De grote Veluwse verdwijntruc

Hoe we de natuur gaan redden met beton.

Het is weer zover. In het rijke Westen hebben we een prachtige traditie: iedere generatie moet een offer brengen aan de goden van de commercie. En wat is een beter offer dan een stukje Natura 2000-gebied dat er toch maar een beetje onbestemd bij leek te liggen? Ditmaal is de voormalige natuurcamping Beekhuizen aan de beurt, die inmiddels Buitenplaats Beekhuizen is gaan heten. Dankzij de visionaire blik van projectontwikkelaar Introvast, gesteund door de warme handdruk van de gemeente Rheden en de provincie Gelderland, gaan we de natuur eindelijk eens écht verbeteren. Hoe doen we dat? Nou, heel simpel.

Camping Beekhuizen in het Natura2000-gebied zoals het er nu uit zou zien*. Foto: Martin Slijper (geplaatst met gesupposeerde toestemming). De gemeente Rheden en provincie Gelderland lijken van plan om projectontwikkelaar Introvast de vergunningen te verstrekken om van de natuurcamping een permanent recreatiepark met groot restaurant te maken. Volledig in strijd natuurlijk met het feit dat dit gebied is aangemerkt als Natura2000 gebied. Stem tegen! https://natuurcampingbeekhuizen.petities.nl/

Stap één: we noemen vijftig permanente recreatiewoningen “kleinschalig”. Want laten we eerlijk zijn; in vergelijking met de stad Shanghai is een dorp van vijftig bungalows midden in het bos eigenlijk bijna onzichtbaar. De tijdelijke safaritenten die in 2026 moeten verdwijnen, maken plaats voor de eeuwigheid van funderingen en isolatiemateriaal. Dat is pas duurzaamheid: iets neerzetten dat nooit meer wegvliegt als het waait.

Stap twee: het “natuurversterkende” restaurant. Omdat de reeën en zwijnen op de Veluwezoom doodongelukkig zijn zonder de geur van biefstuk en de gezelligheid van 120 pratende mensen, bouwen we restaurant Woodz gewoon wat groter uit. Niets herstelt de biodiversiteit sneller dan een flinke portie stikstof en een terras vol toeristen. De provincie Gelderland knikt instemmend; het verwijderen van een oud hek is immers een eerlijke ruil voor een jaarrond geopend horecacomplex. Dat is de wiskunde van de vooruitgang.

Stap drie: de juridische acrobatiek. Natuurorganisaties zeuren over “referentiedatums” uit het jaar 2000. Alsof de stikstofuitstoot van een seizoenscamping van 25 jaar geleden te vergelijken is met een modern, commercieel vakantiepark dat 365 dagen per jaar open is. Maar maak je geen zorgen; de overheid heeft de oplossing. Als we het maar hard genoeg “kwaliteitsimpuls” noemen, veranderen de wetten van de natuurkunde en de ecologie vanzelf mee.

Op 17 maart 2026 mag de gemeenteraad van Rheden de definitieve stempel zetten. Het wordt een historisch moment. We laten zien dat we de natuur zó liefhebben, dat we haar het liefst opsluiten in een luxe vakantiepark met een sauna (die er trouwens “per ongeluk” al staat*). Proost op de vooruitgang. De Veluwezoom wordt eindelijk wat het altijd al had moeten zijn: een prachtig decor voor een projectontwikkelaar. Want echte natuur is leuk, maar natuur waar je een rekening voor kunt sturen, is natuurlijk veel beter.

*PS1: Er is een sauna gebouwd, ergens bij hotel Beekhuizen. Let wel, dat is in de buurt van, maar niet op de plekken waar ik het hierboven over heb. Het behoort dus NIET tot de genoemde camping of tot restaurant Woodz. Wat wel het geval is: hotel Beekhuizen, restaurant Woodz, Buitenplaats Beekhuizen en de sauna staan op naam van één eigenaar. De bouw van de sauna is exemplarisch. Deze werd een specifiek pijnpunt en bron van conflict in de juridische discussie rondom het park Beekhuizen. Het ding is al geruime tijd fysiek aanwezig en in gebruik. Natuurorganisaties hebben handhavingsverzoeken ingediend omdat de sauna geplaatst zou zijn zonder de juiste (natuur)vergunningen. Typisch voorbeeld van hoe de projectontwikkelaars vooruitlopen op officiële besluitvorming door simpelweg feiten op de grond te creëren. Het gaat om een zogenaamde “wellness-unit” of buitensauna die specifiek bedoeld is voor de gasten van de luxe kampeeraccommodaties (de pods en safaritenten).

