Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

Waterzucht en wetenschap

Van mijn kortstondige glazen koninkrijk naar de puinhopen van een Afrikaans paradijs.

Tijdens mijn puberjaren vormde mijn slaapkamer een zompig ecosysteem rondom een helverlicht aquarium. De bewoners van dit onderwaterrijk volgden de neerwaartse spiraal van mijn ambitie; ik begon met zebravisjes, maanvissen, kardinaaltetra’s, zwaarddragers, een modderkruiper (pantsermeerval) en een algeneter (borstelneus). Toen deze uitgebalanceerde biologie van tropische allure mijn macht te boven ging, koos ik voor de weg van de minste weerstand: guppy’s. Deze onkruidverdelgers waren niet kapot te krijgen. In de laatste fase van mijn aquaristische carrière capituleerde ik volledig voor het gemak door over te stappen op driedoornige stekelbaarsjes. Die kon je toen nog eigenhandig uit een sloot vissen; ze lieten zich niet uit het veld slaan door een defect verwarmingselement en bovendien had Maarten ’t Hart er een boekje over geschreven.

Overdrijf ik het als ik spreek van een literaire evolutie in vogelvlucht? Mijn gestrande aquarium-ambities kregen jaren later een grootschalig en tragisch spiegelbeeld in Tijs Goldschmidts relaas over de ondergang van het Victoriameer. De onschuldige fascinatie van een beginnend aquarist versus de bittere wetenschap van Darwin’s hofvijver.

Waar ik me nooit aan durfde te wagen, waren de cichliden. Zij vormden de eredivisie; een veeleisend volkje dat met een destructief temperament je hele onderwaterlandschap verbouwt en in een te krappe bak een bloedbad aanricht. Het onderhouden van hun specifieke waterwaarden gold als een hogere kunstvorm die slechts was weggelegd voor de ware aquarist met een onuitputtelijk geduld. Over precies deze vissen schreef de Nederlandse gedragsbioloog Tijs Goldschmidt zijn debuut Darwin’s hofvijver. Het boek werd zo’n succes dat hij z’n wetenschappelijke loopbaan verruilde voor een bestaan als fulltime schrijver en essayist.

In Darwin’s hofvijver neemt Goldschmidt de lezer mee naar de oevers van het Victoriameer, een watermassa zo immens dat mijn visbak een regendruppel leek. Terwijl ik me als jongetje zorgen maakte over de overlevingskansen van een enkele gup, stuitte Goldschmidt op een evolutionair spektakel van ongekende proporties. Hij beschrijft de zogeheten adaptieve radiatie: het biologische wonder waarbij één stamvader zich uitsplitst in honderden soorten cichliden, elk met een eigen specialisatie, kleurpatroon en paringsdans. Het meer was, zoals de titel al suggereert, een levend laboratorium voor de evolutietheorie.

De idylle van dit ‘wetenschappelijke paradijs’ bleek echter van korte duur. Goldschmidt kwam om de pracht van de soortvorming te bewonderen, maar werd onbedoeld de chroniqueur van een catastrofe. De introductie van de Nijlbaars – een vraatzuchtige reus die door menselijk ingrijpen in het meer was uitgezet – verstoorde definitief de ecologische balans. De hofvijver veranderde voor de ogen van de onderzoeker in een massagraf, waarbij de ene na de andere unieke cichlidesoort in de maag van de indringer verdween.

Wat Darwin’s hofvijver zo dwingend maakt, is de manier waarop Goldschmidt de frictie tussen abstracte data en tastbaar verlies hanteert. Als gedragsbioloog is hij opgeleid om patronen te herkennen, niet om te rouwen; toch sijpelt er in zijn relaas een onvermijdelijke melancholie door wanneer de ene na de andere ‘soort’ uit zijn vangnetten verdwijnt. Wetenschappelijk gezien is de teloorgang van de cichliden een fascinerende casestudy in de destructieve kracht van invasieve exoten, maar Goldschmidt verheft het tot een essayistisch drama over menselijke overmoed. De Nijlbaars werd immers niet per ongeluk in het meer gedumpt; het was een weloverwogen economische ingreep die volledig voorbijging aan de fijnzinnige biologische architectuur van het ecosysteem. Het is die nuchtere, bijna cynische observatie van hoe snel miljoenen jaren aan evolutie kunnen worden weggevaagd door een kortzichtig verlangen naar meer visvlees, die het boek zijn gewicht geeft. Voor de lezer die, net als ik, ooit worstelde om een handvol vissen in een glazen bak in leven te houden, is de schaal van deze vernietiging bijna niet te bevatten.

Uiteindelijk is Darwin’s hofvijver meer dan een verslag van een ecologische ramp; het is een proeve van bekwaamheid in de literatuur van de verstilling. Goldschmidt dwingt de lezer oog te hebben voor de fijnzinnige schoonheid van een wereld die er niet meer is, zonder ooit te vervallen in zweverige nostalgie. Hij beschrijft de cichliden met een eerbied die ik als puber onbewust al voelde wanneer ik de aquariumzaak binnenstapte: het besef dat sommige vormen van leven een discipline en toewijding eisen die het alledaagse overstijgen. Waar ik destijds koos voor het gemak van de stekelbaars en de gup, laat Goldschmidt zien wat de prijs is wanneer we diezelfde weg van de minste weerstand op mondiale schaal bewandelen. Zijn besluit om de microscoop in te ruilen voor de pen is dan ook een geschenk voor de lezer; hij heeft de tragiek van het Victoriameer niet alleen gedocumenteerd, maar voorgoed verankerd in ons collectieve geheugen. In de biologie mag de Nijlbaars de strijd hebben gewonnen, in de literatuur zijn het de cichliden van Goldschmidt die het eeuwige leven hebben gekregen.

Nuance als rookgordijn

Hoe overmatige voorzichtigheid consensus kan vertroebelen.

Soms ontdek je iets van jezelf met terugwerkende kracht. Deze brief bijvoorbeeld. Lange tijd wist ik niet dat hij was afgedrukt. Ik had de krant van die dag gemist. Dat gebeurt weleens. Ik lees de Volkskrant in de digitale versie; veel artikelen verdwijnen ongemerkt uit zicht omdat ze door recenter nieuws worden weggedrukt.

https://www.volkskrant.nl/economie/ondanks-inzet-op-meer-plantaardig-eten-belandt-82-procent-van-europese-voedselsubsidies-bij-veehouderij~b1bc2baa/

Toen ik de brief later probeerde terug te vinden via het zoeksysteem van de krant, bleek dat geen eenvoudige opgave. Brieven worden daar wel degelijk opgeslagen, maar eerder als een verzameling “lezersreacties” dan als afzonderlijke bijdragen, dus niet gemakkelijk op naam op te sporen. Titels worden door de eindredactie bedacht. Wie zijn eigen woorden zoekt, moet dus enig geduld meebrengen.

