toehoorder preventief te overtuigen. Elke ruimte voor twijfel moet vooraf worden geëlimineerd; dus wordt het verhaal dichtgetimmerd met ankerpunten, citaten, logistieke feiten en emotionele inkleuring. Wat de fantast echter over het hoofd ziet, is dat elk verzonnen detail geen versterking van zijn vesting vormt, maar een nieuw feit dat zich pijnlijk leent voor controle. Juist hier openbaart zich de paradox van de overdaad: de leugen verdrinkt niet in een gebrek aan fantasie, maar in een fatale overvloed ervan. Het perfecte script geldt paradoxaal genoeg altijd als de eerste aanwijzing dat er geregisseerd wordt.

Kijken we met die psychologische bril naar Jules Croiset, dan zie je de acteur onwillekeurig de regieaanwijzingen dicteren. Een daadwerkelijk getraumatiseerd slachtoffer van een ontvoering herinnert zich na een bevrijding meestal slechts flarden; de textuur van een bekleding, een specifieke geur of het vage verstrijken van de tijd. Jules niet. Jules herinnerde zich een complete theaterproductie.

Hij wist de gendarmerie destijds haarscherp te vertellen hoe de antisemitische dialogen in die grote, donkere auto klonken, kon de politieke motieven van zijn knevelaars tot in detail fileren en schetste een motief dat zo naadloos paste bij de maatschappelijke storm rond het Fassbinder-toneelstuk, waarin hij een rol vertolkte, dat het wel móést kloppen. Elk personage in zijn auto sprak precies zoals de buitenwereld dacht dat een neonazi zou spreken. Het was dramaturgisch vlekkeloos.

Om dit huiveringwekkende relaas van de vermeende ‘fascistische dreiging’ van het ultieme bewijs te voorzien, ging Croiset in zijn zucht naar realisme zelfs over tot fysieke enscenering. Hij toonde de verbijsterde autoriteiten zijn ontblote borstkas, waarin de ontvoerders met een mes een hakenkruis zouden hebben gekerfd. Het was een even macabere als theatrale afleidingsmanoeuvre; een moreel schild dat kritische vragen kortstondig onmogelijk maakte. Wie twijfelt er immers aan een man die de littekens van de haat fysiek met zich meedraagt?

Precies op die schijnbare perfectie liep hij vast. Het bleek de ultieme overdaad in zijn paradoxale constructie. De rechercheurs in Namen lieten zich namelijk niet gijzelen door de enorme emotionele lading van dit antisemitische drama. Terwijl de publieke opinie in Nederland nog trilde op haar grondvesten, hielden de Belgen het hoofd koel; zij ruilden de morele verontwaardiging in voor de landkaart en de stopwatch. Toen zij de theoretische rijtijden naast de werkelijke chronologie legden, de getuigenverklaringen ter plekke controleerden – waar niemand een worsteling rond een grote auto had gezien – en de benzinetank van Croisets eigen wagen peilden, bleek de logistieke realiteit sterker dan het script. De acteur had simpelweg te veel kruisjes op de kaart gezet.

Toen de gendarmerie hem vervolgens confronteerde met de medische realiteit van het hakenkruis – dat qua hoek en diepte verdacht veel weghad van een zelftoegebrachte wond – en hem ook nog vroeg hoe hij zichzelf met een acrobatisch vernuft dat de gemiddelde boeienkoning jaloers zou maken had weten vast te binden in die Franse kelder, stortte het kaartenhuis in. Het spel was uit. De fantasie was te zwaar geworden voor de dunne ijslaag van de werkelijkheid. Jules bekende dat hij de autorit alleen had afgelegd, de brieven zelf had getypt en het mes in eigen hand had genomen.

In Inglourious Basterds dwingt Aldo Raine de nazi’s om hun ware aard voor altijd op hun voorhoofd te dragen; Jules Croiset kerfde het symbool daarentegen in zijn eigen borst om te veinzen dat hij door hen was belaagd. Dezelfde plastische handeling, maar met een volslagen omgekeerde psychologische dynamiek. Ik ga hier zo op door omdat ik stomtoevallig die film weer eens had opgezet, geheel onwetend dat ik de volgende dag, door de prijstoekenning aan Hans Croiset, aan de automutilatie van zijn broer zou worden herinnerd.

