Het gedicht ‘kompelcomplex’.

Uit: Schrammenbloed

Vandaag een eigen lied en een veel mooier lied van Jean Ritchie.

Kompelcomplex


Wat heeft dit doolhof hen misleid.
Hier gingen zoveel longen, zoveel ruggen stuk,
zoveel vergeten levens, bezet door arbeid.
Hier groef men goud en vond men geen geluk.

Met in de verste gangen onbereikbaar licht:
door paters en patronen lonkend in het zicht
gesteld genadebrood, en, ver onder modaal,
een winstopslagje op de laagste loonschaal.

Welke plichten stonden hen voor ogen
dat niet viel toe te geven aan rebelse dromen?
Hoe konden zij, zo vaak hun vlucht werd overwogen,
in deze duisternis weer tot bezinning komen?

Stomme gravers in dat klokhuis aarde
wier handen joegen naar een nieuw record.
Zelfs als de schaftfluit hen bedaarde
ging het werk nog in hun hoofden door.


Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

The L&N Don’t Stop Here Anymore” is a ballad written and released by Jean Ritchie in 1965.
Though Jean Ritchie typically eschewed controversial topics, the subject of impoverishing coal miners was touchy enough for the musician that she originally released “L&N” in 1965 under her maternal grandfather’s name, Than Hall. Ritchie grew up in Viper, Kentucky’s Slabtown Holler, and a Louisville and Nashville Railroad passenger train ran right by the mouth of the hollow. Difficult times began when the local coal mines closed and the trains stopped coming; “The L&N Don’t Stop Here Anymore” reflects that time. In 2008, Ritchie still owned the family farm in Viper and fought against mountaintop removal mining, a form of surface mining she called “a sin“.
Michelle Shocked and Kathy Mattea covered the song, but it was made famous by Johnny Cash, who published his own cover of the ballad after hearing June Carter Cash sing it. (Bron: Wikipedia)

“The L & N Don’t Stop Here Anymore”

When I was a curly-headed baby
My daddy set me down on his knee
Saying “Son you go to school, you learn your letters
Don’t you be no dusty miner, boy like me”

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty row of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

I used to think my father was a black man
With scrip enough to buy the company store
But now he goes to town with empty pockets
And his face is as white as the February snow

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty road of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

Never thought I’d live to lean to love the coaldust
Never thought I’d pray to hear those temples roar
But God I wish the grass would turn to money
And then them greenbacks would fill my pockets once more

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty road of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

Last night I dreamed I went down to the office
To get my payday like I done before
But them old kudzu vines was covering the doorway
And there was leaves and grass growing up through the floor

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty road of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

Songwriter: Jean Ritchie

Inleiding op het gedicht ‘veertien richels, veertien sonnetten’.

Uit: Schrammenbloed

In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.

Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.

IJdelheid reikt ver in valse verzinsels, terwijl de geldingsdrang maar niet van de grond komt. Het lukt westerlingen vaak niet om de top te bereiken zonder sherpa’s. Wie kent hún namen?

Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.

Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.

Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.

Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.

Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.

Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?

We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.

Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.

Veertien richels, veertien sommetten

Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?

Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.

Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,

heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!