Categorie: Literatuur
Het theater van de knevelaars
Waarom de geconstrueerde leugen altijd struikelt over zijn eigen details.
Ik las dat Hans Croiset de ‘Blijvend Applaus Prijs’ heeft gekregen voor zijn complete oeuvre. Prachtig natuurlijk, maar bij het horen van die achternaam dwalen mijn gedachten steevast af naar Jules. Of beter gezegd, naar die ene, voor de hele familie zo pijnlijke vraag die er altijd aan voorafgaat: welke Croiset had die ontvoering door neonazi’s ook alweer in scène gezet? Het is een typisch geval van wat ik een ‘pleonasme/tautologie-verwarring’ noem; zo’n feitje dat je een paar keer in je leven opzoekt, om het vervolgens weer even vrolijk te vergeten omdat de kwestie je uiteindelijk toch te weinig interesseert.

Het bleek dus om Jules te gaan, de jongere broer. Zijn naam – en die van de rest van de dynastie – raakte in 1987 voorgoed bezoedeld in Namen in België (what’s in a name?). Juist daar zou hij in een hinderlaag zijn gelokt. Hij werd er in een “grote, donkere auto” geduwd en door deze “knevelaars” (echt zo’n theatraal Jules Croiset-woord) onder het uiten van antisemitische dreigementen richting de Franse grens gevoerd.
De zeventigjarige carrière van de negentigjarige Hans interesseert me subiet geen snars meer. Ik wil weer even alles van deze kidnapping weten, of liever: van de “faux-ontvoering” zoals de Belgische gendarmerie het eufemistisch doopte, nadat zij de feitelijke onmogelijkheden van het scenario hadden blootgelegd. Jules wist de recherche in eerste instantie met veel details te voeden, maar hij hield geen rekening met de nuchterheid waarmee zij zijn fantastische scenario naast de logistieke realiteit van zijn Franse soloritje legden.
Hier loopt de geconstrueerde werkelijkheid steevast in de klassieke val: de absolute controle willen behouden door middel van details. Wie de waarheid spreekt, hoeft alleen maar te putten uit een rommelig, organisch geheugen vol gaten en vage herinneringen. Wie daarentegen een leugen fabriceert, voelt de dwingende noodzaak om de toehoorder preventief te overtuigen. Elke ruimte voor twijfel moet vooraf worden geëlimineerd; dus wordt het verhaal dichtgetimmerd met ankerpunten, citaten, logistieke feiten en emotionele inkleuring. Wat de fantast echter over het hoofd ziet, is dat elk verzonnen detail geen versterking van zijn vesting vormt, maar een nieuw feit dat zich pijnlijk leent voor controle. Juist hier openbaart zich de paradox van de overdaad: de leugen verdrinkt niet in een gebrek aan fantasie, maar in een fatale overvloed ervan. Het perfecte script geldt paradoxaal genoeg altijd als de eerste aanwijzing dat er geregisseerd wordt.
Kijken we met die psychologische bril naar Jules Croiset, dan zie je de acteur onwillekeurig de regieaanwijzingen dicteren. Een daadwerkelijk getraumatiseerd slachtoffer van een ontvoering herinnert zich na een bevrijding meestal slechts flarden; de textuur van een bekleding, een specifieke geur of het vage verstrijken van de tijd. Jules niet. Jules herinnerde zich een complete theaterproductie.
Hij wist de gendarmerie destijds haarscherp te vertellen hoe de antisemitische dialogen in die grote, donkere auto klonken, kon de politieke motieven van zijn knevelaars tot in detail fileren en schetste een motief dat zo naadloos paste bij de maatschappelijke storm rond het Fassbinder-toneelstuk, waarin hij een rol vertolkte, dat het wel móést kloppen. Elk personage in zijn auto sprak precies zoals de buitenwereld dacht dat een neonazi zou spreken. Het was dramaturgisch vlekkeloos.
