Tussen Ritueel en Overleving

Wat twee Himalaya‑documentaires onthullen over nomadisme, sentiment en de blik van de camera.

Ik heb zo’n vriend die, zodra ik hem enthousiast wijs op een documentaire die mij heeft geraakt, bijna automatisch laat weten dat hij óf die film al heeft gezien, óf het onderwerp allang kent. Daarna volgt steevast een kleine tirade over wat er volgens hem allemaal mis mee is, om vervolgens met een alternatief te komen. Zo ook toen ik hem vertelde over The Nomads of Dolpo, een film die me oprecht had ontroerd. Zijn reactie: ‘Die muziek en die voice-over waren zó irritant dat ik ben afgehaakt, maar het onderwerp is fascinerend. Ik meen me te herinneren dat ik jaren geleden een docu over de zoutmannetjes heb gezien.’ Even later stuurde hij me een link naar Die Salzmänner von Tibet.

Links de sacrale rust van Die Salzmänner von Tibet; rechts de rauwe werkelijkheid van The Nomads of Dolpo, waar een zoon het lichaam van zijn overleden vader op de rug neemt om hem naar de crematieplaats te brengen; een onverwacht onheil dat de karavaan vier dagen ophoudt en de familie extra kwetsbaar maakt voor de oprukkende winter. Een beeld dat het grote verschil in toon tussen beide films pijnlijk zichtbaar maakt. Toegegeven: ‘mijn’ film leunt meer op sentiment, maar ik zou dat geen effectbejag of gemakzuchtige emotie willen noemen.

Laat één ding duidelijk zijn: hij doet dit niet om mij te treiteren. Hij weet zelf ook hoe irritant betweterigheid kan zijn. ‘Excuses dat ik altijd zo overdreven kritisch ben,’ schreef hij er daarom bij, ‘maar ja, je moet het maar doen met zo’n zeikerd van een vriend.’ Bij hem werkt het anders dan bij de meeste mensen: hij reageert niet uit superioriteit, maar uit een diepgewortelde gevoeligheid voor vorm en toon. Alles wat te sentimenteel, te nadrukkelijk of te glad is, schuurt bij hem onmiddellijk. En juist daardoor wijst hij me soms op iets dat ik anders nooit had ontdekt.

En eerlijk is eerlijk: in dit geval had hij een punt. Want als je The Nomads of Dolpo naast Die Salzmänner von Tibet legt, zie je dat het vooral het sentiment is dat de twee films van elkaar scheidt. De eerste is een emotioneel geladen familie‑epos, compleet met muziek die je bij de hand neemt en een voice‑over die je door het verhaal leidt. De tweede is juist bijna ascetisch: een rituele, verstilde observatie waarin geen ruimte is voor sentiment, alleen voor traditie, ritme en de heiligheid van arbeid. Waar Dolpo je raakt in het hart, raakt Salzmänner je in de ziel; en mijn vriend heeft nu eenmaal een ingebouwde allergie voor alles wat te nadrukkelijk aan dat eerste trekt. Juist daarom werd het interessant om beide films naast elkaar te leggen en te zien wat ze, ondanks hun totaal verschillende toon, onthullen over nomadisme in het Himalayagebied.

Juist in deze regio is de rondtrekkende traditie nog niet gereduceerd tot cultureel erfgoed; het is er simpelweg de enige manier om stand te houden. De hoogvlaktes van Tibet en de valleien van Dolpo in Nepal delen een eeuwenoude economie die draait om yaks, zout, gerst en de ritmiek van seizoenen die genadeloos zijn. Toch tonen deze twee documentaires dat nomadisme niet één verhaal is, maar een spanningsveld tussen ritueel en overleving, tussen traditie en verandering, tussen gemeenschap en individu. Hoewel ze dezelfde wereld betreden, doen ze dat met een totaal andere filmische blik, en juist dat verschil maakt zichtbaar hoe veelzijdig dit bestaan is; en hoe verschillend het kan worden verteld.

In Die Salzmänner von Tibet wordt de zoutkaravaan niet gepresenteerd als een economische activiteit, maar als een heilige choreografie. Vier mannen bereiden zich voor op een negentig dagen durende tocht naar het mythische Tsento‑meer, waar zout niet wordt gewonnen maar verzameld onder het toeziend oog van een godin. Alles is ritueel: het kiezen van een gunstige dag, het bereiden van offers, het spreken van een geheime taal, het naleven van voorbeeldig gedrag. De film toont nomadisme als een kosmisch contract: de mens beweegt door het landschap, maar het landschap beweegt ook door de mens.

In The Nomads of Dolpo is de zouttocht geen ritueel maar een familiale migratie. Karma Tshering leidt zijn vrouw, kinderen en yaks door bergpassen boven de vijfduizend meter. De tocht is niet sacraal, maar existentieel: als ze te laat vertrekken, sluit de winter de passen en sterft de kudde. Hier is het trekkersbestaan geen ceremonie maar een levenslijn; een traditie die wankelt onder armoededruk en de vraag of de kinderen dit leven nog willen of kunnen voortzetten. Waar Salzmänner een wereld toont die lijkt te bestaan buiten de tijd, toont Dolpo een wereld die tegen de tijd in probeert te blijven bestaan.

Die verschillen worden pas echt scherp zodra je ziet hoe beide filmmakers de lens hanteren. De camera van Salzmänner is stil, geduldig, bijna monastiek. Ze observeert, dringt zich niet op, bewaart afstand om nabijheid mogelijk te maken. Lange shots van yaks die zich door de vlakte bewegen, rituele handelingen die in real time worden getoond; het is een beeldtaal die doet denken aan klassieke etnografische cinema. De film laat je niet alleen zien wat er gebeurt, maar hoe het voelt om deel uit te maken van een traditie die ouder is dan het geheugen.

De camera van Dolpo is beweeglijker, menselijker, soms zelfs wankel; en dat is precies de bedoeling. Ze volgt de familie door sneeuw, rotspartijen en wind, registreert emoties: vermoeidheid, verdriet, doorzettingsvermogen. Close‑ups van kinderen die worstelen met de hoogte, shots die de gevaren van de passen voelbaar maken, een ritme dat de fysieke inspanning weerspiegelt. Waar Salzmänner contemplatief is, is Dolpo kinetisch. De camera ademt mee met de karavaan.

Ook narratief staan de films lijnrecht tegenover elkaar. Salzmänner vertelt geen verhaal in klassieke zin: geen conflict, geen dramatische boog, geen psychologische ontwikkeling. Het narratief is cyclisch, zoals de seizoenen. De mannen vertrekken, verzamelen zout, keren terug. Het drama zit niet in gebeurtenissen, maar in de betekenis ervan. De film is een mythe in documentairevorm. Dolpo daarentegen is een epos: de dreiging van de winter, de fysieke uitputting, het verlies van een familielid onderweg, de vraag of deze manier van leven toekomst heeft. Het narratief is lineair en emotioneel geladen, een reisverhaal dat de kijker meeneemt in de kwetsbaarheid van een familie die letterlijk tussen leven en dood navigeert.

Wanneer je deze films naast elkaar ziet, ontstaat een dieper begrip van nomadisme in het Himalayagebied. Het is zowel sacraal als praktisch, zowel collectief als familiaal, zowel tijdloos als bedreigd; het is zowel een kosmologie als een economische noodzaak. Samen vormen de documentaires een tweeluik dat laat zien hoe een eeuwenoude levenswijze zich staande probeert te houden in een wereld die steeds sneller verandert.