Uiteindelijk bood een chatbot uitkomst door een alternatieve zoekroute aan te reiken. Tot mijn verrassing bracht die niet alleen deze brief boven water, maar ook andere ingezonden stukken die ik ooit ter beoordeling had opgestuurd, en die kennelijk eveneens zijn gepubliceerd zonder dat ik daarvan op de hoogte was gesteld. Een aangename ontdekking, moet ik toegeven, want opname in de krant was tenslotte het doel van het schrijven.

Toch blijft het een beetje merkwaardig. De brievenredactie vraagt nadrukkelijk om een telefoonnummer te vermelden, wat de indruk wekt dat er vooraf contact wordt opgenomen. Dat is in mijn geval blijkbaar niet nodig gebleken.

Hoe dan ook overheerst de tevredenheid. Het is prettig te merken dat inspanningen niet geheel in stilte verdwijnen. Misschien heb ik mijn fifteen minutes of fame inmiddels zelfs ruimschoots overschreden, zij het met enige vertraging.

Ze doet slechts afstand als voorzitter en leider

Vastgereden in de drek van mijn wensgedachten, begrijp ik nu dat ze de stem voor het platteland nog luider gaat vertolken.

Even dacht ik dat ze er mee op zou houden. “Rijd de tractor maar voor, ik betaal de transportkosten.” Maar ze doet slechts afstand als leider. Ze blijft actief als Kamerlid. Ze blijft boeren mobiliseren. Ze trekt alleen de kar niet meer. Dit is geen koerswijziging; dit is stationair draaikonten op het erf.

De paradox van de agro-industrie

Agro-industrie & boerocratie doen denken aan anarcho-primitivisme: landbouw als bron van een cliëntelistische staat die boeren helpt via subsidies en uitzonderingsregels. Resultaat: een sector die vasthoudt aan een vervuilend overlevingsmodel. En die critici bedreigt.

De begrippen agro-industrie en ‘boerocratie’ vertonen een sterke ideologische verwantschap met het anarcho-primitivisme. Deze stroming voert de wortels van hiërarchie en sociale dwang terug naar de neolithische revolutie: het moment waarop de mens overstapte van het jagen en verzamelen naar vaste landbouw. In deze visie was de ‘uitvinding’ van de boer de noodzakelijke voorwaarde voor de geboorte van de staat, die immers afhankelijk was van belastbare overschotten.

In de moderne tijd heeft de staat de agro-industrie verder vormgegeven via een complex stelsel van prijssteun, garanties en uitzonderingsbepalingen. Dit beleid was primair gericht op schaalvergroting en maximale productie, waarbij de ecologische grenzen vaak ondergeschikt werden gemaakt aan economische belangen. Hierdoor is een systeem ontstaan waarin boerenbedrijven structureel afhankelijk zijn geworden van subsidies en industriële input (zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen).

Deze ‘lock-in’ creëert een situatie waarin de agrarische sector vastzit in een kapitaalintensief model. De weerstand tegen strengere milieunormen komt dan ook voort uit een economisch overlevingsmechanisme: binnen het huidige agro-industriële kader is de overstap naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor velen financieel onhaalbaar zonder de volledige afbouw van het huidige systeem.

PS: Ik spreek in het BlueSky-bericht van een cliëntelistische staat, omdat ik wil wijzen op de politieke “vriendjespolitiek” waarbij de staat de agrarische achterban tevreden houdt met gunstige regels in ruil voor steun. Misschien had ik nog beter kunnen kiezen voor het woord corporistisch. Een corporatistische staat kenmerkt zich namelijk door de nauwe verwevenheid tussen de overheid en grote belangengroepen (zoals de agro-industrie). Dit dekt precies de lading van de ‘boerocratie’: een systeem waarin beleid, subsidies en uitzonderingsregels worden afgestemd op de belangen van de gevestigde machtsblokken. En dan is er een nog ontoegankelijker woordencombinatie, namelijk ‘Interventionistische staat’. Dat is een neutrale, wetenschappelijke term voor een staat die de markt kunstmatig stuurt (via die subsidies en prijssteun).

Waarom makkelijk doen?

Humor is welkom, eerlijkheid noodzakelijk.

Wat vind je nu eigenlijk? Of liever, want het is verkiezingstijd: wat ga je stemmen? Op de vlakte blijven kan aangenaam overkomen. Douwe Bob wilde zich, als muzikant, bij zijn leest houden. Hij zei dat hij z’n gitaar ging stemmen. Dat zal hij de laatste tijd wel vaker gezegd hebben, maar als je nooit naar hem luistert, omdat de mening van Douwe niet veel interessanter is dan zijn muziek, klinkt zo’n ontwijkende opmerking onverwacht lollig.

Het punt dat Jetten naar voren bracht: hoe komt het dat we een klein beetje Nederlandse trots meteen verdacht maken? Omdat we de Nederlandse driekleur hebben laten kapen door rechts. Het feit dat de progressieven met ongeveer elke vlag zwaaien behalve de Nederlandse driekleur is alleen maar koren op de molen voor het conservatieve frame dat progressieven een hekel aan Nederland hebben.

Een patiënt van Sigmund – de eenogige psychiater die wrange en cynische commentaren levert op de wereld om hem heen – vond ook een eenvoudiger antwoord. Hij had de stemwijzer gedaan. “En, waar kwam u op uit?” “Bariton”, zei de stripfiguur, “dat zit tussen bas en tenor in.” Graag meer verkiezingscartoons van Peter de Wit. Ooit liet hij een klant van Sigmund een ‘electoraal oedipale stem’ uitbrengen op de leider die hem het meest aan diens vader deed denken. Verzonnen patiënten kun je van alles in de mond leggen.

De gemiddelde kiezer is niet gek (al moet je zijn ontstellende onwetendheid niet onderschatten); hij pikt van verkiezingskandidaten geen ontwijkende of weifelende antwoorden. De worsteling van eerlijke politici met moeilijke onderwerpen leidt vaak tot genuanceerde standpunten. Ook dat kun je een vorm van ontwijken noemen. En er valt, in zulke gevallen, niet eens om te lachen. Maar het politieke spel wordt oneerlijk gespeeld. Niet-populisten staan per definitie op achterstand vanwege hun grotere handicap; zij hebben rekening te houden met hun geweten en met de waarheid.