Om dit huiveringwekkende relaas van de vermeende ‘fascistische dreiging’ van het ultieme bewijs te voorzien, ging Croiset in zijn zucht naar realisme zelfs over tot fysieke enscenering. Hij toonde de verbijsterde autoriteiten zijn ontblote borstkas, waarin de ontvoerders met een mes een hakenkruis zouden hebben gekerfd. Het was een even macabere als theatrale afleidingsmanoeuvre; een moreel schild dat kritische vragen kortstondig onmogelijk maakte. Wie twijfelt er immers aan een man die de littekens van de haat fysiek met zich meedraagt?
Precies op die schijnbare perfectie liep hij vast. Het bleek de ultieme overdaad in zijn paradoxale constructie. De rechercheurs in Namen lieten zich namelijk niet gijzelen door de enorme emotionele lading van dit antisemitische drama. Terwijl de publieke opinie in Nederland nog trilde op haar grondvesten, hielden de Belgen het hoofd koel; zij ruilden de morele verontwaardiging in voor de landkaart en de stopwatch. Toen zij de theoretische rijtijden naast de werkelijke chronologie legden, de getuigenverklaringen ter plekke controleerden – waar niemand een worsteling rond een grote auto had gezien – en de benzinetank van Croisets eigen wagen peilden, bleek de logistieke realiteit sterker dan het script. De acteur had simpelweg te veel kruisjes op de kaart gezet.
Toen de gendarmerie hem vervolgens confronteerde met de medische realiteit van het hakenkruis – dat qua hoek en diepte verdacht veel weghad van een zelftoegebrachte wond – en hem ook nog vroeg hoe hij zichzelf met een acrobatisch vernuft dat de gemiddelde boeienkoning jaloers zou maken had weten vast te binden in die Franse kelder, stortte het kaartenhuis in. Het spel was uit. De fantasie was te zwaar geworden voor de dunne ijslaag van de werkelijkheid. Jules bekende dat hij de autorit alleen had afgelegd, de brieven zelf had getypt en het mes in eigen hand had genomen.

Lezersreactie:
Goed bezig Ronald. Als jij je eenmaal ergens in vastbijt…
(Gertrud Wiesenthal, Braunau am Inn)
Mijn reactie:
Jazeker, Gertrud. En ik zou iedereen die iets te verbergen heeft op neo-nazigebied willen meegeven: treed nooit te veel in detail. Dat is mijn parool aan de zelfverloochenaar: tuig geen complex, overgedetailleerd alternatief verhaal op om een dubieus verleden mee af te dekken. Verdruk de ware geschiedenis als je dat niet kunt laten, maar strooi geen overdaad aan zand in mijn ogen. Dat wekt de onderzoeksjournalist in mij acuut uit zijn tent. Bedenk wel, dat ik afstam van een verzetsman én krantenjongen; het opsporen van verzwegen geschiedenissen zit me in het bloed.
Dank voor je reactie, Gertrud. Hoe staat het met jouw eigen onderzoeken daar? Ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen? We schrijven elkaar weer snel.
De grammatica van de nalatigheid
De ironie van een ethisch dilemma dat over zijn eigen syntactische benen struikelt.
Gisteren stelde iemand mij een vraag die mij direct in een diepe, existentiële crisis stortte. Niet zozeer vanwege de morele zwaarte van het vraagstuk, maar vanwege de totale anarchie waarmee de zinsconstructie op papier was gekwakt. De afzender probeerde een filosofische kwestie aan te snijden, maar lanceerde in plaats daarvan een linguïstische raketaanval op mijn taalgevoel.
De letterlijke tekst luidde:
‘Kan je iemand iets kwalijk nemen dat ie niet gedaan heeft wat wel had moeten gebeuren als diegene daar echt niet opgekomen was?’