Misschien is dat wel de reden dat ik beide films koester, elk op hun eigen manier. De één herinnert me eraan dat tradities niet zomaar gebruiken zijn, maar dragers van betekenis. De ander laat zien dat achter elke traditie mensen schuilgaan die moeten leven, lijden, kiezen en doorgaan. Ergens tussen die twee polen – tussen ritueel en overleving – bevindt zich de ruimte waarin nomadisme nog altijd ademt. Misschien is dat ook de ruimte waarin wij, kijkers, iets kunnen leren over onze eigen manier van bewegen door de wereld.

Die manier van bewegen blijft een strikt persoonlijke exercitie. Het verklaart waarom filmvoorkeuren onherroepelijk uiteenlopen. Mijn vriend, met zijn hypergevoelige antenne voor vorm en toon, laveert moeiteloos mee op de meditatieve golven van Salzmänner; hij ziet er een pure, onbevlekte esthetiek in die gevrijwaard blijft van goedkoop sentiment. Ik daarentegen krijg bij dat soort devotionalia al snel last van jeuk. De rauwe, aardse logica van Dolpo ligt mij van nature beter. Waar hij loutering vindt in een kosmos vol rituelen, kies ik voor de overlevingstocht van vlees en bloed.

Uiteindelijk heb ik weinig met esoterische abstracties, zoals mijn lezers inmiddels weten. Ik zie de menselijke conditie het liefst gereduceerd tot wat ze werkelijk is: een bittere, tastbare noodzaak om de winter voor te blijven. Met zo’n ‘zeikerd van een vriend’ wordt mijn blikveld ruimer maar houd ik ook scherp waar mijn nuchterheid ophoudt en zijn sacrale wereld vol vormesthetiek begint.

Waterzucht en wetenschap

Van mijn kortstondige glazen koninkrijk naar de puinhopen van een Afrikaans paradijs.

Tijdens mijn puberjaren vormde mijn slaapkamer een zompig ecosysteem rondom een helverlicht aquarium. De bewoners van dit onderwaterrijk volgden de neerwaartse spiraal van mijn ambitie; ik begon met zebravisjes, maanvissen, kardinaaltetra’s, zwaarddragers, een modderkruiper (pantsermeerval) en een algeneter (borstelneus). Toen deze uitgebalanceerde biologie van tropische allure mijn macht te boven ging, koos ik voor de weg van de minste weerstand: guppy’s. Deze onkruidverdelgers waren niet kapot te krijgen. In de laatste fase van mijn aquaristische carrière capituleerde ik volledig voor het gemak door over te stappen op driedoornige stekelbaarsjes. Die kon je toen nog eigenhandig uit een sloot vissen; ze lieten zich niet uit het veld slaan door een defect verwarmingselement en bovendien had Maarten ’t Hart er een boekje over geschreven.

Overdrijf ik het als ik spreek van een literaire evolutie in vogelvlucht? Mijn gestrande aquarium-ambities kregen jaren later een grootschalig en tragisch spiegelbeeld in Tijs Goldschmidts relaas over de ondergang van het Victoriameer. De onschuldige fascinatie van een beginnend aquarist versus de bittere wetenschap van Darwin’s hofvijver.

Waar ik me nooit aan durfde te wagen, waren de cichliden. Zij vormden de eredivisie; een veeleisend volkje dat met een destructief temperament je hele onderwaterlandschap verbouwt en in een te krappe bak een bloedbad aanricht. Het onderhouden van hun specifieke waterwaarden gold als een hogere kunstvorm die slechts was weggelegd voor de ware aquarist met een onuitputtelijk geduld. Over precies deze vissen schreef de Nederlandse gedragsbioloog Tijs Goldschmidt zijn debuut Darwin’s hofvijver. Het boek werd zo’n succes dat hij z’n wetenschappelijke loopbaan verruilde voor een bestaan als fulltime schrijver en essayist.

In Darwin’s hofvijver neemt Goldschmidt de lezer mee naar de oevers van het Victoriameer, een watermassa zo immens dat mijn visbak een regendruppel leek. Terwijl ik me als jongetje zorgen maakte over de overlevingskansen van een enkele gup, stuitte Goldschmidt op een evolutionair spektakel van ongekende proporties. Hij beschrijft de zogeheten adaptieve radiatie: het biologische wonder waarbij één stamvader zich uitsplitst in honderden soorten cichliden, elk met een eigen specialisatie, kleurpatroon en paringsdans. Het meer was, zoals de titel al suggereert, een levend laboratorium voor de evolutietheorie.

De idylle van dit ‘wetenschappelijke paradijs’ bleek echter van korte duur. Goldschmidt kwam om de pracht van de soortvorming te bewonderen, maar werd onbedoeld de chroniqueur van een catastrofe. De introductie van de Nijlbaars – een vraatzuchtige reus die door menselijk ingrijpen in het meer was uitgezet – verstoorde definitief de ecologische balans. De hofvijver veranderde voor de ogen van de onderzoeker in een massagraf, waarbij de ene na de andere unieke cichlidesoort in de maag van de indringer verdween.

Wat Darwin’s hofvijver zo dwingend maakt, is de manier waarop Goldschmidt de frictie tussen abstracte data en tastbaar verlies hanteert. Als gedragsbioloog is hij opgeleid om patronen te herkennen, niet om te rouwen; toch sijpelt er in zijn relaas een onvermijdelijke melancholie door wanneer de ene na de andere ‘soort’ uit zijn vangnetten verdwijnt. Wetenschappelijk gezien is de teloorgang van de cichliden een fascinerende casestudy in de destructieve kracht van invasieve exoten, maar Goldschmidt verheft het tot een essayistisch drama over menselijke overmoed. De Nijlbaars werd immers niet per ongeluk in het meer gedumpt; het was een weloverwogen economische ingreep die volledig voorbijging aan de fijnzinnige biologische architectuur van het ecosysteem. Het is die nuchtere, bijna cynische observatie van hoe snel miljoenen jaren aan evolutie kunnen worden weggevaagd door een kortzichtig verlangen naar meer visvlees, die het boek zijn gewicht geeft. Voor de lezer die, net als ik, ooit worstelde om een handvol vissen in een glazen bak in leven te houden, is de schaal van deze vernietiging bijna niet te bevatten.

Uiteindelijk is Darwin’s hofvijver meer dan een verslag van een ecologische ramp; het is een proeve van bekwaamheid in de literatuur van de verstilling. Goldschmidt dwingt de lezer oog te hebben voor de fijnzinnige schoonheid van een wereld die er niet meer is, zonder ooit te vervallen in zweverige nostalgie. Hij beschrijft de cichliden met een eerbied die ik als puber onbewust al voelde wanneer ik de aquariumzaak binnenstapte: het besef dat sommige vormen van leven een discipline en toewijding eisen die het alledaagse overstijgen. Waar ik destijds koos voor het gemak van de stekelbaars en de gup, laat Goldschmidt zien wat de prijs is wanneer we diezelfde weg van de minste weerstand op mondiale schaal bewandelen. Zijn besluit om de microscoop in te ruilen voor de pen is dan ook een geschenk voor de lezer; hij heeft de tragiek van het Victoriameer niet alleen gedocumenteerd, maar voorgoed verankerd in ons collectieve geheugen. In de biologie mag de Nijlbaars de strijd hebben gewonnen, in de literatuur zijn het de cichliden van Goldschmidt die het eeuwige leven hebben gekregen.

Overleven tussen bomen

Leven buiten de ‘beschaving’ als droom, vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Het overleef je in de bossen? Die vraag klinkt tegenwoordig bijna romantisch. We denken aan tiny houses, permacultuur, off-grid leven en de vrijheid van een bestaan dicht bij de natuur. Maar dezelfde vraag kreeg in andere tijden en op andere plekken een totaal andere betekenis. Voor Papoea’s was leven in en met de natuur eeuwenlang vanzelfsprekend. Voor onderduikende Joden tijdens de oorlog werd kennis van het landschap een kwestie van leven of dood. Ja, voor hedendaagse earthshipbouwers of zelfvoorzieningsdromers is het vaak een experiment; soms ideologisch, soms existentieel. Toch hebben die werelden iets gemeen: ze laten zien dat natuurkennis nooit vrijblijvend is geweest.

