Heiligdommetjes die hoogbejaarden moesten huisvesten?
We kunnen het helaas nog niet over de eerste bewoner van mijn huis hebben. Terwijl dat toch het leukere verhaal is. Het bleek een kerkmeester te zijn. Hij moest toezicht houden op de orde tijdens de mis. Dat vond men een serieuze taak en hij manifesteerde zich dan ook als een ernstige, om niet te zeggen strenge man. In de buurt van meneer Koetsier – want zo heette hij – moest je je koest houden. Sloeg hij koorknaapjes? Dat kan ik niet zeggen. We moeten ons eerst storten op het huis waar hij woonde; het huis dat nu mijn huis is en een aantal vragen oproept. Het spijt me dat dit stukje niet over een potentiële sadist gaat maar over een onschuldig stulpje.

Het adres waar ik woon maakt onderdeel uit van een blokje van serievormige katholieke ‘keurslijfjes’ die in de jaren veertig in gebruik werden genomen. De Roomse kerk mocht zich eigenaar en opdrachtgever noemen, maar natuurlijk heeft er in Vaticaanstad nooit ook maar een penningmeester (laatstaande een paus) naar getaald. De Woningbouwvereniging St. Joseph was nauw betrokken bij de ontwikkeling. Ze werden gerealiseerd als onderdeel van het uitbreidingsplan voor de stad. Ze moesten voorzien in de groeiende behoefte aan een plek voor paapsgezinden: een mooie processie van aan elkaar geplakte doorsneewoningen die misschien net iets meer allure bezaten dan de zoveelste rijtjeshuizen omdat ze bedoeld waren als onderdeel van een hofje.
Als we deze woningen met de nummers 35 t/m 61 denkbeeldig op de lange zijde van een L plaatsen, dan zou er nog een bejaardentehuis worden gerealiseerd op de korte zijde van die letter, en wel het dichtst in de buurt van de St. Josephkerk. Dat is echter niet doorgegaan omdat er toen – welk een tijd – nog te weinig katholieke bejaarden waren! Het vreemde is dat ergens wordt vermeld dat aan de Beatrixstraat in 1940 twee blokken ‘bejaardenwoningen’ werden opgeleverd met de naam ‘Meihof’. De vermelding zegt: ‘Voor de realisatie hiervan had pastoor Van der Loo van de Sint Jozefkerk zich erg ingespannen. De naam en het jaartal 1940 staan op een sluitsteen boven in het verbindingspoortje tussen de twee blokken.’
Dat is waar, die sluitsteen bevindt zich daar. Maar dit zou betekenen dat het blokkencomplex met de naam ‘Meihof’, waarin ik woon, in de analen als ‘bejaardenwoningen’ werden aangeduid. Als dit waar is, waarom werd er dan ook nog over het realiseren van een bejaardenhuis gerept? Ik heb naar het antwoord gezocht. Misschien vormt dit een verklaring: in de katholieke woningbouw uit die tijd werd de term ‘bejaardenwoning’ niet gebruikt in de moderne zin van kleine seniorenwoningen. Men bedoelde vaak: woningen ‘voor ouderen of echtparen op leeftijd’ die nog zelfstandig woonden, maar een zekere rust en nabijheid tot de kerk of hun gemeenschap zochten. Met andere woorden: ‘bejaardenwoningen’ konden toen best redelijk ruime eensgezinswoningen zijn, alleen bedoeld voor een wat oudere doelgroep.
Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke plan inderdaad in een hofje met bejaardenwoningen en eengezinswoningen voorzag, maar dat dit plan is versoberd of samengevoegd. Een bejaardenhuis (in collectieve zin, dus met voorzieningen) werd nooit gebouwd. In plaats daarvan heeft men wellicht de hele reeks huizen als gewone gezinswoningen uitgevoerd, met behoud van de naam ‘Meihof’ als herinnering aan het oorspronkelijke plan. Dat zou verklaren waarom deze wel gerealiseerde woningen ruimer zijn dan ‘bejaardenwoningen’; ze zijn technisch gewoon gezinswoningen, maar historisch ontstaan uit een parochiaal, later losgelaten, plan waarin ouderenzorg en huisvesting verweven waren.
Kijk, dat is nou het rotte van historische werkelijkheden: ze weigeren zich te schikken naar een goed verhaal over een schijnbare schoft. Je wilt iets spannends schrijven over de eerste bewoner van je huis, en belandt in een kluwen van onvolledige archieven en tegenstrijdige bronnen. Ik voel me een halve archivaris nu. Ik moet het stof uit m’n haren kloppen. Waar is de wijn, de geur van wierook, het flakkerende kaarslicht, de kerkmuziek en het hemelse gezang tegen de achtergrond waarvan ik een verhaal over een mogelijke smeerlap kan ontvouwen? Ik zit opeens vast in een moeras van onduidelijkheden, vermoedens en onvolledige bouwplannen uit 1940 en het wordt nergens spannend.
Ik denk dat ik Conclave uit de kast trek van Robert Harris en vandaag vroeg naar bed ga. Het boek schijnt nog beter te zijn dan de film. Nee wacht; maak daar Betrayal van, samengesteld door een journalistenteam van The Boston Globe (en ook al verfilmd; zie Spotlight).
Een lezer schreef: ‘Koetsier was een prima sympathieke man. Het hele gezin trouwens.’
Ik weet niets meer van Koetsier dan wat ik hierboven over hem heb opgeschreven. Dat de kerkmeester streng was en dat je als kind een beetje zenuwachtig werd als hij zich in je buurt bevond, houd ik voor waar. Die informatie komt namelijk van dezelfde lezer. Maar ik moet toegeven dat tussen strengheid en wreedheid veel verschil zit.
Het stukje dat ik aangaf liever te hebben geschreven dan wat ik hier uit de doeken doe over mijn huis, zal er nooit van komen. Ik gaf een denkbeeldige situatie weer: namelijk die van een valse kerkmeester, of erger. Ik zou het veel leuker vinden om daarover door te gaan omdat zoiets nu eenmaal een plot verschaft en het een zeker vooroordeel zou bevestigen dat ik over kerkmeesters koester (en over het katholicisme in z’n geheel).
Maar of de heer Koetsier ook daadwerkelijk een sadist was, laat ik in het midden door er het bijvoeglijk naamwoord ‘potentiële’ voor te zetten. Later ben ik even voorzichtig als ik het woord ‘smeerlap’ gebruik; daar plaats ik namelijk het woord ‘schijnbare’ voor. De lezer geeft aan dat Koetsier niets kwaads over zich had; hij kan dat absoluut beter weten dan ik.
