Verkiezingsfraude in Gorinchem

Bewijsstuk A bleek een ijzeren getuige.

De manier waarop de volmachten waren aangeleverd, wekte argwaan; ze waren op identieke wijze voorbereid met telkens twee stempassen, een kopie van het paspoort en een paperclip. Een corruptie-klemmetje, klein van stuk, maar groot in het bij elkaar houden van verdachte zaakjes.

Volmaakt gestileerde irrelevantie

De kleffe verhouding van de kunstkenner tot zijn onderwerp.

Natuurlijk kan Arthur De Graaf op forse kritiek rekenen; hij slingert immers een onbestaand citaat de wereld in met behulp van AI. Hij bijt in het zand en geeft zijn omissie ruiterlijk toe. Maar dat juist de heren van de kunstredactie over hem heen vallen, stoort De Graaf mateloos. Hij kent deze hofnarren van de status quo te goed. Terwijl zij hun zinnen polijsten met dure adjectieven en esoterische beeldspraak, zorgen ze er vooral voor dat hun werk geen rimpeling veroorzaakt in de vijver van de publieke opinie.

Juist de kampioenen van de risicoloosheid toonden zich het meest onvermurwbaar ten aanzien van een misstap van een collega die alleen voorkwam waar wél iets op het spel stond. Hadden zij ooit meer gedaan dan de theaterrol van journalist spelen? Ze bleven veilig achter de linies van het culturele leven; een terrein waar ze net genoeg van afwisten (mits je de filosofie niet meerekende).

De kunstjournalistiek verkiest blijkbaar een volmaakt gestileerde leegte boven een schurende zoektocht naar de waarheid. Bij Arthur staat er tenminste iets op het spel; bij hen is de inzet louter decoratief. Het is een wrange paradox: de sector kijkt liever naar een risicoloos ballet van woorden dan naar een scherpschutter die een doelwit durft te kiezen. De kans op een misser is bij die laatste vele malen groter, maar hij raakt tenminste de werkelijkheid aan.

In plaats van stelling te nemen, geven deze critici de voorkeur aan de kleffe intimiteit van de vernissage. Ze laten zich compromitteren bij premières van volstrekt inwisselbare voorstellingen. Ze worden gewillig rondgeleid langs hapjes en drankjes; ze dragen de badge en incasseren het salaris, maar ze verzuimen op het meest fundamentele niveau: het blootleggen van wat er werkelijk toe doet. Waarom wordt hun fundamentele luiheid nooit bestraft, terwijl een actieve fout direct tot een publieke executie leidt?

Misschien is het antwoord voor De Graaf simpeler dan hij denkt. Zijn beroepsgroep straft hem zo hardvochtig omdat hij bewijst dat hij er nog toe doet, al is het maar door te falen. Zijn critici daarentegen begaan de enige zonde die in de huidige journalistiek onbestraft blijft: ze zijn volkomen irrelevant. Ze overleven omdat ze, in al hun taalkundige precisie, simpelweg niets te zeggen hebben.

Het pauwenverdict

Veroordeeld vanuit een zitvlak vol met veren.

Arthur van der Meer had een fout gemaakt. In zijn poging de toekomst van het vak te doorgronden was hij gestruikeld over datgene waarmee hij zich de laatste tijd intensief had ingelaten. Op aandringen van zijn hoofdredacteur toonde hij bereidheid om zich te begeven op het terrein waar journalistiek en technologie elkaar raken. Voordat hij die opdracht aanvaardde, keek Arthur, als zovelen, met veel kritiek en cynisme naar AI; nu hij er wat meer van afwist, zag hij ook de aangename kanten ervan.

Dat wilde niet zeggen dat je blind gebruik moest maken van het fenomeen. Maar de omissie van Van der Meer was, behalve oerdom, ook een uitglijder van iemand die iets probeerde; iemand die zich mengde in een debat dat ertoe deed. Wie werkt in de vuurlinie, weet dat snelheid en onzekerheid geen bijzaak zijn, maar de kern van het vak. Of die frontlinie nu een oorlogsgebied is of de rafelrand van een technologische omwenteling, informatie blijft fragmentarisch, tijd blijkt altijd schaars, fouten zijn nooit volledig uit te sluiten. Dat vormt geen excuus; het is de prijs van relevantie.

In zijn omgeving was er altijd dat type collega geweest dat opereerde in de veilige marges van het vak; de potsierlijke kunstkenner die de cultuurpagina’s mocht vullen met genodigde recensies en interviews. Deze persmuskiet liet zich graag fêteren door wie hij geacht werd te beoordelen, en produceerde aldus een obligate lofzang waarop niemand zat te wachten. Hij verwarde kritiek met beleefdheid, filterde elk risico uit zijn zinnen. Hij tikte positieve stukjes over exposities, praatte teksten uit catalogi na en kopiëerde openingstoespraakjes. Daar, op veilige afstand van de controverse, werd een reputatie opgebouwd zonder risico; een carrière zonder echte confrontatie.