Rob Jetten vindt dat progressieven de Nederlandse vlag best wat schaamtelozer mogen uithangen. Een ferm standpunt. Achter hem kwam het rood-wit-blauw groot in beeld. Maar op hetzelfde partijcongres deed hij omslachtig. Hij verzon een man op de vierde rij die geschrokken op dit ‘symbool van rechts’ reageerde. Had hij een gefingeerd partijlid nodig om te zeggen dat trots zijn op je land en wapperen met de driekleur echt wel kunnen? Het leek er op, dat in zijn (tevoren geschreven) speech, de aanhoudende twijfel van het alter ego van Jetten als neonationalist, toch nog een protetstemmetje moest krijgen.

Moeilijk doen over iets waar het, naar rechts uitgeweken, electoraat inmiddels wel uit is? Laat dat maar aan links over. Migratie werd de grote graadmeter. Karikaturaal gesproken: de arbeider vindt dat Nederland vol is (grip houden!), de traditionele arbeiderspartij zegt dat nieuwkomers goed zijn voor de economie (hoewel…tenzij…), en verder naar links wil men het liever over klimaatverandering hebben (dat inderdaad het echte, veel grotere probleem is). Dit zijn serieuze kwesties dus we blijven serieus nu: welk hokje op rood gaan we straks rood maken? Wie biedt de zuiverste, meest onomwonden oplossing?

Vaak is er geen eenvoudig antwoord. Dat klinkt alweer saai en omzeilend maar de problemen zijn gewoon complex. Lees de betere partijprogramma’s er maar op na, of ga gewoon af op de werkelijkheid. Je kunt je er echt niet altijd met een hamer- of kwinkslag vanaf maken. Voelt de roodgroene blusbrigade koudwatervrees terwijl de wereld in brand staat? Durft links geen krachtige besluiten te nemen? Nee nee, dat is het niet. Weldenkende mensen hebben gewoon met alles en iedereen rekening te houden. Dat is de prijs van democratie. Moeten politici daarnaast ook nog grappig overkomen? Bespaar ons de humor; waarom zou een volksvertegenwoordiger ad rem willen zijn?

Martin, de ecotopische parkambassadeur

Een visionaire vriend voor vogels van velerlei pluimage.

Als er per se een huis moet staan op een plek in een park waar beter bomen konden groeien, dan is Martin onze man. Hij lijkt me de meest geschikte persoon om dit gebouwtje in Angerenstein als bewoner en gids tolerabel te maken. Ik bedoel dit als een compliment. Als we dan toch een vertegenwoordiger van het groen naar dat onderkomen moeten afvaardigen (waarop overigens ook al horeca-exploitanten zaten te azen), is hij de beste gastheer die een voormalige forellenkwekerij zich maar kan wensen. Omdat hij bereid is om aan wie dan ook uitleg te verschaffen over alles dat met flora en fauna te maken heeft. En meer.

De flamboyante Martin was precies wat deze doos in het park kon gebruiken, zeker als we weten dat er op deze locatie ook al horeca-exploitanten en vastgoedinvesteerders zaten te azen. ‘Alcedo Atthis‘ is de wetenschappelijke naam voor de ijsvogel. Verder staat er onder de nok van de voorgevel: ‘Nunc fluens facit tempus‘. Dat betekent: Het stromende nu maakt de tijd. Dit correspondeert met een andere spreuk (zie verderop) die met eerbied in de bast van een boom rond Martins’ huis is gekerfd.

Hij doet me aan Jan Timman denken; de grote, wijze schaker die sprak met een zachte, ietwat bekakte stem. Dat rustgevende timbre klonk nooit overdreven of gekunsteld, maar paste gewoon bij zijn statuur en bij zijn gedistingeerdheid. De onderwerpen die deze Martin aansnijdt zijn interessanter dan welke gespekstof ook; Martin houdt van de hem omringende natuur. Hij praat bloemrijk over alles dat groeit en bloeit en hem altijd weer boeit.

Hij geeft toe dat hij deel uitmaakt van een biotoop en daarin als mens niet eens de primus inter pares is of het alfamannetje. Martin communiceert met vogels, maar niet predikend zoals Franciscus van Assisi, en niet bezwerend zoals figuren in de mythologie of folklore. Vergeet de auguren (vogelwichelaars) in het oude Rome of de oppergod Wodan die zijn raven Huginn (‘gedachte’) en Muninn (‘geheugen’) met onderzoeksopdrachten de wereld instuurde. Als Martin met vogels praat, verandert hij zelf in een vogel.

Als educatieve kindervriend heeft Martin ook duidelijk meerwaarde op deze plek in het park onder de bomen. De buurtjongeren komen spontaan bij hem aankloppen. Voor de schoolgaande jeugd is het snel duidelijk dat ze hier te maken hebben met een heuse boswachter die verstand heeft van klimaatopwarming en andere milieuzaken (handig voor als je een opstel moet schrijven). Hij denkt niet alleen met je mee maar hij laat ook je idealen intact. Toen een peuter vroeg of hij een kabouter was, zei hij zondermeer ja.

Als Martin je ontvangt in zijn habitat geeft hij eerst een rondleiding bij zijn huis voordat hij je binnenlaat. Hij somt de ontmoetingen op die hij had met zijn medeschepselen en toont je aan waar die plaatsvonden. Het verbaast je dat een plek in een stad – want dat blijft het – zoveel observaties met zeldzame dieren kon opleveren: de ijsvogel, zwarte zwaan, ringslang, Groene specht, Oehoe, Wielewaal, Hazelworm, Das, Boommarter en Waterspreeuw. Laat Martin vooral het waarom van het pootjewippen van de Waterspreeuw aan je uitleggen.

Daarna laat hij je binnen in een ruimte zonder tussenmuren. Zijn woning is één groot lokaal (hij slaapt op zolder). Deze voormalige biologieklas stond oorspronkelijk vol met broedbakken, gevuld met eierdril, zich ontwikkelende embryo’s en net uitgekomen visjes. Dat gekweek is niet de nobelste geschiedenis, vind ik, maar je kunt je  voorstellen dat de Heidemij in de gelegenheidsrol van vishouder, dankbaar gebruikmaakte van het kraakheldere water dat van de heuvel stroomde. In de vijvers rondom werd spartelend zilver grootgebracht en voor goudgeld verkocht. Ooit moet de stichting zich hier een klein fortuin op de forellenmarkt hebben verworven.

