Maand: januari 2026
I Have Tried in My Way To Be Free
Op zoek naar niet-competitieve excellentie.
In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.

Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.
De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.
De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.
Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.
Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.
De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.
I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.
Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.
Weigh ‘Em by Their Creativity
About the Pathologization of Psychiatry.
In haar eerdere werk, Grab ‘Em by the Frontal Lobe, luidde Ronda Dolan Vernon de noodklok over de politieke bezetting van onze ratio. In haar nieuwste boek, Weigh ‘Em by their Creativity, gaat ze een stap verder. Ze onderzoekt hoe de psychiatrie, onder druk van een regime dat obsessief streeft naar conformiteit, is veranderd in een meetinstrument dat zelfs de meest vitale menselijke eigenschap — creativiteit — probeert te vangen in pathologische categorieën.

Vernon bouwt voort op het fundament van Jeffrey Lieberman. Waar Lieberman in Shrinks waarschuwde tegen de onwetenschappelijke diagnose, laat Vernon zien hoe “wetenschap” nu juist wordt misbruikt om originaliteit de kop in te drukken. De titel verwijst naar een sinistere verschuiving: we kijken niet langer naar wat een mens kan bijdragen, maar we “wegen” hun creativiteit om te bepalen of ze nog wel binnen de door de staat gedefinieerde normen vallen.
In deze recensie vallen drie scherpe observaties van Vernon op:
- De “Divergentie-fout”: Vernon beschrijft hoe complexe neurale netwerken die geassocieerd worden met creatief denken (zoals het Default Mode Network) onder het huidige regime systematisch worden gelabeld als “disfunctioneel”. Wat vroeger een excentrieke visie was, wordt nu gepathologiseerd als een aandachtsstoornis of een gebrek aan cognitieve discipline.
- De banalisering van het genie: De auteur legt uit dat wanneer we creativiteit gaan “wegen” met gestandaardiseerde psychiatrische tests, we de essentie ervan banaliseren. Ze geeft voorbeelden van hoe de minister van Gezondheidszorg algoritmes inzet die afwijkend denkgedrag signaleren als een potentieel risico voor de publieke orde. Hier wordt de psychiater niet langer een genezer, maar een keurmeester van de geestelijke eenheidsworst.
- De uitholling van de grijze stof: Vernon maakt een briljante neurologische sprong door te stellen dat de pathologisering van creativiteit leidt tot een fysiologische verschraling. Als een samenleving elke vorm van “out-of-the-box” denken medicinaal onderdrukt, stopt de cortex met het maken van nieuwe, onverwachte verbindingen. We creëren een collectieve “neurologische stilstand”.
Weigh ‘Em by their Creativity is een ijzingwekkende analyse van een vakgebied dat zijn kompas is kwijtgeraakt. Vernon stelt dat de psychiatrie haar wetenschappelijke integriteit alleen kan terugwinnen door te stoppen met het “wegen” van mensen en weer te gaan kijken naar de unieke biologie van de geest. Het is een boek dat je dwingt om na te denken over de vraag: als we alles wat ons creatief en uniek maakt gaan diagnosticeren als een afwijking, wat blijft er dan nog over van de menselijke ervaring? De banalisering is hier niet alleen een medische fout; het is een existentiële dreiging.
Vernon, R. D. (2026). Weigh ‘em by their creativity: About the pathologization of psychiatry. Cum Suis Publishers.
Kantoorliefde anno 1960
Het relaas van het ontslag van Onno’s moeder.
Met Kantoorliefde anno 1960 heeft Onno van Dorreland een opmerkelijk boek geschreven: half familiekroniek, half aanklacht tegen de verstikkende moraal van het begin van de jaren zestig. De ondertitel Het relaas van mijn moeders ontslag klinkt bureaucratisch, bijna droog, en dat is precies de wrange ironie die door het hele boek heen sluimert.

Van Dorreland vertelt het verhaal van zijn moeder, een vrouw die weigerde zich neer te leggen bij het voorspelbare levenspad dat haar generatiegenotes werd voorgehouden: jong trouwen, kinderen krijgen, de eigen ambities opbergen. Zij wilde een carrière, wilde zichzelf zijn. Maar in de kantoorwereld van begin jaren zestig was dat al een vorm van rebellie. Vrouwen die trouwden, dienden op te stappen of werden eruit gewerkt. Het huwelijk gold als een stilzwijgend ontslagformulier.