Juist uit die hoek klonk nu het hardste oordeel over Van der Meer. Ziedaar de hypocrisie van de luie stoel. We hebben het over journalisten die hun hele loopbaan de weg van de minste weerstand bewandelen. Ze dagen de macht zelden uit. Ze verheffen ‘human interest’ tot de hoogste kunstvorm omdat het veilig is, omdat een zorgvuldig gecomponeerd verhaal over een cultuurdrager zelden iemand tegen de haren instrijkt. Hun grootste zonde is niet een onjuist citaat of een technologische misstap, maar een veel fundamentelere: ze doen er niet toe.

Waarom wordt die fout in de journalistiek maar zelden bestraft?






Terug van nooit weggeweest

Mona Keijzer was niet op zoek naar een reddingsvlot; daarvoor is haar Luctor et Emergo-reflex te goed ontwikkeld. Kapitein Mona confisceerde een ietwat verouderde ‘Lifeboat’ die alleen maar opgepimpt hoefde te worden om haar naam te mogen dragen.

De bijbehorende zeebenen heeft zij nog niet ontwikkeld. Toch is haar monsterboekje allerminst onbeschreven. Ze heeft best al zout over haar boeg gekregen, maar tot nu toe was zij een beetje een ‘mooiweerzeilster’. Zodra de barometer daalde, zocht zij een veilige haven op.

Je zou kunnen zeggen dat zij de kunst van het laveren goed onder de knie heeft, maar zich aan boord snel loopt te vervelen. Ze is een kapitein die wel aan het roer wil staan, maar geen zeekaarten inziet. Haar scheepje heeft de neiging om als ‘Flying Dutchman’ zonder kompas door een mist te varen.

Als ze al een bestemming weet uit te stippelen, is die buitenland-onvriendelijk en blijkt zij op ramkoers met de werkelijkheid te liggen. Hoezo geen mensen aan boord met een migratie-achtergrond Mona? Ooit van bootvluchtelingen gehoord?

Een curieuze paradox

Omdat het maar zelden gebeurde dat een prominente journalist werd betrapt op AI-misbruik, ging de naam van Bennie van Bergen die week over ieders lippen. Hij kwam hoofdzakelijk negatief in het nieuws, wat hem – wie had dit ooit gedacht – opvallend koud liet. Hij werd als werknemer door zijn nieuwsorganisatie op non-actief gesteld, maar de journalist in Van Bergen ging gewoon door met zijn werk. Zodoende constateerde hij iets merkwaardigs; in de collectieve afrekening tekende zich een opvallend patroon af.

Hij ontdekte een verband dat anders nooit was opgevallen: hoe meer je te maken had met collega-journalisten die het literaire gehalte van wat je schreef het belangrijkste vonden, hoe groter de afwijzing. Hoe sterker iemands’ nadruk op vorm boven inhoud, hoe feller de veroordeling. Het waren de estheten van de redactieburelen, de fijnproevers van de interpunctie, de hoeders van stijl en toon, zij die hun carrière zorgvuldig hadden opgebouwd op veilige afstand van elke inslaande granaat, die als eersten opstonden om hem de maat te nemen.

Voor hen is een tekst een zorgvuldig gepolijst sieraad, wist Bennie; iets om te bewonderen, niet om te gebruiken. Geen kogel die doel moet treffen; geen boodschap die de wereld in moet voordat ze veroudert. Een waarheidsschending door AI-gebruik, hoe onbedoeld ook, wordt in dat universum niet beschouwd als een operationeel risico, een bedrijfsfoutje, maar als een esthetische misdaad. Pleitbezorgers van die parochie spreken dan ook zonder aarzeling van ‘een smet op het blazoen van de journalistiek’; een heiligdom waarin zij zichzelf tot hogepriesters hebben gekroond.

Bennie moest heimelijk lachen. Hij noteerde: ‘Hun eigen handelingen zijn heel ritueel, hun geschrijf zit vol herhaling. Dat maakt hen volstrekt inwisselbaar.’ Hij meende een curieuze paradox op het spoor te zijn.

De gekte achter het masker

Dit was niet de manier waarop ze de stad op stelten zouden gaan zetten.