Martin ontpopt zich als een pleitbezorger van de ecotopie. De term Ecotopia is na de roman van Callenbach, die het woord had gemunt, door allerlei denkers, activisten en gemeenschappen verder ingevuld en verbonden met bredere spirituele, activistische en politieke stromingen. Daarbuiten werd de term ook filosofisch verbreed door bijvoorbeeld Latour met zijn Actor-Network Theory: een wereldbeeld waarin niet-menselijke actoren (dieren, rivieren, bossen) volwaardige deelnemers in de samenleving zijn. Verder heeft Ernst Bloch zijn utopiebegrip (het ‘nog-niet-zijnde’) erop toegepast: Ecotopia als horizon waarnaar we ons oriënteren. Vraag Martin er maar naar en hij kan er bevlogen op doorfilosoferen.

De boeken in deze reeks waren typische ‘stichtelijke boekjes’, wat betekent dat ze geschreven werden vanuit een protestants-christelijke levensbeschouwing en lezertjes morele of religieuze waarden moesten bijbrengen. Jacoba van der Steen-Pijpers baseerde de verhalen in haar Barendje-serie vaak op de belevenissen van haar eigen zoons. De boeken werden uitgegeven door G.F. Callenbach in Nijkerk.

Onze parkambassadeur besluit de rondleiding met een citaat uit een stichtelijk boekje dat hem als kind (in Leiden) werd voorgelezen; een deeltje uit een reeks vertellingen over Barendje, geschreven door Co van der Steen-Pijpers, die zich liet inspireren door haar woonplaats en de wijk in Arnhem waar zij woonde. In deze uitgave, verschenen vlak na de oorlog, wordt de kwekerij in Angerenstein al genoemd en beschreven. Dat Martin dat verhaal in zijn jeugd onder ogen kreeg beschouwt hij, achteraf gezien, als een voorteken; een verwijzing naar zijn latere bestemming. Het emotioneert hem nog steeds. Wil hij hiermee suggereren dat hij in predestinatie gelooft? Of is juist het toeval de ware tranentrekker? Hoe dan ook, Martin blijkt naar een zorgvuldig gekozen hoogtepunt te hebben toegewerkt.

Zijn er dan geen dieptepunten Martin? Is het leven hier echt zo idyllisch?
Hij wil aan volwassen bezoekers best toegeven dat hij zich soms bedreigd voelt. Sterker nog: hij is bedreigd. Er is op hem geschoten. Met zo’n eenvoudig in het buurland te verkrijgen, neppistool, waarover regelmatig wordt gerept in misdaadverslagen. Het ging om twee pubers. De dadertjes zijn veroordeeld en zitten nu in een soort van reclasseringsprogramma van de jeugddetentie. Martin schijnt niet boos te zijn. Hij lijkt ook deze gebeurtenis als een soort van natuurverschijnsel op te vatten.

Zoals mensen, in alles wat ze zichzelf tegenwoordig permitteren, eigenlijk hun hele milieu om zeep helpen, was het schietincident, in een alomvattend perspectief, eigenlijk niets anders dan een wat dramatisch verlopen, biologische gebeurtenis, relativeert Martin. Natuur die zichzelf vernietigt; het omgekeerde van altruïsme. Dat komt soms voor ja. En ja, die jochies gingen veel te ver natuurlijk. Die waren ontspoord. In de rechtzaal leken ze bange, te vroeg uit het nest geduwde, vogeltjes.

Martin heeft toen aangegeven dat hij best met ze wilde praten.

Nunc stans facit aeternitatem. Deze Latijnse uitdrukking betekent: Het staande nu maakt de eeuwigheid. Dit is het tweede deel van de filosofische uitspraak van Boëthius. Het concept draait om het onderscheid tussen twee soorten ‘nu’:
1. Nunc Fluens (Het stromende nu): Dit is het veranderlijke moment dat onmiddellijk overgaat in het verleden en de toekomst. Dit creëert de tijd (tempus).
2. Nunc Stans (Het staande nu): Dit is het onveranderlijke, tijdloze, absolute heden. Het is een moment dat niet voorbijgaat, maar alle tijd omvat. Dit creëert de eeuwigheid (aeternitatem).
Boëthius definieerde de eeuwigheid als “de perfecte, totale en gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven.” Het is een nu dat vaststaat en alle momenten tegelijkertijd bevat, in tegenstelling tot onze menselijke tijd waarin het nu constant wegglijdt.

P.S. Toeval bestaat niet, zeggen sommigen. Ik ben een andere mening toegedaan, maar toch is het grappig: de schrijver van Ecotopia heet Ernest Callenbach, en de Barendje-boekjes van Jacoba van der Steen-Pijpers verschenen ooit bij uitgeverij G. F. Callenbach in Nijkerk. Twee heel verschillende werelden, verbonden door één naam.

Kernenergie door kernsplijting


De herinnering aan rampen heeft een lange halveringstijd.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 11

Ik woonde eind jaren tachtig in een studentenhuis in Maastricht. Daar hadden we vaak buitenlandse studenten op bezoek als tijdelijke onderhuurders ivm uitwisselingsprojecten. Ooit waren de logés twee dames uit de Oekraïne. Ze zaten op de universiteit van Kiev en volgden in ons land een economisch semester. Een jongen die naast mij woonde studeerde iets technisch op hbo niveau. Hij beschikte over een stralingsdetector, of laten we zeggen: hij maakte mij en de rest van het huis wijs dat het een heuse geigerteller was. Ik weet nog steeds niet of hij ons voor de gek hield maar het ding maakte het bekende ratelgeluid van oplopende klikjes als hij in de buurt van onze gasten kwam of van hun spullen. Niet iedereen kon daarom lachen.

De Tsjernobylexplosie is een van de meest apocalyptische technologische ongelukken aller tijden. Ze werd veroorzaakt door slechte ontwerpkeuzes en incorrecte besturing. Deze ramp toont aan hoezeer dingen kunnen misgaan als ingenieurs fouten maken.

In feite veroorzaakten drie fouten samen de Tsjernobylexplosie. De eerste fout was de manier waarop de ingenieurs water gebruikten in de reactor. Ze hadden water nodig om stoom te vormen, want stoom is het medium dat de warmte-energie van de reactor opneemt en elektriciteit genereert via een stoomturbine. Het probleem is dat vloeibaar water veel beter neutronen absorbeert dan stoom. Als de operators de reactor afkoelen, bevat de kern vooral water. Als ze de reactor dan onjuist opwarmen en het water snel in stoomfase schiet, kan een energiepiek volgen. De snelle omzetting van water naar stoom veroorzaakt een snelle toename van het aantal neutronen: een positief terugkoppelingsproces.

