De VS hebben hun beste president vermoord

…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.

Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.

Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.

Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.

Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.

De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.

Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.

Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.

Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag

Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.

De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.

Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.

Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.

Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.

Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.

Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.

Overleven tussen bomen

Leven buiten de ‘beschaving’ als droom, vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Het overleef je in de bossen? Die vraag klinkt tegenwoordig bijna romantisch. We denken aan tiny houses, permacultuur, off-grid leven en de vrijheid van een bestaan dicht bij de natuur. Maar dezelfde vraag kreeg in andere tijden en op andere plekken een totaal andere betekenis. Voor Papoea’s was leven in en met de natuur eeuwenlang vanzelfsprekend. Voor onderduikende Joden tijdens de oorlog werd kennis van het landschap een kwestie van leven of dood. Ja, voor hedendaagse earthshipbouwers of zelfvoorzieningsdromers is het vaak een experiment; soms ideologisch, soms existentieel. Toch hebben die werelden iets gemeen: ze laten zien dat natuurkennis nooit vrijblijvend is geweest.

Bosverblijven: een tiny house, een onderduikershol en een papoeahut. Wie zoekt naar de blauwdruk van een leven dat naadloos aansluit bij onze menselijke biologie, komt onherroepelijk uit bij de Papoea’s; althans, bij hun bestaan voordat de westerse bemoeizucht de natuurlijke orde kwam herindelen. Critici zullen direct de traditie van het koppensnellen of kannibalisme opvoeren als bewijs voor een ‘onbeschaafd’ tekort. Maar laten we eerlijk zijn: wie het gedrag van andere primaten of roofdieren bestudeert, ziet dat geweld een integraal onderdeel is van overleving. De westerse mens is de enige diersoort die zijn eigen agressie heeft gelegaliseerd in wetboeken, om vervolgens verbaasd te kijken naar de onversneden wreedheid van het ecosysteem.

De tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden zette mij opnieuw aan het denken over wat het eigenlijk betekent om ‘in de natuur’ te leven. In het Westen beschouwen we zo’n bestaan vaak als primitief of als een gebrek aan ontwikkeling. Maar wie kijkt naar de kennis die volkeren als de Papoea’s gedurende eeuwen opbouwden, ziet eerder het tegenovergestelde. Weten welke planten eetbaar zijn, hoe je water vindt, hoe je een onderkomen bouwt uit wat het landschap biedt, hoe je leeft zonder het ecosysteem direct uit te putten, dat is geen romantische hobby, maar een vorm van beschaving op zichzelf. Misschien alleen een beschaving die niet gebouwd werd uit beton, plastic, asfalt, algoritmes en spreadsheets.

Een heel andere betekenis krijgt die natuurkennis in de verhalen rond de Zefat-groep, waarover een vriend van mij samen met Ab van Dien een filmproject maakte voor Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daar werd het bos geen plek van vrijheid of harmonie, maar een schuilplaats. Mensen groeven kuilen om zichzelf verborgen te houden, letterlijk wegzakkend in de aarde om te kunnen overleven. Het confronteert je met een ongemakkelijke waarheid: de natuur beschermt niemand vanzelf. Zonder kennis van terrein, seizoenen, camouflage en foerageren wordt een bos eerder een vijand dan een toevluchtsoord. Het idee van ‘off-grid leven’ klinkt anders wanneer het geen keuze meer is, maar een laatste mogelijkheid.

Toch herken ik ergens ook de aantrekkingskracht van dat andere perspectief: het verlangen naar een eenvoudiger bestaan, in een tiny house tussen bomen, omringd door een permacultuur die misschien genoeg oplevert om jezelf en anderen te voeden. Niet uit pure noodzaak, maar uit onvrede met een wereld die steeds drukker, kunstmatiger en afhankelijker aanvoelt. Earthships, zelfvoorzienende woningen en off-grid experimenten lijken soms moderne pogingen om iets terug te vinden wat verloren is gegaan. Tegelijk schuilt daar misschien ook een paradox in. Veel mensen – ikzelf inbegrepen – kunnen over zo’n leven fantaseren juist omdat we zijn opgegroeid in een samenleving waarin supermarkten, elektriciteit en infrastructuur vrijwel altijd beschikbaar zijn. De romantiek van zelfvoorziening ontstaat vaak pas op het moment dat echte afhankelijkheid verdwenen is.

Toch is er nog iets dat deze drie werelden met elkaar verbindt. Geen van hen blijkt uiteindelijk onaantastbaar. Iedere vorm van leven buiten de moderne beschaving staat onder druk, al gebeurt dat telkens op een andere manier.

Voor veel Papoea-gemeenschappen wordt een eeuwenoude levenswijze langzaam afgebroken door een oprukkende buitenwereld. Zendingsdrang, economische exploitatie, ontbossing en klimaatverandering dringen gebieden binnen waar mens en natuur ooit een vanzelfsprekende eenheid vormden. Wat voor buitenstaanders soms als “achtergebleven” werd gezien, blijkt ondertussen juist kennis te bevatten die de moderne wereld grotendeels is kwijtgeraakt. Ironisch genoeg vernietigt dezelfde beschaving die zichzelf als vooruitgang presenteert vaak precies datgene wat zij zegt te willen beschermen: cultureel evenwicht, biodiversiteit en verbondenheid met de leefomgeving.