Lezersreactie:

Goed bezig Ronald. Als jij je eenmaal ergens in vastbijt…
(Gertrud Wiesenthal, Braunau am Inn)

Mijn reactie:

Jazeker, Gertrud. En ik zou iedereen die iets te verbergen heeft op neo-nazigebied willen meegeven: treed nooit te veel in detail. Dat is mijn parool aan de zelfverloochenaar: tuig geen complex, overgedetailleerd alternatief verhaal op om een dubieus verleden mee af te dekken. Verdruk de ware geschiedenis als je dat niet kunt laten, maar strooi geen overdaad aan zand in mijn ogen. Dat wekt de onderzoeksjournalist in mij acuut uit zijn tent. Bedenk wel, dat ik afstam van een verzetsman én krantenjongen; het opsporen van verzwegen geschiedenissen zit me in het bloed.
Dank voor je reactie, Gertrud. Hoe staat het met jouw eigen onderzoeken daar? Ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen? We schrijven elkaar weer snel.

De VS hebben hun beste president vermoord

…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.

Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.

Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.

Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.

Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.

De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.

Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.

Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.

Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag

Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.

De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.

Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.

Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.

Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.

Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.

Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.

Overleven tussen bomen

Leven buiten de ‘beschaving’ als droom, vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Het overleef je in de bossen? Die vraag klinkt tegenwoordig bijna romantisch. We denken aan tiny houses, permacultuur, off-grid leven en de vrijheid van een bestaan dicht bij de natuur. Maar dezelfde vraag kreeg in andere tijden en op andere plekken een totaal andere betekenis. Voor Papoea’s was leven in en met de natuur eeuwenlang vanzelfsprekend. Voor onderduikende Joden tijdens de oorlog werd kennis van het landschap een kwestie van leven of dood. Ja, voor hedendaagse earthshipbouwers of zelfvoorzieningsdromers is het vaak een experiment; soms ideologisch, soms existentieel. Toch hebben die werelden iets gemeen: ze laten zien dat natuurkennis nooit vrijblijvend is geweest.

Bosverblijven: een tiny house, een onderduikershol en een papoeahut. Wie zoekt naar de blauwdruk van een leven dat naadloos aansluit bij onze menselijke biologie, komt onherroepelijk uit bij de Papoea’s; althans, bij hun bestaan voordat de westerse bemoeizucht de natuurlijke orde kwam herindelen. Critici zullen direct de traditie van het koppensnellen of kannibalisme opvoeren als bewijs voor een ‘onbeschaafd’ tekort. Maar laten we eerlijk zijn: wie het gedrag van andere primaten of roofdieren bestudeert, ziet dat geweld een integraal onderdeel is van overleving. De westerse mens is de enige diersoort die zijn eigen agressie heeft gelegaliseerd in wetboeken, om vervolgens verbaasd te kijken naar de onversneden wreedheid van het ecosysteem.

De tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden zette mij opnieuw aan het denken over wat het eigenlijk betekent om ‘in de natuur’ te leven. In het Westen beschouwen we zo’n bestaan vaak als primitief of als een gebrek aan ontwikkeling. Maar wie kijkt naar de kennis die volkeren als de Papoea’s gedurende eeuwen opbouwden, ziet eerder het tegenovergestelde. Weten welke planten eetbaar zijn, hoe je water vindt, hoe je een onderkomen bouwt uit wat het landschap biedt, hoe je leeft zonder het ecosysteem direct uit te putten, dat is geen romantische hobby, maar een vorm van beschaving op zichzelf. Misschien alleen een beschaving die niet gebouwd werd uit beton, plastic, asfalt, algoritmes en spreadsheets.

Een heel andere betekenis krijgt die natuurkennis in de verhalen rond de Zefat-groep, waarover een vriend van mij samen met Ab van Dien een filmproject maakte voor Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daar werd het bos geen plek van vrijheid of harmonie, maar een schuilplaats. Mensen groeven kuilen om zichzelf verborgen te houden, letterlijk wegzakkend in de aarde om te kunnen overleven. Het confronteert je met een ongemakkelijke waarheid: de natuur beschermt niemand vanzelf. Zonder kennis van terrein, seizoenen, camouflage en foerageren wordt een bos eerder een vijand dan een toevluchtsoord. Het idee van ‘off-grid leven’ klinkt anders wanneer het geen keuze meer is, maar een laatste mogelijkheid.

Toch herken ik ergens ook de aantrekkingskracht van dat andere perspectief: het verlangen naar een eenvoudiger bestaan, in een tiny house tussen bomen, omringd door een permacultuur die misschien genoeg oplevert om jezelf en anderen te voeden. Niet uit pure noodzaak, maar uit onvrede met een wereld die steeds drukker, kunstmatiger en afhankelijker aanvoelt. Earthships, zelfvoorzienende woningen en off-grid experimenten lijken soms moderne pogingen om iets terug te vinden wat verloren is gegaan. Tegelijk schuilt daar misschien ook een paradox in. Veel mensen – ikzelf inbegrepen – kunnen over zo’n leven fantaseren juist omdat we zijn opgegroeid in een samenleving waarin supermarkten, elektriciteit en infrastructuur vrijwel altijd beschikbaar zijn. De romantiek van zelfvoorziening ontstaat vaak pas op het moment dat echte afhankelijkheid verdwenen is.