De tweede fout betrof het ontwerp van de regelstaven. Een regelstaaf wordt geacht neutronen te absorberen, maar de punten van de Tsjernobylregelstaven waren van grafiet. Toen de regelstaven de reactor ingingen, verdreven ze daarom het water, wat leidde tot een volgende energiepiek.

Ten derde had de Tsjernobylreactor geen beschermende behuizing, dus toen de explosie zich voordeed, was er niets wat de vervuiling opving.

Het ongeluk verliep als volgt: op 26 april 1986 koelden de operators de kern onjuist af. Toen ze weer opstartten, schoot het water in stoomfase en ontstond een energiepiek. De regelstaven werden ingevoerd, waarbij de grafietpunten een tweede, rampzalige energiepiek veroorzaakten. De brandstofstaven barstten en de regelstaven zaten klem. Een stoomexplosie blies de kern open, waardoor zuurstof binnenstroomde en een brand ontstond, die nucleair materiaal de lucht in pompte. Een tweede explosie – waarschijnlijk een kleine nucleaire ontploffing door de fusie van smeltende brandstof – vergrootte de hoeveelheid vrijkomend nucleair materiaal.

Je kunt nu citytrips naar Pripjat maken. Ook de rest van het rampgebied is een toeristische trekpleister geworden.

Miljoenen hectares land werden besmet met gevaarlijke niveaus radioactieve neerslag en vrijwel heel Europa kreeg te maken met fall-out. De ontwerpbeslissingen van een paar ingenieurs en de operationele fouten van een paar operators troffen miljoenen mensen. In de discussie over eventuele herintroductie van kernenergiecentrales in Nederland is het goed om te beseffen dat fouten zoals boven omschreven natuurlijk nooit meer gemaakt worden.

De dames die bij ons logeerden werden geboren op zo’n 95 km van de plek van de ramp. Ze bezochten ons drie jaar na die catastrofe. In 1986 maakte Tsjernobyl nog deel uit van de Sovjet-Unie, vlak bij de grens met Wit-Rusland. De omgeving van Tsjernobyl en de dichstbijzijnde stad Pripjat zijn na de ramp afgesloten vanwege de hoge radioactiviteit.

Doordat er geen mensen meer wonen, heeft de natuur vrij spel. Zo is de omgeving een waar natuurgebied geworden, waar allerlei bijzondere flora en fauna te vinden is. Het zou cynisch zijn om dit laatste feit als argument te gebruiken voor de herinvoering van atoomenergie. Zo van: als het fout gaat houd je in ieder geval een prachtig, van mensen verstookt, gebied over. Ik zal dit nooit hardop zeggen.

En dan was er nog Fukushima

Misschien is het goed om nog even stil te staan bij wat er precies gebeurde tijdens de tsunami van 2011 in Japan. De onverdunde waarheid, zeg maar. De Fukushimareactoren waren aardbevingsbestendig ontworpen. Toen voor de kust van Japan een zeebeving plaatsvond met een kracht van 9,0 stopten de reactoren onmiddellijk door automatisch de regelstaven te laten zakken. De reactorgebouwen waren niet beschadigd.

Alles leek oké. De beving sloot de centrale wel af van het stroomnet, maar er waren meerdere back-upsystemen, waaronder accu’s, dieselgeneratoren en noodkoelingssystemen, die geen externe energie nodig hadden. De ingenieurs hadden zelfs rekening gehouden met een tsunami, door een beschermende dijk rond de centrale te bouwen.

Ze hadden echter geen rekening gehouden met een tsunami van 15 meter hoog en de gevolgen die deze kon hebben. Ze rekenden op een tsunami van hooguit 10 meter. De dieselgeneratoren, de accu’s, de verdeelkast en de brandstoftanks bevonden zich allemaal in de kelder van de centrale, en de 15 meter hoge tsunami vernielde deze noodstroomvoorziening. De accu’s vielen uit en de dieselgeneratoren stonden onder water, net als de verdeelkast, zodat het onmogelijk was om eenvoudig nieuwe externe energiebronnen in te pluggen. Omdat een gesloten klep niet open wilde, faalde bij Unit 1 het noodkoelsysteem, dat zonder stroom zou moeten werken.

Als de ingenieurs bedacht waren geweest op een 15 meter hoge tsunami, zou de zaak in Fukushima heel anders zijn gelopen, maar vanwege een atypische natuurramp waren alle denkbare back-upsystemen op slag nutteloos.

Ok, soms doen ingenieurs aannamen die onjuist blijken. Vaak wordt de zaak gecorrigeerd voor er echt iets misgaat. Dan doet de fout zich voor in een systeem waarin genoeg speling zit om die te compenseren. Of een back-upsysteem neemt de controle over. Zo nu en dan groeien kleine misvattingen uit tot catastrofes. Maar wetenschappers leren daar onmiddellijk van. Ik acht het onwaarschijnlijk dat de hierboven omschreven fouten nogmaals worden gemaakt.

Kernenergie, vriend of vijand?

Nieuws over rampen met kernenergiecentrales doet een pleidooi voor het heroverwegen van kernenergie als energiebron natuurlijk geen goed. Wat het consumentenvertrouwen sowieso niet helpt is, naast de ramp zelf, de uitleg die vaak wordt gegeven van de catastrofe en van kernenergie in het algemeen. Die blijkt vaak niet correct.

Ik durf te beweren dat iedere ramp met een kerncentrale, reactors van de toekomst veiliger maakt. Althans, wat techniek en voorzorgmaatregelen betreft. Waarmee ik mij niet voor herinvoering van kernenergie uitspreek. Het probleem is dat we meer energie nodig hebben dan andere duurzame bronnen op dit moment kunnen leveren.

Is lozen de oplossing?

De Japanse regering overwoog om meer dan 1 miljoen ton verontreinigd water van de Fukushima Daiichi kerncentrale in zee te lozen. Daarmee kwam ze in aanvaring met de locale vissers die beweerden dat deze maatregel hun toch al zwaar beschadigde bedrijfstak nog verder om zeep hielp. Lozing zou het moeizaam herwonnen consumentenvertrouwen opnieuw beschamen.

Milieugroepen waren ook tegen deze maatregel. Buurland Zuid Korea, dat vanaf de ramp in Maart 2011 de import van zeevangst uit de regio boycot, heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid geuit.

De regering van Japan gaf al langer aan dat ze de meer dan 1000 tanks aan nucleair afvalwater in de Stille Oceaan kwijt wilde. Met deze beslissing kwam er een einde aan jaren van onderhandelen over wat er met het water moest gebeuren. Andere opties waren verdamping of de constructie van nog meer opslagtanken op andere plekken.