Ik heb de zin drie keer moeten herlezen; niet om de ethische diepgang te doorgronden, maar om simpelweg de taalkundige brokstukken te sorteren. Nadat ik mijn eerste neiging om rode strepen te gaan zetten had onderdrukt, besloot ik de afzender direct te trakteren op een lesje nuchtere zinsanalyse.
Ik schreef het volgende terug:
Ik hoop dat je begrijpt dat de zin een grammaticaal en stilistisch rampgebied is. Het voornaamste struikelblok zit in het slordige gebruik van verwijzende voornaamwoorden en een overschot aan beknopte bijzinnen die over elkaar heen buitelen.
‘…iets kwalijk nemen dat ie niet gedaan heeft wat wel had moeten gebeuren…’
Het woordje dat verwijst hier naar ‘iets’. Direct daarna volgt wat; een voornaamwoord dat eveneens naar een onbepaald ding verwijst (‘wat wel had moeten gebeuren’). Dit zorgt voor een opeenhoping van relatieve bijzinnen die de lezer dwingen om halverwege de rit de taalkundige wegwijzers opnieuw te kalibreren.
‘…als diegene daar echt niet opgekomen was.’
Waar is diegene niet opgekomen? Grammaticaal gezien verwijst ‘daar’ terug naar het dichtstbijzijnde logische element; de volledige constructie ‘wat wel had moeten gebeuren’. Je kunt echter niet ‘op een gebeurtenis komen’. Je komt op een idee, of je denkt aan een taak. De vaste combinatie is ergens op komen (bijvoorbeeld: ‘ik kom niet op het juiste woord’). Hier had het een constructie met aan moeten zijn (‘als diegene daar echt niet aan gedacht had’).
Bovendien breekt het invoegen van ‘wat wel had moeten gebeuren’ de natuurlijke cadans volledig; het is een tussenzin die de hoofdgedachte (‘kun je iemand nalatigheid verwijten?’) onnodig opsplitst.
Als ik de zin herformuleer op een logische manier, is wat je vraagt waarschijnlijk: Kun je iemand een nalatigheid verwijten als diegene er simpelweg nooit aan heeft gedacht?
Maar dan is het nog steeds duister wat er precies met ‘er’ wordt bedoeld. Ik moet dus zelf gaan invullen wat je intentie was:
Kun je iemand een nalatigheid verwijten als het simpelweg nooit in diegene is opgekomen dat er nog een taak op hem lag te wachten?
Of: Kun je iemand een nalatigheid verwijten als diegene er simpelweg nooit bij stil heeft gestaan dat hij die taak nog moest uitvoeren?
Na al deze herinterpretatie van kromtaal, zou ik de geherformuleerde kwestie van toepassing willen laten zijn op de vraagsteller zelf. Toegepast op jouw eigen bericht wordt het dilemma dan:
Kun je iemand de inzending van zo’n cryptische zin verwijten, als diegene er simpelweg nooit aan heeft gedacht dat een lezer er ook nog chocola van moet kunnen maken?
Of: Kun je jou de constructie van dit stilistische rampgebied wel kwalijk nemen, als je er simpelweg nooit bij stil hebt gestaan dat een zin ook nog aan de wetten van de logica moet voldoen?
Of, dichter bij je eigen tekst blijvend: kun je jou deze taalkundige nalatigheid eigenlijk wel verwijten, als het simpelweg nooit in je is opgekomen dat er nog een fatsoenlijke grammaticale structuur op je lag te wachten?
In dat specifieke geval zou ik je inderdaad niets verwijten; maar je wel een spottend antwoord geven.
Lezersreactie:
Waarom zo onhebbelijk Ronald?
(Agaath, Woudsend)
Mijn antwoord:
Dat ging inderdaad door mij heen: dat mijn toon nogal streng was en ik onaangenaam over kon komen. Zou ik een gevoelsarm mens zijn? Waarom struikel ik over hoe een vraag wordt geformuleerd en ga ik niet meteen in op de intentie van de vraagsteller? Mijn excuus zou dan zijn: omdat zelfs de achterliggende bedoeling van de vraag mij niet duidelijk werd. Er was voor mijn gevoel geen beleefdere uitweg mogelijk. Ik kon dus niet anders dan eerst over die kromtaal vallen.
