Martin, de ecotopische parkambassadeur

Een visionaire vriend voor vogels van velerlei pluimage.

Als er per se een huis moet staan op een plek in een park waar beter bomen konden groeien, dan is Martin onze man. Hij lijkt me de meest geschikte persoon om dit gebouwtje in Angerenstein als bewoner en gids tolerabel te maken. Ik bedoel dit als een compliment. Als we dan toch een vertegenwoordiger van het groen naar dat onderkomen moeten afvaardigen (waarop overigens ook al horeca-exploitanten zaten te azen), is hij de beste gastheer die een voormalige forellenkwekerij zich maar kan wensen. Omdat hij bereid is om aan wie dan ook uitleg te verschaffen over alles dat met flora en fauna te maken heeft. En meer.

De flamboyante Martin was precies wat deze doos in het park kon gebruiken, zeker als we weten dat er op deze locatie ook al horeca-exploitanten en vastgoedinvesteerders zaten te azen. ‘Alcedo Atthis‘ is de wetenschappelijke naam voor de ijsvogel. Verder staat er onder de nok van de voorgevel: ‘Nunc fluens facit tempus‘. Dat betekent: Het stromende nu maakt de tijd. Dit correspondeert met een andere spreuk (zie verderop) die met eerbied in de bast van een boom rond Martins’ huis is gekerfd.

Hij doet me aan Jan Timman denken; de grote, wijze schaker die sprak met een zachte, ietwat bekakte stem. Dat rustgevende timbre klonk nooit overdreven of gekunsteld, maar paste gewoon bij zijn statuur en bij zijn gedistingeerdheid. De onderwerpen die deze Martin aansnijdt zijn interessanter dan welke gespekstof ook; Martin houdt van de hem omringende natuur. Hij praat bloemrijk over alles dat groeit en bloeit en hem altijd weer boeit.

Hij geeft toe dat hij deel uitmaakt van een biotoop en daarin als mens niet eens de primus inter pares is of het alfamannetje. Martin communiceert met vogels, maar niet predikend zoals Franciscus van Assisi, en niet bezwerend zoals figuren in de mythologie of folklore. Vergeet de auguren (vogelwichelaars) in het oude Rome of de oppergod Wodan die zijn raven Huginn (‘gedachte’) en Muninn (‘geheugen’) met onderzoeksopdrachten de wereld instuurde. Als Martin met vogels praat, verandert hij zelf in een vogel.

Als educatieve kindervriend heeft Martin ook duidelijk meerwaarde op deze plek in het park onder de bomen. De buurtjongeren komen spontaan bij hem aankloppen. Voor de schoolgaande jeugd is het snel duidelijk dat ze hier te maken hebben met een heuse boswachter die verstand heeft van klimaatopwarming en andere milieuzaken (handig voor als je een opstel moet schrijven). Hij denkt niet alleen met je mee maar hij laat ook je idealen intact. Toen een peuter vroeg of hij een kabouter was, zei hij zondermeer ja.

Als Martin je ontvangt in zijn habitat geeft hij eerst een rondleiding bij zijn huis voordat hij je binnenlaat. Hij somt de ontmoetingen op die hij had met zijn medeschepselen en toont je aan waar die plaatsvonden. Het verbaast je dat een plek in een stad – want dat blijft het – zoveel observaties met zeldzame dieren kon opleveren: de ijsvogel, zwarte zwaan, ringslang, Groene specht, Oehoe, Wielewaal, Hazelworm, Das, Boommarter en Waterspreeuw. Laat Martin vooral het waarom van het pootjewippen van de Waterspreeuw aan je uitleggen.

Daarna laat hij je binnen in een ruimte zonder tussenmuren. Zijn woning is één groot lokaal (hij slaapt op zolder). Deze voormalige biologieklas stond oorspronkelijk vol met broedbakken, gevuld met eierdril, zich ontwikkelende embryo’s en net uitgekomen visjes. Dat gekweek is niet de nobelste geschiedenis, vind ik, maar je kunt je  voorstellen dat de Heidemij in de gelegenheidsrol van vishouder, dankbaar gebruikmaakte van het kraakheldere water dat van de heuvel stroomde. In de vijvers rondom werd spartelend zilver grootgebracht en voor goudgeld verkocht. Ooit moet de stichting zich hier een klein fortuin op de forellenmarkt hebben verworven.

Martin ontpopt zich als een pleitbezorger van de ecotopie. De term Ecotopia is na de roman van Callenbach, die het woord had gemunt, door allerlei denkers, activisten en gemeenschappen verder ingevuld en verbonden met bredere spirituele, activistische en politieke stromingen. Daarbuiten werd de term ook filosofisch verbreed door bijvoorbeeld Latour met zijn Actor-Network Theory: een wereldbeeld waarin niet-menselijke actoren (dieren, rivieren, bossen) volwaardige deelnemers in de samenleving zijn. Verder heeft Ernst Bloch zijn utopiebegrip (het ‘nog-niet-zijnde’) erop toegepast: Ecotopia als horizon waarnaar we ons oriënteren. Vraag Martin er maar naar en hij kan er bevlogen op doorfilosoferen.