Ook de onderduiker leeft in een wereld die voortdurend dreigt te verdwijnen. Niet langzaam, maar abrupt. Eén moment van verraad, één strenge winter, één tekort aan voedsel kan het einde betekenen. Het geïmproviseerde bestaan in bossen, holen of zelfgegraven kuilen vraagt een lichamelijke en geestelijke hardheid die nauwelijks voorstelbaar is voor wie veiligheid gewend is. De natuur wordt daar geen romantisch decor, maar een plek waar kou, honger en angst voortdurend aanwezig blijven. Overleven betekent er niet terugkeren naar eenvoud, maar dag na dag proberen mens te blijven onder onmenselijke omstandigheden.

En dan is er de moderne dromer, die misschien vrijwillig tussen de bomen wil leven, maar ontdekt hoe moeilijk het is om werkelijk afstand te nemen van de wereld die hij bekritiseert. Veel dromen over zelfvoorziening ontstaan juist in samenlevingen waarin bijna niemand nog écht afhankelijk is van eigen natuurkennis. Dat maakt het verlangen oprecht, maar ook tegenstrijdig. De moderne maatschappij blijft trekken, verleiden en sussen. Comfort blijkt moeilijker los te laten dan ideologie. Wie droomt van een eenvoudig bestaan merkt vaak hoe diep hij ongemerkt verweven is geraakt met elektriciteit, speciaalzaken, digitale netwerken en ander gemak. Misschien lijkt dat op iemand die wil afvallen terwijl overal voedsel wordt aangeboden: niet gebrek aan overtuiging vormt het grootste obstakel, maar de constante aanwezigheid van verleiding. De materialistische wereld die we vervloeken, is vaak dezelfde wereld waarvan we afhankelijk zijn geworden.

Misschien vormen de Papoea’s wel de ultieme belichaming van een leven dat werkelijk ‘klopt’; tenminste, als we het hebben over hun leven voordat onze bemoeizuchtige ‘beschaving’ de boel kwam verstoren. Natuurlijk hoor ik de morele verontwaardiging over koppensnellen en kannibalisme; praktijken die inderdaad lastig te verkopen zijn in een glossy tijdschrift. Maar wie de mens als zoogdier beschouwt in plaats van als moreel superieur wezen, ziet dat de natuur nooit een ethische commissie heeft aangesteld. Wij vinden hun geweld primitief, maar onze eigen methoden om de wereld te vernietigen zijn simpelweg efficiënter georganiseerd.

Het filmproject ‘Van de stobbe en de bossen’, waarover in dit blogbericht wordt gesproken, werd gemaakt door Martin van den Oever en Petra Timmer samen met Ab van Dien voor herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch museum.

Collateral Damage

Op zoek naar contact met De Connectie.

Er staat een groot kantorencomplex aan de Eusebiusbuitensingel. Deze singel bevindt zich in het historisch beladen gebied rondom een brug die beroemd werd bij de Slag om Arnhem. Het primaire doel van de geallieerde bombardementen was die Rijnbrug zelf te treffen, zodat de Duitsers deze niet konden gebruiken of verdedigen. Een primair doel heeft echter vaak een secundair effect. In dit geval betekende dit dat de directe omgeving onvermijdelijk beschadigd raakte door de onnauwkeurigheid van de bombardementen.

Aan de achterkant van het ‘sfeervolle’ gebouw bevindt zich een ‘expeditiehof’ met één deur waarachter ik ook al niet moest zijn. De schimmige bureaucratie van de ambtenarij bezit een kantoorlogica die de brandstof lijkt te vormen voor het soort van misverstanden waar je vaak tegen aanloopt bij deze instanties.

Bekijk het kantorencomplex en je ziet causale verbanden. Het gevolg van de bijwerkingen en uitwerkingen van goedbedoelde aanvallen was een zwaargetroffen terrein dat na de oorlog werd platgebulldozerd. Dit braakliggende perceel vroeg om bebouwing. Die bouwdrang leidde tot een architectonisch gedrocht. In dat gedrocht werken nu gemeente-ambtenaren met een sick-building-sydrome. Het is handig om dit in je op te slaan als je als postbode een pakketje bij de balie gaat afgeven dat niet door de brievenbussen 49, 51 of 53 buiten past.

Op het pakketje staat trouwens een huisnummer dat niet correspondeert met één van die buitengleuven. Dat is ook de reden dat de dame aan de balie het weigert aan te nemen. Ik heb het gebouw dan al drie keer omcirkeld. Er is nergens een brievenbus voor nummer 15. Dat wil niet zeggen dat de geadresseerde, genaamd De Connectie, een verzonnen onderneming is. Integendeel; de dame aan de balie kan bevestigen dat De Connectie zich in het gebouw bevindt waarvan zij de baliemedewerkster is. Ze kan echter geen pakketje aannemen met een nummer dat niet bestaat.

Waar ik dan wel moet zijn? Dat krijgt ze niet goed uitgelegd. Ik besluit het gebouw nog eenmaal te omcirkelen. Aan de achterkant zie ik duidelijk De Connectie als logo op een gevel staan. Toevallig houden een paar medewerkers buiten pauze. Ik betrek ze bij mijn zoektocht. Ze reageren alleraardigst en kijken met mij mee. Ze komen er voor het eerst in hun carrière achter dat hun organisatie geen brievenbus bevat. Ergens voorbij een slagboom, op een binnenruimte die niet bestemd is voor onbevoegden, bevindt zich wel een deur waarboven expeditie staat.