Toch is er nog iets dat deze drie werelden met elkaar verbindt. Geen van hen blijkt uiteindelijk onaantastbaar. Iedere vorm van leven buiten de moderne beschaving staat onder druk, al gebeurt dat telkens op een andere manier.

Voor veel Papoea-gemeenschappen wordt een eeuwenoude levenswijze langzaam afgebroken door een oprukkende buitenwereld. Zendingsdrang, economische exploitatie, ontbossing en klimaatverandering dringen gebieden binnen waar mens en natuur ooit een vanzelfsprekende eenheid vormden. Wat voor buitenstaanders soms als “achtergebleven” werd gezien, blijkt ondertussen juist kennis te bevatten die de moderne wereld grotendeels is kwijtgeraakt. Ironisch genoeg vernietigt dezelfde beschaving die zichzelf als vooruitgang presenteert vaak precies datgene wat zij zegt te willen beschermen: cultureel evenwicht, biodiversiteit en verbondenheid met de leefomgeving.

Ook de onderduiker leeft in een wereld die voortdurend dreigt te verdwijnen. Niet langzaam, maar abrupt. Eén moment van verraad, één strenge winter, één tekort aan voedsel kan het einde betekenen. Het geïmproviseerde bestaan in bossen, holen of zelfgegraven kuilen vraagt een lichamelijke en geestelijke hardheid die nauwelijks voorstelbaar is voor wie veiligheid gewend is. De natuur wordt daar geen romantisch decor, maar een plek waar kou, honger en angst voortdurend aanwezig blijven. Overleven betekent er niet terugkeren naar eenvoud, maar dag na dag proberen mens te blijven onder onmenselijke omstandigheden.

En dan is er de moderne dromer, die misschien vrijwillig tussen de bomen wil leven, maar ontdekt hoe moeilijk het is om werkelijk afstand te nemen van de wereld die hij bekritiseert. Veel dromen over zelfvoorziening ontstaan juist in samenlevingen waarin bijna niemand nog écht afhankelijk is van eigen natuurkennis. Dat maakt het verlangen oprecht, maar ook tegenstrijdig. De moderne maatschappij blijft trekken, verleiden en sussen. Comfort blijkt moeilijker los te laten dan ideologie. Wie droomt van een eenvoudig bestaan merkt vaak hoe diep hij ongemerkt verweven is geraakt met elektriciteit, speciaalzaken, digitale netwerken en ander gemak. Misschien lijkt dat op iemand die wil afvallen terwijl overal voedsel wordt aangeboden: niet gebrek aan overtuiging vormt het grootste obstakel, maar de constante aanwezigheid van verleiding. De materialistische wereld die we vervloeken, is vaak dezelfde wereld waarvan we afhankelijk zijn geworden.

Misschien vormen de Papoea’s wel de ultieme belichaming van een leven dat werkelijk ‘klopt’; tenminste, als we het hebben over hun leven voordat onze bemoeizuchtige ‘beschaving’ de boel kwam verstoren. Natuurlijk hoor ik de morele verontwaardiging over koppensnellen en kannibalisme; praktijken die inderdaad lastig te verkopen zijn in een glossy tijdschrift. Maar wie de mens als zoogdier beschouwt in plaats van als moreel superieur wezen, ziet dat de natuur nooit een ethische commissie heeft aangesteld. Wij vinden hun geweld primitief, maar onze eigen methoden om de wereld te vernietigen zijn simpelweg efficiënter georganiseerd.

Het filmproject ‘Van de stobbe en de bossen’, waarover in dit blogbericht wordt gesproken, werd gemaakt door Martin van den Oever en Petra Timmer samen met Ab van Dien voor herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch museum.

Collateral Damage

Op zoek naar contact met De Connectie.

Er staat een groot kantorencomplex aan de Eusebiusbuitensingel. Deze singel bevindt zich in het historisch beladen gebied rondom een brug die beroemd werd bij de Slag om Arnhem. Het primaire doel van de geallieerde bombardementen was die Rijnbrug zelf te treffen, zodat de Duitsers deze niet konden gebruiken of verdedigen. Een primair doel heeft echter vaak een secundair effect. In dit geval betekende dit dat de directe omgeving onvermijdelijk beschadigd raakte door de onnauwkeurigheid van de bombardementen.