Haar “tja” werd een plotseling “ja”
Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.
Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.
Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.
Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”
Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.
Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.
Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.
Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.
Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.
Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.
Lezersreacties:
Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m
Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek
Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan
Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D
Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis
Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen
Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77
Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)
Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje
Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)
Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013
De VS hebben hun beste president vermoord
…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.
Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.
Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.
Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.
Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.
De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.
Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.
Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.
Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag
Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.
De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.
Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.
Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.
Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.
Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.
Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.
Flaneren met Wittgenstein
Over mode-filosofie en de logica van het sadistische universum.
De Tractatus was zo’n boek waarmee ik vroeger liep te pronken zoals anderen met een Louis Vuitton of de Gazzetta dello Sport. De taalfilosoof draait zich nu misschien om in zijn graf vanwege mijn onzuivere woordgebruik. Pronken met een dure handtas behoort tot een andere categorie; daar draait alles om geld en status. En die beroemde roze sportkrant? Die trok weliswaar aandacht, maar dan van een publiek dat mij volkomen koud liet. Bovendien wordt alles in die krant door de lezer gespeld. Bij Wittgensteins beruchte werk lag dat anders. Ik kon de eerste zin citeren en kende ook de legendarische uitsmijter: “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.” Een prachtig ironisch credo voor iemand die het boek vooral gebruikte om indruk te maken. Steeds opnieuw probeerde ik het te begrijpen, maar mijn werkelijke kennis kwam uiteindelijk uit secundaire bronnen. Willem Frederik Hermans bewees als vertaler het wél volledig te hebben doorgrond. Door zijn lens werd de Tractatus Logico-Philosophicus bijna onaantastbaar.

Ik gebruikte de Tractatus niet alleen om indruk te maken, maar ook in de hoop de sleutel te vinden die Hermans erin leek te hebben ontdekt. Waar ik verdwaalde in de mist van logische proposities, gebruikte hij de Tractatus als een vlijmscherp scalpel. De beroemde slotzin van Wittgenstein hanteerde Hermans niet als een bescheiden advies, maar als een intellectueel executiepeloton. Alles wat naar metafysica, morele verheffing of spiritueel gezwets rook, werd door hem zonder pardon als gezwam terzijde geschoven.
In zijn essays hield hij Wittgenstein omhoog als een stopbord tegen vaagtaal. Wie begon over ‘de zin van het leven’ of ‘de schoonheid van de ziel’, maakte zich volgens hem schuldig aan intellectuele oplichting. Hermans was daardoor bijna ‘bulletproof’: hij verschanste zich achter een muur van logische onwrikbaarheid. De wereld bestond uit feiten, niet uit verborgen bedoelingen of goddelijke plannen. Voor iemand als ik, die allergisch is voor elke zweem van spirituele mistvorming, had dat wereldbeeld iets bevrijdends, al ging er ook een ijzige kilte van uit.
Die fascinatie sijpelde door in zijn romans. In Nooit meer slapen probeert Alfred Issendorf wanhopig de werkelijkheid met kennis, kaarten en metingen te bedwingen, maar juist daarin gaat hij ten onder. Hij struikelt niet alleen over stenen in Finnmark, maar ook over het onvermogen van taal en logica om de chaos van de werkelijkheid volledig vast te leggen. In De donkere kamer van Damokles wordt waarheid zelfs zo rekbaar dat feiten en interpretaties niet langer van elkaar te scheiden zijn. Alsof Hermans uiteindelijk moest erkennen dat Wittgensteins logische vestingwerk toch scheuren vertoonde zodra echte mensen, oorlogen en angsten het betraden.