Elias wist het al toen hij de trein uitstapte. De lucht in zijn longen voelde te ijl, zijn voeten te licht. Hij had die ochtend meer koffie gedronken dan de wankele vrede in zijn hoofd kon verdragen. Cafeïne fungeerde als versneller voor de naderende gekte. Terwijl hij richting de binnenstad liep, passeerde hij De Inktpot, het massieve gebouw waarin zijn oude werkgever was gevestigd. Met die UFO op de rand oogde het niet als een kantoorpand, maar als het hoofdkwartier uit de Gouden Eeuw van de comics.

Dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Bij Batman lijkt het niet anders; de tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat weinig ruimte voor degenen die naast hem staan.

Elias zag zichzelf staan. Niet als de man die een afspraak had met een goede vriendin, maar als de Dark Knight die vanaf de daken neerkeek op een stad die hij naar zijn hand ging zetten. Het was een kortsluiting in zijn hersenen: de gevels van de Utrechtse panden bogen weg voor het decor van Gotham. Hijzelf loste op in de schaduw van een wreker. Elias kende de manie achter die vermomming als geen ander.

Deze metamorfose is een klassieker waarmee in strips de diepste angsten worden verbeeldt. Bij Batman overstijgt de missie het niveau van een hobby; er openbaart zich een pathologie. Veel critici beschouwen de vleermuis als de werkelijke identiteit, terwijl Bruce Wayne slechts dienstdoet als het vleesgeworden masker om de schijn van normaal op te houden. Waar een personage als Spider-Man worstelt met sociale frictie – Peter Parker probeert zijn huur te betalen terwijl zijn alter ego de wereld redt – kenmerkt de tweespalt bij Batman zich door een grimmiger, existentiëler kaliber.

Het trauma van Wayne drijft hem tot een obsessieve hyperfocus. Vanuit een psychologisch perspectief schuurt dit tegen een dissociatieve staat aan, al behoudt Bruce de regie. Bij Elias nam de biologie de regie nu over. In die koortsachtige toestand degradeerde zijn empathische vermogen tot een bijverschijnsel; een noodzakelijk kwaad dat moest wijken voor de architect van het universum. Een overvloed aan dopamine joeg zijn hersenen op tot een toerental dat geen enkele nuance meer verdroeg; een interne storm die alles wegvaagde ten gunste van die ene, allesoverheersende missie.

De ontmoeting vond plaats in een café aan de Oudegracht. Voor Elias fungeerde haar stem als achtergrondruis bij zijn eigen, schitterende gedachtestroom. Hij was getransformeerd tot een personage; eendimensionaal, onstuitbaar en volkomen onbereikbaar voor de menselijke maat. Terwijl zijn geest ruimte bood aan messiaanse inzichten, waande hij zich in Sin City. De bravoure waarmee hij die denkbeeldige wereld dacht te redden, voelde in zijn hoofd heroïsch, maar in de praktijk van de middag bleef daar niets van over. Het reduceerde zijn gedrag tot een staaltje vermoeiende egomanie.

Pas uren later, toen de zon zakte en de koortsige glans van de dag begon af te nemen, kwam hij bij. In de stilte van de terugreis besefte hij wat hij had aangericht. Haar aandoening, die allesoverheersende factor in haar leven – de reden ook dat ze soms met moeite haar koffiekopje tilde – was in zijn tunnelvisie niet meer dan een voetnoot geweest. Terwijl hij zijn eigen bedreigde fantasiewereld bestierde, had hij haar onherroepelijk in de steek gelaten. De Batman in hem had het stuur overgenomen met een arrogantie die geen tegenspraak duldde. Zijn neurologie verklaarde de drang, de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie, maar zij wiste niet de schuld uit. Hij schaamde zich diep, maar helaas wel te laat.

De stad was die dag inderdaad onveilig geweest. Alleen was hij zelf de schurk van het verhaal geworden.

Terug naar normaal (eigen foto, genomen op maandag 22 maart 2026). De Inktpot staat in Utrecht bekend als het grootste bakstenen monument van Nederland. Oorspronkelijk gebouwd als het vierde administratiegebouw van de Nederlandse Spoorwegen (HGB IV), is het inmiddels de zetel van de spoorbeheerder ProRail. Het gebouw werd tussen 1918 en 1921 opgetrokken onder leiding van architect George van Heukelom. Vanwege de materiaalschaarste na de Eerste Wereldoorlog moest men creatief zijn. Omdat bakstenen schaars waren, kocht de NS zelf twee steenfabrieken en een houtbedrijf op om de aanvoer te garanderen. In de fundering zijn oude spoorstaven verwerkt; een vroege vorm van hergebruik die de constructie een ijzersterke basis gaf. Het gebouw is gigantisch, met kilometers aan gangen en honderden kamers. Ter gelegenheid van de tentoonstelling Panorama 2000 plaatste kunstenaar Marc Ruygrok een UFO op de hoek van de dakrand. Het is 12 meter breed en geeft ’s avonds licht. Hoewel de buitenkant van het gebouw doet denken aan de Amsterdamse School of de vroege zakelijkheid, is het interieur minstens zo fascinerend. We zien daar veel Art deco invloeden; veel van het originele meubilair en de tegeltableaus zijn bewaard gebleven. Het gebouw bevat twee interne watertorens die vroeger de druk op de waterleidingen van het spoorwegnet reguleerden.