Aan de achterkant van het ‘sfeervolle’ gebouw bevindt zich een ‘expeditiehof’ met één deur waarachter ik ook al niet moest zijn. De schimmige bureaucratie van de ambtenarij bezit een kantoorlogica die de brandstof lijkt te vormen voor het soort van misverstanden waar je vaak tegen aanloopt bij deze instanties.

Bekijk het kantorencomplex en je ziet causale verbanden. Het gevolg van de bijwerkingen en uitwerkingen van goedbedoelde aanvallen was een zwaargetroffen terrein dat na de oorlog werd platgebulldozerd. Dit braakliggende perceel vroeg om bebouwing. Die bouwdrang leidde tot een architectonisch gedrocht. In dat gedrocht werken nu gemeente-ambtenaren met een sick-building-sydrome. Het is handig om dit in je op te slaan als je als postbode een pakketje bij de balie gaat afgeven dat niet door de brievenbussen 49, 51 of 53 buiten past.

Op het pakketje staat trouwens een huisnummer dat niet correspondeert met één van die buitengleuven. Dat is ook de reden dat de dame aan de balie het weigert aan te nemen. Ik heb het gebouw dan al drie keer omcirkeld. Er is nergens een brievenbus voor nummer 15. Dat wil niet zeggen dat de geadresseerde, genaamd De Connectie, een verzonnen onderneming is. Integendeel; de dame aan de balie kan bevestigen dat De Connectie zich in het gebouw bevindt waarvan zij de baliemedewerkster is. Ze kan echter geen pakketje aannemen met een nummer dat niet bestaat.

Waar ik dan wel moet zijn? Dat krijgt ze niet goed uitgelegd. Ik besluit het gebouw nog eenmaal te omcirkelen. Aan de achterkant zie ik duidelijk De Connectie als logo op een gevel staan. Toevallig houden een paar medewerkers buiten pauze. Ik betrek ze bij mijn zoektocht. Ze reageren alleraardigst en kijken met mij mee. Ze komen er voor het eerst in hun carrière achter dat hun organisatie geen brievenbus bevat. Ergens voorbij een slagboom, op een binnenruimte die niet bestemd is voor onbevoegden, bevindt zich wel een deur waarboven expeditie staat.

Om hier iemand te spreken te krijgen, moet je een huisnummer invoeren en op een belsymbooltje drukken. 15 geeft geen soelaas. Dan maar een nummer van één van de brievenbussen die ik ken. Ik probeer 51 en krijg zowaar de vrouw van de balie te spreken. Ze herhaalt dat ik verkeerd zit maar er gaat wel een deur open. Binnen zie ik iets dat lijkt op een expeditieruimte. Een medewerker zegt dat ik post voor nummer 15 op de nummers 53 of 51 kan bezorgen. Ik zeg dat ik dat absoluut gedaan zou hebben als het buspakketje door de gleuf had gepast. In zo’n geval, adviseert hij, moet ik het maar bij de balie aldaar afgeven.

We zijn rond. Ik was nooit een fan van consumentenprogramma’s waarin je zag hoe mensen van het kastje naar de muur werden gestuurd. De triviale kleinzieligheid van bijvoorbeeld ‘Ook dat nog’ leek mij schadelijker voor kijkers dan het onrecht dat kopers was aangedaan. Die mensen hadden gewoon de oorlog niet meegemaakt. Ik wil niet beweren dat het verstandig is om dingen in verband te brengen met de oorlog, maar het kan handig zijn, voor het laten afvloeien van opwinding, om de oorzaak van een misverstand in een ver, en ingrijpend (dus minder pietluttig) verleden te plaatsen. Ik overweeg om terug te keren naar de balie en het pakje als een oefengranaat, over het hoofd van de dame, de werkruimte in te smijten.

Maar nee; ik plak een stickertje op het pakje met een kruisje bij zowel ‘geen brievenbus’ als bij ‘geweigerd’. Wij postbodes hebben altijd een rolletje met dat soort van plakkertjes in ons noodpakket. Eigenlijk weet ik al wat er gaat gebeuren: de collega die morgen deze wijk heeft, zal voor precies hetzelfde dilemma staan. Twee kruisjes op één stickertje, dat kan niet. Er mag altijd maar één reden worden opgegeven. Het pakketje gaat dus gewoon terug in het systeem. Vergeet niet dat PostNL nog met één been in de regeltjesjungle van de ambtenarij staat. Muggenzifterij is een ware kunstvorm geworden. En bovendien: is kleingeestigheid uiteindelijk niet wat iedereen bestaansrecht geeft?

Vandaag gedroeg ik mij postbode-onwaardig.

Als je meer dan één reden opgeeft, wordt je klacht niet erkend en zal het pakketje gewoon weer terug in het systeem gaan, ook al was de afwezigheid van een bus en een weigering precies wat er gebeurde.