Om hier iemand te spreken te krijgen, moet je een huisnummer invoeren en op een belsymbooltje drukken. 15 geeft geen soelaas. Dan maar een nummer van één van de brievenbussen die ik ken. Ik probeer 51 en krijg zowaar de vrouw van de balie te spreken. Ze herhaalt dat ik verkeerd zit maar er gaat wel een deur open. Binnen zie ik iets dat lijkt op een expeditieruimte. Een medewerker zegt dat ik post voor nummer 15 op de nummers 53 of 51 kan bezorgen. Ik zeg dat ik dat absoluut gedaan zou hebben als het buspakketje door de gleuf had gepast. In zo’n geval, adviseert hij, moet ik het maar bij de balie aldaar afgeven.

We zijn rond. Ik was nooit een fan van consumentenprogramma’s waarin je zag hoe mensen van het kastje naar de muur werden gestuurd. De triviale kleinzieligheid van bijvoorbeeld ‘Ook dat nog’ leek mij schadelijker voor kijkers dan het onrecht dat kopers was aangedaan. Die mensen hadden gewoon de oorlog niet meegemaakt. Ik wil niet beweren dat het verstandig is om dingen in verband te brengen met de oorlog, maar het kan handig zijn, voor het laten afvloeien van opwinding, om de oorzaak van een misverstand in een ver, en ingrijpend (dus minder pietluttig) verleden te plaatsen. Ik overweeg om terug te keren naar de balie en het pakje als een oefengranaat, over het hoofd van de dame, de werkruimte in te smijten.

Maar nee; ik plak een stickertje op het pakje met een kruisje bij zowel ‘geen brievenbus’ als bij ‘geweigerd’. Wij postbodes hebben altijd een rolletje met dat soort van plakkertjes in ons noodpakket. Eigenlijk weet ik al wat er gaat gebeuren: de collega die morgen deze wijk heeft, zal voor precies hetzelfde dilemma staan. Twee kruisjes op één stickertje, dat kan niet. Er mag altijd maar één reden worden opgegeven. Het pakketje gaat dus gewoon terug in het systeem. Vergeet niet dat PostNL nog met één been in de regeltjesjungle van de ambtenarij staat. Muggenzifterij is een ware kunstvorm geworden. En bovendien: is kleingeestigheid uiteindelijk niet wat iedereen bestaansrecht geeft?

Vandaag gedroeg ik mij postbode-onwaardig.

Als je meer dan één reden opgeeft, wordt je klacht niet erkend en zal het pakketje gewoon weer terug in het systeem gaan, ook al was de afwezigheid van een bus en een weigering precies wat er gebeurde.

Postscriptum
Een collega zei: “Ik zou je oplossing oncollegiaal vinden, als je me niet persoonlijk had ingelicht. Ik zal mij morgen bij die balie van mijn liefste kant laten zien. Het is de toon die de muziek maakt, Ronald.”

Wat zou jij doen?

Over Fräulein Schneider, angst en de stille medeplichtigheid van toeschouwers.

Fragment nummer 3 uit de brievenroman: De Liefdesbrigade

Lieve Onno,

Toen ik onlangs opnieuw luisterde naar What Would You Do? uit Cabaret, het lied waarin Fräulein Schneider haar verloving met de Joodse fruitverkoper Herr Schultz verbreekt, bleef ik lang stil zitten. De muziek van Kander en Ebb klonk ineens niet meer als een nummer uit een oude musical, maar als een spookachtige echo uit een tijd die nooit helemaal voorbij is. Er ligt iets beklemmends in de berusting waarmee ze zingt: “What would you do, if you were me?” Geen verwijt, geen oproep, slechts een vraag die zich in je vastbijt, omdat ze geen antwoord duldt.

Ik heb het lied vaak opgezet. Maar ditmaal hoorde ik iets anders: niet alleen het verhaal van een vrouw die buigt voor angst, maar een spiegel voor onszelf, voor het gemak waarmee we zwijgen wanneer het ingewikkeld wordt om niet te zwijgen. De moraal van Cabaret is nooit luid of heroïsch geweest. Ze schuilt in het alledaagse: in de huisbazin die liever niets riskeert, in de gasten die blijven drinken terwijl buiten de wereld kantelt. De musical is geen geschiedles, maar een anatomie van menselijke aanpassing.

Fräulein Schneider zingt niet om zich te verontschuldigen. Ze verdedigt haar keuze, of beter: haar onvermogen om te kiezen. Ze heeft een man ontmoet die haar goed behandelt, maar het antisemitisme om haar heen wordt voelbaar. Ze weet dat het niet goed is om de verloving te verbreken, maar ze weet ook dat ze zal lijden als ze dat niet doet. En dus kiest ze voor het zekere, voor de stilte, voor het meebuigen met de tijdgeest. In haar stem hoor je de vermoeidheid van iemand die al te veel stormen heeft overleefd.

Wanneer ze zingt “What would you do, if you were me?” vraagt ze niet om begrip, maar om medeplichtigheid. Ze trekt ons mee in haar redenering. Wie durft haar ongelijk te geven? Wie durft te zeggen: ik zou moediger zijn geweest? In die dubbelzinnigheid schuilt de kracht van het lied en de morele schrik van Cabaret.

Wat mij trof, was dat haar vraag vandaag nog steeds rondzingt, zij het op andere toonhoogte. Ik dacht aan de beelden uit Gaza, aan Israël, aan de doden aan beide kanten. Niet omdat ik die situaties met elkaar wil vergelijken — dat zou onzinnig en oneerbiedig zijn — maar omdat ik dezelfde menselijke reflex herken: de neiging om onze machteloosheid te vertalen in stilte, om onze angst te camoufleren met redelijkheid. Ik hoor jou en mij zeggen: “Het is te complex”, “Ik weet niet wat ik ervan moet vinden”, “Er is aan beide kanten schuld.” En natuurlijk is dat waar. Maar onder dat verstandige zwijgen sluimert iets van wat Fräulein Schneider zong: ik wil overleven, ik wil geen ruzie met de wereld.