Het water werd indertijd gebruikt om drie beschadigde reactorkernen tegen smelten te behoeden. De hoeveelheid afvalwater steeg met 170 ton per dag want de verdunning van verontreinigd water ging noodgedwongen door. De druk om te besluiten wat er met het water moest gebeuren nam toe omdat de opslagruimte op het terrein van de kerncentrale tegen het einde van de zomer van 2022 ontoereikend werd.

Augustus 2023 begon Japan met het gecontroleerd lozen van het ALPS-behandelde water in de Stille Oceaan, na jarenlange voorbereiding, met IAEA-toezicht. Dit water is grondig gefilterd (met uitzondering van tritium) en sterk verdund, volgens internationale normen. De IAEA bevestigde in juli 2023 dat de lozing “consistent met internationale veiligheidseisen” is en dat de radiologische impact verwaarloosbaar is. Sindsdien zijn meerdere missies van de IAEA uitgevoerd, inclusief inspecties in oktober 2023 en april 2024. Zeewatermetingen tot november 2024 tonen geen verhoogde tritiumniveaus boven de detectiegrens, en alle waarden blijven ver onder WHO‑normen.

Binnenlandse vissersgroepen bleven zorgen uiten over imagoschade voor de visserij, ondanks garanties over veiligheid. China hief zijn ban op Japanse visproducten deels op in mei 2025, na technische gesprekken en erkenning van “substantieel veiligheidsvooruitgang”, maar handhaaft beperkingen voor producten uit tien prefecturen, waaronder Fukushima. Zuid-Korea handhaaft een boycot, maar werkt samen met IAEA‑monitoring en volgt wetenschappelijke adviezen.

Sinds augustus 2024 is er al ongeveer 62.400 ton water geloosd in acht rondes. Nu de lozing doorgaat, worden lege opslag­tanks vanaf 2025 afgebroken om ruimte vrij te maken. De lozing gaat gestaag voort volgens plan, met voortdurende monitoring. Tegelijkertijd intensiveren internationale partijen (China, Zuid-Korea, Zwitserland) hun eigen bemonstering, samen met IAEA, om onafhankelijk te verifiëren dat de waterkwaliteit veilig blijft. China bereidt zich voor op gedeeltelijke hervatting van import uit Japan, afhankelijk van afronding van technische analyses en papierwerk.

Ik herhaal de vraag die ik in de kop van dit stukje stelde: is lozen de oplossing. In dit geval zeg ik: Misschien; als de herinniering aan Fukushima maar nooit verwatert en als we hiervan voor altijd hebben geleerd dus nooit meer zo’n zelfde fout maken.

Biomassa

Een groen rookgordijn voor falend klimaatbeleid.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 10

Biomassa wordt in Europa officieel nog steeds als hernieuwbare energie aangemerkt. Dat is, wat mij betreft, de eerste fundamentele vergissing in het klimaatbeleid. Al jaren schuurt het en inmiddels weten we waarom. Wetenschappers hebben overtuigend aangetoond dat het verbranden van houtige biomassa niet circulair is, laat staan klimaatvriendelijk. Nieuwe aanplant van bomen garandeert op geen enkele manier een sluitende CO₂-compensatie. Sterker nog, het duurt decennia voordat jonge aanwas de uitgestoten CO₂ van verbranding weer enigszins goedmaakt. Ondertussen stijgt de uitstoot vandaag, niet morgen, en is die bij biomassa op de korte termijn zelfs hoger dan bij steenkool.

Toch blijft het verhaal van biomassa hardnekkig rondzingen in beleidsdocumenten, subsidieaanvragen en officiële statistieken. Ik vind dat verbijsterend.

Want wat stellen we ons eigenlijk voor bij ‘duurzame’ biomassa? In de praktijk gaat het vooral om de verbranding van hout: hout uit bossen, hier en elders. Dat hout zou afkomstig zijn uit ‘duurzaam bosbeheer’, maar wie bepaalt dat? Lange tijd was het genoeg als er een keurmerk op zat — FSC, PEFC — en vervolgens stroomden er miljarden euro’s aan subsidies richting biomassacentrales. Als die certificaten er maar op zaten, was alles groen.

Maar wat zegt zo’n label uit Estland? Of uit de Verenigde Staten? Rusland wordt minder relevant sinds de oorlog in Oekraïne (althans op papier). Veel van het hout dat jarenlang werd verstookt in Nederlandse centrales kwam uit de Baltische staten, Canada of Zuidoost-VS. Laten we wel wezen: hoe controleer je duurzaam bosbeheer op duizenden kilometers afstand, terwijl lokale inspecties zeldzaam zijn en bedrijven vaak hun eigen data aanleveren? Ik geloof gewoon niet meer in de illusie van de gecertificeerde houtsnipper.

Bestaande biomassacentrales worden uitgefaseerd. Dat is niet minder dan een farce.

In Nederland liepen we voorop in de biomassa-euforie. Toen het in de jaren 2010 duidelijk werd dat we onze CO₂-doelen niet zouden halen, greep men biomassa aan als het makkelijke compromis: iets dat je meteen kon bijstoken in bestaande kolencentrales. Ideaal voor de cijfers. De centrale in Diemen bijvoorbeeld — eigendom van Vattenfall — kreeg jarenlang miljoenen euro’s subsidie. Inmiddels heeft het kabinet besloten geen nieuwe subsidies meer te verlenen voor het verbranden van houtige biomassa voor elektriciteits- of warmteproductie. Dat klinkt als winst, maar bestaande centrales blijven draaien zolang de oude subsidiepotten lopen. We zitten dus nog jaren aan deze vervuilende oplossing vast.

In Duitsland is de koers inmiddels omgeslagen: er worden geen nieuwe biomassacentrales meer gebouwd die hout verbranden. De focus ligt daar nu op kleinschalig gebruik van reststromen: landbouwafval, rioolslib, GFT, en biogas uit mest. Ook Denemarken is aan het afbouwen. Kopenhagen draaide jarenlang op houtpellets, maar heeft nu stevige plannen om vóór 2030 over te stappen op duurzame alternatieven zoals geothermie en warmtepompen. België heeft biomassa lang toegestaan, maar in Wallonië en Vlaanderen zijn projecten stilgelegd of uitgesteld, mede onder druk van burgers en milieuorganisaties. Europa zet nu formeel in op afbouw van grootschalige houtverbranding, al blijft het bureaucratisch wikken en wegen.

De herziening van de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED III) stelt zekere grenzen:

  • Hele bomen mogen niet meer als biomassa worden verstookt;
  • Subsidies mogen alleen nog gaan naar resthout of afvalbiomassa;
  • Landen moeten zorgvuldiger aantonen dat hun biomassa duurzaam én efficiënt is.