Postscriptum
Een collega zei: “Ik zou je oplossing oncollegiaal vinden, als je me niet persoonlijk had ingelicht. Ik zal mij morgen bij die balie van mijn liefste kant laten zien. Het is de toon die de muziek maakt, Ronald.”

Wat zou jij doen?

Over Fräulein Schneider, angst en de stille medeplichtigheid van toeschouwers.

Fragment nummer 3 uit de brievenroman: De Liefdesbrigade

Lieve Onno,

Toen ik onlangs opnieuw luisterde naar What Would You Do? uit Cabaret, het lied waarin Fräulein Schneider haar verloving met de Joodse fruitverkoper Herr Schultz verbreekt, bleef ik lang stil zitten. De muziek van Kander en Ebb klonk ineens niet meer als een nummer uit een oude musical, maar als een spookachtige echo uit een tijd die nooit helemaal voorbij is. Er ligt iets beklemmends in de berusting waarmee ze zingt: “What would you do, if you were me?” Geen verwijt, geen oproep, slechts een vraag die zich in je vastbijt, omdat ze geen antwoord duldt.

Ik heb het lied vaak opgezet. Maar ditmaal hoorde ik iets anders: niet alleen het verhaal van een vrouw die buigt voor angst, maar een spiegel voor onszelf, voor het gemak waarmee we zwijgen wanneer het ingewikkeld wordt om niet te zwijgen. De moraal van Cabaret is nooit luid of heroïsch geweest. Ze schuilt in het alledaagse: in de huisbazin die liever niets riskeert, in de gasten die blijven drinken terwijl buiten de wereld kantelt. De musical is geen geschiedles, maar een anatomie van menselijke aanpassing.

Fräulein Schneider zingt niet om zich te verontschuldigen. Ze verdedigt haar keuze, of beter: haar onvermogen om te kiezen. Ze heeft een man ontmoet die haar goed behandelt, maar het antisemitisme om haar heen wordt voelbaar. Ze weet dat het niet goed is om de verloving te verbreken, maar ze weet ook dat ze zal lijden als ze dat niet doet. En dus kiest ze voor het zekere, voor de stilte, voor het meebuigen met de tijdgeest. In haar stem hoor je de vermoeidheid van iemand die al te veel stormen heeft overleefd.

Wanneer ze zingt “What would you do, if you were me?” vraagt ze niet om begrip, maar om medeplichtigheid. Ze trekt ons mee in haar redenering. Wie durft haar ongelijk te geven? Wie durft te zeggen: ik zou moediger zijn geweest? In die dubbelzinnigheid schuilt de kracht van het lied en de morele schrik van Cabaret.

Wat mij trof, was dat haar vraag vandaag nog steeds rondzingt, zij het op andere toonhoogte. Ik dacht aan de beelden uit Gaza, aan Israël, aan de doden aan beide kanten. Niet omdat ik die situaties met elkaar wil vergelijken — dat zou onzinnig en oneerbiedig zijn — maar omdat ik dezelfde menselijke reflex herken: de neiging om onze machteloosheid te vertalen in stilte, om onze angst te camoufleren met redelijkheid. Ik hoor jou en mij zeggen: “Het is te complex”, “Ik weet niet wat ik ervan moet vinden”, “Er is aan beide kanten schuld.” En natuurlijk is dat waar. Maar onder dat verstandige zwijgen sluimert iets van wat Fräulein Schneider zong: ik wil overleven, ik wil geen ruzie met de wereld.

Het is een ongemakkelijke gedachte, dat moraliteit niet verdwijnt in het kwaad zelf, maar in de voorfase, in de tijd van schouderophalen, van redelijke mensen die liever niets zeggen. Dat was de tijd van Cabaret: het Berlijn van de vroege jaren dertig, waar men nog danste terwijl de toekomst al besloten lag in de schaduw van de vlaggen. En dat is ook onze tijd, waarin we, omringd door informatie, steeds vaker niet weten wat we met kennis moeten doen.

Ik betrap mezelf op dezelfde houding. Ik volg het nieuws, ik lees de analyses, maar ik voel hoe woorden verdampen zodra het om schuld en verantwoordelijkheid gaat. Ik wil niemand veroordelen. Ik wil begrijpen. En dat begrip wordt al snel een deken waaronder de pijn verdwijnt. Zo werkt berusting; niet als keuze, maar als sluipende verdoving.

In die zin is Fräulein Schneider geen schurk. Ze is een mens die probeert te leven in een wereld die onveilig is geworden. Haar angst is begrijpelijk, haar berusting herkenbaar. Dat maakt haar verhaal zo huiveringwekkend: omdat het niet ver weg is. Ze is niet de ander. Ze is wij.