Het is een ongemakkelijke gedachte, dat moraliteit niet verdwijnt in het kwaad zelf, maar in de voorfase, in de tijd van schouderophalen, van redelijke mensen die liever niets zeggen. Dat was de tijd van Cabaret: het Berlijn van de vroege jaren dertig, waar men nog danste terwijl de toekomst al besloten lag in de schaduw van de vlaggen. En dat is ook onze tijd, waarin we, omringd door informatie, steeds vaker niet weten wat we met kennis moeten doen.

Ik betrap mezelf op dezelfde houding. Ik volg het nieuws, ik lees de analyses, maar ik voel hoe woorden verdampen zodra het om schuld en verantwoordelijkheid gaat. Ik wil niemand veroordelen. Ik wil begrijpen. En dat begrip wordt al snel een deken waaronder de pijn verdwijnt. Zo werkt berusting; niet als keuze, maar als sluipende verdoving.

In die zin is Fräulein Schneider geen schurk. Ze is een mens die probeert te leven in een wereld die onveilig is geworden. Haar angst is begrijpelijk, haar berusting herkenbaar. Dat maakt haar verhaal zo huiveringwekkend: omdat het niet ver weg is. Ze is niet de ander. Ze is wij.

Ik denk dat we Cabaret daarom nog steeds nodig hebben. Niet om lessen te trekken over het verleden, maar om te zien hoe morele keuzes zich aankondigen in het klein; in gesprekken, in zwijgen, in het kiezen van comfort boven ongemak. De musical toont geen monsters, maar gewone mensen. De echte gruwel begint niet met haat, maar met de normalisering van angst.

Soms vraag ik me af hoe dat lied zou klinken als het vandaag werd gezongen. Niet in Berlijn, maar in onze wereld van ai-assistentie, socials en nieuwsfeeds. Misschien iets zachter, iets vermoeider. Misschien zou Fräulein Schneider niet meer zingen over haar verloving, maar over haar timeline; over hoe elke mening iemand boos maakt, en dus zwijgt ze maar. “What would you do?” is dan niet langer een excuus, maar een collectieve zucht: laat mij erbuiten.

En toch, in die zucht schuilt iets tragisch. Want wie zich laat verdoven, offert iets wezenlijks op: het vermogen tot empathie. En zonder empathie blijft alleen de rede over; koud, afstandelijk, functioneel. De rede zegt: het is ingewikkeld. Het hart zegt: dit doet pijn. En ergens tussen die twee stemmen zingt Fräulein Schneider nog steeds, zacht, maar hoorbaar, alsof ze ons waarschuwt voor het moment waarop rede verandert in lafheid.

Ik heb het lied meerdere keren teruggespeeld. Niet om te oordelen, maar om te luisteren naar wat er níét wordt gezegd. In de pauzes tussen de zinnen hoor je haar adem, haar angst, haar verlangen om te kunnen geloven dat ze niets verkeerd doet. En daarin ligt de kern van onze menselijke tragiek: we willen goed zijn, maar vooral veilig.

Wat zou ik doen? Wat zou jij doen? Het zijn vragen zonder antwoord, en misschien is dat precies de reden dat ze blijven spoken. Want zolang we ze blijven stellen, zijn we tenminste nog niet helemaal afgestompt.

Misschien is dat de troost die Cabaret ons biedt: niet de belofte van heldendom, maar de erkenning van onze broosheid. Fräulein Schneider zingt haar verontschuldiging niet uit trots, maar uit vermoeidheid. En ergens, in dat zachte “What would you do?”, hoor ik ook mezelf; niet als dader, niet als redder, maar als mens die probeert te begrijpen hoe angst en schuld zich met elkaar verstrengelen.

Ik weet het niet. Maar ik blijf luisteren.
Liefs van Gertrud Wiesental

Lieve Gertrud,

Dank je voor je brief, die me trof door haar helderheid en gevoeligheid. Wat jij schrijft over Cabaret en Fräulein Schneider raakt aan iets wat we zelden onder ogen durven zien: dat morele keuzes vaak niet plaatsvinden in momenten van groot drama, maar in de stiltes daartussen. Ik herken dat ongemakkelijke terrein waar rede en angst elkaar raken, het terrein waarop we proberen mens te blijven, zonder precies te weten wat dat nog betekent.

Je legt een link met het heden, en terecht. Ook ik betrap mezelf op dat ‘verstandige zwijgen’ waarover je schrijft. Wij behoren, denk ik, tot een kleine minderheid die zich niet fel heeft uitgesproken tegen Israël, niet uit onverschilligheid, maar uit een soort schroom. Veel mensen hebben het optreden van Netanjahu en zijn regering in Gaza als genocide aangemerkt. Behoren zij daarmee tot degenen die moedig zijn, die hun stem verheffen? En zijn wij dan degenen die zich verschuilen achter nuance, achter het verlangen om het van alle kanten te willen begrijpen?

Het is een pijnlijke vraag, omdat de grens tussen wijsheid en lafheid soms onzichtbaar wordt. Ik zie de spagaat waarin velen zich bevinden, niet in de laatste plaats joden zelf, die met afgrijzen zien hoe het lijden van hun volk wordt gebruikt als rechtvaardiging voor nieuw lijden. Ik moet dan denken aan Sam Harris, die ik zeer waardeer om zijn helder denken en zijn afkeer van dogmatisme, maar die nu, in zijn strijd tegen jihadistisch extremisme, misschien te weinig oog heeft voor het geweld dat aan Palestijnse zijde wordt geleden. Het lijkt bijna onmogelijk om te spreken zonder verstrikt te raken in schuld, geschiedenis en identiteit.

