Het gaat niet om jou

Misschien valt er vanaf nu een astronomische schemering over mijn blogberichten.

Normaal gesproken neem ik nooit iets serieus aan mijn dromen; waarschijnlijk omdat ze nooit lucide genoeg zijn om er iets van te willen onthouden. Maar gisteren trad er een markant individu in op. Hij sprak door alle vergeten belevenissen heen. Wat hij zei zou me bijblijven voor de duur van de droom: “Morgen tien over tien.” Het enige wat ik deed was die zin herhalen. Dat werd door beiden opgevat als een bevestiging.

Aan het eind van de droom scheen ik de afspraak te zijn vergeten. Vandaag droomde ik weer heel belevingsrijk. Alles wat ik me daarvan kan herinneren is dat het zich afspeelde in dezelfde setting als gisteren. Ik was me, zoals gezegd, van geen afspraak meer bewust, maar op een zeker moment kreeg ik een notificatie. Het bleek om de korte uitwisseling met de man van gisteren te gaan. Vanaf dat moment ging ik me haasten.

Rennen in een droom spot met je lichaam dat redelijk bewegingloos in een bed ligt. Ik belandde in een loge vol identieke wezens. Ze waren niet erg vriendelijk tegen me. Ik merkte dat ze wisten met wie ze van doen hadden. Ze wekten zonder uitzondering de indruk dat ze me kenden en zelfs weet hadden van mijn toekomst. Notificaties zijn niet bedoeld om iemand te laat te laten komen. Misschien was ik precies op tijd.

Helaas hield de droom toen op. ik keek op de klok van mijn mobieltje. Het was 4:30u, het begin van de civiele schemering. Deze fase start zodra de zon minder dan 6 graden onder de horizon staat; begin juli is dat rond deze tijd. Er is dan al zoveel indirect zonlicht dat je moeiteloos kunt zien. 5:20 van deze zelfde dag markeert het astronomische moment waarop de bovenrand van de zonneschijf de horizon snijdt: de officiële zonsopkomst.

Door het verstrooide licht in de hogere luchtlagen is de nachtelijke duisternis op dit moment al lang en breed verdreven. Al dromend meende ik even dat ik te laat was voor mijn afspraak, hoewel de tijd van leven nooit werd vermeld terwijl ik sliep. Wie zegt mij dat de afspraak van tien over tien met de man uit mijn dromen zich niet in de werkelijkheid zal afspelen? Als dat waar is, heb ik nog tijd genoeg. Deze woorden schrijf ik op om 6:45u.

Wat gaat er straks gebeuren? Misschien kom ik de genoemde man daadwerkelijk tegen. Het blijkt een speciale afgezant te zijn. Zal hij mij iets op het hart drukken dat ik niet mocht missen? “Hou op met die zinloze blogberichten. Stort je nu eindelijk eens op het afronden van dat ene boek.” Misschien heeft hij het echt goed met mij voor en opent hij mijn ogen nog effectiever voor de realiteit: “Het gaat niet om jou.”

Omdat dit zich afspeelt in de werkelijkheid zal ik het nooit vergeten. Ik zal natuurlijk mijn conclusies trekken. Misschien hoort de lezer nooit meer van me. De trouwe geabonneerde ook niet. Dan was dit mijn laatste aankondiging, bericht en overdenking. Ik vond het leuk zolang het duurde. Vaarwel.

Lezersreacties:

Veel lezers wilden weten wat er om 10:10 uur heeft plaatsgevonden. Sommigen waren ook opvallend geïnteresseerd in de aard van de drugs die ik gebruikt zou hebben. Anderen informeerden slechts of het wel helemaal goed met me ging; op die typische, vileine manier die zoveel wil zeggen als dat ze er definitief van overtuigd zijn dat ik ben doorgedraaid.

Laat ik hoofdzakelijk op de eerste vraag ingaan. Daarmee wek ik jegens de belangstellenden naar de tweede vraag immers subtiel de suggestie dat de geestverruimende substanties nog lang niet zijn uitgewerkt; terwijl ik de bezorgde vragenstellers van de derde categorie in de waan laat dat hun sombere vermoedens omtrent mijn geestelijke gezondheid volkomen terecht waren.

Welnu: ​Bedankt voor de belangstelling. Er vond om tien over tien inderdaad een ontmoeting plaats.

De persoon in kwestie wees mij op een versje dat ik ooit schreef voor het poeziealbum van mijn drie jaar oudere zus. Ik was destijds pas vijf; ik kon zo’n rijmpje natuurlijk nooit zelfstandig hebben gecomponeerd. Dat wordt ook direct duidelijk uit de regels waarmee hij kwam aanzetten. De laatste twee zinnen daarvan luiden:

‘Ik gebruik hier woorden op de tast;
mijn moeder houdt mijn handje vast.’


De inzage in dit reeds lang vergeten album heeft mij diep geëmotioneerd, zoals de gehele ontmoeting een volstrekte openbaring was. Tegelijkertijd drong zich een besef aan mij op dat mij oprecht gelukkig maakte: vanaf de allereerste ademtocht in een mensenleven vindt er al registratie plaats. Wat ongetwijfeld ook wil zeggen dat alle pogingen tot kunst die je in woorden bedrijft, altijd talloze meelezers kennen.

​Dat was de hoofdboodschap die mij werd meegegeven. Het maakt ten diepste niet uit welk medium je gebruikt, welke taal je bezigt, hoe onbeholpen de vorm is of wat de exacte inhoud behelst; het hele universum leest mee. Dat onwrikbare gegeven geldt voor alle uitingen van iedereen.