Dan gebeurt wat niet had mogen gebeuren: een kantoorromance. Een collega maakt haar het hof en er bloeit in het geniep een relatie op. Totdat het uitkomt. En dan toont de hypocrisie van die tijd zich in zijn meest venijnige vorm. De man blijkt getrouwd, heeft kinderen; details die hij angstvallig verzwegen had. Maar waar je zou verwachten dat hij ter verantwoording wordt geroepen, gebeurt het omgekeerde. Zij krijgt ontslag. Hij blijft gewoon zitten. Sterker nog: hij ontkent zijn aandeel, minimaliseert de affaire tot een onbenullige flirt, en laat haar vallen als een baksteen.
Van Dorreland schrijft met ingehouden woede, maar ook met een scherpe pen. De opmerking dat hij “blij is dat deze man niet zijn vader is geworden” heeft iets van zwarte humor; een zoon die zijn eigen ontstaansgeschiedenis welhaast bedankt voor een gemiste kans op een waardeloze vader. Het is die droge toon die het boek draaglijk maakt, die voorkomt dat het een slachtoffer-epos wordt.
Want een slachtoffer is zijn moeder niet geworden, althans niet in de ogen van haar zoon. Zij ontmoette later een betere man, trouwde, werd moeder. Maar – en hier zit de angel van het boek – ze werkte nooit meer. Ze werd inderdaad die huisvrouw die ze juist niet had willen zijn. Van Dorreland wijst er nadrukkelijk op dat dit niet haar keuze was, niet haar zwakte, maar het resultaat van een maatschappij die geen ruimte liet voor herstel of een tweede kans. Een vrouw met zo’n ‘smet’ op haar blazoen kwam er niet meer bovenop.
Het boek leest als een persoonlijke afrekening, maar overstijgt het individuele verhaal. Van Dorreland schetst een tijd waarin vrouwen structureel werden achtergesteld – lagere lonen voor hetzelfde werk, dubbele moraal bij seksueel gedrag, ontslag bij huwelijk – en laat zien hoe die mechanismes niet abstract waren, maar levens verwoestten. Echte levens. Zoals dat van zijn moeder.
Kantoorliefde anno 1960 is geen prettig boek, maar wel een noodzakelijk. Het combineert persoonlijke geschiedenis met maatschappijkritiek, pijn met precisie, verontwaardiging met verdriet. En het doet dat met een literaire finesse die voorkomt dat het verzandt in sentiment. Een indringend portret van een tijd die gelukkig voorbij is, en een waarschuwing dat rechtvaardigheid nooit vanzelfsprekend is.
Brief aan Maarten van Rossem
Het kwijldoekje van een kunstliefhebber
Beste Maarten van Rossem,
Laat ik beginnen met u te complimenteren; ik beschouw u als het democratische geweten van ons land. In een tijdperk waarin luidruchtigheid, verontwaardiging en simplificatie vaak worden verward met betrokkenheid, vertegenwoordigt u iets zeldzaams: intellectuele rust. Uw stem – of die nu klinkt in colleges, televisieprogramma’s of podcasts – fungeert als een constante herinnering aan het belang van historische context, relativering en scepsis. Wat mij steeds opnieuw treft, is uw vermogen om grote maatschappelijke kwesties terug te brengen tot hun proporties, zonder ze te bagatelliseren, maar ook zonder ze op te blazen tot morele paniek. Dat is een vorm van publieke dienstverlening die schaars is geworden.

Wat ik bijzonder waardeer, is uw consequente weigering om mee te bewegen met modes van verontwaardiging of ideologische hysterie. In uw podcasts en optredens fileert u populisme niet door het te demoniseren, maar door het te ontleden: u laat zien hoe het ontstaat, waarom het aantrekkelijk is, en waarom het intellectueel vaak zo armoedig blijft. Uw droge humor – soms verkeerd begrepen als cynisme – werkt daarbij als een instrument van ontmaskering. U neemt mensen serieus genoeg om ze niet te paaien. Juist dat maakt uw analyses zo verfrissend: u behandelt het publiek niet als een kwetsbare patiënt, maar als een volwassen gesprekspartner die tegen een stootje kan.