Dat klinkt goed, maar ik blijf sceptisch. Want Europese richtlijnen gaan zelden gepaard met duidelijke, harde verplichtingen die onvoorwaardelijk zijn en ondubbelzinnig. Wat ‘resthout’ precies is, blijkt in de praktijk vaak een kwestie van boekhouding. Als een boom niet geschikt is voor de meubelindustrie, mag hij ineens ‘resthout’ heten. En dan wordt hij opgestookt. Wie controleert dat?

Bovendien: biomassa blijft aantrekkelijk voor energiebedrijven. Want ze mogen de uitgestoten CO₂ officieel als ‘nul’ rekenen op de balans, omdat bomen ‘ooit’ zouden teruggroeien. En zolang dat boekhoudkundige voordeel blijft bestaan, blijft biomassa aantrekkelijk. Ondanks alle klimaatschade.

Ik herinner me nog de tijd dat partijen als GroenLinks en D66 het gebruik van biomassa verdedigden als ‘noodzakelijk’ voor de energietransitie. Alsof het stoken van bomen een tussenoplossing zou zijn. Die houding is inmiddels afgezwakt — zeker bij de achterban — maar in de praktijk blijven we zitten met deals uit het verleden. Waarom trekken diezelfde partijen niet aan de noodrem, nu de wetenschap duidelijker is dan ooit? Waarom blijven ze vasthouden aan een dogma dat niet meer verdedigbaar is?

Het roept ook bredere vragen op. Waarom stonden klimaatbewuste burgers jarenlang alleen in hun wantrouwen tegenover ‘duurzame energie uit hout’? Waarom moest de publieke opinie pas kantelen toen er beelden opdoken van kaalgekapt bosgebied? Waarom blijven politici zo gevoelig voor lobby’s van grote energiebedrijven, terwijl kleine burgerinitiatieven vaak struikelen over regeldruk en gebrek aan subsidie?

Ik zie hoe de wanhoop toeslaat bij milieuactivisten. Eerst demonstreerden ze vreedzaam, vol idealen. Maar steeds vaker hoor ik geluiden van wanhoop, van woede. En wie zal het ze kwalijk nemen? Als het voortschrijdend inzicht van politieke partijen trager verloopt dan de groei van jonge aanplant in een kaalgekapt bos, dan weet ik eerlijk gezegd ook niet meer waar de oplossing vandaan moet komen.

We moeten accepteren dat biomassa niet de oplossing is. We moeten erkennen dat gebruik hiervan een historische blunder was, ingegeven door haast, illusies en boekhoudtrucs. Ik ben klaar met mooie woorden over ‘duurzame biomassa’. Want bomen verbranden ís geen duurzame oplossing. Het is een symptoom van een beleid dat de illusie verkoos boven de realiteit. En die fout, die mogen we niet nog eens maken.

Nadelen van het langzame uitfaseren van bestaande biomassacentrales:

  1. Beleidsmatige onzekerheid
    Het uitstelgedrag creëert een grijs gebied waarin bedrijven, gemeenten en investeerders niet weten waar ze aan toe zijn. Dat remt innovatie en planning voor duurzame alternatieven.
  2. Doorlopende subsidies zonder toekomstvisie
    Zolang centrales blijven draaien, blijven er (vaak forse) subsidies naar een energiebron die geen langetermijntoekomst heeft. Dat is geld dat niet geïnvesteerd wordt in echt duurzame oplossingen.
  3. Lage prikkel voor transitie
    Een trage uitfasering haalt de druk van de ketel om alternatieven zoals geothermie, aquathermie, of restwarmtenetten versneld op te bouwen.
  4. Vastklampen aan oude technologieën
    Lang doorgaan met biomassa houdt oude infrastructuren in stand, terwijl snelle afbouw ruimte zou maken voor nieuwe, schonere technologieën.
  5. Slechte signalen aan de samenleving
    Langzaam afbouwen kan bij het publiek het beeld oproepen dat biomassa ‘toch nog wel meevalt’ of dat de urgentie ontbreekt, wat het draagvlak voor echte verduurzaming ondermijnt.
  6. Blijvende afhankelijkheid van import
    Zolang de centrales blijven draaien, blijft ook de import van biomassa (zoals houtpellets) doorgaan – vaak uit twijfelachtige bronnen, wat de klimaatwinst tenietdoet.
  7. Milieu-impact blijft bestaan
    Elke extra draai-uur van een biomassacentrale betekent uitstoot – niet alleen van CO₂, maar ook van fijnstof en stikstofoxiden. Hoe langer we doorgaan, hoe groter de schade.

De tragiek van interne kritiek

Nee zeggen binnen je eigen kring.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 7

John McWhorter beschrijft in zijn boek Woke Racism hoe bepaalde vormen van sociale rechtvaardigheid een dogmatisch karakter kunnen aannemen, vergelijkbaar met religie. Ook de filosoof Sam Harris uit regelmatig zijn zorgen over de call-out culture, die volgens hem contraproductief is voor maatschappelijke vooruitgang. Hij pleit voor een eerlijker en constructiever debatklimaat. Ik moest aan deze specifieke kritiek van beide mannen denken toen ik hoorde dat sympathisanten van klimaatbeweging Extinction Rebellion naar het Mediapark in Hilversum waren getogen om bij het gebouw van de NOS te demonstreren tegen de publieke nieuwsvoorziening.

Het roept een ongemakkelijk gevoel op wanneer je kritiek moet leveren op mensen die je in veel opzichten als geestverwanten beschouwt. Je richt je pijlen liever niet op ‘woke’ of links activisme, omdat je de doorgaans goede intenties van de betrokkenen kent en er vaak genoeg zelf mee hebt ingestemd. Toch stuit mijn medeleven op een grens wanneer activisten instellingen als de media of de wetenschap tot vijand verklaren, enkel omdat die volgens hen onvoldoende verantwoordelijkheid nemen in het benoemen van structureel onrecht. Die kritiek werkt in mijn ogen tegengesteld, dus in strijd met het beoogde doel.