Ik denk dat we Cabaret daarom nog steeds nodig hebben. Niet om lessen te trekken over het verleden, maar om te zien hoe morele keuzes zich aankondigen in het klein; in gesprekken, in zwijgen, in het kiezen van comfort boven ongemak. De musical toont geen monsters, maar gewone mensen. De echte gruwel begint niet met haat, maar met de normalisering van angst.

Soms vraag ik me af hoe dat lied zou klinken als het vandaag werd gezongen. Niet in Berlijn, maar in onze wereld van ai-assistentie, socials en nieuwsfeeds. Misschien iets zachter, iets vermoeider. Misschien zou Fräulein Schneider niet meer zingen over haar verloving, maar over haar timeline; over hoe elke mening iemand boos maakt, en dus zwijgt ze maar. “What would you do?” is dan niet langer een excuus, maar een collectieve zucht: laat mij erbuiten.

En toch, in die zucht schuilt iets tragisch. Want wie zich laat verdoven, offert iets wezenlijks op: het vermogen tot empathie. En zonder empathie blijft alleen de rede over; koud, afstandelijk, functioneel. De rede zegt: het is ingewikkeld. Het hart zegt: dit doet pijn. En ergens tussen die twee stemmen zingt Fräulein Schneider nog steeds, zacht, maar hoorbaar, alsof ze ons waarschuwt voor het moment waarop rede verandert in lafheid.

Ik heb het lied meerdere keren teruggespeeld. Niet om te oordelen, maar om te luisteren naar wat er níét wordt gezegd. In de pauzes tussen de zinnen hoor je haar adem, haar angst, haar verlangen om te kunnen geloven dat ze niets verkeerd doet. En daarin ligt de kern van onze menselijke tragiek: we willen goed zijn, maar vooral veilig.

Wat zou ik doen? Wat zou jij doen? Het zijn vragen zonder antwoord, en misschien is dat precies de reden dat ze blijven spoken. Want zolang we ze blijven stellen, zijn we tenminste nog niet helemaal afgestompt.

Misschien is dat de troost die Cabaret ons biedt: niet de belofte van heldendom, maar de erkenning van onze broosheid. Fräulein Schneider zingt haar verontschuldiging niet uit trots, maar uit vermoeidheid. En ergens, in dat zachte “What would you do?”, hoor ik ook mezelf; niet als dader, niet als redder, maar als mens die probeert te begrijpen hoe angst en schuld zich met elkaar verstrengelen.

Ik weet het niet. Maar ik blijf luisteren.
Liefs van Gertrud Wiesental

Lieve Gertrud,

Dank je voor je brief, die me trof door haar helderheid en gevoeligheid. Wat jij schrijft over Cabaret en Fräulein Schneider raakt aan iets wat we zelden onder ogen durven zien: dat morele keuzes vaak niet plaatsvinden in momenten van groot drama, maar in de stiltes daartussen. Ik herken dat ongemakkelijke terrein waar rede en angst elkaar raken, het terrein waarop we proberen mens te blijven, zonder precies te weten wat dat nog betekent.

Je legt een link met het heden, en terecht. Ook ik betrap mezelf op dat ‘verstandige zwijgen’ waarover je schrijft. Wij behoren, denk ik, tot een kleine minderheid die zich niet fel heeft uitgesproken tegen Israël, niet uit onverschilligheid, maar uit een soort schroom. Veel mensen hebben het optreden van Netanjahu en zijn regering in Gaza als genocide aangemerkt. Behoren zij daarmee tot degenen die moedig zijn, die hun stem verheffen? En zijn wij dan degenen die zich verschuilen achter nuance, achter het verlangen om het van alle kanten te willen begrijpen?

Het is een pijnlijke vraag, omdat de grens tussen wijsheid en lafheid soms onzichtbaar wordt. Ik zie de spagaat waarin velen zich bevinden, niet in de laatste plaats joden zelf, die met afgrijzen zien hoe het lijden van hun volk wordt gebruikt als rechtvaardiging voor nieuw lijden. Ik moet dan denken aan Sam Harris, die ik zeer waardeer om zijn helder denken en zijn afkeer van dogmatisme, maar die nu, in zijn strijd tegen jihadistisch extremisme, misschien te weinig oog heeft voor het geweld dat aan Palestijnse zijde wordt geleden. Het lijkt bijna onmogelijk om te spreken zonder verstrikt te raken in schuld, geschiedenis en identiteit.