Bosverblijven: een tiny house, een onderduikershol en een papoeahut. Wie zoekt naar de blauwdruk van een leven dat naadloos aansluit bij onze menselijke biologie, komt onherroepelijk uit bij de Papoea’s; althans, bij hun bestaan voordat de westerse bemoeizucht de natuurlijke orde kwam herindelen. Critici zullen direct de traditie van het koppensnellen of kannibalisme opvoeren als bewijs voor een ‘onbeschaafd’ tekort. Maar laten we eerlijk zijn: wie het gedrag van andere primaten of roofdieren bestudeert, ziet dat geweld een integraal onderdeel is van overleving. De westerse mens is de enige diersoort die zijn eigen agressie heeft gelegaliseerd in wetboeken, om vervolgens verbaasd te kijken naar de onversneden wreedheid van het ecosysteem.

De tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden zette mij opnieuw aan het denken over wat het eigenlijk betekent om ‘in de natuur’ te leven. In het Westen beschouwen we zo’n bestaan vaak als primitief of als een gebrek aan ontwikkeling. Maar wie kijkt naar de kennis die volkeren als de Papoea’s gedurende eeuwen opbouwden, ziet eerder het tegenovergestelde. Weten welke planten eetbaar zijn, hoe je water vindt, hoe je een onderkomen bouwt uit wat het landschap biedt, hoe je leeft zonder het ecosysteem direct uit te putten, dat is geen romantische hobby, maar een vorm van beschaving op zichzelf. Misschien alleen een beschaving die niet gebouwd werd uit beton, plastic, asfalt, algoritmes en spreadsheets.

Een heel andere betekenis krijgt die natuurkennis in de verhalen rond de Zefat-groep, waarover een vriend van mij samen met Ab van Dien een filmproject maakte voor Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daar werd het bos geen plek van vrijheid of harmonie, maar een schuilplaats. Mensen groeven kuilen om zichzelf verborgen te houden, letterlijk wegzakkend in de aarde om te kunnen overleven. Het confronteert je met een ongemakkelijke waarheid: de natuur beschermt niemand vanzelf. Zonder kennis van terrein, seizoenen, camouflage en foerageren wordt een bos eerder een vijand dan een toevluchtsoord. Het idee van ‘off-grid leven’ klinkt anders wanneer het geen keuze meer is, maar een laatste mogelijkheid.

Toch herken ik ergens ook de aantrekkingskracht van dat andere perspectief: het verlangen naar een eenvoudiger bestaan, in een tiny house tussen bomen, omringd door een permacultuur die misschien genoeg oplevert om jezelf en anderen te voeden. Niet uit pure noodzaak, maar uit onvrede met een wereld die steeds drukker, kunstmatiger en afhankelijker aanvoelt. Earthships, zelfvoorzienende woningen en off-grid experimenten lijken soms moderne pogingen om iets terug te vinden wat verloren is gegaan. Tegelijk schuilt daar misschien ook een paradox in. Veel mensen – ikzelf inbegrepen – kunnen over zo’n leven fantaseren juist omdat we zijn opgegroeid in een samenleving waarin supermarkten, elektriciteit en infrastructuur vrijwel altijd beschikbaar zijn. De romantiek van zelfvoorziening ontstaat vaak pas op het moment dat echte afhankelijkheid verdwenen is.

Toch is er nog iets dat deze drie werelden met elkaar verbindt. Geen van hen blijkt uiteindelijk onaantastbaar. Iedere vorm van leven buiten de moderne beschaving staat onder druk, al gebeurt dat telkens op een andere manier.

Voor veel Papoea-gemeenschappen wordt een eeuwenoude levenswijze langzaam afgebroken door een oprukkende buitenwereld. Zendingsdrang, economische exploitatie, ontbossing en klimaatverandering dringen gebieden binnen waar mens en natuur ooit een vanzelfsprekende eenheid vormden. Wat voor buitenstaanders soms als “achtergebleven” werd gezien, blijkt ondertussen juist kennis te bevatten die de moderne wereld grotendeels is kwijtgeraakt. Ironisch genoeg vernietigt dezelfde beschaving die zichzelf als vooruitgang presenteert vaak precies datgene wat zij zegt te willen beschermen: cultureel evenwicht, biodiversiteit en verbondenheid met de leefomgeving.

Ook de onderduiker leeft in een wereld die voortdurend dreigt te verdwijnen. Niet langzaam, maar abrupt. Eén moment van verraad, één strenge winter, één tekort aan voedsel kan het einde betekenen. Het geïmproviseerde bestaan in bossen, holen of zelfgegraven kuilen vraagt een lichamelijke en geestelijke hardheid die nauwelijks voorstelbaar is voor wie veiligheid gewend is. De natuur wordt daar geen romantisch decor, maar een plek waar kou, honger en angst voortdurend aanwezig blijven. Overleven betekent er niet terugkeren naar eenvoud, maar dag na dag proberen mens te blijven onder onmenselijke omstandigheden.

En dan is er de moderne dromer, die misschien vrijwillig tussen de bomen wil leven, maar ontdekt hoe moeilijk het is om werkelijk afstand te nemen van de wereld die hij bekritiseert. Veel dromen over zelfvoorziening ontstaan juist in samenlevingen waarin bijna niemand nog écht afhankelijk is van eigen natuurkennis. Dat maakt het verlangen oprecht, maar ook tegenstrijdig. De moderne maatschappij blijft trekken, verleiden en sussen. Comfort blijkt moeilijker los te laten dan ideologie. Wie droomt van een eenvoudig bestaan merkt vaak hoe diep hij ongemerkt verweven is geraakt met elektriciteit, speciaalzaken, digitale netwerken en ander gemak. Misschien lijkt dat op iemand die wil afvallen terwijl overal voedsel wordt aangeboden: niet gebrek aan overtuiging vormt het grootste obstakel, maar de constante aanwezigheid van verleiding. De materialistische wereld die we vervloeken, is vaak dezelfde wereld waarvan we afhankelijk zijn geworden.

Misschien vormen de Papoea’s wel de ultieme belichaming van een leven dat werkelijk ‘klopt’; tenminste, als we het hebben over hun leven voordat onze bemoeizuchtige ‘beschaving’ de boel kwam verstoren. Natuurlijk hoor ik de morele verontwaardiging over koppensnellen en kannibalisme; praktijken die inderdaad lastig te verkopen zijn in een glossy tijdschrift. Maar wie de mens als zoogdier beschouwt in plaats van als moreel superieur wezen, ziet dat de natuur nooit een ethische commissie heeft aangesteld. Wij vinden hun geweld primitief, maar onze eigen methoden om de wereld te vernietigen zijn simpelweg efficiënter georganiseerd.

Het filmproject ‘Van de stobbe en de bossen’, waarover in dit blogbericht wordt gesproken, werd gemaakt door Martin van den Oever en Petra Timmer samen met Ab van Dien voor herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch museum.