P.S.1: Bij Peter Parker ligt de focus minder op een gespleten psyche en meer op de sociale frictie. Hij is in de eerste plaats een mens die toevallig superkrachten heeft. Hij probeert z’n huur te betalen, tentamens te halen en relaties te onderhouden. De Spider-Man vermomming vormt de uitlaatklep voor zijn verantwoordelijkheidsgevoel. Zijn twee kanten zitten elkaar constant in de weg; als Spider-Man een bankoverval stopt, komt Peter Parker te laat op zijn werk. Als we kijken naar wie de meest ultieme dualiteit toont, komen andere stripfiguren nog sterker naar voren. Two-Face is de letterlijke verpersoonlijking van gespletenheid (goed vs. kwaad). The Hulk toont een biologische en psychologische splitsing; ratio (Banner) versus instinct (Hulk). Superman is de omgekeerde Batman; Clark Kent is het masker dat door een god wordt gedragen om erbij te horen. Hoewel Batman een diepe, duistere tweespalt kent, is Spider-Man waarschijnlijk degene die het meest tastbaar worstelt met het combineren van twee levens. We noemen Spider-Man een klassieke superheld: zijn kracht, reflexen en ‘spider-sense’ zijn genetisch veranderd. The Hulk en Superman vallen hier ook onder. De term ‘Super’ slaat direct op hun bovennatuurlijke status.

P.S2: Bruce Wayne heeft een schaduwkant en een civiele kant. Strikt genomen is hij een costumed vigilante (gemaskerde burgerwacht). Hij heeft geen superkrachten; zijn ‘kracht’ komt voort uit extreme training, technologische gadgets en een onuitputtelijke banktekening. In de academische analyse van strips wordt hij vaak een ‘Mystery Man’ genoemd, een term die stamt uit de jaren ’30 voor helden die hun identiteit verbergen om de wet in eigen hand te nemen. Zijn trauma (de moord op zijn ouders) drijft hem tot een obsessieve strijd tegen de misdaad. Als burger fungeert Wayne als filantroop en playboy. Vanuit een psychologisch perspectief zou je dit kunnen linken aan concepten uit de persoonlijkheidsleer, zoals de dissociatieve identiteitsstoornis, al voldoet Bruce zelden aan alle klinische criteria aangezien hij volledige controle en herinnering behoudt over beide rollen.
Batman ging lang geleden op in zijn alter ego; zijn menselijke kant vormt een goed geregistreerd toneelstukje voor de buitenwacht. In Gotham bestaat er geen ruimte voor twijfel. Batman is niet zomaar een man in een pak; hij is een rigide constructie van pure wilskracht en hyperfocus. Voor de buitenwacht lijkt dit misschien op discipline, maar van binnen is het een allesverslindende stroomversnelling.

P.S.3: Of je nu een duistere miljonair bent met een voorliefde voor vleermuispakken of een student met geldgebrek; de dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Je wordt, net als Batman, de architect van je eigen universum. De stad ligt aan je voeten; elk detail is scherp en elk obstakel lijkt slechts een test van je eigen superioriteit. Maar waar Batman de controle claimt te hebben, daar neemt de bipolariteit de regie ongevraagd over. De vergroeiing met dat alter ego – die almachtige staat waarin rust een belediging is en actie de enige waarheid – heeft een hoge prijs. Terwijl Batman zweeft boven de straten, verliest hij het contact met de grond. Het is in deze staat dat de held de overhand krijgt en de menselijke connectie naar de achtergrond verdwijnt. De tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat geen ruimte voor de behoeften van degenen die naast je staan.

Ballroom-diplomatie, dé opt-out voor Rob en de Royals

Liever het verbouwings-excuus dan dat je straks in de aap gelogeerd bent.

Ja, premier Jetten, voor deze vluchtroute heeft u een white lie nodig, maar in een White House dat tegenwoordig bol staat van de verzinsels, valt zo’n diplomatieke smoes nauwelijks op. Daar te moeten logeren is duizendmaal erger dan een leugentje om bestwil. Kies voor de ballroom-escapade; de koninklijke stijldans van de vurige Máxima en een uit de klei getrokken, houtenklazerige vorst. In deze combinatie van tango en horlepiep staan we misschien alsnog op een paar tenen, want ons excuus zal vrij doorzichtig zijn, zelfs voor een domoor als Trump. Maar we spelen het dan in ieder geval vrij hoffelijk en heel meelevend.