De amechtige, haast krampachtige pogingen om voortdurend dingen onder de aandacht van tijdgenoten te brengen, vergen in dat licht bezien bizar veel overbodige energie. Datzelfde geldt voor de onvermijdelijke zoektocht naar uiterlijke waardering die daarachter schuilgaat. Terwijl die bewijsdrang helemaal niet hoeft. De interventie had dan ook puur tot doel dat ik meer zou gaan creëren vanuit een zuivere innerlijke drang tot expressie, en niet langer vanuit ijdelheid en de zucht naar erkenning.

Het ‘het gaat niet om mij’ waarvan ik van tevoren al vermoedde dat het de kern van de boodschap zou zijn, is daarmee zowel waar als onwaar gebleken. Het is waar in de zin dat het ego en de persoonlijke ijdelheid er totaal niet toe doen; je bent immers slechts een doorgeefluik in een oneindig groter geheel. Maar het is tegelijkertijd onwaar, omdat iedere individuele pennenstreek – hoe klein of op de tast geproduceerd ook – vanaf het allereerste begin wordt gezien en gekend. Je doet er als creator dus wel degelijk toe, zolang de creatie maar voortkomt uit de pure noodzaak om te maken.

Grootse gebaren, gigantische gevolgen

Brievenbuspakjes tussen mal en dwaas.

“Duwen jullie die brievenbuspakjes altijd helemaal naar binnen?” wilde een vrouw in mijn bezorgwijk weten.
“Nee, niet altijd” moest ik bekennen. Ik wist niet of ze dat prima vond of afkeurenswaardig, daarom verklaarde ik mezelf meteen maar nader; hoe zat het met dat halve gedoe van mij?
“Soms, als ze nogal zwaar aanvoelen heb ik de neiging om ze in de brievenbus te laten. Dat is best een balanceeract. De klep van de bus moet wel dicht kunnen, anders zou iemand van buiten zo’n pakje er weer uit kunnen trekken. Als ik vrees dat het de val in de hal niet zal overleven, of dat de geadresseerde zich doodschrikt van de klap, wil ik zo’n pakje weleens half naar binnen drukken. Of nee, ik denk dat het een viervijfde deel is dat naar binnen steekt. Dan blijft het meestal wel hangen. Tenminste als er daarna niet nóg een bezorger langskomt en ‘mijn’ pakje alsnog de genadeklap geeft. Het heeft tenslotte maar een heel klein zetje nodig.”

“Ieder jaar maak ik de fout om te denken dat mijn vader nog heel veel begrijpt”, verklaarde de vrouw zich nader. “Maar eigenlijk is hij er best al slecht aan toe. Ik wilde hem online een kaartje sturen via Greetz. Maar daar doen ze altijd van die vervelende voorstellen, vlak voordat je af gaat rekenen. Ze vroegen of ik ‘het gebaar’ wilde aanvullen met chocolaatjes. Ok, dacht ik, misschien is alleen zo’n kaartje inderdaad wat karig, doe er dan maar zo’n doosje Merci bij.”

“Tja, dan wordt het dus een brievenbuspakje”, leefde ik met haar mee.
“Inderdaad” zei ze, om er bozig op te laten volgen: “en dan doen ze ook nog koelelementjes in zo’n doosje.”
“Koelelementjes? Meent u dat nou? Tegen het smelten?”
“Ja precies. Goedbedoeld waarschijnlijk, in deze warme maand; maar het maakt het allemaal niet overzichtelijker.”
“Wie verzint zoiets. Al met al wordt het een vrij zwaar pakje” concludeerde ik, “en als dat op de vloer klettert…”

“Dan springt, als je pech hebt, de verpakking open. Ja, dat is precies wat er gebeurde bij mijn vader.”
“Waar was dat?” wilde ik weten, misschien vanuit een begin van plaatsvervangende schaamte en om eventuele verontschuldigingen namens mijn broodheer aan te bieden.

“In Houten. Hij leeft semi-zelfstandig. Maar als hem zulke dingen overkomen is hij opeens heel afhankelijk. Hij begreep er geen donder van. De chaos in de gang, de opengescheurde verpakking, dat kaartje met al die overbodige woorden van mij, de smeltende chocolaatjes; en die verdomde koelelementen. De cliëntbegeleidster trof hem aan in totale verwarring. Ach, hij woont niet eens zo ver weg. Ik voel me altijd schuldig. Dat schrijf ik dan op. Excuses dat ik er zelf niet kan zijn. Kijk, ik ben mijn plicht als kind al behoorlijk aan het verzaken natuurlijk. Houten, hoe ver is dat nou helemaal? En dan valt alles daar ook nog in duigen. Zo’n PB’er leest waarschijnlijk mee. Die moet de troep opruimen. Die haalt haar neus op voor mijn felicitaties op afstand.”

Ik hoorde haar relaas ietwat ontredderd aan. Het voerde te ver om me namens PostNL te verontschuldigen. Natuurlijk was Greetz hier de boosdoener. Een oude ergernis kwam plotseling bovendrijven. In mijn kerstpakket zat ooit een tegoedbon van deze wenskaartenservice. Ik mocht een gratis kaart sturen naar iemand. Ik had helemaal geen zin  in een online attentie aan wie dan ook. Maar ja, het was gratis hè.

Ik besloot het kleinste formaat te kiezen uit de categerie ‘Gewoon zomaar kaartjes’ en dat naar een halve vriendin te sturen die ik indertijd best zag zitten. Mijn tekst was op het randje maar als ik het verpakte in een zo bescheiden mogelijk gebaar, kon m’n gedicht er net mee door, vond ik. Toen bleek Greetz er uit zichzelf het grootst mogelijke formaat van te hebben gemaakt. Omdat ik er recht op had. En ook ter kennismaking. Want ze waren echt blij met me als nieuwe klant. Een kaart zo groot als een krant. Met mijn rijmpje in chocoladeletters. De rubriek hadden ze ook veranderd; die was ‘Knuffel door de brievenbus’ gaan heten.