Wie de ‘Stoeve-laarsjes’ past, trekke hen aan

In een artikel van 25 april 2020 in De Gelderlander (het provinciale bijwagentje van het Algemeen Dagblad), worden de twee zusjes Stoevelaar kritiekloos aan ons voorgesteld. Zij maken het hoofdbestanddeel uit van Introvast, een vastgoed- en projectontwikkelaar uit Velp. Het is hun visie die momenteel leidend is. Ik vermoed dat journalisten en politici die hun hele leven de weg van de minste weerstand hebben bewandeld (lees: die de macht nooit werkelijk hebben uitgedaagd), zich regelmatig door hen hebben laten fêteren met hapjes en drankjes en misschien zelfs meer; iets wat de besluitvorming over het domeintje van de dames aardig heeft beïnvloed. Tja, ik wil niet beweren dat iedere projectontwikkelaar een horizonvervuiler is of een bestemmingsplansjoemelaar, maar deze betonbaronesjes – stenenhoeren vond ik te plat – bleken wel van de afdeling Lobby en Ontwikkeling. Zoals vaker bij dozenbouwers en stikstofontwijkers, bevond de onderneming zich in het spanningsveld tussen commercieel belang en lokale regelgeving. Betrouwbare bronnen meldden mij dat ze fors investeerden in beïnvloedingspraktijken om plannen juridisch houdbaar te maken voor de exploitatie van vakantieverblijven.

Zit de activiteitenagenda ook al in het complot?

Ik moest de gemeente op 17 maart bellen om er op te wijzen dat de activiteitenagenda maar tot en met 16 maart liep. En dat terwijl er vandaag een belangrijke stemming plaatsvindt; te weten de oordeelsvormende raadsvergadering over de toekomst van Buitenplaats Beekhuizen. Terwijl de klok op mijn scherm al 16:35 uur aangeeft, lijkt de gemeentelijke tijdrekening gisteren te zijn gestopt. Het is een wrang detail in een dossier dat gedomineerd wordt door een ‘papieren werkelijkheid’. Vandaag moet de raad namelijk een oordeel vellen over de Ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Dit besluit vormt de juridische sleutel om af te wijken van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Men vraagt de raad in te stemmen met de transformatie van een fictieve camping van 150 staanplaatsen naar 50 permanente accommodaties; een administratieve exercitie die een stikstofreductie van 35% moet suggereren. Dat de burger de gemeente op de dag van dit cruciale debat moet herinneren aan haar eigen agenda, zegt wellicht alles over de focus van het huidige college. De koers naar een “bloeiende vrijetijdssector” lijkt in volle gang, ook als de informatievoorziening aan de inwoner even het spoor bijster is.

De klok tikt richting 24 maart

Laten we ons als burgers geruisloos stoppen door een onmogelijk labyrint?

Mijn inbox is tegenwoordig zelden saai, maar dit bericht van Jan Keemink (voorzitter van Stichting Natuurbehoud Veluwezoom) trof me direct. Jan volgt het dossier Buitenplaats Beekhuizen al jaren op de voet. Terwijl het college zich opmaakt voor de raadsvergadering van 24 maart, viel hem iets op in de terminologie die daar wordt gebruikt. Een subtiel verschil in woorden, dat in de praktijk wel eens grote gevolgen zou kunnen hebben voor hoe we als burgers buitenspel worden gezet.

Is er sprake van een ontmoedigingsbeleid? De raad spreekt af dat de verklaring automatisch definitief wordt als er geen zienswijzen komen. Ze parkeren het dossier nu al bij het college, zodat ze er later niet meer publiekelijk over hoeven te debatteren. Alleen als een zienswijze specifiek over de “goede ruimtelijke ordening” gaat, móét het dossier terug naar de raad. Andere bezwaren worden door het apparaat van portefeuillehouder Hofman zelf ‘afgehandeld’.

Hoi Ronald,
 
Het viel mij op dat het gaat om een ‘verklaring van geen bedenkingen’ die de raad nu wil afgeven. Maar volgens mij zijn er bij de fracties juist heel veel bedenkingen, behalve misschien bij de VVD. Er wordt gehandeld alsof het om een verklaring van geen bezwaar gaat, maar dat is het niet. Eigenlijk kunnen ze die verklaring dus helemaal niet afgeven.

Het zou ook mooi staan in de Regiobode als persbericht of bij Studio Rheden.
 
Kun jij daar nog iets mee in jouw blog?
 
Groet, Jan

Jan’s observatie zette me aan het denken. Is de raad hier werkelijk zo onwetend, of zijn we getuige van een politiek schaakspel? Ik heb de officiële stukken van wethouder Paul Hofman (GroenLinks) erbij gepakt en deze laten spiegelen door een bekende met de nodige bestuursjuridische ervaring. Kijken we hier niet naar een normale procedure, of naar een zorgvuldig opgetuigde ‘fuik’? Ik besloot Jan mijn bevindingen terug te sturen met een vraag.

Dag Jan,

Dank voor je bericht. Ik heb de stukken voor de 24e nog eens goed doorgespit.

Je punt over de “verklaring van geen bedenkingen” (vvgb) is interessant. Ik heb het even voorgelegd aan een bekende uit het bestuursrecht (zie ook de annex onderaan). Juridisch gezien is die vvgb een nogal taai instrument: de raad geeft hiermee in feite alleen de ‘sleutel’ af om de procedure te starten.

Dit hoef ik jou niet te vertellen natuurlijk. Ik begrijp je mail vooral als een signaal over de politieke beeldvorming. We weten allebei dat de rij met bezwaarmakers op dit moment niet bepaald tot aan de Posbank staat. Juist omdat die massale weerstand vanuit de burger ontbreekt, wordt de rol van de media en de politieke fracties cruciaal.

Moet ik je suggestie voor mijn blog zo begrijpen dat je de druk op de ketel wilt houden bij de fracties die twijfelen? Als er vanuit de samenleving weinig ‘zienswijzen’ komen, is de enige weg om dit plan te stuiten een politieke weigering op basis van de “goede ruimtelijke ordening”.

Ik heb in de bijlage de juridische fijnmazigheid laten bevestigen door mijn bron (zie PS2). Het laat zien dat de raad zichzelf deels buitenspel zet als er geen zienswijzen komen (punt 6 van het besluit). Is dit precies waarom je de publiciteit zoekt? Om te voorkomen dat dit proces geruisloos naar een ‘automatische’ definitieve verklaring kabbelt?

Ik hoor graag of je wilt dat ik in mijn blog de nadruk leg op deze juridische ‘fuik’ waar de raad in dreigt te lopen, of waar zij zich graag toe laat verleiden in te lopen, als betreft het een zorgvuldig opgetuigd labyrint voor de argeloze burger (PS1).

Hartelijke groet,

Ronald

PS1: Als we uitgaan van ons vermoeden dat de raad het proces bewust ‘dichtgetimmerd’ heeft, dan krijgt jouw opmerking over de “verklaring van geen bedenkingen” een hele bittere bijsmaak. Ze handelen alsof het een hamerstuk is zonder enig bezwaar, terwijl de werkelijkheid buiten de raadszaal natuurlijk heel anders is. Door deze terminologie te gebruiken, creëren ze een papieren werkelijkheid waarin het lijkt alsof de raad unaniem achter het plan staat. De route naar een definitief besluit wordt voor de politici zo glad mogelijk gemaakt, terwijl de burger voor een labyrint staat; dit in de hoop dat niemand de moeite neemt om een zienswijze in te dienen. Ik wil in mijn blog de nadruk leggen op dit ‘politieke theater’. Het lijkt erop dat de raad (inclusief GroenLinks/PvdA) de burgerparticipatie degradeert tot een formaliteit die ze het liefst zo snel mogelijk afvinken.