Terwijl Trump zich met zijn TACO-manoeuvre overal uitkakelt als een angstvallig piepkuiken, proberen wij met dit briefje onze eigen ‘Dutch Exit’ te forceren in een pas de deux van tango en klompendans. Het is geen lafheid, het is strategisch medeleven. En een omzeiling die van levensbelang zal blijken!

Ok, daar gaan we, ik dicteer:

Laten we onszelf in een patstelling dirigeren zoals Trump in Iran, of draaikonten we ons eruit zoals het acroniem TACO (Trump Always Chickens Out) suggereert voor vrijwel elk ander scenario? Geen van beide, zo stel ik voor: we tonen begrip voor de omstandigheden. We laten een combinatie van compassie en geveinsde nederigheid op de man los, die hij wellicht zal interpreteren als een knieval voor zijn tomeloze werkethiek. Ik geloof dat deze tekst precies in het plaatje past van lomp en elegant dat je ook krijgt voorgeschoteld als je het Oranjepaar ziet dansen. Je wordt er niet vrolijk van of triest; je bent vooral opgelucht dat er niemand is gestruikeld.

Angine de Poitrine

Mantra-rock dada pythago-cubisme.

Sinds het jaar 2023 schotelen de broers Klek en Khn de Poitrine ons een repertoire voor van gortdroge, instrumentale anti-arena-rock; een stijl die, analoog aan technomuziek, draait om een dynamisch spel van het toevoegen en wegnemen van voortdurend transformerende geluidspatronen. Met behulp van zijn behendige tenen en een elektronische looping-module neemt Khn in realtime meerdere lagen melodische versieringen op die hij vervolgens harmoniseert. Hierbij wisselt hij onophoudelijk tussen microtonale gitaar en bas; deze raken verstrengeld in chromatische, hoekige fraseringen in kwarttonen.

Angine de Poitrine is een anoniem artistiek project; iedere speculatie over de identiteit van de leden is niet geverifieerd, wordt niet door de groep ondersteund en zou een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kunnen vormen.

Via strakke, pulserende ritmes van het dof klinkende drumstel en complexe verstrengelingen van de gitaar met dubbele hals produceert de band wervelende cadansen van hypnotiserend geluid en beeld. Zo laten zij asymmetrische grooves dansen, voeren zij de intensiteit naar een hoogtepunt of verleggen zij precies op het juiste moment het ritmische ankerpunt. Sinds de release van Vol. 1 in 2024 bevindt Angine de Poitrine zich in het oog van een immer uitdijende storm van enthousiasme bij zowel het publiek als critici en de belangrijkste spelers uit de muziekindustrie.

Het volgende plukte ik van internet (over microtonaliteit).

In typische westerse muziek is het kleinste interval waar we mee te maken hebben (dat wil zeggen : de kleinste kloof tussen twee noten) een halve toonafstand. Op een keyboard staat dit bekend als een half-step; het kleinste interval dat je omhoog of omlaag kan gaan vanaf elke willekeurige noot is dus een halve toon. Ondanks dat we ze niet gemakkelijk op een keyboard kunnen spelen, bestaan er ook toonhoogtes tussen deze twee noten.

De C heeft bijvoorbeeld de frequentie van 261,6 Hertz; dat is de frequentie waarmee deze geluidsgolven vibreren om de toonhoogte te creëren. De volgende noot omhoog, de Cis, springt op naar 277,2 Hertz. Er is ruimte tussen deze twee frequenties. Een noot die gestemd is tussen C en Cis, heeft als toonhoogte 269,4 Hertz en noemde we een C halfkruis (of specifieker: C kwarttoon verhoogd). Zelfs het ongetrainde oor kan horen dat deze noot duidelijk verschilt van zowel de C als de Cis.

Waarom is deze dan niet beschikbaar op een keyboard? Waarom gebruiken mensen geen halfkruisen wanneer ze muziek schrijven? Welnu, sommige muzikanten en componisten doen dat wel; de muziek die zij schrijven met gebruik van deze sub-halvetoonintervallen staat bekend als microtonale muziek. Westerse klassieke componisten experimenteren al met microtonaliteit sinds het begin van de 20e eeuw. Ons standaard westerse stemmingssysteem staat bekend als 12-TET, of twelve-tone equal temperament; omdat het het octaaf verdeelt in 12 gelijkmatig verdeelde toonhoogtes.