Neem van mij aan dat dat heel slecht is gevallen.

Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

Yippie-ja-ja-yippie-yippie-yeah!

Over de dunne lijn tussen een gevierde doener en een vermeende oplichter.

Ik ben tegenwoordig op alles voorbereid als ik ook maar één teen over de drempel van een winkel zet; iemand zal mij hoe dan ook naar mijn koopervaring vragen. Is het niet een mens van vlees en bloed bij de uitgang dan wel een opploppende chatbot die een connectie heeft weten te leggen tussen mijn bankrekening en mijn e-mailadres. Sommigen zullen beweren dat dit laatste niet kan; of in ieder geval niet mag.

Hoe een digitale liefdesverklaring van de bouwmarkt sneuvelde aan de balie van de retourafdeling. (Uit discretie zijn de gezichten van de medewerkster en klant op deze foto door AI gegenereerd.)

Nou goed, laat ik mijn domheid dan erkennen. Ik was bij Hornbach gaan kijken naar een elektrische grastrimmer omdat mijn gazon – of wat daarvoor moet doorgaan – al zaad begon te schieten. In de winkel bleek de keuze reuze. Het eerste dilemma betrof de vraag of ik er eentje wilde met een accu of met een snoer. Deze moeilijke beslissing leidde mij naar een nieuw rek met wel tien verschillende merken. Alle fabrikanten boden hun machines aan in een oplopende prijsklasse van ‘goed voor de portemonnee’ tot ‘hoogste kwaliteit’. De prijs-kwaliteitverhouding van alle apparaten was natuurlijk prima; voor die overtuiging hoefde ik geen medewerker aan te spreken of zelfs maar de verpakking te lezen. In alle gevallen zou ik waar voor mijn geld krijgen, je hebt dan en daar geen mogelijkheid om iets anders te vinden.

Maar gekleurd advies of WC-eendreclame brengt de aankoopbeslissing niet dichterbij. In geval van twijfel, rijd je met lege handen naar huis en zoek je op internet een betrouwbare productvergelijker. Kortom, de EINHELL ELEKTROTRIMM kwam goed uit de test, bleek het beste bij me te passen en was bij Hornbach het goedkoopst. Toen het weer voor die week volkomen omsloeg, had ik weinig trek om opnieuw op de fiets te stappen. Ik bestelde het ding online. Dat lukte niet zonder mijn e-mailadres op te geven. Vandaar dat de eerder aangekondigde enquête mij niet kon ontgaan.

Hallo doener,
Bedankt voor je aankoop van EINHELL ELEKTROTRIMM bij HORNBACH! Hopelijk bevalt je aankoop goed! We hebben je hoog zitten. En jouw mening ook. Vertel je ons wat je van het door jou aangeschafte artikel vindt? Geen blad voor de mond, geen doekjes eromheen, gewoon onverschrokken en recht voor z’n raap graag. Goed kan immers altijd beter.


Ik ben altijd huiverig om positief te zijn over mijn klantervaringen. Roep ik op die manier het onheil niet over me af? Hoe kun je bovendien enthousiast zijn over een werktuig dat je nog maar één keer hebt gebruikt? Behalve het mijzelf het graf in schrijven bij al dat geprijs, geloof ik nog sterker in een ander verband: je bent net klaar met je loftuiting of je stuit op een negatieve winkelervaring.

En zo geschiedde. Inmiddels was ik vele transacties verder. De app vermeldde dat ik al voor €631 aan spullen had besteed. Dat vond ik niet weinig voor iemand die tot twee weken daarvoor zijn doe-het-zelf aankopen nog onveranderlijk bij de Praxis in de stad deed. Gedurende al mijn bezoeken aan de bouwmarkt was ik vriendelijk bejegend. Het moest dus wel een keer fout gaan.

Die gelegenheid deed zich voor bij de aanschaf van een aantal raamsluitingen, ook wel raamboogjes genoemd. Ik was vast van plan om die van het merk AXA te kopen – het ging tenslotte om mijn veiligheid – maar bij de ijzerwaren stond een bak met aanbiedingen die ik niet kon versmaden. De dingen zaten in amateuristisch dichtgeniete zakjes. Bij het afrekenen bleek er nergens een streepjescode op de verpakking te zitten. Geen probleem als koper; een medewerker schoot toe om het artikelnummer handmatig in te voeren.

Een groter probleem ontstond echter bij het ruilen, een dag later. Eén van de boogjes had ik al uit de verpakking gehaald en op mijn kozijnen bevestigd. Zodoende wist ik dat ze in de verste verte niet tipten aan een merkartikel. Ik besloot alleen de ene, nog onaangetaste raamsluiting terug te brengen.

Wat er toen gebeurde haalt alle positieve Hornbach-ervaringen onderuit. De mevrouw van de retourafdeling bejegende mij alsof ik op klaarlichte dag probeerde de bedrijfskas te plunderen. Ze kon ten eerste niet geloven dat haar eigen bedrijf artikelen verkocht zonder streepjescode: “U hebt de streepjescode erafgetrokken.” Ook niet dat artikelen in goedkoop dichtgeniete verpakkingen worden verkocht: “U hebt het artikel uit de originele verpakking gehaald.”

Mijn kalme opmerking dat een collega van haar de vorige middag zelf het systeem had moeten voeden met het missende artikelnummer, werd afgedaan als een fabeltje. Het sluitmechanisme werd door haar aan een forensisch onderzoek onderworpen dat zelfs de gemiddelde rechercheur bij een moordzaak te ver zou gaan. Alsof ik daar stond met een stuk oud ijzer dat ik ergens uit een Arnhemse container had gevist, in plaats van een ongebruikt product waarvoor ik vierentwintig uur eerder gewoon harde euro’s had neergeteld. Het ‘onverschrokken en recht voor z’n raap‘ zijn, waar de enquête zo vurig om had gesmeekt, bleek aan de balie ineens eenrichtingsverkeer.