En dan die wrange omkering van de geschiedenis, die niemand graag hardop uitspreekt: wat ooit de Joden werd aangedaan, lijkt nu, in vertekende vorm, door sommigen in hun naam aan een ander volk aangedaan te worden. Alleen al die gedachte voelt als heiligschennis, en toch dringt ze zich op, omdat we niet blind kunnen zijn voor de beelden. Wie durft dan nog te spreken? En wie zwijgt er uit voorzichtigheid, uit respect, of uit angst voor misinterpretatie?

Misschien is dat het morele vacuüm waarin wij nu leven: dat spreken en zwijgen beide riskant zijn geworden. Het antisemitisme is niet verdwenen; het sluimert, en wordt door deze oorlog opnieuw gewekt, soms vermomd als politieke kritiek, soms schaamteloos en rauw. Tegelijk zien we hoe verontwaardiging omslaat in haat, en hoe woorden, zelfs goedbedoeld, hun onschuld verliezen.

Ik weet niet wat de juiste houding is. Misschien is er geen juiste. Wat ik wel weet, is dat jouw verwijzing naar Cabaret me eraan herinnert dat menselijke angst niet alleen morele zwakte is, maar ook een teken van onze kwetsbaarheid. Fräulein Schneider koos voor overleven, niet uit overtuiging maar uit uitputting. En ergens, in de echo van haar stem, hoor ik ook iets van ons; mensen die proberen te begrijpen, zonder te veroordelen, maar ook zonder te vluchten in relativering.

Je slotzin trof me: dat zolang we de vraag blijven stellen, we nog niet afgestompt zijn. Misschien is dat het enige wat ons rest: blijven luisteren, blijven vragen, en erkennen dat onze onzekerheid ook een vorm van menselijkheid is.

Met warme groet,
Onno van Dorreland

Hoe staat Sam Harris hierin?

Een kompas dat werkte in alle streken.

Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.

Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.

Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.

Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.

Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.

Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.

Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.

Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.

Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.

Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.

Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.

Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.

Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.

De stuka-piloot die niet stuk wilde

Een overlevingskunstenaar aan de verkeerde kant van het verleden.

Fragment nummer 2 uit van de brievenroman: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Na onze eerdere brieven, die me op een dieper niveau hebben geraakt dan ik had voorzien, merk ik dat mijn aandacht – misschien zelfs mijn waakzaamheid – is blijven hangen bij bepaalde historische figuren. In de context van onze gesprekken en jouw werk, kwam ik onlangs de naam tegen van iemand die ik nog niet kende: Hans-Ulrich Rudel.

Drie verschillende uitgaven van Mein Kriegstagebuch, het oorlogsdagboek van Hans-Ulrich Rudel, dat nog altijd populair is in ultra-rechtse kringen. Het geldt als lectuur onder deze hedendaagse populistische en neo-fascistische bewegingen om de verkeerde redenen. Onder hen wordt Rudel helaas als een cultheld beschouwd. Zij menen in zijn militarisme en onbuigzaamheid een ‘voorbeeld’ te zien. Het zou mooi zijn indien er een biografie verscheen die leesbaar was voor historisch geïnteresseerden die niet gecharmeerd zijn van autoritaire ideologieën maar zuiver het verhaal van het veelbewogen leven van Rudel als een historisch verslag willen overzien.

Gezien je historische kennis en je professionele inzet bij het blootleggen van hedendaagse extremistische netwerken, ga ik ervan uit dat deze naam je bekend is. Toch wil ik hem graag met je bespreken, misschien juist omdat ik benieuwd ben naar jouw blik, die steeds zo zorgvuldig en genuanceerd is.

Zoals je wellicht weet, was Rudel een van de meest onderscheiden soldaten van het Derde Rijk; door Hitler persoonlijk zelfs geëerd met het enige bestaande exemplaar van het Gouden Ridderkruis met Eikenloof, Zwaarden en Briljanten. Hij vloog duizenden missies, vernietigde honderden Sovjettanks, en werd ondanks zware verwondingen telkens weer ingezet. Zijn militaire dossier leest als een bizarre heldenepiek, waarin uithoudingsvermogen, fanatisme en loyaliteit op een griezelige manier samenkomen.

Wat me echter vooral trof – en waarover ik graag jouw visie zou horen – is Rudels rol ná de oorlog. Zijn onverbloemde nationaal-socialistische overtuigingen, zijn contacten met andere oud-nazi’s in Latijns-Amerika, en zijn publicaties waarin hij de nazi-ideologie geen strobreed in de weg legde, maken hem tot een van de beruchtste representanten van het naoorlogse revanchisme.

Zijn oorlogsdagboek, Mein Kriegstagebuch, is in sommige kringen haast een cultboek geworden. Het is opmerkelijk hoe open hij daarin spreekt, niet alleen over zijn militaire successen, maar ook over zijn ideologische overtuiging, die hij na de oorlog nauwelijks heeft afgezworen. Dat maakt het tot een beklemmend document: een combinatie van frontverslag, heldenverering en onverholen apologetiek.

Een stripalbum waarin Rudel wordt opgevoerd als een held van de tegenpartij.