Maar componisten zoals Wisjnegradski en Ives gebruikten alternatieve systemen die het octaaf opdeelden in nog kleinere verdelingen; meestal 24 verdelingen, wat onze standaard twaalf toonhoogtes verdubbelde. Ze pakten dit meestal aan door te schrijven voor twee piano’s, waarvan de ene een kwarttoon lager was gestemd dan de andere; wat betekende dat ze tussen de twee piano’s toegang hadden tot 24 noten per octaaf. In Wisjnegradski’s Prélude nummer 1 maakt hij gebruik van de 24 kwarttonen door ze op en neer te laten rennen in deze ultra-chromatische toonladder.

In Charles Ives’ 3 Quarter-Tone Pieces slingert de focus van de muziek snel heen en weer tussen de twee piano’s; bewegend als een slinger tussen 12-tonige stemming en 24-tonige stemming. In de korte momenten dat we slechts één van de twee piano’s horen, ervaren we gewoon de standaard 12-tonige stemming; maar zodra de tweede piano weer invalt en de twee elkaar overlappen, worden we ondergedompeld in de microtonale troebelheid. Wanneer we naar de bladmuziek kijken, zien we eigenlijk geen voortekens voor kwarttonen; dat wil zeggen, geen halfkruisen of halfmollen; omdat elke piano op zichzelf niet daadwerkelijk microtonale intervallen speelt. Het is de interactie tussen deze twee piano’s, die een kwarttoon uit elkaar zijn gestemd, die de microtonaliteit creëert.

Microtonaliteit is dus gebruikt in sommige experimentele klassieke muziek; maar kunnen we het ook vinden in moderne pop- of rockmuziek? De meest gebruikelijke plek om microtonaliteit in westerse muziek te vinden is bij instrumenten die kunnen glijden of een glissando kunnen maken tussen de standaard 12 toonhoogtes. Bijvoorbeeld aan het begin van Rhapsody in Blue van George Gershwin glijdt de klarinet naadloos van de lage F omhoog naar de hoge Bes. Als de klarinet beperkt zou zijn tot het 12-tonige systeem, zoals een piano dat is, zou de glijvlucht niet zo glijdend klinken. Maar omdat de klarinet toegang heeft tot de noten tussen de standaard twaalf toonhoogtes, kan deze een gladde, naadloze glijvlucht bereiken.

In moderne elektronische popmuziek wordt een glijvlucht als deze vaak een riser genoemd. Net als de klarinet-glissando maken risers gebruik van de noten tussen de noten, omdat ze anders deze naadloze, spanningverhogende klim niet zouden kunnen bereiken. Op een gitaar kan de snaar worden opgedrukt zodat de noot die klinkt ergens tussen twee standaard toonhoogtes in ligt. Noten worden vaak een kwarttoon opgedrukt in plaats van een volledige halve toon, wat ons een microtonale noot geeft. Dit is een zeer gebruikelijke techniek in de blues, of ten minste muziek die beïnvloed is door de blues, zoals rock. Het basloopje van Are You Gonna Be My Girl van Jet bevat bijvoorbeeld een kwarttoon-bend; wanneer de D hier wordt opgedrukt, stijgt deze slechts tot D-halfkruis in plaats van helemaal door te reiken tot onze gebruikelijke Dis. Omdat de noot zo kort en ornamenteel is, kan het lastig zijn om het verschil te horen; maar er is er zeker één. Wanneer je de twee verschillende noten afzonderlijk speelt, is het verschil veel duidelijker. In de context van het lied fungeert deze noot als een blue note. Microtonen zijn perfect voor gebruik als blue notes; aangezien blue notes noten zijn die van buiten de toonladder worden toegevoegd om een gevoel van spanning toevoegen. Wat is er meer buiten de toonladder dan een microtoon?

Maar misschien is het best geschikte instrument in de westerse muziek voor microtonaliteit de stem. De menselijke stem is natuurlijk niet beperkt tot enig stemmingssysteem, dus hij kan gemakkelijk alle intervallen zingen; mits goed getraind. Het is bijvoorbeeld gebruikelijk voor zangers om hun melodieën te versieren door tussen twee verschillende noten van de toonladder te glijden. In het nummer Misery Business van Paramore glijdt Hayley Williams aan het einde van het refrein langzaam tussen deze twee noten; waarbij ze een aanzienlijke hoeveelheid tijd doorbrengt in de ruimte tussen de standaard toonhoogtes. Deze langzame, opzettelijke glijvlucht maakt gebruik van die microtonale dissonante noten tussendoor. Het enige probleem met het aanduiden van glijvluchten en glissando’s als microtonaal, is dat ze bijna altijd slechts door een microtonale noot passeren op weg naar een standaard toonhoogte. Ze rusten niet lang genoeg op de microtonale noot om de luisteraar deze echt te laten registreren.