De boeken in deze reeks waren typische ‘stichtelijke boekjes’, wat betekent dat ze geschreven werden vanuit een protestants-christelijke levensbeschouwing en lezertjes morele of religieuze waarden moesten bijbrengen. Jacoba van der Steen-Pijpers baseerde de verhalen in haar Barendje-serie vaak op de belevenissen van haar eigen zoons. De boeken werden uitgegeven door G.F. Callenbach in Nijkerk.

Onze parkambassadeur besluit de rondleiding met een citaat uit een stichtelijk boekje dat hem als kind (in Leiden) werd voorgelezen; een deeltje uit een reeks vertellingen over Barendje, geschreven door Co van der Steen-Pijpers, die zich liet inspireren door haar woonplaats en de wijk in Arnhem waar zij woonde. In deze uitgave, verschenen vlak na de oorlog, wordt de kwekerij in Angerenstein al genoemd en beschreven. Dat Martin dat verhaal in zijn jeugd onder ogen kreeg beschouwt hij, achteraf gezien, als een voorteken; een verwijzing naar zijn latere bestemming. Het emotioneert hem nog steeds. Wil hij hiermee suggereren dat hij in predestinatie gelooft? Of is juist het toeval de ware tranentrekker? Hoe dan ook, Martin blijkt naar een zorgvuldig gekozen hoogtepunt te hebben toegewerkt.

Zijn er dan geen dieptepunten Martin? Is het leven hier echt zo idyllisch?
Hij wil aan volwassen bezoekers best toegeven dat hij zich soms bedreigd voelt. Sterker nog: hij is bedreigd. Er is op hem geschoten. Met zo’n eenvoudig in het buurland te verkrijgen, neppistool, waarover regelmatig wordt gerept in misdaadverslagen. Het ging om twee pubers. De dadertjes zijn veroordeeld en zitten nu in een soort van reclasseringsprogramma van de jeugddetentie. Martin schijnt niet boos te zijn. Hij lijkt ook deze gebeurtenis als een soort van natuurverschijnsel op te vatten.

Zoals mensen, in alles wat ze zichzelf tegenwoordig permitteren, eigenlijk hun hele milieu om zeep helpen, was het schietincident, in een alomvattend perspectief, eigenlijk niets anders dan een wat dramatisch verlopen, biologische gebeurtenis, relativeert Martin. Natuur die zichzelf vernietigt; het omgekeerde van altruïsme. Dat komt soms voor ja. En ja, die jochies gingen veel te ver natuurlijk. Die waren ontspoord. In de rechtzaal leken ze bange, te vroeg uit het nest geduwde, vogeltjes.

Martin heeft toen aangegeven dat hij best met ze wilde praten.

Nunc stans facit aeternitatem. Deze Latijnse uitdrukking betekent: Het staande nu maakt de eeuwigheid. Dit is het tweede deel van de filosofische uitspraak van Boëthius. Het concept draait om het onderscheid tussen twee soorten ‘nu’:
1. Nunc Fluens (Het stromende nu): Dit is het veranderlijke moment dat onmiddellijk overgaat in het verleden en de toekomst. Dit creëert de tijd (tempus).
2. Nunc Stans (Het staande nu): Dit is het onveranderlijke, tijdloze, absolute heden. Het is een moment dat niet voorbijgaat, maar alle tijd omvat. Dit creëert de eeuwigheid (aeternitatem).
Boëthius definieerde de eeuwigheid als “de perfecte, totale en gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven.” Het is een nu dat vaststaat en alle momenten tegelijkertijd bevat, in tegenstelling tot onze menselijke tijd waarin het nu constant wegglijdt.

P.S. Toeval bestaat niet, zeggen sommigen. Ik ben een andere mening toegedaan, maar toch is het grappig: de schrijver van Ecotopia heet Ernest Callenbach, en de Barendje-boekjes van Jacoba van der Steen-Pijpers verschenen ooit bij uitgeverij G. F. Callenbach in Nijkerk. Twee heel verschillende werelden, verbonden door één naam.

Een vitaal kloppend orgaan

Geluk slaat z’n slag in het hart van Angerenstein.

Het bewonersfeestje Hart voor Angerenstein kan met recht een succes worden genoemd, al was het alleen maar omdat de zon vandaag volop wilde schijnen en de koffie kwam uit een filterapparaat. De geavanceerde espressomachines zijn een beetje op hun retour, las ik onlangs; het bakkie pleur mag weer pruttelen op een plaatje. Hier werd de troost vanuit een sociaalvriendelijke thermoskan in papieren bekertjes gegoten. Als je massa’s wilt bedienen, dan telt vooral de doorstroming.