En dan die wrange omkering van de geschiedenis, die niemand graag hardop uitspreekt: wat ooit de Joden werd aangedaan, lijkt nu, in vertekende vorm, door sommigen in hun naam aan een ander volk aangedaan te worden. Alleen al die gedachte voelt als heiligschennis, en toch dringt ze zich op, omdat we niet blind kunnen zijn voor de beelden. Wie durft dan nog te spreken? En wie zwijgt er uit voorzichtigheid, uit respect, of uit angst voor misinterpretatie?

Misschien is dat het morele vacuüm waarin wij nu leven: dat spreken en zwijgen beide riskant zijn geworden. Het antisemitisme is niet verdwenen; het sluimert, en wordt door deze oorlog opnieuw gewekt, soms vermomd als politieke kritiek, soms schaamteloos en rauw. Tegelijk zien we hoe verontwaardiging omslaat in haat, en hoe woorden, zelfs goedbedoeld, hun onschuld verliezen.

Ik weet niet wat de juiste houding is. Misschien is er geen juiste. Wat ik wel weet, is dat jouw verwijzing naar Cabaret me eraan herinnert dat menselijke angst niet alleen morele zwakte is, maar ook een teken van onze kwetsbaarheid. Fräulein Schneider koos voor overleven, niet uit overtuiging maar uit uitputting. En ergens, in de echo van haar stem, hoor ik ook iets van ons; mensen die proberen te begrijpen, zonder te veroordelen, maar ook zonder te vluchten in relativering.

Je slotzin trof me: dat zolang we de vraag blijven stellen, we nog niet afgestompt zijn. Misschien is dat het enige wat ons rest: blijven luisteren, blijven vragen, en erkennen dat onze onzekerheid ook een vorm van menselijkheid is.

Met warme groet,
Onno van Dorreland

Hoe staat Sam Harris hierin?

Een kompas dat werkte in alle streken.

Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.

Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.

Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.

Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.

Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.

Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.

Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.

Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.

Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.

Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.

Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.

Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.

Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.

De stuka-piloot die niet stuk wilde

Een overlevingskunstenaar aan de verkeerde kant van het verleden.

Fragment nummer 2 uit van de brievenroman: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Na onze eerdere brieven, die me op een dieper niveau hebben geraakt dan ik had voorzien, merk ik dat mijn aandacht – misschien zelfs mijn waakzaamheid – is blijven hangen bij bepaalde historische figuren. In de context van onze gesprekken en jouw werk, kwam ik onlangs de naam tegen van iemand die ik nog niet kende: Hans-Ulrich Rudel.

Drie verschillende uitgaven van Mein Kriegstagebuch, het oorlogsdagboek van Hans-Ulrich Rudel, dat nog altijd populair is in ultra-rechtse kringen. Het geldt als lectuur onder deze hedendaagse populistische en neo-fascistische bewegingen om de verkeerde redenen. Onder hen wordt Rudel helaas als een cultheld beschouwd. Zij menen in zijn militarisme en onbuigzaamheid een ‘voorbeeld’ te zien. Het zou mooi zijn indien er een biografie verscheen die leesbaar was voor historisch geïnteresseerden die niet gecharmeerd zijn van autoritaire ideologieën maar zuiver het verhaal van het veelbewogen leven van Rudel als een historisch verslag willen overzien.

Gezien je historische kennis en je professionele inzet bij het blootleggen van hedendaagse extremistische netwerken, ga ik ervan uit dat deze naam je bekend is. Toch wil ik hem graag met je bespreken, misschien juist omdat ik benieuwd ben naar jouw blik, die steeds zo zorgvuldig en genuanceerd is.

Zoals je wellicht weet, was Rudel een van de meest onderscheiden soldaten van het Derde Rijk; door Hitler persoonlijk zelfs geëerd met het enige bestaande exemplaar van het Gouden Ridderkruis met Eikenloof, Zwaarden en Briljanten. Hij vloog duizenden missies, vernietigde honderden Sovjettanks, en werd ondanks zware verwondingen telkens weer ingezet. Zijn militaire dossier leest als een bizarre heldenepiek, waarin uithoudingsvermogen, fanatisme en loyaliteit op een griezelige manier samenkomen.

Wat me echter vooral trof – en waarover ik graag jouw visie zou horen – is Rudels rol ná de oorlog. Zijn onverbloemde nationaal-socialistische overtuigingen, zijn contacten met andere oud-nazi’s in Latijns-Amerika, en zijn publicaties waarin hij de nazi-ideologie geen strobreed in de weg legde, maken hem tot een van de beruchtste representanten van het naoorlogse revanchisme.

Zijn oorlogsdagboek, Mein Kriegstagebuch, is in sommige kringen haast een cultboek geworden. Het is opmerkelijk hoe open hij daarin spreekt, niet alleen over zijn militaire successen, maar ook over zijn ideologische overtuiging, die hij na de oorlog nauwelijks heeft afgezworen. Dat maakt het tot een beklemmend document: een combinatie van frontverslag, heldenverering en onverholen apologetiek.