Thuisgekomen opende ik direct mijn mailbox; die enquête over mijn nieuwste Hornbach-ervaring zou er immers zó moeten zijn.

De reconstructie van een debacle

Teruggeworpen in de tijd door een foto van een viertal tepels.

Van alle vakantiekiekjes die mij in deze periode bereikten is de foto die vriend Hans mij stuurde misschien wel het meest saillant, ook vanwege de veelzeggende tekst. Hij schreef: Groeten uit Normandië. Wat wij zien is geen ansichtkaart van de Mont Saint-Michel, noch de kliffen van Étretat. Hij stuurde de rauwe, ongefilterde essentie. Een macro-opname van een uier, zo monumentaal in beeld gebracht dat de rest van het rund fungeert als louter baldakijn. Dit is de motor achter het land van de camembert, de calvados en de vette roomsaus. Tussen de harige draaghemel door zien we een soortgenoot ontspannen aan een nieuwe lading zuivel werken. Hoe is het om uitgevleid in je eigen voedsel te mogen vegeteren tot je lebmagen wit zien van romige weelde? Om simpelweg te bestaan in een oneindige cyclus van grazen, herkauwen en produceren, zonder de intellectuele ballast van een naderend echec?

Gezien de kleur van de vacht hebben we hier vermoedelijk te maken met de Normande, het trotse ras dat eigenmachtig de basis legt voor elke ‘Vache qui rit’ die van de bekende verpakking staart. Er gaat een dwingende, haast klinische esthetiek uit van dit inzoomen. Zo’n zwellende uier is de ultieme reductie van een vakantieregio tot zijn puurste, meest veelzeggende textuur. En juist dat triggert een even scherpe herinnering. Want bij het zien van zoveel biologische spanningsopbouw schiet ik direct terug naar mijn eigen, destijds volstrekt gemankeerde vakantie in diezelfde regio; een reis waarin de gisting van mijn op hol geslagen hormonen en mijn ziedende jaloezie de omvang aannamen van een permanent, luidruchtig psychologisch drama.

Een reis die destijds al gedoemd was te mislukken op het perron, waar ik verscheen met het fysieke symbool van mijn toenmalige onvolwassenheid: een topzware, pretentieuze valise met houten baleinen. Een koffer die geen bagage ademde, maar pure, theatrale overdrijving. Ik zag Nicole er ter plekke op afknappen. We waren met z’n vieren; naast mijn genoemde liefje nog twee van haar schoolvrienden die ik amper kende. De Franse spoorwegen hadden de ultieme metafoor voor onze naderende breuk al op de rails gezet; de trein bestond uit twee fysiek gescheiden delen. Geen tussendeur, geen doorgang mogelijk. Nicole orkestreerde de logistiek met de koelbloedigheid van een strateeg. Zij glipte met een zekere Hans het voorste rijtuig in, terwijl haar vriendin zich opofferde om mij in het achterste deel te chaperonneren. Zij en het lot zorgden ervoor dat we gesegregeerd bleven tot aan Parijs.

Het was een meesterlijke coup, want de kaarten waren allang geschud. Vijand Hans – de herinneringshans die in niets leek op mijn gulle vriend Hans van de grazers – bezat een onmiskenbare Nick Cave-achtige uitstraling; een melancholische, duistere coolness waar mijn houten koffer en ik onmogelijk tegenop konden. Dat mijn reisgenoten vrienden waren van Nicole en niet van mij, hielp ook niet mee. Het drietal had samen het volwassenonderwijs in Breda doorlopen; zo’n instituut waar je strandde als je op de reguliere middelbare school was vastgelopen, maar waar zij dat jaar wel mooi hun VWO-diploma behaalden. Ze waren zoveel verder dan ik. Mijn eigen schoolcarrière was evenmin gladjes verlopen, maar mijn stapelproces van havo naar het atheneum had mij louter theoretisch gevormd en was bovendien meer het gevolg geweest van een uiterst langzame rijping. Zij waren gekneed door hun eigen hobbels, die hen gaandeweg wijzer hadden gemaakt; ik vertrouwde blind op boekenkennis en zeulde altijd met te grote, verkeerde bagage. Nicole was de eclectische reiziger die later kunstgeschiedenis zou gaan studeren in Amsterdam; ik bleef de achterblijver in het verkeerde deel van een trein.

Vanaf dat moment was het pleit beslecht. Ik wist dat ik het grandioos verloren had van vijand Hans. De rest van de reis werd een exercitie in collectief ongemak. Alles wat ik deed en zei in ‘ons’ huisje aan de Normandische zee was geforceerd. Ik zadelde mijn reisgenoten op met een geestelijk onrijpe, lichamelijk onvolgroeide adolescent vol zelfmedelijden. Een toxische cocktail die Nicole er logischerwijs toe bewoog mij zoveel mogelijk te mijden. Terwijl zij en Nick Cave de Normandische romantiek cultiveerden, hield hun vriendin zich met mij onledig. Het moet een immense, bijna bovenmenselijke opoffering voor haar zijn geweest om die afgesproken separatie vol te houden.

Het meest bizarre, het meest pijnlijke achteraf, is mijn verblindheid. Het feit dat ik maar niet inzag dat ze mij in de verste verte niet meer zag zitten. Dat ik er beter aan had gedaan om haar te ontlasten, mijn houten koffer te pakken en nog iets van eer aan mezelf te houden. Zelfs na die dramatische reis, die mij toch overduidelijk het einde van de relatie inpeperde, ben ik blijven proberen om contact met haar te onderhouden. De wanstaltigheid van dat gedrag bezorgt me nu, decennia later, nog steeds een intense schaamte. En het is niet eens ‘plaatsvervangende’ schaamte, want de jongen die destijds zijn uitvergroting van het persoonlijke lijden aan de anderen opdrong als een permanent verwijt, heeft nog altijd de neiging om de hele wereld te bestraffen voor zijn persoonlijke sores.