De opkomst bleek groter dan ik had verwacht op het afgezette veldje in het park waar de bijeenkomst werd gehouden. Alleen het rollend materieel leek iets achter te blijven bij de prognoses. Ik had de oproep van Tom in de groepsapp serieus genomen: “Meerdere bewoners van Driegasthuizen willen ook graag komen. Er zijn extra handen nodig om mensen in een rolstoel te begeleiden.” Tot mijn tevredenheid zag ik dat aan elk handvat een vrijwilliger was geklonken. Daarmee verdween ook mijn schuldgevoel dat ik me niet had aangemeld.

De drank bleef non-alcoholisch, de toastjes strikt biologisch. Er klonken nergens valse noten. Hoe vaak ontsporen buurtfeestjes niet zodra de meegebrachte wijn de tongen losmaakt? Hier bleef men nuchter en beleefd. Iemand informeerde zelfs – oprecht geïnteresseerd! – naar mijn eerste indrukken als nieuwe bewoner. Ik had van alles kunnen noemen, maar tot mijn eigen verbazing begon ik over de vele onbekende vlaggen die ik aan gevels zag wapperen.

Een lichtblauwe Pegasus op een kastanjebruine achtergrond. Ik had die niet direct geassocieerd met soldaten van de Eerste Airborne Divisie, die dit insigne als brigadelogo droegen toen zij hier in september 1944 tijdens de Slag om Arnhem voor onze vrijheid vochten. De jaarlijkse Airborne-herdenkingen waren aan mij voorbijgegaan; ik had voornamelijk met verhuisdozen lopen sjouwen. Natuurlijk waren de vele vliegtuigen boven mijn hoofd me niet ontgaan. Wat heet: ik kon hun landingsgestel zowat aanraken. Ik realiseer me nu dat in Arnhem herdenken geen bijkomstigheid is maar een wezenlijk onderdeel van het leven.

“Maar waarvoor dacht je dan dat we die vlaggen hadden opgehangen?”
“Ik weet het niet,” zei ik eerlijk. “Misschien bracht ik ze in verband met rechtsradicale sentimenten van regionale populisten. Sorry, ik heb niets met vlaggen.”
“Provincialisme is erger dan nationalisme” beweerde de enige man die deze middag vaker voor zijn beurt sprak dan ik. “Maar” voegde hij eraan toe, “regionalisme is een gradatie benepener.” Ik had niet meteen door dat er aan deze zwerfgast iets niet klopte in de fijnafstemming.

Ik wilde nog tegenwicht bieden. Ik vertelde dat ik, als import-Hollander in Dieren, weleens het pontje over de IJssel had genomen, waar naar men zei de Achterhoek begon, maar dat ik daar nooit iets van misplaatst chauvinisme of vreemdelingenhaat had ervaren.
“Om de oosterlingen een beetje op hun plek te houden hebben we in Arnhem de A12,” beweerde de party crasher. “Op hun eigen grond zijn ze goed te pruimen.”

De kunst van het bijwonen van feestjes met onbekenden is dat je jezelf op tijd losmaakt van stroeve momenten met mensen die je niet verder helpen. Gelukkig raakte ik later in gesprek met een redacteur van de Wijkkrant Angerenstein. Dat periodiek kende ik: ik had het al tweemaal in de bus gekregen. Voor iets dat zich wijkkrant noemt, bezit het een bijna glossy-achtige uitstraling. Tot mijn schaamte moest ik bekennen dat ik het slechts vluchtig had doorgebladerd.

“Wordt dit nog een artikel?” vroeg ik hem.
“Het probleem met terugkerende evenementen is dat ook het verslag zich telkens herhaalt,” klaagde de schrijver. “Buurtkoren, livebandjes, voorleessessies, barbecues, buffetten, springkussens, schminken, spelletjes, speurtochten, knutseltafels, rommelmarkten, boekenbeursjes, plantenruil, kunst- en ambachtsdemonstraties… het is natuurlijk allemaal al eens eerder langsgekomen en vastgelegd. Maar Hart voor Angerenstein is tenminste in naam iets nieuws en gaat, geloof ik, uit van een ander concept.”

Er was hoop. Iedereen heeft een banale kant, troostte ik mezelf, toen ik naar huis liep. Omdat men zijn wederwaardigheden wil navertellen, schijnt men daarnaast toch groots en meeslepend te willen leven. Ook al biggelt er een traan over Carmiggelt, de verslagen van een eenvoudig, zich herhalend bestaan sneuvelen misschien wel als eerste. En dat terwijl ik zelf juist van plan was meer in te zoomen op mijn eigen alledaagse banaliteiten; een gebied waarin ik moeiteloos kan grossieren.

Ik moest nog getuigen, vond ik, van mijn bedenkelijke bijdragen aan de straatapp. Daar was ik onlangs toegelaten op voorspraak van iemand die inmiddels spijt had van haar aanbeveling. Ik had me er al tweemaal vergalopeerd met een voorbarige opmerking over een vermeende oplichter waarvoor men elkaar probeerde te behoeden. De toon daar bleek vooral lief en zorgzaam; cynisme als stijlfiguur hoorde duidelijk niet tot het arsenaal.

Of dat stukje er ooit nog van komt? Ik weet het niet.