De ironie blijft dat ik de Tractatus onder mijn arm klemde om erbij te horen, terwijl Hermans het gebruikte om anderen buiten te sluiten. Mijn eigen ‘mislukking’ – niet verder komen dan de eerste en laatste zin – is misschien wel de eerlijkste verhouding die ik ooit met het boek heb gehad. Wittgenstein schreef dat men de ladder moest wegwerpen nadat men haar had beklommen. Ik had die ladder nooit echt beklommen, maar ik poseerde er wel mee. Misschien schuilt juist daarin iets wezenlijk menselijks: de onbedwingbare neiging om de stilte toch weer met woorden te vullen, zelfs wanneer we diep vanbinnen weten dat we eigenlijk zouden moeten zwijgen.
Lezersreactie:
Ik denk eerlijk gezegd niet dat Hermans Wittgenstein echt heeft begrepen, maar dat hij de taalfilosoof vooral exploiteerde voor zijn eigen project: het ontmaskeren van de menselijke moraal als een verzameling misverstanden. Voor hem was de zwijgplicht uit de laatste zin van de Tractatus louter het ultieme wapen om de Nederlandse literatuur te zuiveren van wat hij ‘het vage, het ethische en het zalvende’ noemde.
Mijn antwoord:
Tja, we zullen nooit weten of Wittgenstein W.F. Hermans niet ook had bekritiseerd als de taalfilosoof het werk, de uitspraken en de vertaling van de Nederlandse schrijver had gekend. Hermans heeft in een interview alle filosofie als een vorm van bellettrie bestempeld. Dat was niet vlijend bedoeld en het is niet duidelijk of die kwalificatie ook voor de Tractatus gold. In ieder geval maakte hij dankbaar gebruik van de reputatie van Wittgenstein en diens boek; namelijk dat zij onaantastbaar autoritair waren.
Waar tijdgenoten zich overgaven aan psychologische duidingen of morele verheffing, sneed Hermans alles weg wat niet aan de strikte eisen van de logica voldeed. Hij vond dat wie de taal misbruikte om over onbewijsbare zaken te spreken, zich schuldig maakte aan intellectuele oplichting. Het maakte hem tot de meest gevreesde polemist van zijn tijd. Hermans’ wereldbeeld was dat van de technocraat en de geoloog: de natuur is er, de feiten liggen vast, en elke menselijke poging om daar een hogere betekenis aan te geven is gedoemd te mislukken.
Wetenschappelijk gezien is de Tractatus een poging om de taal te zuiveren tot een instrument dat enkel nog de werkelijkheid spiegelt. Voor Hermans was dat de enige legitieme vorm van schrijven. Omdat mensen niet kunnen zwijgen over zaken waarover ze niets weten, ontstaat er een ‘sadistisch universum’ waarin iedereen elkaar met woorden bedriegt. Hermans bewees daarmee dat Wittgenstein weliswaar gelijk had dat we moesten zwijgen, maar dat de menselijke natuur te ijdel en te angstig is om dat ook daadwerkelijk te doen. Hij dreef de spot met die onbedwingbare drang om de stilte te vullen met onzin; een drang waar ik, met mijn boek onder de arm op zoek naar status, me ook een beetje schuldig aan maakte.
Het maakt mij eerlijk gezegd niet zoveel uit of Hermans Wittgenstein helemaal bevatte. De filosoof heeft hem in ieder geval uitgedaagd om de uiterste consequentie van de feitelijkheid op te zoeken. Waar anderen de leegte tussen de feiten opvullen met spiritueel cement of morele troost, dreef Hermans de spot met die vluchtwegen. Hij eiste, net als Wittgenstein, dat we de wereld onder ogen zagen zoals ze is: een verzameling feiten die onze taal weliswaar kan spiegelen, maar die zich verder niets van ons aantrekt.