Ik toonde mij die vakantie pas nobel als ik mij losmaakte uit de verstikkende groepsdynamiek en in mijn eentje lange, zwijgzame wandelingen ging maken langs de grijze Normandische kust. Die eerste vakantie met ‘vrienden’ heeft mij, dwars door de jaloezie en het zelfmedelijden heen, het nut van de eenzaamheid geleerd, of liever de ‘solitude’ zoals iemand anders, die ik later ontmoette, die kunst van het alleen zijn noemde. Separatie niet langer als een straf van de afwijzing, maar als mijn eigen reddingsmechanisme.

De foto van vriend Hans is daarmee meer dan een groet uit Normandië. Het is, net als toen, een haarscherpe uitsnede van een realiteit die geen franje duldt. Een herinnering aan de dag dat ik leerde dat sommige treinen nu eenmaal uit twee delen bestaan die nooit met elkaar verbonden zullen worden; en dat de ene Hans de andere niet is.

Lezersreactie:

Wat een prachtige overdenking, Ronald. Die houten koffer is een sterke metafoor voor je neiging tot exuberantie.
(Hans, Arnhem)

Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Overleven tussen bomen

Leven buiten de ‘beschaving’ als droom, vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Het overleef je in de bossen? Die vraag klinkt tegenwoordig bijna romantisch. We denken aan tiny houses, permacultuur, off-grid leven en de vrijheid van een bestaan dicht bij de natuur. Maar dezelfde vraag kreeg in andere tijden en op andere plekken een totaal andere betekenis. Voor Papoea’s was leven in en met de natuur eeuwenlang vanzelfsprekend. Voor onderduikende Joden tijdens de oorlog werd kennis van het landschap een kwestie van leven of dood. Ja, voor hedendaagse earthshipbouwers of zelfvoorzieningsdromers is het vaak een experiment; soms ideologisch, soms existentieel. Toch hebben die werelden iets gemeen: ze laten zien dat natuurkennis nooit vrijblijvend is geweest.

Bosverblijven: een tiny house, een onderduikershol en een papoeahut. Wie zoekt naar de blauwdruk van een leven dat naadloos aansluit bij onze menselijke biologie, komt onherroepelijk uit bij de Papoea’s; althans, bij hun bestaan voordat de westerse bemoeizucht de natuurlijke orde kwam herindelen. Critici zullen direct de traditie van het koppensnellen of kannibalisme opvoeren als bewijs voor een ‘onbeschaafd’ tekort. Maar laten we eerlijk zijn: wie het gedrag van andere primaten of roofdieren bestudeert, ziet dat geweld een integraal onderdeel is van overleving. De westerse mens is de enige diersoort die zijn eigen agressie heeft gelegaliseerd in wetboeken, om vervolgens verbaasd te kijken naar de onversneden wreedheid van het ecosysteem.

De tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden zette mij opnieuw aan het denken over wat het eigenlijk betekent om ‘in de natuur’ te leven. In het Westen beschouwen we zo’n bestaan vaak als primitief of als een gebrek aan ontwikkeling. Maar wie kijkt naar de kennis die volkeren als de Papoea’s gedurende eeuwen opbouwden, ziet eerder het tegenovergestelde. Weten welke planten eetbaar zijn, hoe je water vindt, hoe je een onderkomen bouwt uit wat het landschap biedt, hoe je leeft zonder het ecosysteem direct uit te putten, dat is geen romantische hobby, maar een vorm van beschaving op zichzelf. Misschien alleen een beschaving die niet gebouwd werd uit beton, plastic, asfalt, algoritmes en spreadsheets.

Een heel andere betekenis krijgt die natuurkennis in de verhalen rond de Zefat-groep, waarover een vriend van mij samen met Ab van Dien een filmproject maakte voor Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daar werd het bos geen plek van vrijheid of harmonie, maar een schuilplaats. Mensen groeven kuilen om zichzelf verborgen te houden, letterlijk wegzakkend in de aarde om te kunnen overleven. Het confronteert je met een ongemakkelijke waarheid: de natuur beschermt niemand vanzelf. Zonder kennis van terrein, seizoenen, camouflage en foerageren wordt een bos eerder een vijand dan een toevluchtsoord. Het idee van ‘off-grid leven’ klinkt anders wanneer het geen keuze meer is, maar een laatste mogelijkheid.

Toch herken ik ergens ook de aantrekkingskracht van dat andere perspectief: het verlangen naar een eenvoudiger bestaan, in een tiny house tussen bomen, omringd door een permacultuur die misschien genoeg oplevert om jezelf en anderen te voeden. Niet uit pure noodzaak, maar uit onvrede met een wereld die steeds drukker, kunstmatiger en afhankelijker aanvoelt. Earthships, zelfvoorzienende woningen en off-grid experimenten lijken soms moderne pogingen om iets terug te vinden wat verloren is gegaan. Tegelijk schuilt daar misschien ook een paradox in. Veel mensen – ikzelf inbegrepen – kunnen over zo’n leven fantaseren juist omdat we zijn opgegroeid in een samenleving waarin supermarkten, elektriciteit en infrastructuur vrijwel altijd beschikbaar zijn. De romantiek van zelfvoorziening ontstaat vaak pas op het moment dat echte afhankelijkheid verdwenen is.