PS2: Annex: Samenvatting advies inzake procedure VVGB Bovenallee 1

Naar aanleiding van de stukken voor de raadsvergadering van 24 maart 2026 heb ik een bevriende bestuursjurist om een duiding gevraagd van de term ‘verklaring van geen bedenkingen’ in deze context. Hieronder de kernpunten uit zijn reactie:

  1. Terminologie: De VVGB is een procedureel vereiste onder de Wabo (art. 2.27). Het afgeven van een ‘ontwerp-vvgb’ impliceert geen inhoudelijke instemming van alle fracties, maar is de juridische noodzaak om de vergunningaanvraag überhaupt in de terinzagelegging te krijgen.
  2. De ‘Automatische’ Vaststelling: Volgens punt 6 van het raadsbesluit wordt de verklaring na de termijn van zes weken automatisch definitief mits er geen zienswijzen zijn.
  3. Het Kantelpunt: Cruciaal zijn de punten 7 en 8. Indien er zienswijzen worden ingediend die betrekking hebben op het onderdeel ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, vervalt de automatische afgifte. De raad wordt dan wettelijk verplicht om het verzoek, inclusief de zienswijzen, opnieuw te beoordelen.
  4. Conclusie: Voor tegenstanders van het plan ligt de sleutel niet in het politieke debat vóór 24 maart, maar in de kwaliteit van de zienswijzen die tijdens de terinzagelegging worden ingediend. Alleen daarmee kan de raad juridisch gedwongen worden zijn ‘bedenkingen’ te verzilveren.”

Na het lezen van deze correspondentie rest de vraag: laten we ons als burgers geruisloos opsluiten in een labyrint dat ontworpen is om ons te laten verdwalen, of eisen we dat de ‘bedenkingen’ die er wel degelijk zijn, ook daadwerkelijk gehoord worden? De klok tikt richting 24 maart.

De blinde vlekken van de Rhedense raad

Over een vals referentiepunt en het meten met twee maten rond Buitenplaats Beekhuizen.

In mijn vorige bericht over de uitbreidingsplannen van Buitenplaats Beekhuizen meende ik de vinger op de zere plek te hebben gelegd: de nulmeting. De wethouder en de raad lijken bij hun beoordeling uit te gaan van een verkeerde basislijn. Ze kijken naar de situatie zoals die er nu bij ligt — inclusief de twijfelachtige uitbreidingen die al ‘stiekem’ zijn neergezet — en noemen elke minimale aanpassing vanaf dat stadium ‘winst’. Maar wie de natuur als maatstaf neemt, ziet dat dit een vals vertrekpunt is. Het lijkt een rekentruc om achteruitgang als vooruitgang te verkopen.

Hoe kan het dat een mapje, dat veel lichter is, de weegschaal toch doet doorslaan? Omdat er een onzichtbare kracht op duwt: de ‘politieke onwil’. Ze wordt hier symbolisch vormgegeven als een hand ‘van boven’ die een valse balans creëert.

Waar ik me richtte op de inhoudelijke weeffout in de plannen, legt Annelies van Vliet de vinger op een procesmatige inconsistentie. In haar nieuwste brief aan de gemeente – die zij zo goed was met mij te delen – stelt zij de vraag waarover elke controlerende politicus zich achter de oren zou moeten krabben: waarom gelden de regels die de raad voor elk ander dossier hanteert, plotseling niet voor Beekhuizen? Hieronder de integrale tekst van haar analyse:

De keuze is niet reuze

De gemeenteraad van Rheden heeft zich de afgelopen jaren graag gepresenteerd als kritisch controleur van het college. Bij vrijwel elk spraakmakend dossier werd het college teruggestuurd naar de tekentafel met de opdracht om méér scenario’s uit te werken. Dat gebeurde bij het afsluiten van de Posbank, bij het vuurwerkverbod en bij het dossier rond houtstook. Steeds weer klonk vanuit de raad dat er eerst verschillende opties op tafel moesten komen voordat een besluit kon worden genomen.

Opvallend genoeg lijkt dat principe niet te gelden bij het dossier rond de uitbreiding van Buitenplaats Beekhuizen. Daar wordt slechts één scenario uitgewerkt. Alternatieven ontbreken. Geen varianten, geen verschillende ruimtelijke of beleidsmatige opties – alleen het voorstel zoals het er nu ligt.

Dat roept een eenvoudige maar wezenlijke vraag op: waarom vindt de raad het hier blijkbaar wél voldoende om met één scenario genoegen te nemen?

Juist bij een ontwikkeling in een kwetsbaar natuurgebied zou je verwachten dat de raad dezelfde zorgvuldigheid eist als in andere dossiers. Dat betekent: verschillende scenario’s naast elkaar leggen, de (financiële!) gevolgen vergelijken en pas daarna een afgewogen keuze maken.

Als de raad in andere dossiers keer op keer benadrukt dat besluitvorming beter wordt van meerdere opties, waarom wordt dat principe hier dan losgelaten?

Consistent bestuur vraagt om gelijke maatstaven. Anders ontstaat al snel de indruk dat het principe van “meer scenario’s” alleen wordt toegepast wanneer het politiek handig is.

En dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Annelies van Vliet

Ik heb deze tekst met veel genoegen gelezen. Wat Annelies hier doet, is de raad herinneren aan de eigen retoriek. Of het nu gaat om de afsluiting van de Posbank, het vuurwerkverbod of het dossier houtstook: de raad van Rheden profileert zich de laatste jaren als de ‘kampioen van de scenario’s’. Geen besluit zonder alternatieven op tafel.

Behalve bij Beekhuizen. Daar ligt maar één scenario. Geen varianten, geen ‘natuur-eerst’-optie, geen kleinschaliger alternatief. Alleen het plan van de ontwikkelaar. Dat komt heel inconsistent over. Waarom is haar brief zo sterk? Een paar punten die mij opvallen:

  • De bewijslast: Door drie concrete dossiers te noemen waar de raad wél om scenario’s vroeg, dwingt ze de politiek in de verdediging. Zij moeten nu gaan uitleggen waarom Beekhuizen zo ‘uniek’ is dat hun eigen principes hier niet gelden. Dat is een nagenoeg onmogelijke positie.
  • De stem van het gezond verstand: Ze schrijft “als gewone kiezer” die het “echt niet snapt”. Dat is slimme framing. Ze stelt zich niet op als activist, maar als de stem van de logica. De suggestie is helder: als zij het niet meer volgt, is de raad de burger definitief kwijt.
  • Het financiële haakje: Met de toevoeging “(financiële!)” raakt ze een gevoelige snaar. Zonder alternatieven is er immers geen enkel zicht op of dit wel de meest doelmatige besteding van publieke middelen en ruimte is.
  • De uitsmijter: De zin “Consistent bestuur vraagt om gelijke maatstaven” is de genadeslag. Ze trekt het dossier weg uit de emotie van natuurbeheer en tilt het naar het niveau van bestuurlijke zuiverheid en integriteit.

Door de zorgvuldigheid die de raad elders eist nu naast de laksheid bij Beekhuizen te leggen, laat Annelies zien dat er sprake is van meten met twee maten. Als je bij een kwetsbaar natuurgebied – nota bene een Natura 2000-gebied – genoegen neemt met slechts één uitgewerkt scenario, dan is je rol als ‘kritisch controleur’ niets meer dan een gelegenheidsargument. Haar punt over de “tekentafel” staat dan ook als een huis.

De optelsom is pijnlijk: de raad hanteert een foutief referentiepunt (inhoud) én weigert alternatieve scenario’s te onderzoeken (proces). Het begint er steeds meer op te lijken dat de uitkomst al vaststaat en dat de democratische weg eromheen slechts hinderlijke ruis is.

Annelies houdt de politiek in een hoffelijke, maar ijzersterke houtgreep. Ze stelt terecht de vraag: “Dat kan toch niet de bedoeling zijn?” Ik ben benieuwd of de raad, nu de verkiezingen voor de deur staan, het lef heeft om alsnog wezenlijke beleidsvarianten en/of alternatieve afwegingen af te dwingen. Of blijft het bij dit ene, al uitgestippelde pad?

Luisterbereidheid is één ding.

Jammer wel dat de Groenlinkse raadsleden ‘hun’ wethouder politieke rugdekking lijken te geven.

