Al lijkt de sociale controle in het klooster meer in het nadeel van de groepsleden te werken.
Fragment uit Terug naar de roeken van het stoppelveld
Fietsend door het Brabantse landschap vergeleek ik de roeken (nogal voor de hand liggend) met de monniken van het Benedictijnerklooster waarnaar ik op weg was. Aan de horizon zag ik de indrukwekkende abdij al opdoemen: een bakstenen vesting van stilte en discipline. Op de stoppelvelden fourageerde de zacht krassende brigade en ik vroeg mij af wie het beter hadden getroffen. Aanvankelijk dacht ik dat de monniken zich in hun versterkte onderkomen veiliger konden wanen, terwijl de roeken buiten aan de elementen, het landbouwgif en de roofdieren waren overgeleverd. Maar in de kern lijkt de roek mij nu de enige die werkelijk vrij is binnen zijn sociale structuur. Hij hoeft alleen maar vogel te zijn. Hij slaapt in zijn eigen lichamelijke bedekking. De monnik moet, onder druk van de groep, proberen iets te vertegenwoordigen dat boven de natuur staat, en verliest daarmee de eenvoudige rust van het dier-zijn.

In hun zwarte verenpak en hun vanzelfsprekende hiërarchie leken de roeken slechts op monniken. Nu dwingt een volwassen blik me tot een wrange conclusie: de sociale controle waar beide groepen aan onderworpen zijn, kent een fundamenteel ander rendement. Objectief bezien is de roek een meester in sociale overleving. De groepsdwang in de kolonie is meedogenloos, maar rationeel. Een roek die niet meewerkt aan de collectieve waakzaamheid tijdens het foerageren, of die de nestvrede verstoort, wordt direct gecorrigeerd. Geleerden noemen dit ‘sociale handhaving’. Het biologisch nut van deze pikorde is volkomen duidelijk. Het doel van deze controle is uitsluitend biologisch succes: het veiligstellen van calorieën en het doorgeven van genen. De roek hoeft geen goede roek te zijn in morele zin; hij moet simpelweg een functioneel onderdeel van de zwerm vormen. De druk van de groep dwingt hem tot efficiëntie, niet tot zelfverloochening.
Zodra ik de kloosterpoort passeerde, veranderde de aard van de controle. De monniken leven onder een regime dat op het eerste gezicht lijkt op dat van de roek: vaste tijden voor voedsel, strikte hiërarchie en een gezamenlijk ritme. Maar hier werkt de sociale controle in het nadeel van het individu op een manier die de natuur vreemd is. In het klooster is de controle gericht op de binnenwereld. Waar de roek wordt afgerekend op zijn gedrag, wordt de monnik afgerekend op zijn intentie. De groepsdruk dwingt hem tot de strijd tegen de ‘erfzonde’ of de ‘begeerte’. Dit is psychologisch gezien een kostbaar proces. Terwijl de roek na een correctie simpelweg zijn veren uitschudt en verder leeft, internaliseert de mens de groepsnorm als een moreel gewicht. De sociale controle in het klooster dient niet de biologische overleving van de monnik – sterker nog, het dwingt hem vaak tot het negeren van fundamentele biologische impulsen – maar de instandhouding van een abstract ideaal.
Landbouwgif versus morele schuld, er is altijd wel iets dat de overleving van groepen bedreigt. De paradox van de sociale controle bij dieren of mensen is dat het in een geloofsgemeenschap meer in een nadeel lijkt om te slaan. Mijn geheugen aan het Brabantse land is een ets van grijstinten en zwarte silhouetten geworden als het om de fietstochten naar het klooster gaat. Er sloop een wrange ironie in de veiligheid die ik beide groepen toedichtte. De vogel betaalde de prijs voor zijn verbondenheid met de natuur. Hij bleek kwetsbaar voor die harde fysieke wereld want het landbouwgif en de oprukkende nieuwbouw hebben de kolonies gedecimeerd. De monnik daarentegen zit veilig achter zijn muren, beschermd tegen de fysieke achteruitgang van het landschap, maar hij betaalt een andere prijs. Zijn ‘gif’ is de sociale controle die hem dwingt tot een ‘heilig moeten’. De psychologische druk om te voldoen aan een onbereikbaar spiritueel ideaal kan leiden tot een erosie van de eigen identiteit die schadelijker is dan de dierlijke pikorde.