Voor Hermans was die begrenzing van de taal geen beperking, maar een morele plicht. Hij wilde dat we stopten met het uitwisselen van ‘gezwam’ en terugkeerden naar een verstandige, zuivere uitwisseling over datgene wat wél vaststaat. Of hij de logische formules nu tot in de finesses doorgrondde of niet; hij begreep de provocatie van de Tractatus als geen ander: durf te zwijgen over wat je niet weet, zodat wat je wél zegt, eindelijk weer gewicht krijgt. In die zin was hij geen nihilist, maar een radicale realist die de ladder van Wittgenstein beklom om het uitzicht op de kale, onversierde waarheid te kunnen verdedigen.
Waterzucht en wetenschap
Van mijn kortstondige glazen koninkrijk naar de puinhopen van een Afrikaans paradijs.
Tijdens mijn puberjaren vormde mijn slaapkamer een zompig ecosysteem rondom een helverlicht aquarium. De bewoners van dit onderwaterrijk volgden de neerwaartse spiraal van mijn ambitie; ik begon met zebravisjes, maanvissen, kardinaaltetra’s, zwaarddragers, een modderkruiper (pantsermeerval) en een algeneter (borstelneus). Toen deze uitgebalanceerde biologie van tropische allure mijn macht te boven ging, koos ik voor de weg van de minste weerstand: guppy’s. Deze onkruidverdelgers waren niet kapot te krijgen. In de laatste fase van mijn aquaristische carrière capituleerde ik volledig voor het gemak door over te stappen op driedoornige stekelbaarsjes. Die kon je toen nog eigenhandig uit een sloot vissen; ze lieten zich niet uit het veld slaan door een defect verwarmingselement en bovendien had Maarten ’t Hart er een boekje over geschreven.

Waar ik me nooit aan durfde te wagen, waren de cichliden. Zij vormden de eredivisie; een veeleisend volkje dat met een destructief temperament je hele onderwaterlandschap verbouwt en in een te krappe bak een bloedbad aanricht. Het onderhouden van hun specifieke waterwaarden gold als een hogere kunstvorm die slechts was weggelegd voor de ware aquarist met een onuitputtelijk geduld. Over precies deze vissen schreef de Nederlandse gedragsbioloog Tijs Goldschmidt zijn debuut Darwin’s hofvijver. Het boek werd zo’n succes dat hij z’n wetenschappelijke loopbaan verruilde voor een bestaan als fulltime schrijver en essayist.
In Darwin’s hofvijver neemt Goldschmidt de lezer mee naar de oevers van het Victoriameer, een watermassa zo immens dat mijn visbak een regendruppel leek. Terwijl ik me als jongetje zorgen maakte over de overlevingskansen van een enkele gup, stuitte Goldschmidt op een evolutionair spektakel van ongekende proporties. Hij beschrijft de zogeheten adaptieve radiatie: het biologische wonder waarbij één stamvader zich uitsplitst in honderden soorten cichliden, elk met een eigen specialisatie, kleurpatroon en paringsdans. Het meer was, zoals de titel al suggereert, een levend laboratorium voor de evolutietheorie.
De idylle van dit ‘wetenschappelijke paradijs’ bleek echter van korte duur. Goldschmidt kwam om de pracht van de soortvorming te bewonderen, maar werd onbedoeld de chroniqueur van een catastrofe. De introductie van de Nijlbaars – een vraatzuchtige reus die door menselijk ingrijpen in het meer was uitgezet – verstoorde definitief de ecologische balans. De hofvijver veranderde voor de ogen van de onderzoeker in een massagraf, waarbij de ene na de andere unieke cichlidesoort in de maag van de indringer verdween.