Daarnaast is er de persoonlijke verwantschap die ik voel, hoe eenzijdig die uiteraard ook is. Net als u sta ik wantrouwig tegenover grote verhalen, heilige huisjes en nationale mythologieën. Ik ben atheïst, republikeins gezind, allergisch voor sportverering, ongevoelig voor de dwangmatige verheerlijking van vakanties, en diep sceptisch tegenover alles wat zich aandient als “de stem van het volk” maar zelden meer is dan de echo van ressentiment. In die zin fungeert u voor mij als een intellectueel referentiepunt: niet als iemand die ik klakkeloos volg, maar als iemand bij wie ik mij vaak denkend aantref: ja, precies dát. Juist daarom – en dat is geen paradox – vind ik het zo jammer dat ik op een fundamenteel punt tot een andere conclusie ben gekomen.
Het gaat over kunst, meneer Van Rossem, en dan vooral over een aspect van kunst dat mij zeer lief is. In de laatste podcast over kunst die ik van u beluisterde, besprak u onder andere het leven en werk van de Spaanse schilder Joaquín Sorolla. U stelde hem nadrukkelijk niet ter discussie; integendeel. U nam zijn uitzonderlijke technische vaardigheid als uitgangspunt en gebruikte zijn oeuvre om een bredere, scherpzinnige kritiek te formuleren op wat men gemakshalve “de kunstwereld” noemt: het gezelschap van zelfverklaarde smaakautoriteiten dat Sorolla met argwaan bekeek en bekijkt, juist omdat hij deed wat eigenlijk niet hoorde: hij schilderde zonder zichtbaar lijden. Geen existentiële wanhoop, geen morele zwaarte, maar zonlicht, zee, beweging en levenslust.
Uw sympathie lag daarbij duidelijk bij Sorolla, niet bij zijn kunstzinnige beoordelaars. U liet weinig heel van het idee dat kunst per definitie zwaar, problematisch of droefgeestig moet zijn om serieus genomen te worden. Voor u telde in de eerste plaats het vakmanschap: de beheersing van licht, compositie, anatomie, verf. Dat uitgangspunt keert vaker bij u terug. U heeft meermaals betoogd dat aankomende kunstenaars eerst maar eens moeten laten zien dat zij de klassieke technieken werkelijk beheersen – zoals de grote voorbeelden dat deden – alvorens zij zich storten op experiment, abstractie of concept. Vakmanschap is bij u geen bijzaak, maar een morele ondergrens.
Daarbij spaart u het modernisme niet. U heeft herhaaldelijk laten blijken weinig affiniteit te voelen met grote delen van die periode, en u laat bijvoorbeeld geen gelegenheid voorbijgaan om Mondriaan, in zijn latere periode, kritisch te benaderen. De radicale breuk met figuratie, het verheffen van het concept boven de uitvoering, het idee dat technische vaardigheid er nauwelijks nog toe doet, het zijn ontwikkelingen waar u zichtbaar weinig geduld mee heeft. En zo omvangrijk is dat modernistische erfgoed inmiddels geworden, met zijn vele stromingen en vertakkingen, dat ik mij bijna ga afvragen of er in uw benadering nog ruimte overblijft voor andere functies van kunst dan die van ambachtelijke excellentie.
Daar, meneer Van Rossem, stuit ik – met enige tegenzin, juist vanwege mijn grote waardering voor u – op een fundamenteel verschil van inzicht. Want is kunst niet méér dan het bewijs van technisch meesterschap alleen? Moet zij niet ook kunnen schuren, ontregelen, provoceren, vragen stellen waar geen eenduidig antwoord op bestaat? Mag kunst niet soms juist tekortschieten in vakmanschap om elders iets bloot te leggen: een idee, een ervaring, een maatschappelijke spanning die zich niet laat vangen in klassieke vormen? Met andere woorden: kan het zijn dat in uw terechte afkeer van modieuze leegte en intellectuele pretentie, ook iets wezenlijks uit het oog dreigt te verdwijnen?