Het geschil over de sauna zou je symbolisch kunnen noemen voor het bredere conflict:

  1. Bestemmingsplan: Volgens critici past een permanente sauna-installatie niet binnen de huidige bestemming van het gebied, zeker niet in een kwetsbaar Natura 2000-gebied.
  2. Verstening en impact: De aanwezigheid van dergelijke faciliteiten trekt een ander publiek aan en zorgt voor een hogere belasting van de omgeving (energieverbruik, licht, geluid), wat volgens natuurorganisaties strijdig is met de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwezoom.
  3. Juridisch handhaven: Omdat de sauna er al staat terwijl de permanente vergunningen (die in maart 2026 worden besproken) nog niet definitief zijn, wordt dit door omwonenden gezien als een vorm van illegale bebouwing die door de gemeente gedoogd wordt.

De sauna is dus niet zomaar een extraatje voor gasten, maar een cruciaal onderdeel van de juridische strijd over wat er wel en niet is toegestaan op deze specifieke locatie.

*PS2: Aanvulling op mijn eerdere bericht betreffende Woodz en Buitenplaats Beekhuizen.

Er moet niet gedacht worden dat de situatie op bovengenoemde plekken op dit moment erg voorbeeldig is. Integendeel: de huidige bedrijfsvoering bij restaurant Woodz ligt al geruime tijd onder vuur vanwege het structureel overschrijden van de geldende vergunningen.

Uit berichtgeving van De Gelderlander (mei 2023) en formele hoorzittingen bij de gemeente Rheden blijkt het volgende:

  • Illegaal gebruik: Volgens de vigerende vergunning mag Woodz uitsluitend gasten ontvangen die verblijven op de naastgelegen glamping. In de praktijk fungeert het echter als een openbaar restaurant dat jaarlijks naar schatting 50.000 bezoekers trekt. De gemeente heeft officieel erkend dat deze huidige werkwijze niet is toegestaan.
  • Verkeers- en milieudruk: Omwonenden ervaren een forse toename in verkeersoverlast, wat niet alleen de veiligheid en rust in de wijk Beekhuizen aantast, maar ook zorgt voor een ongewenste toename van fijnstof aan de rand van dit kwetsbare natuurgebied.
  • Bestuurlijk gedogen: Hoewel de overtredingen vaststaan, treedt de gemeente Rheden momenteel niet handhavend op. Men wacht de uitkomst van een nieuwe vergunningaanvraag voor nieuwbouw af. Dit wekt de schijn van een gedoogconstructie, waarbij het bestemmingsplan ondergeschikt wordt gemaakt aan de uitbreidingsplannen van de ondernemer.

Deze feiten onderstrepen dat de zorgen over de toekomst van dit gebied niet hypothetisch zijn; ze komen voort uit een realiteit waarin de huidige regels al niet worden nageleefd en de druk op de natuur en de leefomgeving de grens reeds heeft bereikt.

Dwaalgast

De vriendin moest echt af van het idee dat ze een vluchteling de dood in had gejaagd.

Gisteren vloog er bij een vriendin een snip tegen het raam. Het beest overleefde de botsing niet. Toen het mooi gedrapeerd op een blauw fond tussen een paar herfstversieringen dood lag te wezen, begon het determineren. We hadden het in wezen makkelijk want de meeste Nederlandse vogelgidsen bevatten maar twee snipvarianten: de watersnip en de houtsnip. Toch viel het nog niet mee. Na veel wikken en wegen concludeerden we dat het om een houtsnip moest gaan.