Wat me bezig blijft houden – en ik zeg dit met de voorzichtigheid die onze briefwisseling inmiddels kenmerkt – is hoe deze figuren een zekere aantrekkingskracht blijven uitoefenen op mensen. Niet vanwege hun moorddadige ideeën, hoop ik, maar vanwege het aura van ‘kracht’, ‘trouw’ of ‘prestatie’ dat hen wordt toegeschreven. Hoe zie jij dat? Hoe duid je zo’n fascinatie in het licht van je werk?

Ik schrijf je dit niet vanuit sensatiezucht, maar uit een oprechte behoefte om te begrijpen hoe zulke verhalen blijven circuleren. En misschien ook om te toetsen waar bij jou de grenzen liggen tussen onderzoek, interesse, en morele afschuw; grenzen die jij eerder zo helder hebt kunnen markeren, en waarvan ik hoop dat je me opnieuw iets wilt uitleggen.

Met mijn warme groet, en in verbondenheid,
Onno van Dorreland

Lieve Onno,

Wat een merkwaardig toeval; of misschien moet ik zeggen: wat een onvermijdelijkheid in het grote archief dat onze herinneringen blijken te zijn. Want ja, ik ken hem, die Hans-Ulrich Rudel. En ik moet je bekennen dat ik mij, na jouw verwijzing, opnieuw in zijn levensloop heb verdiept. Dat wil zeggen: ik heb mij laten onderdompelen in wat gerust een mengeling van walging en bewondering genoemd mag worden.

Van eenvoudig Fahnenjunker (heerlijk, die barokke Duitse rangaanduidingen die ergens tussen opera en kazerne in hangen) tot succesvol Stukadoor. Je begrijpt mijn woordspeling, want hij was natuurlijk die gevreesde Stuka-piloot, specialist in het ‘pleisteren’ van Sovjettanks met bommen. En na een obligaat ‘Wir haben es nicht gewusst’ krijgsgevangene gespeeld te hebben — zijn militaire carrière eindigend met letterlijk geknakte vleugels want hij werd mank — bleef hij figuurlijk met zijn hoofd in de wolken, in de ideologische contreien van Argentinië.

Een man dus, die duidelijk zijn verdiende straf is ontlopen. Of beter gezegd: hem handig ontweken heeft, met een flair die ik met tegenzin als geniaal moet typeren. Ik denk dat zijn grote intelligentie hem meermaals uit penibele situaties heeft gered. Hij moet een listige piloot zijn geweest met een groot strategisch overzicht, een mensenkenner in zijn omgang met Hitler (die hij kennelijk met een zekere intimiteit ontmoette), een indrukwekkende, slinkse overste in zijn contact met de geallieerden, en een taaie overlever toen hij besloot te emigreren naar oorden waar de morele temperatuur milder was voor lieden van zijn soort.

Hij bleef zijn principes trouw, maar het waren niet de meest gezonde principes. Hij was, kortom, een rotzak die op onverklaarbare wijze respect afdwong. Al deze woorden zijn van mij. Wat mij nu intrigeert: is er ooit een fatsoenlijke biografie aan hem gewijd? Iemand die hem niet als held, maar als symptoom heeft durven beschrijven? Jij vraagt je dit ook af dus ik zal er verder onderzoek naar doen.

Ik steek niet graag de loftrompet af over iemand die tot het tegenkamp behoort, maar ik geloof dat ik moet constateren — met al mijn afkeer paraat — dat hij zonder meer de ‘beste’ soldaat was die de Tweede Wereldoorlog heeft voortgebracht. In de zin van: effectief, trouw, meedogenloos, onaantastbaar en ideologisch consistent tot in het graf. Het is een akelige gedachte. Maar de waarheid is zelden zacht.

Hartelijks,
Gertrud Wiesenthal

De neiging om Rudel als een held neer te zetten, ook aan geallieerde zijde, is groot; een neiging die zelden stil lijkt te staan bij zijn onverminderde trouw aan het nazisme.
Dat Rudel, een overtuigde nazi tot ver na de oorlog, nog steeds als luchtvaartheld wordt gevierd — ook door zijn voormalige tegenstanders — zegt meer over onze fascinatie voor moed dan over ons historisch besef.
De heldenstatus die Rudel ten deel valt, zelfs buiten nazi-gezinde kringen, roept vragen op over de scheiding die men meent te kunnen maken tussen technische bekwaamheid en moreel failliet.

Passages uit: Der alte Mann und die kranke Schwester.

Kapitel 1 – Das erste Klingeln

Es war ein Dienstagmorgen, an dem das Leben von Herrn Feldkamp zum zweiten Mal begann. Das erste Mal hatte er es selbst nicht bemerkt – es war nach dem Schlaganfall, nach dem Krankenhaus, nach dem stillen Aufgeben. Das zweite Mal hingegen hörte man es schon von weitem: Absätze auf Asphalt, das rhythmische Tippen eines Smartphones, das Klackern eines Feuerzeugs.

Sie trat in sein Leben wie ein kleiner Sturm: Lara, 24 Jahre alt, Haare zum Pferdeschwanz gebunden, in einer Hand das Telefon, in der anderen eine halbgerauchte Zigarette, die sie mit einer schnellen Geste im Blumentopf neben der Eingangstür ausdrückte.