Toch is er nog iets dat deze drie werelden met elkaar verbindt. Geen van hen blijkt uiteindelijk onaantastbaar. Iedere vorm van leven buiten de moderne beschaving staat onder druk, al gebeurt dat telkens op een andere manier.

Voor veel Papoea-gemeenschappen wordt een eeuwenoude levenswijze langzaam afgebroken door een oprukkende buitenwereld. Zendingsdrang, economische exploitatie, ontbossing en klimaatverandering dringen gebieden binnen waar mens en natuur ooit een vanzelfsprekende eenheid vormden. Wat voor buitenstaanders soms als “achtergebleven” werd gezien, blijkt ondertussen juist kennis te bevatten die de moderne wereld grotendeels is kwijtgeraakt. Ironisch genoeg vernietigt dezelfde beschaving die zichzelf als vooruitgang presenteert vaak precies datgene wat zij zegt te willen beschermen: cultureel evenwicht, biodiversiteit en verbondenheid met de leefomgeving.

Ook de onderduiker leeft in een wereld die voortdurend dreigt te verdwijnen. Niet langzaam, maar abrupt. Eén moment van verraad, één strenge winter, één tekort aan voedsel kan het einde betekenen. Het geïmproviseerde bestaan in bossen, holen of zelfgegraven kuilen vraagt een lichamelijke en geestelijke hardheid die nauwelijks voorstelbaar is voor wie veiligheid gewend is. De natuur wordt daar geen romantisch decor, maar een plek waar kou, honger en angst voortdurend aanwezig blijven. Overleven betekent er niet terugkeren naar eenvoud, maar dag na dag proberen mens te blijven onder onmenselijke omstandigheden.

En dan is er de moderne dromer, die misschien vrijwillig tussen de bomen wil leven, maar ontdekt hoe moeilijk het is om werkelijk afstand te nemen van de wereld die hij bekritiseert. Veel dromen over zelfvoorziening ontstaan juist in samenlevingen waarin bijna niemand nog écht afhankelijk is van eigen natuurkennis. Dat maakt het verlangen oprecht, maar ook tegenstrijdig. De moderne maatschappij blijft trekken, verleiden en sussen. Comfort blijkt moeilijker los te laten dan ideologie. Wie droomt van een eenvoudig bestaan merkt vaak hoe diep hij ongemerkt verweven is geraakt met elektriciteit, speciaalzaken, digitale netwerken en ander gemak. Misschien lijkt dat op iemand die wil afvallen terwijl overal voedsel wordt aangeboden: niet gebrek aan overtuiging vormt het grootste obstakel, maar de constante aanwezigheid van verleiding. De materialistische wereld die we vervloeken, is vaak dezelfde wereld waarvan we afhankelijk zijn geworden.

Misschien vormen de Papoea’s wel de ultieme belichaming van een leven dat werkelijk ‘klopt’; tenminste, als we het hebben over hun leven voordat onze bemoeizuchtige ‘beschaving’ de boel kwam verstoren. Natuurlijk hoor ik de morele verontwaardiging over koppensnellen en kannibalisme; praktijken die inderdaad lastig te verkopen zijn in een glossy tijdschrift. Maar wie de mens als zoogdier beschouwt in plaats van als moreel superieur wezen, ziet dat de natuur nooit een ethische commissie heeft aangesteld. Wij vinden hun geweld primitief, maar onze eigen methoden om de wereld te vernietigen zijn simpelweg efficiënter georganiseerd.

Het filmproject ‘Van de stobbe en de bossen’, waarover in dit blogbericht wordt gesproken, werd gemaakt door Martin van den Oever en Petra Timmer samen met Ab van Dien voor herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch museum.

Een breuk in het script

Wanneer het leven de vlogger inhaalt.

Bij het openslaan van een roman of het starten van een Netflix-serie sluiten we een stilzwijgend pact met de maker; we accepteren de chaos op het scherm, simpelweg omdat we weten dat er achter de schermen een scenarist waakt over de rode draad. Hoe grillig de plot ook mag lijken, het is een geconstrueerde ononderbrokenheid die ons onvermijdelijk naar een doordacht slot voert. Maar wie zich begeeft in de wereld van de avontuurlijke vlogger, stapt in een verhaal zonder vangnet. Hier is geen sprake van een regisseur die ‘cut’ roept als de realiteit te rauw wordt; hier kan het leven met een botte bijl inhakken op de verhaallijn. Het is de ultieme kwetsbaarheid van de ‘unscripted’ mens: de droom die niet eindigt met een geplande apotheose, maar met een technisch debacle dat geen enkele scriptschrijver had durven indienen bij zijn producent.

Maak kennis met Molly, een jonge vrouw die met haar kanaal Molly’s Sea Stories (mollysseastories op Instagram) de belichaming was van de moderne ontsnappingsdrang. Haar metgezel? De Kyeema, een stalen dame die haar de ultieme vrijheid beloofde. Het kanaal ademde die typische, aanstekelijke naïviteit van de vroege ontdekkingsreiziger: de oceaan als decor voor een eindeloze zoektocht naar zelfstandigheid en verre horizonten.

Al snel bleek dat de Kyeema niet alleen een schip was, maar een gulzige verzameling mechanische uitdagingen. Wat begon als een romantisch epos, veranderde langzaam in een kroniek van defecte alternatoren, slippende v-snaren en accu’s die de geest gaven. Het avontuur werd een uitputtingsslag waarbij de horizon steeds vaker werd geblokkeerd door een geopende motorkap.

Het centrale motief van dit epos is tevens de meest wrange verklaring voor het uiteindelijke falen: de paradox van de onafhankelijkheid. In de moderne beeldvorming wordt zeilen vaak gepresenteerd als de ultieme ontsnapping aan de maatschappelijke systemen; een leven op eigen kracht, gedreven door de wind. De realiteit is echter dat een zeiljacht een drijvende micro-kosmos is van complexe techniek.