Wat ik me gisteren ook weer eens besefte tijdens het bladeren door mijn vogelboeken was het volgende: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, namelijk die van de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen of soorten. Een watersnip en een houtsnip kunnen zich onderling niet voortplanten omdat zij twee verschillende soorten zijn. Terwijl mensen van waar ook vandaan wel kinderen bij elkaar kunnen verwekken. Ik moet hier morgen een iets groter ei over leggen in een nieuw blogbericht.

Niet alleen de gelijkenis van het verse kadaver met de boekafbeeldingen leidde tot die conclusie, maar ook de bijbehorende omschrijving. Samengevat: houtsnippen horen thuis in vochtige bossen; als je er een aantreft op een binnenplaats in het hart van Amsterdam, is het beest zo goed als zeker verdwaald. Bij een watersnip kun je daar nog aan twijfelen. Er stroomt tenslotte water door het IJ. Mijn vriendin had zich enigszins schuldig gevoeld, want toen zij het dier – in nog levende staat – naderbij kwam, was het verschrikt opgeschoten. Vanachter een bamboestruik in haar ‘cours’ (zoals zij dat karig beplante vierkant tussen de apartementen noemt) vloog ‘snippie’ in een laatste opleving, zijn noodlot tegemoet.

Er was geen redden meer aan geweest, aldus mijn troostende verklaring. De vogel verkeerde waarschijnlijk al geruime tijd in een verhoogde staat van paniek. Ik vermoedde dat de eerste vuurwerkknallen hem volkomen gedesoriënteerd de stad in hadden gejaagd. De vriendin moest haar aandeel in zijn doodsnood niet overdrijven. Kwam ze niet altijd en overal op voor noodlijdende medeschepsels en deed ze dan niet alles wat in haar macht lag? Wat ze in dit geval kon, kwam neer op bezorgdheid tonen (aan de voortvluchtige in zijn nog levende hoedanigheid) en ‘een stukje nazorg’ (aan het hoopje ongeluk dat na de botsing zielloos ter aarde was gestort). Wat had ze anders kunnen doen dan toekijken? Ik bedoel: als stadsmens?

Oeps. Die laatste opmerking was, vrees ik, één vergoelijking te veel van het goede.

Terug naar de roeken van het stoppelveld (deel 1)

De weg naar het klooster in wintertijd.

Ik woonde nog thuis in Breda, maar sinds mijn vader naar Duitsland was vertrokken, dacht ik zelf ook aan weggaan. In de wazige jaren tussen kindertijd en jongvolwassenheid fietste ik soms met Lucien mee naar het Benedictijnerklooster in Oosterhout, zo’n 7 kilometer verderop. Lucien was onze buurman. Mijn moeder, mijn zus en ik, we leefden met de moed der wanhoop in een nieuwbouwwijk die haar glorie leek te zijn verloren. Er was iets op losse schroeven komen te staan in onze huizen. Lag dat aan mij? Ook de buurman miste mijn vader, maar hij had toch voornamelijk z’n eigen sores.

Lucien was een maatschappelijk werker in dienst van defensie. Hij hielp militairen en hun gezinnen bij persoonlijke of sociale problemen. Die waren er kennelijk volop want hij kon verslagen thuiskomen. Na zo’n werkdag liet zijn vrouw hem wijselijk met rust. Ik niet. Hij kaatste vaak met een tennisbal tegen de achterkant van zijn huis. Door het constante gebonk kon je zijn terugkeer en zijn stemming eigenlijk niet missen. Ik liep dan naar buiten en probeerde door een gat in de heg een gesprek met hem aan te knopen. Ik deed alsof zijn gefrustreerde gedoe mij enorm stoorde. Gelul dat je nu alleen wilt zijn, was mijn boodschap. Als je lawaai maakt, moet je niet zeuren; dan trek je aandacht en vind je mij op je pad.