„Guten Morgen, Herr Feldkamp! Ich bin Lara, Ihre neue Betreuungskraft. Ich bin noch nicht ganz wach, aber das wird schon.“ Ohne eine Antwort abzuwarten, zog sie sich die Schuhe aus, betrat die Wohnung und rief: „Wo ist die Kaffeemaschine?“

Herr Feldkamp, 83 Jahre alt, Rollstuhlfahrer, ehemaliger Ingenieur und überzeugter Pessimist, sah sie zum ersten Mal – und wusste sofort: Diese Frau war entweder ein Versehen der Agentur oder ein Wink des Schicksals. Er tippte mit einem Finger an die Brille, schob sie auf die Nase zurück und murmelte: „Wenn Sie die Kaffeemaschine finden, sagen Sie es mir auch. Ich suche sie seit dem Umzug.“

Lara lachte. Es war ein ehrliches, unaufgeregtes Lachen, wie man es selten hört in der Welt der Altenpflege.

„Na, dann fangen wir doch gleich mit einer gemeinsamen Suche an. Vielleicht finden wir dabei auch gleich das Leben wieder.“

Herr Feldkamp verzog den Mund. Nicht ganz ein Lächeln – aber fast.

Kapitel 2 – Das Foto im Bücherregal

Zwei Wochen waren vergangen, seit Lara das erste Mal durch die Tür gestolpert war. Ihre Gewohnheiten hatten sich nicht geändert – sie telefonierte immer noch laut auf dem Balkon („Boah, Mama, chill mal!“), rauchte zu viel, und trug manchmal Schuhe mit Plateausohlen, die in der Wohnung hallten wie Hufgetrappel.

Aber etwas hatte sich sehr wohl geändert.

Herr Feldkamp wartete morgens auf sie. Nicht, dass er es zugegeben hätte. Aber sein Bart war plötzlich früher gestutzt, der Kaffee schon gekocht. Und wenn Lara sich verspätete, brummte er lauter als üblich.

An einem verregneten Donnerstagnachmittag, als Lara Staub wischte – sie machte das grundsätzlich nur halbherzig, aber mit viel Musik aus ihrem Handy –, fiel ihr Blick auf ein eingerahmtes Foto im Regal. Ein altes Schwarz-Weiß-Bild. Drei Männer in Uniform, einer davon lächelte verschmitzt in die Kamera. Der junge Mann rechts hatte Augen wie Feldkamp.

„Boah, Sie waren ja mal richtig hot, Herr Feldkamp!“, rief sie lachend.

Der Alte hob den Kopf. Als er das Bild sah, wurde sein Gesicht hart. „Stellen Sie das zurück.“

„Ist das Ihr Bruder?“, fragte Lara, diesmal leiser.

Stille.

Dann sagte er, mehr zu sich selbst: „Mein Bruder… ja. Oder das, was von ihm übrig blieb.“

Lara stellte das Foto zurück, aber da war etwas in seinem Blick, das sie nicht losließ – eine Mischung aus Bedauern, Wut und einer tiefen Müdigkeit.

„Ich hab auch ‘nen Bruder“, sagte sie zögerlich. „Aber der redet nicht mehr mit mir. Sagt, ich bin ein Klotz am Bein.“

Herr Feldkamp schwieg.

Lara war schon fast wieder draußen im Flur, da hörte sie seine Stimme – heiser, gebrochen, aber deutlich: „Meiner war in Ungarn. 1956. Panzer. Er kam nie zurück.“

Sie drehte sich nicht um, ließ ihm den Moment. Aber sie machte eine mentale Notiz: Da ist etwas. Da ist Geschichte. Da ist Schmerz.

Sie verstand zum ersten Mal, dass er sich nicht aus Bosheit hinter einer dicken Mauer versteckte. Sondern weil er Angst hatte, dass niemand mehr klopfen würde.

Kapitel 3 – Überraschung mit Zimt

Lara hatte eine fixe Idee. Und wer Lara kannte – was im Fall von Herrn Feldkamp niemand so recht tat – wusste: eine fixe Idee ließ sie nicht mehr los.

Am Freitagmorgen roch es in der Wohnung nach etwas, das der alte Mann seit Jahren nicht mehr gerochen hatte: Zimt.

„Was ist das?“, knurrte er, als sie mit einer Papiertüte hereinschneite.

„Zimtschnecken! Selbst gekauft! Ich hab null Plan vom Backen, aber die vom Bäcker unten sind mega. Und Sie meckern ja immer, dass ich nichts Gescheites esse – jetzt ess ich wenigstens was mit… wie heißt das Zeug nochmal… Gefühl?“

„Nährwert“, murmelte Herr Feldkamp, aber sein Ton war weicher als sonst.

Sie stellte einen Teller auf den Tisch. „Komm. Heute ist Freitag. Ich hab was organisiert.“

Er hob eine Braue. „Was genau haben Sie organisiert? Eine Zimt-Attacke?“

„Fast“, grinste Lara. „Ich hab den alten Plattenspieler aus dem Keller mitgebracht. Und eine LP. Edith Piaf.“

Herr Feldkamp sah sie an, als hätte sie gerade ein Stück seiner Vergangenheit vom Dachboden geholt.

„Sie mögen französische Musik, oder?“

Er sagte nichts. Nur ein kaum merkliches Nicken.

Sie stellte die Nadel auf die Platte. “Non, je ne regrette rien“ kratzte sich warm und leise aus den Lautsprechern, und der Raum veränderte sich. Etwas sank in die Tiefe, etwas anderes stieg auf.

Sie saßen nebeneinander. Er mit zitternden Händen, sie mit klebrigen Fingern vom Zuckerguss.

„Wissen Sie“, sagte Lara schließlich, „ich hab keinen Opa mehr. Und Sie, naja, Sie haben keine Enkelin. Vielleicht können wir uns was ausleihen.“

Er lächelte nicht. Aber er reichte ihr ein Stück Zimtschnecke, ohne ein Wort.

Und das war mehr, als sie erwartet hatte.