Laten we positief beginnen. In een tijd waarin politici zich vaker verschuilen achter ambtelijke nota’s dan dat ze daadwerkelijk staan voor hun zaak, met de verkiezingsbeloften nog vers op de lippen, was de ervaring met de GroenLinks-fractie van Rheden een verademing. Hun aanspreekbaarheid bleek groot. Ik, een simpel blogschrijvertje, werd zowaar teruggebeld. Twee keer zelfs.

Eerst door Herriët Heersink. Zij toonde de tactische souplesse van een doorgewinterde volksvertegenwoordiger: ze luisterde en ventileerde mondjesmaat haar ‘genuanceerde’ mening over Park Beekhuizen, maar wist me precies op tijd door te sluizen naar de man met de echte dossierkennis. De beleefdheid spatte ervan af, al voelde ik ook haar beheerste drang om de vingers vooral niet te branden aan de hete brij van een lastig ‘sujet’. Het was duidelijk dat zij weg wilde blijven bij materie die haar groene geweten wel eens zou kunnen hinderen.

De papieren werkelijkheid versus de natuurlijke realiteit. Terwijl ik dit raadsvoorstel vasthoud tegen het decor van de Veluwezoom, besef ik hoe geduldig papier is. Met termen als ‘interne saldering’ en ‘kwaliteitsimpuls’ wordt hier een juridisch schild opgetrokken rondom de permanente verstening van dit Natura 2000-gebied. De ambtelijke taal van wethouder Hofman en de ecologische argumenten van Tim Endeveld vormen samen de blauwdruk voor een voldongen feit, waarin de oorspronkelijke natuurcamping slechts een hinderlijke herinnering in de voetnoten is. In het gemeentehuis heet dit ‘interne saldering’; in het bos noemen we dit simpelweg het einde van een tijdperk.

En toen was daar Tim Endeveld. De fractievoorzitter én ecoloog. Kijk, dat is de ultieme politieke luxe. Als je een plan wilt verdedigen dat vijftig permanente woningen en een megarestaurant in een Natura 2000-gebied parkeert, is het verdomd handig om een ecoloog als fractievoorzitter te hebben. Tim nam uitgebreid de tijd. Hij was de personificatie van ‘in verbinding staan met het electoraat’. We voerden een gesprek dat zo burgervriendelijk was, dat je bijna zou vergeten dat de uitkomst waarschijnlijk al vaststaat.

Want daar zit de crux. Tim is het ecologische raadslid dat de wethouder Paul Hofman (tevens GroenLinks) moet controleren. Maar hij heeft ook de pet op van fractievoorzitter die de politieke rugdekking organiseert. Het is een fascinerende spagaat: aan de ene kant de wetenschappelijke kennis van de kwetsbare natuur op de Veluwezoom, aan de andere kant de bestuurlijke drang om een project van een commerciële ontwikkelaar op de valreep door de raad te loodsen.

Wordt het een teken van dualisme, waarbij de fractie de wethouder kritisch op de vingers kijkt? Of blijkt het een goed geoliede machine waarbij de ecologische expertise vooral wordt ingezet om de scherpe randjes van een commercieel plan voor de bühne glad te strijken? Eén ding is zeker: ze zijn bij GroenLinks een stuk aanspreekbaarder dan bij de PvdA. Je zou bijna geloven dat ze naar je luisteren terwijl ze hun lang geleden geplaatste piketpaaltjes in beton gieten.

In het gesprek met Tim kwam de kern van de juridische en ecologische discussie naar voren: de keuze voor de referentiesituatie. Tim hanteerde de lijn die ook in het raadsvoorstel van 24 maart (Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Buitenplaats Beekhuizen) staat beschreven. Het argument voor de ‘kwaliteitsimpuls’ en de berekende stikstofafname van 35% rust namelijk volledig op de vergelijking tussen de nieuwe plannen en de huidige planologische omstandigheden. In feite wordt de nieuwe situatie afgezet tegen de intensieve exploitatie van de afgelopen jaren door dezelfde eigenaren.

Ik heb hem voorgelegd dat dit een wankele basis is. De huidige situatie op Buitenplaats Beekhuizen is de afgelopen jaren stapsgewijs geïntensiveerd, waarbij de grenzen van de natuurwaarden al flink onder druk zijn gezet. Door nu juist die intensieve (en deels tijdelijke) situatie als nulmeting te gebruiken, ontstaat er op papier een verbetering, terwijl er in werkelijkheid sprake is van een permanente verstening en een structurele belasting van het Natura 2000-gebied.

Een zuivere vergelijking zou niet moeten kijken naar de recente commerciële exploitatie, maar naar de oorspronkelijke staat van Beekhuizen als eenvoudige natuurcamping. Dat is de situatie van vóór de oogluikend toegestane uitbreidingen en de komst van semi-permanente voorzieningen. In die oorspronkelijke staat was de ecologische voetafdruk minimaal. Vergeleken met die werkelijke referentie is de huidige stap naar vijftig permanente woningen en een groot restaurant geen winst, maar een substantiële achteruitgang voor de natuur.

Het was opvallend dat Tim, ondanks zijn achtergrond als ecoloog, bleef vasthouden aan de ambtelijke rekenmethode uit het raadsvoorstel. Voor hem lijkt de papieren werkelijkheid van de ‘interne saldering’ – waarbij stikstofruimte binnen de eigen vergunning wordt weggestreept – leidend te zijn voor de politieke besluitvorming.

De overtuigingskracht van dit hele dossier valt of staat met de bereidheid om mee te gaan in een papieren werkelijkheid. Wie het raadsvoorstel van 24 maart 2026 (zaaknummer Z2023-00000044) erop naslaat, ziet dat het niet alleen gaat over toekomstige natuurwinst, maar ook over het rechtbreien van wat nu krom is.

In het voorstel wordt de raad namelijk expliciet gevraagd om in te stemmen met het legaliseren van parkeerplaatsen en het formeel regelen van de wellness-voorzieningen (zoals een inmiddels beruchte sauna*). Het is de omgekeerde wereld: eerst worden er faciliteiten gerealiseerd die buiten de bestaande vergunningen vallen, en vervolgens wordt dit ‘voldongen feit’ gebruikt als argument voor een ‘kwaliteitsimpuls’ die planologisch moet worden vastgelegd.

Door de ‘ontwerpverklaring van geen bedenkingen’ één dag voor de verkiezingen, door de raad te loodsen, wordt de weg naar een definitieve vergunning nagenoeg onomkeerbaar. Als er tijdens de terinzagelegging geen zienswijzen komen, is het besluit een formaliteit geworden waar een nieuwe gemeenteraad straks geen invloed meer op heeft.

Het gesprek met Tim en Herriët liet zien dat GroenLinks de verbinding met de burger koestert, maar de politieke rugdekking voor hun wethouder en dit project zwaarder laat wegen. De beleefdheid aan de telefoon was oprecht, maar de politieke koers is dat ook: men kiest voor de weg van de minste weerstand, waarbij de stikstofberekeningen de morele bezwaren over de aantasting van de Veluwezoom moeten maskeren.

We gaan op 17 maart zien of de huidige raad deze ‘erfenis’ inderdaad nog snel even veiligstelt voor de volgende generatie bestuurders. Voor de natuur op Beekhuizen lijkt de beslissing echter al lang geleden te zijn genomen, ergens tussen de eerste illegale sauna en de laatste ambtelijke rekentabel.


*Over de sauna informeerde Jan Keemink, die in het bestuur van Stichting NatuurBehoud Veluwezoom zit, mij als volgt:

“Het betreffende gebied achter het hotel werd in 2011 door het ministerie bestemd als faunapassage voor de dassen van een vlakbij gelegen (70m) dassenburcht. Het idee kwam van Introvast. Voor een effectieve faunastrook moest het al eeuwen bestaande wandelpad verdwijnen, omdat dat natuurlijk storend is voor de das. In 2021 heeft de provincie de faunapassage geïnspecteerd om te beoordelen of die was ingericht volgens instructie. Zij was niet helemaal compleet en er moest nog een herinspectie volgen.