Is er pop- of rockmuziek die microtonale intervallen met hetzelfde gewicht gebruikt als normale intervallen, in plaats van als een klein snufje zout bovenop onze standaard tonaliteit? In 2017 bracht de Australische rockband King Gizzard & The Lizard Wizard hun album Flying Microtonal Banana uit, dat is geschreven met gebruik van 24-TET stemming. De band bereikte deze 24-TET stemming door speciaal gebouwde microtonale gitaren te gebruiken met extra frets op de hals. Stu Mackenzie schreef deze plaat oorspronkelijk om gespeeld te worden op zijn baglama; een Turks instrument dat frets heeft op intervallen die dicht liggen bij wat westerse muzikanten kwarttonen zouden noemen. Luister naar hun nummer Rattlesnake; dat is geschreven in Fis-mineur, maar met een halfverlaagde tweede trap, wat ons een G-halfkruis geeft in plaats van Gis; en ook een halfverhoogde zesde trap, wat ons een D-halfkruis geeft in plaats van een D.

De resulterende tonaliteit is als een mix van oud en nieuw voor westerse oren. De belangrijkste intervallen van de mineurtoonladder – de kwint, de kwart en de kleine terts – zijn allemaal bewaard gebleven, maar de halfverlaagde tweede en halfverhoogde zesde trap plaatsen ons in een exotisch niemandsland tussen de Aeolische, Phrygische en Dorische toonladder. Bij het luisteren naar Flying Microtonal Banana valt je wellicht op dat de muziek, in plaats van gebaseerd te zijn op akkoordprogressies, harmonisch statisch is; meestal blijvend op één dreunend kernpunt voor het hele nummer. De muziek focust in plaats daarvan op melodische ontwikkeling. Dit komt ten minste deels door het feit dat het schrijven van bevredigende akkoordprogressies met microtonale intervallen vaak erg uitdagend en verwarrend kan zijn voor westerse muzikanten. Maar een andere reden kan zijn om de luisteraar niet te overweldigen; door kwarttonen alleen periodiek in de melodie te laten verschijnen, bevinden we ons voor een groot deel van het nummer eigenlijk gewoon in de normale 12-TET stemming.

How to Disappear Completely van Radiohead bevat wat microtonaliteit in het strijkersarrangement, gecomponeerd door Jonny Greenwood. De strijkers glijden lukraak tussen toonhoogtes, wat een chaotische en verontrustende textuur creëert. Het is lastig om de toonhoogtes die de strijkers hier spelen echt te identificeren, en dat is min of meer het punt; ze brengen net zoveel tijd door in de ruimtes tussen de standaard toonhoogtes als erop, wat leidt tot een ultra-chromatisch, totaal gedesoriënteerd geluid.

De menselijke stem is misschien wel het meest veelzijdige instrument voor microtonale muziek; een fantastisch voorbeeld hiervan is Jacob Colliers a capella arrangement van In the Bleak Midwinter. Colliers arrangement gebruikt niet alleen microtonale akkoorden, maar het moduleert daadwerkelijk naar een microtonale toonsoort; door het gebruik van vier steeds meer microtonale akkoorden worden we verschoven van standaard E-majeur naar de toonsoort G-halfkruis-majeur. Jacob demonstreert dat zijn nummer voorafgaand aan de modulatie perfect gestemd is met een standaard piano; maar slechts vier akkoorden later is hij naadloos gemoduleerd naar een kwarttoon buiten de standaard stemming. De vier akkoorden die Jacob hier gebruikt maken gebruik van subtiel verbrede of vernauwde intervallen; tegen de tijd dat we het einde van de progressie bereiken, is onze perceptie van de stemming zodanig verschoven dat de toonsoort G-halfkruis volkomen logisch en harmonieus klinkt.

Eén veelvoorkomend punt van verwarring zijn nummers die niet op concerttoonhoogte zijn opgenomen. Als je een muziekstuk pakt en de toonhoogte verschuift zodat het niet langer gestemd is op een van onze 12 tonen, dan is dat eigenlijk geen voorbeeld van microtonaliteit. Friday I’m in Love van The Cure en Don’t Look Back in Anger van Oasis zijn beide niet opgenomen op de standaard concerttoonhoogte; ze zijn niet opgenomen op A = 440 Hertz. De reden dat dit deze nummers niet microtonaal maakt, is dat microtonaliteit gaat over het gebruik van intervallen die kleiner zijn dan onze standaard westerse intervallen; niet over het gebruik van noten die gestemd zijn op verschillende toonhoogtes. De frequenties van de noten mogen dan anders zijn dan normaal, maar alle frequenties zijn met dezelfde hoeveelheid verplaatst; ze zijn relatief ten opzichte van elkaar verschoven, dus de intervallen tussen de toonhoogtes zijn nog steeds hetzelfde als voorheen.