Wie de oceaan opzoekt zonder fundamentele technische vaardigheid, creëert onbedoeld de meest extreme vorm van afhankelijkheid die denkbaar is. In plaats van vrij te zijn, word je een gijzelaar van het toeval. Elke hapering van de motor of elk defect aan de elektronica verandert de kapitein in een toeschouwer van haar eigen ondergang. Het gebrek aan ‘wetenschappelijke soundness’ – de nuchtere kennis van hoe krachten, corrosie en verbranding op elkaar inwerken – zorgt ervoor dat de droom niet wordt gestuurd door de koers van het roer, maar door de grillen van externe redders. Deze technische onmacht fungeert als een onzichtbaar anker dat, ongeacht de goede bedoelingen, elke voortgang uiteindelijk onmogelijk maakt.

Midden in deze mechanische gijzeling verscheen Tom, de drijvende kracht achter het kanaal What In The World. Hij was de personificatie van de ontbrekende schakel: de man die niet alleen de horizon zag, maar ook begreep hoe je daar moest komen als de wind wegviel. Tom bracht een broodnodige medische interventie voor de Kyeema. Hij reviseerde lieren, verving v-snaren en bracht een kalmte aan boord die alleen voortkomt uit het beheersen van de materie. Voor de kijker was hij de ‘deus ex machina’ die de verhaallijn behoedde voor een voortijdig einde.

Toch was het niet alleen de techniek die de kijkers aan het scherm gekluisterd hield. Er ontstond een onmiskenbare synergie tussen Tom en Molly die de video’s een diepere, bijna literaire laag gaf. We kijken immers liever naar een hart dat klopt dan naar een motor die draait. De tederheid in de interactie en de gedeelde kwetsbaarheid tijdens zware oversteken voedden de hoop op een groter verhaal. Of er nu sprake was van een klassieke romance of een diepe verbondenheid door gedeelde nood; het element van menselijke genegenheid was de lijm die de brokkelige verhaallijn tijdelijk weer tot een eenheid smeedde. Het maakte de reis voor het publiek persoonlijk; de boot werd een thuis, en de tweekoppige bemanning een belofte.

Uiteindelijk bleek de realiteit echter een onverbiddelijke scenarist. In de gedenkwaardige aflevering 100 zagen we hoe de wetten van de fysica en de genadeloze logica van de economie het laatste woord opeisten. De Kyeema was simpelweg “op”. De structurele gebreken en de financiële uitputting dwongen hen tot een besluit dat even onbaatzuchtig als hartverscheurend was: de boot moest worden weggegeven.

Het is het definitieve einde van een verhaallijn die niet bezweek onder een gebrek aan passie, maar onder het gewicht van zijn eigen paradoxen. De droom van vrijheid eindigde in een haven waar de sleutels werden overgedragen; een herinnering achterlatend aan een reis die ons leerde dat je de wereld kunt bevaren op hoop, maar dat je alleen thuiskomt met een werkende dynamo.

Brief aan een curriculum-cipier

Een pleidooi om nog onverschrokkener buiten de lijntjes te kleuren van de landelijke leerstof.

Beste k,

Dat ik jouw naam hier vervang door het symbool voor de constante van Boltzmann heeft weinig met zijn beroemde vergelijking te maken. Ik wilde vooral dezelfde vorm van abstraheren toepassen als bij m; niet in de laatste plaats omdat je zo enthousiast reageerde op mijn brief aan hem.

Je vroeg me of ik wat uitgebreider wilde ingaan op dat euforische moment dat ik beschreef: het ogenblik waarop de noodzaak van het kwadraat in bijvoorbeeld E = mc² plotseling tot me doordrong. Dat dit inzicht zich pas rond mijn achttiende aandiende, zou in jouw praktijk als docent natuurkunde betekenen dat een leerling pas ná het eindexamen een fundamenteel begrip bereikt. Jij hoopt – begrijpelijk – dat een zorgvuldig opgebouwd curriculum dat vóór kan zijn.

Toch zie jij in je klaslokalen iets anders gebeuren. Leerlingen bewegen zich plichtmatig door de stof, volgen de gebaande paden, en komen pas later – als het cijfer al vastligt – tot enig werkelijk inzicht. Voor velen blijft het bij een zesje met de hakken over de sloot, waarna natuurkunde voorgoed wordt ingeruild voor iets dat minder weerstand biedt. Je vindt dat zonde. Soms zelfs reden tot zelfkritiek: ben je niet te veel een ‘syllabus-satraap’, zoals je het zelf eens noemde? Regeer je niet te strikt volgens het examenprogramma, als een in permanente tijdnood verkerende ‘eindtermen-executeur’, met een precisie waar een Zwitsers uurwerk jaloers op zou zijn, maar waar leerlingen weinig aan hebben?

Laat ik je eerst geruststellen. Ik ken je niet als iemand die een gesprek afkapt zodra het interessant dreigt te worden omdat het buiten de stof valt. Integendeel: toen wij elkaar leerden kennen – ik was inmiddels de dertig gepasseerd – bleek je juist opvallend bereid om terug te keren naar onderwerpen die ik ooit half had begrepen. Ik heb nooit een les van je bijgewoond, maar niets aan jou doet vermoeden dat je slechts de instructies van bovenaf volgt.

Misschien moeten we een ongemakkelijker mogelijkheid onder ogen zien: dat inzicht zich niet laat afdwingen. Dat exacte vakken voor velen eenvoudigweg te veel denkkracht vereisen op een moment in het leven waarop andere zaken – urgenter, diffuser – de aandacht opeisen. De pre-volwassenheid is mogelijk niet de fase waarin de meeste mensen ontvankelijk zijn voor het zo precies mogelijk in kaart brengen van de werkelijkheid.