Wat Darwin’s hofvijver zo dwingend maakt, is de manier waarop Goldschmidt de frictie tussen abstracte data en tastbaar verlies hanteert. Als gedragsbioloog is hij opgeleid om patronen te herkennen, niet om te rouwen; toch sijpelt er in zijn relaas een onvermijdelijke melancholie door wanneer de ene na de andere ‘soort’ uit zijn vangnetten verdwijnt. Wetenschappelijk gezien is de teloorgang van de cichliden een fascinerende casestudy in de destructieve kracht van invasieve exoten, maar Goldschmidt verheft het tot een essayistisch drama over menselijke overmoed. De Nijlbaars werd immers niet per ongeluk in het meer gedumpt; het was een weloverwogen economische ingreep die volledig voorbijging aan de fijnzinnige biologische architectuur van het ecosysteem. Het is die nuchtere, bijna cynische observatie van hoe snel miljoenen jaren aan evolutie kunnen worden weggevaagd door een kortzichtig verlangen naar meer visvlees, die het boek zijn gewicht geeft. Voor de lezer die, net als ik, ooit worstelde om een handvol vissen in een glazen bak in leven te houden, is de schaal van deze vernietiging bijna niet te bevatten.
Uiteindelijk is Darwin’s hofvijver meer dan een verslag van een ecologische ramp; het is een proeve van bekwaamheid in de literatuur van de verstilling. Goldschmidt dwingt de lezer oog te hebben voor de fijnzinnige schoonheid van een wereld die er niet meer is, zonder ooit te vervallen in zweverige nostalgie. Hij beschrijft de cichliden met een eerbied die ik als puber onbewust al voelde wanneer ik de aquariumzaak binnenstapte: het besef dat sommige vormen van leven een discipline en toewijding eisen die het alledaagse overstijgen. Waar ik destijds koos voor het gemak van de stekelbaars en de gup, laat Goldschmidt zien wat de prijs is wanneer we diezelfde weg van de minste weerstand op mondiale schaal bewandelen. Zijn besluit om de microscoop in te ruilen voor de pen is dan ook een geschenk voor de lezer; hij heeft de tragiek van het Victoriameer niet alleen gedocumenteerd, maar voorgoed verankerd in ons collectieve geheugen. In de biologie mag de Nijlbaars de strijd hebben gewonnen, in de literatuur zijn het de cichliden van Goldschmidt die het eeuwige leven hebben gekregen.
Vrienden op afstand
Want stel je voor dat je mij in het ware licht ziet?
Beste H,
Als we elkaar nogmaals ontmoeten kan ik het beeld dat ik van mezelf wil creëren niet waarmaken. Ik zal banaal blijken en dat verdraag ik niet. Ik zal afbreuk doen aan wat ik buiten mijn bereik wil handhaven. Het is iets dat schijnbaar bestaat in sommige van mijn beste uitingen. Maar dat ben ik niet. Of toch; heel soms, dus veel sporadischer dan ik zou willen. Affijn, dat van die jeuk aan m’n kont was echt (ik deel dat gegeven als een frivole uitsloverij of een provocatie naar mezelf). Maar ook dat wat ik schreef in het gedicht berust op waarheid: dat ik je soms, tegen mijn zin, moet weggummen. Omdat je de diepste kijker bent onder mijn vrienden. “Maak geen röntgenfoto’s van mij”, schreeuw ik dan. Neem genoegen met de door mij opgerichte façade. Maar je behandelt mij zoals je jezelf behandelt. Mag ik je zelfportret zo zien? Als een hele diepe waarneming? Bijna te diep voor het mooie? (25 april 09:30u)

Beste H,
Waren alle toekomstschetsen maar zo, zoals jij ze vangt in je beeld en de bijbehorende titel. Maar er wordt vaak te veel ingevuld als het om het ‘verre heden’ gaat. Ik bijvoorbeeld schrijf over het ‘openstaande morgen’ met jeuk aan m’n kont. Maar dat is nu; toevallig. Omdat ik zo opstond; krabbend aan m’n gat vanwege die ene hete peper van gisteren. Zie je wel: too much information. Onbegonnen tijd is onbegonnen werk. Dus daar ga ik weer met mijn foefjes. Te veel stelligheid over zoiets onkenbaars. Het ‘uitgestelde nu’ in vloeibaar vooruitzicht. De extrapolatie. Het altijd maar invullen; praten, bekennen, uitleggen. Het besef van de toekomst blijft voor mij een blabla-gebeuren. Dat wil zeggen: zolang ik leef. Wanneer mag ik zwijgen? Wie slaat mij dood? Ik wil eindigen in een goot. (25 april, 02:10u)
Wolkers over zijn biograaf
Tussen hommage en imitatie; een technisch eerbetoon of een digitale grensoverschrijding?