Kapitel 4 – Die Spuren unter der Haut

An einem grauen Mittwoch hatte Lara ihren üblichen Schwung verloren. Sie kam zu spät, roch nach kaltem Rauch, und ihre Worte hatten Kanten.

„Schlechter Morgen?“, fragte Herr Feldkamp, ohne aufzusehen.

„Könnte man sagen.“ Sie stellte die Tasche ab, nahm sich ein Glas Wasser, trank hastig.

Er merkte, dass sie die Schatten unter den Augen nicht von Müdigkeit hatte.

„Haben Sie geweint?“

Sie verzog das Gesicht. „Was glauben Sie denn?“

Er sagte nichts. Stille war seine Waffe – und manchmal auch seine Einladung.

Nach ein paar Minuten legte sie ihr Handy auf den Tisch, als hätte es sie verraten. Das Display war gesprungen.

„Ich war bei meiner Mutter.“

„Und?“

„Sie hat wieder diesen Ordner rausgeholt. Der mit den alten Briefen. Briefe von ihrem Vater. Meinem Opa.“

Er hörte auf zu atmen. Oder so schien es.

„Er hat im Osten gedient. Wehrmacht. Später… SS. Wir haben nie drüber geredet. Aber da sind Fotos. Briefe mit Siegeln. Mein Bruder will alles wegwerfen. Ich nicht.“

„Warum nicht?“, fragte Feldkamp leise.

„Weil ich wissen will, wer ich bin. Auch wenn es schmerzt.“

Er sah sie an, als würde er sie zum ersten Mal wirklich sehen.

„Mein Vater hat Auschwitz überlebt.“

Die Worte fielen wie Steine.

Lara wurde blass. „Das wusste ich nicht.“

„Konnte ja keiner wissen. Ich rede nicht viel. Aber vielleicht… ist das der Moment.“

Sie saßen lange schweigend da. Zwei Biografien, die einander zufällig berührt hatten – und sich nun nicht mehr voneinander lösen konnten.

„Meinen Sie…“, begann Lara zögernd, „dass Schuld vererbbar ist?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Aber das Schweigen ist es.“

Und genau da, in diesem einen Satz, war ihre Verbindung geboren. Eine, die tiefer ging als Pflegepläne oder Medikamentendosen.

Kapitel 5 – Das Archiv

„Sie können sich jederzeit umentscheiden“, sagte Lara und sah ihn ernst an, während sie die schwere, ledergebundene Mappe auf seinen Wohnzimmertisch legte.

Herr Feldkamp antwortete nicht sofort. Er fuhr mit dem Finger über das spröde Leder, als würde er es abtasten wie eine Narbe.

„Ich wollte immer wissen, was die anderen gedacht haben“, murmelte er schließlich. „Was sie geschrieben haben. Während wir gestorben sind.“

Lara schluckte. Sie hatte die Mappe schon unzählige Male durchgesehen – allein, mit ihrer Mutter, nie mit jemandem wie ihm. Noch nie mit einem, der auf der anderen Seite gestanden hatte. Oder besser: auf der richtigen.

Sie öffnete das Cover. Das Papier raschelte wie altes Laub.

„Das ist ein Brief von 1943. Breslau.“ Sie zeigte auf die fein geschwungene Handschrift. „‚Liebe Anneliese, ich bin gestern angekommen…‘“

Feldkamp streckte die Hand aus. „Darf ich?“

Sie reichte ihm das vergilbte Blatt.

Er las langsam. Wort für Wort. Manchmal murmelnd, als würde er sich vergewissern, dass die Worte wirklich dort standen.

„Die Judenfrage wird hier nun endlich mit der nötigen Strenge behandelt…“

Er brach ab. Legte das Blatt mit einer zitternden Bewegung zurück.

„Ich wusste, dass es grausam war“, sagte Lara leise. „Aber zu lesen, wie beiläufig er das schreibt…“

Feldkamp sah aus dem Fenster. Draußen war es hell geworden.

„Wir sind aufgewachsen mit den Schreien, die keiner hören wollte. Und ihr… mit dem Schweigen, das keiner brechen wollte.“

Lara öffnete ein zweites Fach. Fotografien, sorgfältig beschriftet: „Sommerausflug – Lemberg 1942“.

Ein Picknick. Lächelnde Männer in Uniform. Einer hebt ein Glas.

„Das ist mein Urgroßvater.“ Sie zeigte auf den Mann mit dem schmalen Schnurrbart und dem schiefen Lächeln.

„Er sieht… normal aus“, flüsterte sie.

Feldkamp nickte. „Das ist das Erschreckende.“

Eine Weile lang blätterten sie schweigend. Briefe. Postkarten. Ein Orden in einer kleinen Schachtel. Ein Foto von einer jungen Frau mit Kopftuch – rückseitig beschriftet: ‚Sofka – unsere polnische Haushilfe‘.

„Sie wurde wahrscheinlich deportiert“, sagte Lara.

„Vielleicht.“

„Was soll ich damit tun?“ fragte sie plötzlich. „Alles wegwerfen? Dem Museum geben? Vergraben?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Nein. Bewahren. Und lesen. Immer wieder lesen. Sonst fängt das Schweigen wieder an.“

Sie nickte langsam. In ihren Augen spiegelte sich etwas Neues: eine Haltung, ein beginnendes Begreifen.

Und irgendwo draußen, zwischen den Fassaden des Viertels, bellte ein Hund. Das Leben ging weiter – aber im Inneren der kleinen Wohnung war etwas aufgebrochen, das nicht mehr ungesagt bleiben konnte.