Laat mij dat punt over provocatie en ontregeling iets verder uitwerken. Niet om het vakmanschap te kleineren – integendeel – maar om te laten zien dat kunst soms juist betekenis krijgt door het tijdelijk opschorten ervan. De kunstgeschiedenis zelf levert daar overvloedig bewijs voor. Neem Marcel Duchamp, die met zijn Fountain niet zozeer een esthetisch object presenteerde, maar een vraag: wat noemen wij kunst, en wie mag dat bepalen? Technisch stelde het werk niets voor, conceptueel zette het een aardverschuiving in gang die nog altijd doorwerkt. Men kan het resultaat triviaal of vermoeiend vinden – dat doet u ook – maar men kan moeilijk ontkennen dat hier een functie van kunst zichtbaar wordt die niet samenvalt met ambachtelijke virtuositeit.
Iets soortgelijks geldt voor kunstenaars als Kazimir Malevitsj, wiens Zwart Vierkant niet getuigt van schilderkundige bravoure, maar wel van een radicale poging om de schilderkunst tot haar nulpunt terug te brengen. Of voor Joseph Beuys, die met zijn performances en objecten eerder ideeën en maatschappelijke processen materialiseerde dan beelden vervaardigde. Deze werken zijn niet “mooi” in klassieke zin, vaak niet eens aangenaam, maar zij functioneren als intellectuele splijtzwammen: ze forceren de toeschouwer om positie te kiezen, om na te denken over macht, betekenis, ritueel en verantwoordelijkheid.
Daarmee wil ik niet beweren dat elke provocatie geslaagd is, of dat het modernisme en postmodernisme ons uitsluitend meesterwerken hebben nagelaten. Integendeel: de kunstwereld zit vol gemakzuchtig effectbejag, holle concepten en werk dat zich verschuilt achter theoretisch jargon om gebrek aan inhoud te maskeren. Uw scepsis is hier volkomen gerechtvaardigd. Maar het risico bestaat dat in die terechte kritiek ook het kind met het badwater wordt weggegooid. Want zonder het recht om te mislukken, om te irriteren, om zelfs belachelijk te zijn, verliest kunst een van haar meest wezenlijke vermogens: het vermogen om de vanzelfsprekendheden van haar tijd te ondergraven.
Misschien ligt het echte onderscheid dan ook niet tussen vakmanschap en concept, maar tussen eerlijk en oneerlijk experiment. Tussen provocatie die iets op het spel zet (reputatie, betekenis, comfort), en provocatie die slechts bedoeld is om aandacht te trekken binnen een gesloten circuit van insiders. In dat licht bezien zou men zelfs kunnen stellen dat Sorolla en Duchamp, hoe verschillend ook, iets fundamenteels delen: beiden weigerden zich te voegen naar de dominante smaak van hun tijd. De een door licht te schilderen waar men duisternis verwachtte, de ander door het object te vervangen door een idee.
En juist daarom, meneer Van Rossem, zou ik willen bepleiten dat kunst niet uitsluitend beoordeeld kan worden op wat zij technisch kan, maar ook op wat zij durft. Want soms ligt haar waarde niet in de beheersing van het ambacht, maar in het moedwillig openbreken ervan. Bij vrijwel alles wat u zegt licht doorgaans mijn linkse hart op. Behalve toen ik u laatst uw esthetische voorkeuren zo resoluut hoorde afbakenen; toen hoorde ik geen scherpzinnige relativering, maar iets wat verdacht veel leek op een grens die misschien te strak was getrokken. Ik zal niet zo flauw zijn dat aan leeftijd toe te schrijven. Integendeel: juist daarom viel het mij op.
Ik meende onlangs te begrijpen dat u voor uw boekenclub speelt met de gedachte om Portnoy’s Complaint van Philip Roth behandelen; een keuze van de bovenste plank, wat mij betreft. Compromisloos, brutaal, moreel ongemakkelijk en allesbehalve netjes. Misschien is dat wel het mooiste bewijs dat wij, ondanks dit meningsverschil over kunst, uiteindelijk meer verwantschap delen dan afstand.
Grab ‘Em by the Frontal Lobe
About The Trivialization of Psychiatry
Toen Jeffrey Lieberman in 2015 zijn veelgeprezen werk Shrinks: The Untold Story of Psychiatry publiceerde, vierde hij de triomf van de rede. De psychiatrie was volgens hem eindelijk ontsnapt aan de schaduw van de pseudowetenschap en stevig verankerd in de medische biologie. Nu, ruim tien jaar later, concludeert Ronda Nolan Vernon in haar provocerende nieuwe boek dat die overwinning van korte duur was. In Grab ‘Em by the Frontal Lobe beschrijft zij hoe de moderne psychiatrie niet alleen wordt bedreigd door kwakzalvers, maar zelfs door een heel politiek regime dat de biologische fundamenten van het menselijk handelen banaliseert.