Ik verdedigde mijn stilte, ongeacht wat hij die dag had meegemaakt. (Ik leerde later dat het ook tot zijn taak behoorde om als eerste de dood van een soldaat aan diens ouders te melden, en dat ik soms niet veel jonger moet zijn geweest dan het slachtoffer.) Ik verzon steeds een ander commentaar als excuus om in contact te blijven. Zo liet ik hem weten dat ik aan het leren was voor een proefwerk of dat ik een spreekbeurt moest voorbereiden. Ik speelde zijn zoveelste klant en mijn geklaag dwong een reactie af. Het liep er dan op uit dat hij mokkend naar binnen ging na een laatste worp vol ingehouden woede. Of we maakten de afspraak om samen naar het klooster te fietsen.

De mis bracht rust; een afleiding, geen oplossing. De weg naar het klooster, dat langzaam uit het landschap oprees, vormde de ware bron van bezinning. Ik heb het over een prachtig voorbeeld van baksteenarchitectuur, met subtiele invloeden van neogotiek en art deco. Het complex maakt deel uit van wat men, samen met enkele andere kloosters, de ‘Heilige Driehoek’ van Oosterhout noemt. Het wordt omgeven door tuinen en parkachtige terreinen, naadloos verbonden met de aangrenzende bossen. En vergeet ook de akkers niet. In de koudere maanden, na de laatste oogst, lagen die er schitterend bij: zompige, spiegelende vlakten, die dienstdeden als fourageerplaats voor roeken.

Geen solisten, die vogels, geen wegvliegers; ze trokken samen op. Misschien wel de meest sociale soort van het hele vogelrijk.

(Fragment uit Terug naar de roeken van het stoppelveld).

Minder dan een eendagsmonnik

De weg naar het klooster en terug.

Het is best jammer dat een journalistiek stuk van literaire kwaliteit in het uitdijende archief van een krant verdwijnt terwijl de zoekmachine niet in staat blijkt het voor de dag te toveren. Ik vind de zoekfunctie van databanken bij dagbladen sowieso niet het beste dat een schrijver en zijn eventuele lezers zich kunnen wensen. Als je als particulier begint te browsen met een vaag idee van een titel, vang je meestal bot. Zoek je een specifiek stuk, dan zul je echt moeten weten onder welke aanhef het is opgeslagen. In zo’n geval komt een Chatbot nog beter van pas. Maar soms werkt die hulp van buiten net zo min. Dan blijkt een oud artikel helemaal niet in het beheersysteem te zijn opgenomen.

Een voorbeeld is een stuk van Hans Gülpen, dat ik nooit uit de annalen van De Gelderlander zou hebben opgediept als Hans het artikel niet naar boven had gehaald uit zijn eigen opgeslagen mappen met knipsels en aantekeningen. Het heet ‘Notities uit mijn cel’ en het gaat over zijn retraite in de abdij St. Benedictusberg te Vaals. Daar waren destijds nog zo’n vijftien monniken. Ze gingen zeven maal daags ter kerke om hun Schepper te prijzen en te bezingen. Deze religieuze toewijding ten spijt, bleven hun stemmen nagenoeg verstomd, want er heerste een gebod tot zwijgen. Hans verbleef jaarlijks een paar dagen met hen. In de hectiek van de tijd wordt serene rust enorm op prijs gesteld, vooral wanneer er een aureool van devotie omheen hangt. Er zijn plekken op deze aarde waar woorden overbodig lijken. Dat is fijn, dan hoef je er ook niet naar te zoeken.

In 1998 bestond de krant in kwestie 150 jaar. In een speciale jubileumeditie, chic uitgegeven in een box, kreeg het artikel een uitverkoren plek, maar zoals dat gaat met kranten die de reputatie hebben van vergankelijkheid, kwam de eeuwigheidswaarde die het stuk verdiende ook daar niet tot z’n recht. De dagelijkse krant verscheen toen nog op het klassieke broadsheetformaat. Hans, die de vroegere tijden met enige verheerlijking bekijkt, schreef dat de veelbelovende eenentwintigste eeuw nog moest beginnen en de Big Tech Brothers de mensheid nog niet tot slaaf hadden gemaakt. Zonder de constante afleiding door het eeuwige geratel van de online wereld leefde men destijds noodgedwongen in het nu; het leek op een vorm van mindfulness avant la lettre. Ik begrijp de bekoring die daarvan uitgaat, zeker als ik de indrukken en belevenissen van Hans lees.