Nog geen twee jaar later vraagt Introvast aan een sauna te mogen plaatsen in die passage. De werkelijke motivatie voor het voorstel van Introvast wordt nu duidelijk. Op 21 november 2023 neemt B&W een positief besluit dat ze pas op 4 december publiceert. In verband met de verhuizing van het gemeentehuis en Kerst/Nieuwjaar bleven er slechts zes dagen over voor contact met de gemeente, want het besluit werd definitief op 2 januari.

In het bezwaar dat wij indienden, werden we bijna agressief ondervraagd over belanghebbendheid; geen woord over de inhoud van ons bezwaar. We werden gekwalificeerd als ‘niet-belanghebbend’ en het bezwaar als niet-ontvankelijk. Dit werd overgenomen door de provincie toen we een handhavingsverzoek indienden. Naderhand bleek de gemeente in de verslaglegging de publicatiedatum te hebben aangepast, evenals detailaanpassingen in de tekst.

Op het moment dat wij een voorlopige voorziening aanvroegen, bleek Introvast de sauna al geplaatst te hebben. Introvast beweerde het bezwaar niet gezien te hebben, ondanks onmiskenbare communicatie van de gemeente. De dassenburcht is op dit moment niet of minimaal in gebruik omdat die 70 meter echt te kort is; de das komt dan ’s avonds zijn hol niet uit. De minimale afstand is 200 meter. Wanneer de rust weer zou keren, komt de dassenclan gewoon weer terug in die burcht.”

Jan Keemink
(toegestuurd op 2 maart 2026)

Een achterdeurtje op de valreep?

Waarom het dossier Beekhuizen er één dag voor de verkiezingen doorheen gejast schijnt te worden.

De reacties op mijn eerdere bericht over Buitenplaats Beekhuizen stromen binnen. Het is duidelijk dat de plannen van projectontwikkelaar Introvast niet alleen de natuur raken, maar ook het rechtsgevoel van de inwoners van Rheden en omstreken. De politiek lijkt een tactisch spel met de kalender te spelen. Heeft de gemeente nou echt besloten om dit dossier er nog snel even ‘doorheen te jassen’, precies één dag voor de gemeenteraadsverkiezingen? Waarom de haast? Waarom mag een nieuw gekozen raad hier niet over oordelen? Is men bang voor de stem van de kiezer? Onderstaande brief ontving ik van Annelies van Vliet uit Velp. Zij schreef deze vlijmscherpe brandbrief aan de redactie van De Gelderlander. Haar analyse van de politieke timing is zo raak, dat ik haar bijdrage – en mijn reactie daarop – hier integraal deel.

Op deze afbeelding zien we het Boutique Hotel Beekhuizen: de architectonische voorhoede van wat de rest van het park nu ook te wachten staat. Hoewel het gebouw zich presenteert als onderdeel van de natuur, maakt het vooral de indruk van de eerste fase van een luxe woonwijk. Het is het levende bewijs van hoe de grens van het Natura 2000-gebied stap voor stap opschuift ten gunste van het vastgoed, totdat de natuur alleen nog als decoratie dient.

Besluit op de valreep

De gemeenteraad van Rheden heeft besloten de raadsagenda van maart een week naar voren te halen. Initiatiefnemer van deze agendawijziging: GroenLinks. Hierdoor wordt het definitieve besluit over de verbouwing van Buitenplaats Beekhuizen genomen op 17 maart; één dag vóór de gemeenteraadsverkiezingen. Vanavond staan al de oordeelsvormende én besluitvormende vergadering gepland.

Dat is op zijn minst opmerkelijk te noemen.

De verbouwing van Buitenplaats Beekhuizen is geen technisch detail of administratieve formaliteit. Het is een dossier dat leeft onder inwoners. Er zijn vele zorgen geuit, vragen gesteld en de meningen zijn verdeeld. De petitie over dit onderwerp is binnen vier dagen al bijna 500 keer getekend. Juist hierom verdient dit onderwerp maximale zorgvuldigheid. Geen besluitvorming op de valreep van een raadsperiode! 

De verantwoordelijk wethouder, eveneens van GroenLinks heeft duidelijk gemaakt dat hij het plan wil doorzetten. Dat mag. Maar door de agenda te vervroegen, wordt voorkomen dat een nieuw gekozen raad zich over dit dossier kan buigen. De huidige raad beslist nog snel even, vlak voor de kiezer zich uitspreekt. Dit voelt op z’n zachtst gezegd niet echt lekker.

Wat het extra opmerkelijk maakt, is dat juist GroenLinks zich achter dit plan schaart: (ver)bouwen in een Natura 2000-gebied roept immers fundamentele vragen op over natuurbehoud en ecologische grenzen.
Formeel klopt het allemaal. Maar politiek en moreel voelt het anders.

Als je vertrouwen wilt in de lokale politiek, dan moet je niet alleen binnen de regels blijven, maar ook boven elke twijfel verheven zijn. Een besluit met impact op onze leefomgeving, genomen één dag voor de verkiezingen, roept onvermijdelijk vragen op over timing en intentie.

Waarom niet een paar weken wachten? Wat is de noodzaak van deze haast? Welk zwaarwegend belang rechtvaardigt dit tempo?

Democratie gaat niet alleen over meerderheid van stemmen, maar ook over gevoel voor legitimiteit. Wie echt overtuigd is van de kracht van zijn plan, hoeft niet bang te zijn voor een beoordeling door een nieuwe raad.

Vertrouwen in de lokale politiek? Dit is nou precies zo’n voorbeeld waarom de kiezers dat vertrouwen verliezen.

Annelies van Vliet, Velp

Nadat ik deze brief las, kon ik niet anders dan haar direct complimenteren met deze scherpe observatie. Hieronder de mail die ik haar stuurde, waarin ik ook de balans opmaak van mijn eigen gesprekken met de betrokken raadsleden en dossierkenners van de afgelopen dagen.

Beste Annelies,

Hartelijk dank voor je reactie op mijn blogbericht en voor het delen van je krachtige ingezonden brief aan De Gelderlander. Complimenten voor de heldere verwoording; je legt de vinger precies op de zere plek wat betreft de democratische legitimiteit en de opmerkelijke timing van deze besluitvorming, vlak voor de verkiezingen. Ik hoop vurig dat de redactie de brief plaatst, want dit geluid moet gehoord worden.

Zelf ben ik eigenlijk pas eergisteren geconfronteerd met dit dossier en ik bevind mij nog in het stadium van ‘inlezen’. Mijn gevoel en intuïtie vertellen me echter dat dit onderwerp mijn volle aandacht verdient en ik ben dan ook van plan er vaker over te schrijven. Jouw inzet en scherpte sterken mij daarin.

Ik ben benieuwd of jij al lijnen hebt uitstaan of contact onderhoudt met een aantal sleutelfiguren in dit dossier. Ik ben de afgelopen dagen met de volgende personen in aanraking gekomen:

  • Jan Keemink (bestuurslid Stichting NatuurBehoud Veluwezoom): Hij heeft mij uitvoerig bijgepraat over de situatie, onder andere over de kwestie van de voortijdig geplaatste sauna.
  • Karin Mulder (journaliste bij De Gelderlander): Zij heeft al diverse artikelen aan dit onderwerp gewijd.
  • Goos Hageman (raadslid PvdA Rheden): Over hem plaatste ik vanmorgen een vrij venijnig blogbericht na een ontmoeting gisteren waarbij hij helaas weigerde het gesprek aan te gaan.
  • Tim Endeveld (fractievoorzitter GroenLinks): Hij was wel zo beleefd mij gisteren terug te bellen, waarna we een lang gesprek hebben gevoerd.
  • Herriët Heersink (raadslid GroenLinks): Zij belde mij gisteren ook terug en verwees mij door naar haar collega en dossierkenner Tim Endeveld, al liet zij zelf ook de nodige meningen doorschemeren over de situatie op Park Beekhuizen.