Vernon gebruikt Liebermans geschiedenis van de psychiatrie als een pijnlijk contrastmiddel. Waar Lieberman beschreef hoe we leerden de hersenen te begrijpen, beschrijft Vernon hoe we die kennis nu doelbewust laten verwateren. De titel is een vlijmscherpe knipoog naar de beruchte uitspraak van Donald Trump, maar Vernon geeft er een neurologische draai aan: de huidige machthebbers hebben niet alleen de sociale omgangsvormen gegrepen, ze hebben een greep gedaan naar de frontaalkwab van de natie.
Het centrale argument van Vernon is dat de banalisering van de psychiatrie onder het regime van Trump en zijn ministerie van Gezondheidszorg een systematische aanval is op de functies van de prefrontale cortex. Zij stelt dat de “onkundige benadering” van de overheid de psychiatrie heeft gereduceerd tot een triviaal instrument:
- De normalisering van ontremming: De frontaalkwab is de zetel van onze inhibitie en impulsbeheersing. Vernon betoogt dat wanneer de hoogste leider van een land pathologische ontremming etaleert, de psychiatrie voor een onmogelijke keuze komt te staan: diagnosticeren we dit gedrag, of normaliseren we het? Door te kiezen voor het laatste, is de psychiatrie als medisch specialisme in een vrije val geraakt.
- Wetenschappelijke uitholling: Vernon geeft ontluisterende voorbeelden van hoe het ministerie van Gezondheidszorg psychiatrische expertise negeert ten gunste van populistische retoriek. De complexe biologie van de frontaalkwab — verantwoordelijk voor planning en moraliteit — wordt door de overheid weggezet als “elitaire wetenschap”. Hiermee wordt de psychiatrie teruggeduwd in de hoek van de subjectieve mening, precies waar Lieberman het vakgebied uit wilde trekken.
- De banalisering van pathologie: Wanneer klinische termen als “narcisme” of “cognitieve dissonantie” dagelijks op Twitter worden rondgeslingerd door onkundige politici, verliezen ze hun medische gewicht. Vernon toont aan dat dit leidt tot een tragische devaluatie van de zorg voor de patiënten die Lieberman voor ogen had: de mensen met werkelijke, invaliderende neurologische aandoeningen.
Grab ‘Em by the Frontal Lobe is een vlammend pleidooi voor de bescherming van de ratio. Vernon laat zien dat de psychiatrie niet kan overleven in een politiek klimaat dat de functies van de frontaalkwab — logica, empathie en zelfbeheersing — actief ondermijnt. Het is een boek dat de lezer dwingt om opnieuw naar de hersenen te kijken: niet alleen als een verzameling cellen, maar als het laatste bastion tegen een regime dat de waarheid banaliseert.
Zoals Lieberman de opkomst van de psychiatrie beschreef, zo beschrijft Vernon de belegering ervan. Het resultaat is even briljant als verontrustend.
Vernon, R. D. (2026). Grab ‘em by the frontal lobe: About the trivialization of psychiatry. Cum Suis Publishers.
Geachte klachtenfunctionaris van huisartsenpraktijk [naam],
Onderwerp: Vraag over zorgplicht en inschrijving bij huisarts
Geachte heer/mevrouw,
Ik wend mij tot u met een vraag die betrekking heeft op de handelwijze van een huisarts, zoals ervaren door een kennis van mij.
Deze persoon staat al geruime tijd ingeschreven bij dezelfde dokter. Gedurende deze jaren was zij grotendeels klachtvrij, waardoor er weinig tot geen contact is geweest tussen haar en de arts.
Recent is zij echter in een levensfase beland waarin zij wél een concrete zorgvraag heeft. Toen zij zich hiervoor bij haar huisarts meldde, werd haar op strenge toon medegedeeld dat zij te ver van de praktijk zou wonen en dat zij om die reden geen beroep (meer) zou mogen doen op zijn zorgverlening.

Dit roept bij mij enkele fundamentele vragen op:
- Waarom is deze afstandskwestie niet eerder aan de orde gesteld, bijvoorbeeld op het moment van inschrijving of gedurende de jaren dat zij bij deze huisarts stond ingeschreven?