Met een mengeling van fascinatie en schroom heb ik geprobeerd de coverfoto van de biografie Het litteken van de dood tot leven te wekken. We zien het portret van Jan Wolkers, maar de stem die u hoort is de mijne. In een poging zijn unieke klank en cadans te vangen, heb ik hem woorden in de mond gelegd over zijn biograaf, Onno Blom; een tekst geschreven in de geest van de grootmeester zelf.
Ik ben mij ervan bewust dat dit experiment vragen oproept en ik ben dan ook zeer benieuwd naar uw reactie. Enerzijds technisch en artistiek: in hoeverre vindt u dat ik erin geslaagd ben om die typerende, gelaagde stem van Wolkers te benaderen? Anderzijds is er de ethische kant waar ik zelf ook over peins: geeft het eigenlijk wel pas om eigen woorden toe te schrijven aan een overleden auteur en deze via AI-techniek ‘echt’ te laten lijken? Is dit een wondere wereld van nieuwe mogelijkheden, of overschrijden we hier een grens? Uw ongezouten mening hoor ik graag.
Ik moet zeggen dat ik er na deze twee experimenten, verdeeld over twee blogberichten (zie eerder het bericht met Griet Titulaer) wel weer klaar mee ben. Tot slot volgt hier een AI-bewerking waarbij de ‘gedoodverfde’ Jan Wolkers nog expressiever is in zijn bewegingen maar minder goed lijkt op de echte schrijver. AI heeft er een hedendaags ventje van gemaakt. Daar staat tegenover dat hij nu wel ‘Triton’ zegt in plaats van ‘Trition’ en een beetje trager praat, hoewel minder gelijkend qua timbre en diepte.
Ik heb de opname voortijdig afgekapt. Me dunkt ‘het litteken van de dood’. De echte Wolkers bleek (gelukkig) niet te evenaren.
Een veelzeggende veroordeling
Het cordon sanitaire kende geen pardon.
Zijn excommunicatie was onmiddellijk en totaal. Het vonnis werd geveld in de digitale arena’s, waar jongere vakbroeders inmiddels de scepter zwaaiden; een generatie die algoritmen intuïtief bespeelt en voor wie de valstrikken van AI gesneden koek zijn. Hij had zich schuldig gemaakt aan de ultieme journalistieke doodszonde. Hoe kon een man die decennialang in de frontlinie van de nieuwsgaring stond, zo struikelen over een paar regels code? Een hallucinatie van een chatbot, die door hem in de haast van de actualiteit, voor waar was aangenomen en gepubliceerd, deed hem nu de das om.

Ook de oud-collega’s waarmee hij nog omging bleken onverbiddelijk in hun oordeel. Onder hen bevonden zich terechte critici; de fout was immers reëel en pijnlijk zichtbaar. Maar er zaten ook ijdele kwezels tussen die als journalisten nooit hun nek uitstaken; die zelden of nooit een ferm politiek geëngageerd standpunt innamen. Er voltrok zich een fascinerend schouwspel; de gretigheid waarmee de ‘zuiveren in de leer’ zich op zijn fout stortten, kon eigenlijk niet pijnlijker. Terwijl de inkt van zijn verontschuldiging nog moest drogen, werd de brandstapel al opgericht.
Voor het eerst was hij zelf nieuws geworden. Hij had de neiging om de gretigheid waarmee men hem veroordeelde ‘veelzeggend’ te noemen.