Nogmaals dank voor je betrokkenheid en je scherpe brief. Laten we hopen dat de politieke haast in Rheden niet onopgemerkt blijft voor de kiezer.

Met vriendelijke groet,

Ronald van Noorden

Wat volgt?

Het dossier Beekhuizen is meer dan een discussie over een paar vakantiehuisjes; het is een lakmoesproef voor hoe wij in Nederland omgaan met onze schaarse natuur én met onze democratische processen. De komende dagen blijf ik me verder inlezen en de druk op de ketel houden. Morgen duiken we dieper in de gesprekken die ik voerde met de fracties van de PvdA en GroenLinks. Want waarom de één zwijgt en de ander praat, zegt vaak meer dan het officiële partijprogramma.

Hallo Ronald,

Studio Rheden heeft het bericht opgepikt. (https://studiorheden.nl/2026/03/03/raad-rheden-drukt-verbouwing-beekhuizen-er-nog-snel-doorheen-vlak-voor-verkiezingen/)

Moest lachen om je blog over Goos Hageman. Jaaa, de PvdA heeft het lastig. ‘We willen wel groen zijn, maar niet als het ergens pijn doet’.

Ik zocht nog even op hoe de PvdA zich afficheerde op Studio Rheden voor de raadsverkiezingen in 2022. Groen hoor!

Ik ken de namen die je noemt in je mail. Ik ben met name benieuwd hoe GroenLinks gaat stemmen. Maar ik zou erg verbaasd zijn als de fractie tegen hun wethouder ingaat. Zo duaal is het allemaal niet bij de gemeente Rheden/in de GroenLinks-fractie. Dus vermoed ik dat ze voor dit onzalige plan gaan stemmen. 

Groet,

Annelies 

Hoi Annelies,

Dank voor de link naar Studio Rheden; goed om te zien dat de lokale media de druk op de ketel houden.

Ik hoop dat de heer Hageman ook nog enigszins de humor inziet van de toon die ik op mijn blog over hem aansla. Meteen nadat ik mijn goede vriend Constans Pos (ex-wethouder voor GroenLinks) de anekdote over onze ontmoeting had verteld, spoedde hij zich naar zijn favoriete koffiesalon om zijn vriend Goos te informeren over mijn plannen voor dat stukje. Op dat moment verkeerden we nog in een plagerige stemming, maar toen ik daadwerkelijk achter het toetsenbord kroop, werd mijn toon grimmiger bij al het ecologische onheil dat me voor ogen zweefde.

Er is dan ook werkelijk reden tot bezorgdheid. Zoals je schrijft: de situatie is ‘lastig’ voor de PvdA, maar dat is nog zacht uitgedrukt. Er gaapt een enorme kloof tussen wat men met de mond belijdt en wat men tijdens stemmingen goedkeurt. De ‘advertorial’ van de PvdA die je bijvoegde, is daar een pijnlijk voorbeeld van; die hypocrisie wordt almaar grotesker bij iedere verdere afbreuk van hun eigen groene principes.

Ik deel je vrees dat de GroenLinks-fractie braaf voor dit onzalige plan zal stemmen. Hoewel de vier raadsleden het college (en dus hun eigen wethouder Paul Hofman) formeel onafhankelijk moeten controleren, weten we beiden hoe het werkt. Achter de schermen, tijdens fractieoverleggen, wordt de politieke rugdekking allang beklonken. Van echt dualisme is hier waarschijnlijk weinig sprake.

We gaan het zien, maar zeker niet gelaten.

Groet,

Ronald

De koffiesalonsocialist

Van de barricaden naar de bonbons: hoe een volksvertegenwoordiger de verbinding verloor.

Misschien vergis ik me; ik mag het hopen. De man in kwestie draagt twee petten, wat zijn excuus zou kunnen zijn. Hij is raadslid voor de PvdA en uitbater van een lokale koffiesalon. Nu moeten we die dubbelrol niet overdrijven; in de Nederlandse gemeentepolitiek is het raadslidmaatschap formeel een bijbaan, een ‘nevenfunctie’ voor burgers die geacht worden midden in de samenleving te staan. Het is geen bovenmenselijke balanceeract, al bakt hij er in beide hoedanigheden – naar mijn bescheiden mening – weinig van.

Over de bittere nasmaak van neoliberaal links en het failliet van het lekenbestuur. De hier getoonde afbeelding is door AI gegenereerd om een representatieve indruk van de geschetste ontmoeting te geven en de privacy van de betrokkenen te waarborgen.

In theorie is het systeem van ons ‘lekenbestuur’ prachtig. Burgers offeren hun vrije tijd op voor het publiek belang in ruil voor een raadsvergoeding. Voor een gemeente van deze omvang praten we over zo’n zestien tot twintig uur per week; een inspanning die gecompenseerd wordt met een bedrag waarvan ik overigens moeiteloos fulltime zou kunnen leven. Tel daar de onkostenvergoedingen bij op en je hebt een positie die weliswaar ‘vrijwillig’ oogt, maar een professionele verantwoordelijkheid draagt.

Ik vermoed echter dat de man, toen ik hem belde, nog met zijn hoofd in de melkschuim zat. Zijn salon – een hybride tussen een chocolaterie en een espressobar – drijft hij samen met zijn vrouw in een monumentaal pand. Ze noemen het de “huiskamer van het dorp”. Een nobel streven, maar mijn eigen ervaringen in die huiskamer zijn minder warmbloedig.

Onze eerste ontmoeting dateert uit de tijd dat ik nog post bezorgde voor PostNL. Ik trof vrienden op zijn terras en raakte geanimeerd in gesprek. Toegegeven; in mijn oranje bedrijfskleding viel ik op en een ondernemer wil dat je óf bestelt óf doorloopt. Maar zoals vaker in het leven: het is de toon die de muziek maakt. Die toon was onaangenaam, en dat bleek een voorbode voor ons derde treffen.

Ditmaal zocht ik telefonisch contact met de raadslid-variant van de man. Ik wilde aan de ‘socialist’ in hem vragen of hij mijn relaas over de perikelen rond Park Beekhuizen op juistheid kon controleren. Geen politieke overhoring, maar een simpele feitelijke check over een dossier waarin commerciële recreatie en kwetsbare natuur lijnrecht tegenover elkaar staan.

Zijn reactie was direct defensief, bijna vijandig. Natuurlijk; dossiers worden verdeeld binnen een fractie, maar de manier waarop hij mij als burgervertegenwoordiger afkapte, voelde als een geraakte zenuw. Het was alsof ik zijn geweten aansprak. Het heeft er namelijk alle schijn van dat de lokale linkse fracties bij de definitieve beslissing over het park pijnlijk hard richting de commercie zullen neigen.

Ik liet mij niet onbetuigd en hield hem een spiegel voor. Zijn houding is exemplarisch voor de koers die de PvdA al sinds de jaren van Kok vaart: de definitieve knieval voor het neokapitalisme en de vermarkting van het publieke domein. De partij is verder komen te staan van de gewone burger en dichter bij de belangen van de gevestigde orde.

Daar zat hij dan aan de andere kant van de lijn; de koffiesalonsocialist. Een man die in zijn monumentale pand ambachtelijke bonbons verkoopt, maar de bittere nasmaak van de uitverkoop van onze publieke ruimte niet lijkt te proeven. En dat voor een voormalig vakbondsman.