Als muzikant of componist is microtonaliteit een van die concepten die je benadering van muziek volledig op zijn kop zet. Je kunt niet langer vertrouwen op je jarenlange ervaring en je spiergeheugen; het dwingt je om volledig buiten de gebaande paden te denken. Je kunt zelf een microtonale compositie schrijven. Stel je keyboard zo in dat het in 24-TET speelt, oftewel in kwarttonen. Zoek naar de ‘extra verlaagde’ kleine terts; het interval tussen G-halfmol en A. Je merkt dat het te verwarrend is om dit op het keyboard te spelen, dus in plaats daarvan kun je de noot neurieën die je wilde horen en deze opzoeken in je MIDI-omgeving.

Microtonaliteit kan vrij gebruikelijk zijn in sommige niet-westerse culturen.

Een veelzeggende veroordeling

Het cordon sanitaire kende geen pardon.

Zijn excommunicatie was onmiddellijk en totaal. Het vonnis werd geveld in de digitale arena’s, waar jongere vakbroeders inmiddels de scepter zwaaiden; een generatie die algoritmen intuïtief bespeelt en voor wie de valstrikken van AI gesneden koek zijn. Hij had zich schuldig gemaakt aan de ultieme journalistieke doodszonde. Hoe kon een man die decennialang in de frontlinie van de nieuwsgaring stond, zo struikelen over een paar regels code? Een hallucinatie van een chatbot, die door hem in de haast van de actualiteit, voor waar was aangenomen en gepubliceerd, deed hem nu de das om.

Collega’s zullen doorgaan met makkelijk scoren. Journalisten koketteren graag met hun maatschappelijke missie vanuit een zelfbenoemde status van scherpschutters van de democratie, maar helaas heeft hun waarheidsvinding vaak meer weg van een dartwedstrijdje op de redactie Cultuur & Media. (Afbeelding volledig gegenereerd door AI).

Ook de oud-collega’s waarmee hij nog omging bleken onverbiddelijk in hun oordeel. Onder hen bevonden zich terechte critici; de fout was immers reëel en pijnlijk zichtbaar. Maar er zaten ook ijdele kwezels tussen die als journalisten nooit hun nek uitstaken; die zelden of nooit een ferm politiek geëngageerd standpunt innamen. Er voltrok zich een fascinerend schouwspel; de gretigheid waarmee de ‘zuiveren in de leer’ zich op zijn fout stortten, kon eigenlijk niet pijnlijker. Terwijl de inkt van zijn verontschuldiging nog moest drogen, werd de brandstapel al opgericht.

Voor het eerst was hij zelf nieuws geworden. Hij had de neiging om de gretigheid waarmee men hem veroordeelde ‘veelzeggend’ te noemen.

Van schaamteloos naar schaamrood

Op een demonstratie van hopeloze hofmakerij volgde een exposé van idiote inschikkelijkheid.

Wie had dat gedacht? In een verwoede poging de ‘lijnen open te houden’, mogen Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima logeren in het Witte Huis; een ‘eer’ die maar weinig buitenlandse staatshoofden te beurt valt. Premier Rob Jetten staat vierkant achter het plan, want, zo impliceerde hij met diplomatieke ernst, het is essentieel om in gesprek te blijven. Trump heeft ook al eens in Paleis Huis ten Bosch geslapen; volgens de diplomatieke etiquette kun je zo’n uitnodiging dan niet zomaar afslaan. Het is een kwestie van ‘geven en nemen’ (tit for tat); of in dit geval: ‘slapen en laten slapen’, waarbij Klaas Vaak kwistig zand in de ogen mag strooien.

De slijmerige smeermiddelen genaamd protocol, etiquette en loyaliteit zijn slechts verschillende tinten van eenzelfde kleur: het schaamteloos oranje.

Als republikein – en laat ik heel duidelijk zijn: we hebben het hier over de nobele leer van het antimonarchisme, niet over de Amerikaanse variant waar ik me met hand en tand tegen verzet – bekijk ik deze diplomatieke ongerijmdheden met afschuw. Het is een tragikomedie in optima forma: de Koninklijke familie, gevangen in een diplomatieke spagaat, genegen om de lijnen open te houden met een gek. Het is de ultieme paradox om openingen te willen creëren die inhoudloos blijven. In een staat zonder monarchie en een sterke regering zou een gezond gevoel van verlegenheid ontstaan met deze situatie.

Die zou zo’n karige knieval richting een ontspoorde autocraat onwenselijk achten en meteen een hotel boeken. Desnoods op onze kosten; als we daardoor op een normale manier met onze schaamte uit de voeten konden.