Een stripalbum waarin Rudel wordt opgevoerd als een held van de tegenpartij.

Wat me bezig blijft houden – en ik zeg dit met de voorzichtigheid die onze briefwisseling inmiddels kenmerkt – is hoe deze figuren een zekere aantrekkingskracht blijven uitoefenen op mensen. Niet vanwege hun moorddadige ideeën, hoop ik, maar vanwege het aura van ‘kracht’, ‘trouw’ of ‘prestatie’ dat hen wordt toegeschreven. Hoe zie jij dat? Hoe duid je zo’n fascinatie in het licht van je werk?

Ik schrijf je dit niet vanuit sensatiezucht, maar uit een oprechte behoefte om te begrijpen hoe zulke verhalen blijven circuleren. En misschien ook om te toetsen waar bij jou de grenzen liggen tussen onderzoek, interesse, en morele afschuw; grenzen die jij eerder zo helder hebt kunnen markeren, en waarvan ik hoop dat je me opnieuw iets wilt uitleggen.

Met mijn warme groet, en in verbondenheid,
Onno van Dorreland

Lieve Onno,

Wat een merkwaardig toeval; of misschien moet ik zeggen: wat een onvermijdelijkheid in het grote archief dat onze herinneringen blijken te zijn. Want ja, ik ken hem, die Hans-Ulrich Rudel. En ik moet je bekennen dat ik mij, na jouw verwijzing, opnieuw in zijn levensloop heb verdiept. Dat wil zeggen: ik heb mij laten onderdompelen in wat gerust een mengeling van walging en bewondering genoemd mag worden.

Van eenvoudig Fahnenjunker (heerlijk, die barokke Duitse rangaanduidingen die ergens tussen opera en kazerne in hangen) tot succesvol Stukadoor. Je begrijpt mijn woordspeling, want hij was natuurlijk die gevreesde Stuka-piloot, specialist in het ‘pleisteren’ van Sovjettanks met bommen. En na een obligaat ‘Wir haben es nicht gewusst’ krijgsgevangene gespeeld te hebben — zijn militaire carrière eindigend met letterlijk geknakte vleugels want hij werd mank — bleef hij figuurlijk met zijn hoofd in de wolken, in de ideologische contreien van Argentinië.

Een man dus, die duidelijk zijn verdiende straf is ontlopen. Of beter gezegd: hem handig ontweken heeft, met een flair die ik met tegenzin als geniaal moet typeren. Ik denk dat zijn grote intelligentie hem meermaals uit penibele situaties heeft gered. Hij moet een listige piloot zijn geweest met een groot strategisch overzicht, een mensenkenner in zijn omgang met Hitler (die hij kennelijk met een zekere intimiteit ontmoette), een indrukwekkende, slinkse overste in zijn contact met de geallieerden, en een taaie overlever toen hij besloot te emigreren naar oorden waar de morele temperatuur milder was voor lieden van zijn soort.

Hij bleef zijn principes trouw, maar het waren niet de meest gezonde principes. Hij was, kortom, een rotzak die op onverklaarbare wijze respect afdwong. Al deze woorden zijn van mij. Wat mij nu intrigeert: is er ooit een fatsoenlijke biografie aan hem gewijd? Iemand die hem niet als held, maar als symptoom heeft durven beschrijven? Jij vraagt je dit ook af dus ik zal er verder onderzoek naar doen.

Ik steek niet graag de loftrompet af over iemand die tot het tegenkamp behoort, maar ik geloof dat ik moet constateren — met al mijn afkeer paraat — dat hij zonder meer de ‘beste’ soldaat was die de Tweede Wereldoorlog heeft voortgebracht. In de zin van: effectief, trouw, meedogenloos, onaantastbaar en ideologisch consistent tot in het graf. Het is een akelige gedachte. Maar de waarheid is zelden zacht.

Hartelijks,
Gertrud Wiesenthal

De neiging om Rudel als een held neer te zetten, ook aan geallieerde zijde, is groot; een neiging die zelden stil lijkt te staan bij zijn onverminderde trouw aan het nazisme.
Dat Rudel, een overtuigde nazi tot ver na de oorlog, nog steeds als luchtvaartheld wordt gevierd — ook door zijn voormalige tegenstanders — zegt meer over onze fascinatie voor moed dan over ons historisch besef.
De heldenstatus die Rudel ten deel valt, zelfs buiten nazi-gezinde kringen, roept vragen op over de scheiding die men meent te kunnen maken tussen technische bekwaamheid en moreel failliet.