Ondertussen mijmer ik over mijn eigen ervaringen met het kloosterleven. Die waren er namelijk ook, zij het dat ze nooit langer dan een uurtje op een namiddag hebben geduurd. De heiden in mij was altijd blij dat hij voor de avondval door dezelfde poort kon vertrekken als waar hij bij een beginnende schemering doorheen was gegaan; terug naar de roeken in het stoppelveld. Met die vogels voelde ik, geloof ik, meer verwantschap dan met de monniken, hoe mooi hun gregoriaans gezang tijdens de koordienst ook klonk. Ik had nooit meer stil gestaan bij die tochten richting de spirituele verlossing die mij, onverlost, verenigden met het gevederte des velds. In de afgelopen dagen heb ik er een essay over geschreven, waarover ik morgen zal uitwijden.

“Huh.”
“Benedicamus dominum.” Een diepe mannenstem galmt over de gang.
Weer die klop op de deur.
“Benedicamus dominum.”
Het wachtwoord, flitst door me heen. Wat was in godsnaam het wachtwoord? Lichte paniek maakt zich van me meester.
“Benedica….”
“Eh, deo gratias”, piep ik vanuit het duister van mijn cel.
“Deo gratias.”
Het is aardedonker, kwart voor vijf. Ik ben in Mamelis, Zuid-Limburg, op een steenworp afstand van de Duitse grens.
De dag begint in het klooster in St. Benedictusberg, abdij van de Benedictijnen. Als alle dagen, 365 maal per jaar.
Gasten als ik schieten in hun kleren, monniken gooien het habijt over hun hoofd. Een kwartier later zitten we allemaal in de kerk. Voor de metten. Anderhalf uur duren ze, negentig minuten, een eeuwigheid gevuld met hymnen en lauden, die beurtelings staand, buigend, en geknield worden gezongen.

Hans Gulpen – citaat uit: Notities uit mijn cel

Postscriptum 1:
Ik maak me geen illusies over de blijvende waarde van mijn stukjes, maar citeer hier graag uit ‘Notities uit mijn cel’, zodat meer mensen een idee krijgen van de verstilling en het inzicht die Hans op zijn retraite-adres vond en die in onze tijd van constante ruis zo zeldzaam zijn geworden.

Postscriptum 2:
Een lezer maakte mij erop attent dat het klooster zich in Mamelis bevindt. Dat is waar. De Abdij Sint-Benedictusberg bevindt zich in Mamelis, dat valt onder de gemeente Vaals, in de provincie Limburg (Nederland). Het adres is: Mamelis 39, 6295 NA Lemiers (Vaals).
Wat? Wordt naast Mamelis ook nog Lemiers genoemd?
Ja, dat is een klein kerkdorp van 690 inwoners, dat ook tot de gemeente Vaals behoort.
Maar hoe zit het nou precies; er wordt met drie plaatsnamen geschermd voor één en dezelfde plek.
Niet zo moeilijk hoor: de abdij ligt in Mamelis, maar het adres valt onder Lemiers. Mamelis is een gehucht binnen de gemeente Vaals, dat administratief onder Lemiers valt volgens het Cultureel Erfgoed. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschrijft de abdij letterlijk als “Lemiers – Mamelis 39”. In termen van plaats ligt het klooster “vrij in het landschap gesitueerd … tussen Wahlwiller en Lemiers”.
Oh, help, nu komt ook Wahlwiller om de hoek kijken.
Geen zorgen, postbode: De abdij staat fysiek in het gehucht Mamelis, maar voor post en administratieve doeleinden hoort Mamelis bij Lemiers, vandaar het Lemiers-adres. Zo, en spring dan nu maar op je fiets want je moet daar een brief bezorgen van bromsnor uit Wahlwiller. Wahlwiller is…
Nee, laat maar.