Volgens mij zijn de publieke omroep en de onafhankelijke wetenschap in Nederland nog altijd in staat tot redelijkheid en objectiviteit. Als zulke instituties bij voorbaat worden gewantrouwd, verdwijnt de voedingsbodem voor het soort open uitwisseling waarop een democratische cultuur drijft. Dan gaat het niet langer om verbinding of overtuiging, maar om afrekening. Wat resteert, is een strijd waarin alleen ‘de zuiveren’ nog recht van spreken hebben — met alle risico’s van uitsluiting, moralisme en intellectuele verschraling van dien. Juist wie oprecht gelooft in vooruitgang, rechtvaardigheid en empathie, zou zich moeten verzetten tegen zo’n gesloten houding. In het vermogen tot zelfkritiek binnen de eigen morele kring ligt misschien wel de grootste kracht van een werkelijk progressieve geest. Helaas zie ik dat vermogen steeds vaker plaatsmaken voor reflexen, groepsdenken en morele zelfverheffing.

Liever zou ik mij niet genoodzaakt voelen mij uit te spreken tegen vormen van activisme die voortkomen uit kringen waarmee ik mij verwant voel. Maar tussen de waarden die ik deel en de strategieën die ik niet langer kan verdedigen gaapt een kloof die ik onmogelijk met de mantel der sympathie kan bedekken. Er tekent zich een scherp spanningsveld af tussen idealistische zuiverheid en pluralistische weerbaarheid. Waar idealisten streven naar morele consistentie — waarbij elke nuance al snel als verraad geldt — vraagt een open samenleving juist om grijstinten, zelfonderzoek en het vermogen om de eigen overtuigingen te bevragen. Ontbreekt dat, dan dreigt activisme niet langer bevrijdend maar onderdrukkend te worden, en werkt het, hoe ironisch ook, mee aan het ondermijnen van persvrijheid en onafhankelijk onderzoek.

De eerder genoemde auteurs behoren onmiskenbaar tot het progressieve kamp, althans in hun overtuigingen over rechtvaardigheid, racisme en rationaliteit. Toch liepen hun sympathieën op een bepaald moment spaak, en juist daarin schuilt iets wezenlijks: de tragiek van interne kritiek. Wie zich uitspreekt tegen uitwassen binnen de eigen kring, wordt niet zelden als verrader gezien, alsof kritiek alleen legitiem is wanneer die van buiten komt. Neem Sam Harris. Hij mag dan geen academisch filosoof zijn in de strikte zin van het woord — hij publiceert niet in peer-reviewed tijdschriften — maar zijn werk getuigt van een diepgaande filosofische inzet. Zijn toon is vaak polemisch, zijn publiek breed, en dat maakt hem voor sommige academici moeilijk serieus te nemen. Toch werpt hij zich telkens weer op als verdediger van wetenschappelijke integriteit, rationeel debat en morele helderheid; de kernwaarden van een vrije samenleving.

Het vraagt moed om je, als publieksdenker, uit te spreken tegen activisme dat voortkomt uit je eigen ideologische kring. Vaak is zo’n moment pas bereikt nadat je talloze beschuldigingen, verdachtmakingen en misplaatste verwijten hebt moeten slikken. Wie zich in dat wespennest begeeft, moet kunnen onderscheiden tussen gedeelde idealen en problematische methoden, en bereid zijn daar openlijk stelling in te nemen. Dat kost tijd, energie en reputatie. Je zou hopen dat iemand als Harris zich volledig zou kunnen wijden aan grotere thema’s, zoals hij dat eerder deed in The Moral Landscape of Free Will. Maar de intellectuele huishouding binnen het eigen kamp vraagt om onderhoud. En zolang een kritisch geluid wordt verward met afvalligheid, blijft dat onderhoud noodzakelijk.

John McWhorter, taalwetenschapper aan de Columbia University, behandelt in Woke Racism hoe de antiracistische beweging is veranderd in wat hij noemt een ‘nieuwe religie’, compleet met dogma’s, ketterjachten en rituelen van publieke boetedoening. Volgens McWhorter verliezen sommige progressieve activisten hun greep op de realiteit zodra zij structureel racisme benoemen in situaties waarin nuance en context ontbreken. Zijn kritiek richt zich niet op het idealisme zelf, maar op de verabsolutering ervan. Wanneer elk verschil in uitkomst automatisch wordt gezien als bewijs van onderdrukking, verwordt rechtvaardigheid tot een gesloten systeem zonder ruimte voor tegenspraak of verzoening. Daarmee ondermijnen deze activisten het draagvlak voor de emancipatie die zij juist beogen.

Wat Harris en McWhorter gemeen hebben, is hun poging om binnen hun eigen invloedssfeer een onwelgevallige waarheid uit te spreken: morele zuiverheid zonder reflectie is gevaarlijk. Kritiek van binnenuit, zoals zij die eloquent verwoorden, is geen aanval, maar een noodzakelijke correctie; een poging om idealen te verbinden met realiteitszin. Juist nu, in een tijd waarin het morele kompas vaak plaatsmaakt voor groepsdruk, sociale media-verontwaardiging en performatieve rechtvaardigheid, is het zaak om terug te keren naar de kern van kritisch denken. Dat betekent: luisteren, twijfelen, nuanceren en durven spreken, ook als dat ongemakkelijk is. Misschien begint échte vooruitgang wel bij het erkennen dat onze bondgenoten soms ook onze gesprekspartners in kritiek moeten zijn.

Sam Harris spreekt zijn zorgen over call-out culture en cancel culture uit in meerdere contexten, maar het duidelijkst komt dit naar voren in zijn podcasts en essays, en in mindere mate in zijn boeken. Het is echter wel in het boek The Moral Landscape (2010) en meer expliciet in Free Will (2012) dat hij de basis legt voor zijn kritiek op moreel absolutisme en groepsdenken, ideeën die in nauw verband staan met zijn latere uitlatingen over call-out culture.

Als je specifiek op zoek bent naar een plek waar hij duidelijk en kritisch reflecteert op call-out culture als maatschappelijk fenomeen, dan zijn zijn podcast Making Sense (voorheen Waking Up) en diverse bijbehorende essays of interviews de meest directe bronnen. Hierin uit hij concreet en expliciet zijn zorgen uit over een bepaalde vorm van ‘wokisme’ als een contraproductief verschijnsel voor maatschappelijke vooruitgang.

Een samenstelling van zijn beste interviews zijn in een boek gevat.
  • In de aflevering The New Religion of Anti-Racism (2020) bespreekt Harris uitvoerig hoe de huidige sociale rechtvaardigheidsbeweging volgens hem religieuze trekken vertoont, inclusief het straffen van afwijkende meningen.
  • In de podcastaflevering Can We Pull Back From the Brink? spreekt hij over hoe online veroordeling en morele verontwaardiging het debat blokkeren.
  • Ook in zijn e-mails en teksten op zijn website (samharris.org) verwijst hij regelmatig naar het gevaar van ideologische zuiverheid en de manier waarop cancel culture nuance ondermijnt.