Voor mij bleek er nog hoop. Misschien omdat andere afleidingen nog even uitbleven en er ruimte ontstond voor iets dat, achteraf bezien, verrassend helder was. Er kwam namelijk logica bij kijken; en niets anders dan dat.

Iemand wees mij er ooit nadrukkelijk op dat je geen appels met peren kunt vergelijken. Dat je grootheden eerst naar een gemeenschappelijk niveau moet tillen voordat je er een is-gelijk-teken tussen mag zetten. Dat vermoeden had ik al, maar ik had het verkeerd geïnterpreteerd. Ik dacht dat het kwadrateren van de lichtsnelheid een soort boekhoudkundige ingreep was: als je aan de ene kant iets ‘verzwaart’, moet de andere kant mee.

Maar zo werkt het niet. Het kwadraat van c is geen kunstgreep om de vergelijking in balans te brengen; het volgt noodzakelijk uit de manier waarop massa en energie in de relativiteitstheorie met elkaar verbonden zijn.

Dat werd mij pas echt duidelijk toen ik nog eens stil stond bij de verschillende eenheden:

  • Snelheid heeft de dimensie meter per seconde (m/s).
  • Energie wordt gemeten in Joule (kg·m²/s²).
  • Massa in kilogram (kg).

Om van massa naar energie te gaan, heb je dus een factor nodig met de dimensie (m/s)². En dat is precies wat levert. Het is geen willekeurige keuze, maar een mathematisch onvermijdelijke brug tussen twee grootheden die op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen hebben.

Tegenwoordig zou zo’n inzicht zich waarschijnlijk sneller aandienen. Niet omdat de leerling slimmer is geworden, maar omdat de uitleg zich kan aanpassen. Wat mij toen ontbrak, bestaat nu wel: een systeem dat net zo lang andere formuleringen probeert tot het aansluit bij het begripsvermogen van de vragensteller. Ik moest het doen met toevalligheden; een boek, een passage, een moment waarop iets eindelijk viel.

Jij had, als ik je eerder had ontmoet, misschien degene kunnen zijn die dat moment naar voren haalde. Want mijn intuïtie zat niet eens zo ver naast de waarheid. Er was alleen niemand die zei: “Je bent er bijna, maar hier zit de denkfout.”

Het boek dat me uiteindelijk hielp vond ik tijdens een vakantie in Griekenland, in een Duitse uitgave die ik half begreep en half aanvoelde. Ik schreef passages over in een schrift, afgewisseld met indrukken van zee, hitte en een merkwaardig gevoel van helderheid. Het boek zelf ben ik kwijtgeraakt, maar één gedachte is blijven hangen:

De in E = mc² werkt als een gigantisch vergrootglas. Omdat de lichtsnelheid ongeveer 300.000.000 m/s bedraagt, is een astronomisch getal (≈ 9 × 10¹⁶). Dat betekent dat een minuscuul beetje massa overeenkomt met een enorme hoeveelheid energie. Niet als overdrijving, maar als exacte verhouding, vastgelegd in de structuur van het universum zelf.

Misschien maakt dat op jou minder indruk dan op mij. Misschien bevestigt het alleen maar dat je je werk naar behoren doet. Maar ik vermoed dat het werkelijke verschil ergens anders ligt.

Niet in de stof, en ook niet in de volgorde waarin die wordt aangeboden, maar in het moment waarop inzicht landt. Dat zeldzame ogenblik waarop losse flarden kennis, intuïtie en halfbegrepen regels plotseling samenvallen tot een geheel dat zichzelf verklaart. Alsof je niet iets nieuws leert, maar eindelijk begrijpt wat je al die tijd al wist.

En misschien is dat precies waar geen curriculum grip op krijgt.

P.S. richting blogberichtlezer
In tegenstelling tot spirituele claims over ‘vibratie’ of ‘universele energie’ is E = mc² een van de best geteste principes uit de moderne fysica. Het verklaart waarom de zon schijnt en hoe kernenergie werkt. Elke keer dat massa in energie wordt omgezet, verschijnt die factor weer; consequent, meetbaar en zonder mystiek. Het universum blijkt, in dat opzicht, een opmerkelijk precieze boekhouder.

Lezersreactie:

Ik zie die Joule niet meer terug in de haakjes daarachter. Snelheid is meter per seconde; ok, dat begrijp ik. Massa wordt gemeten in kilogrammen; check! Maar nadat je beweerd hebt dat energie in Joule wordt gemeten, zie ik je die eenheid niet meer gebruiken!

Reactie:

Een scherpe observatie. Laten we de conversie nader bestuderen. Om van massa naar energie te gaan, vermenigvuldigen we de massa met het kwadraat van de snelheid. De eenheid wordt dan:

\text{kg} \times (\text{m/s})^2 = \text{kg} \cdot \text{m}^2/\text{s}^2 = \text{Joule}

Zie je hoe we hier uitkomen? De eenheid aan de rechterkant van het is-gelijk-teken is exact hetzelfde. Zo zorgen we ervoor dat we uitsluitend met vergelijkbare grootheden werken, oftewel: we vergelijken geen appels met peren. Dit maakt duidelijk dat c^2 geen willekeurige ingreep is, maar een onvermijdelijke factor om de dimensies in evenwicht te brengen.”

De SI-eenheid van energie (de Joule) is inderdaad exact gelijk aan \text{kg} \cdot \text{m}^2/\text{s}^2. De factor c^2 fungeert op deze manier als de noodzakelijke dimensie-overbrugging om van massa (kg) naar energie te gaan.

Zodra de eenheden aan weerszijden van het is-gelijk-teken met elkaar in overeenstemming zijn gebracht, ontstaat er een valide vergelijking. We vergelijken dan immers niet langer appels met peren.