- Waarom wordt dit nu pas een probleem, op het moment dat er daadwerkelijk een zorgvraag ontstaat?
Voor zover mij bekend ontvangen huisartsen een structurele vergoeding per ingeschreven patiënt. In dat licht is het moeilijk te begrijpen waarom niet eerder is vastgesteld dat de woonafstand kennelijk onverenigbaar zou zijn met het leveren van zorg.
De ontstane situatie wekt de indruk — en ik formuleer dit nadrukkelijk als een zorg, niet als beschuldiging — dat een patiënt zonder zorgvraag probleemloos ingeschreven kon blijven, terwijl diezelfde patiënt op het moment dat zij wél afhankelijk wordt van zorg plotseling als ‘te ver weg’ en daarmee als problematisch wordt beschouwd.
Graag verneem ik van u hoe dit handelen zich verhoudt tot de zorgplicht, de professionele verantwoordelijkheid van de huisarts en de geldende ethische en juridische normen binnen de eerstelijnszorg.
Met vriendelijke groet,
Ronald van Noorden
Naam van de huisartsenpraktijk is bij de redactie bekend.
De adelaar, de gevangene en de soepgans
Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.
De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.
Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.
Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.
De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.
In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.
Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.
Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.
Mensenrassen bestaan niet
Onze school vertegenwoordigde de hele breedte van de menselijke waaier.
Ik bladerde eergisteren door mijn vogelboeken om een houtsnip van een watersnip te kunnen onderscheiden. Tijdens het bladeren herinnerde ik mij de volgende biologieles: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, te weten de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen. Wetenschappelijk gezien is elk mens voor gemiddeld 99,9% genetisch identiek aan ieder ander mens op aarde. De resterende 0,1% bepaalt alle onderlinge verschillen – zichtbaar en onzichtbaar – van oogkleur en lengte tot aanleg voor erfelijke aandoeningen, waarbij bijvoorbeeld kenmerken als huidskleur of gezichtsvorm slechts een klein deel van die variatie vormen. Ik vond het erg verstandig van onze biologieleraar dat hij ons hierop wees in de brugklas van een zeer gemêleerde school. Duur gezegd zat ik in een klas waar de geografische spreiding van het menselijk fenotype goed zichtbaar was, maar zo leerde ik later pas praten.

De les diende in ieder geval een groot belang. Kennis voorkomt discriminatie, dus ik ga hier nog even verder met het opdissen van wat ik sinds die klas van ’75 zoal heb geleerd. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Terwijl twee groepen chimpansees in hetzelfde bos meer genetische verschillen kunnen vertonen dan twee mensen van verschillende continenten. 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan. Alle mensen op aarde behoren tot dezelfde biologische soort omdat zij geen reproductieve barrières kennen en overal ter wereld samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Gisteren probeerde ik een houtsnip van een watersnip te onderscheiden. De determineermiddelen die mij ter beschikking stonden waren een dode snip, verschillende illustraties in aardig wat vogelboeken en hun bijbehorende beschrijvingen. Het werd een lastige klus. Daarom kwam de gedachte bij me op hoe raar het was dat een watersnip en een houtsnip nooit de aanvechting voelen om ‘het’ met elkaar te doen. Als ze onverhoeds toch overgingen tot de ‘daad’, zou het geen voortplanting opleveren en al helemaal geen nakomelingen die zelf ook weer vruchtbaar zijn. Natuurlijk is de reden simpel: ze kunnen niet voor (vruchtbaar) nakroost zorgen omdat ze twee verschillende soorten zijn.
Bij het determineren van vogels in de vrije natuur ben je vrijwel uitsluitend bezig met het onderscheiden van soorten. De term ‘ras’ wordt in de biologie anders gebruikt dan in het dagelijks spraakgebruik. Ik heb veel zitten lezen en begrijp nu het wetenschappelijke verschil, zodat ik inzie waarom de focus bij determinatie op de soort (species) ligt. Het is de fundamentele eenheid in de biologie. Soorten ontstaan door evolutie en natuurlijke aanpassing aan hun omgeving. Iets van die natuurlijke selectie hebben we allemaal wel eens geleerd op de middelbare school. Als twee groepen vogels genetisch te ver uit elkaar groeien (bijvoorbeeld door de ‘isolatie’ van een bergketen), stoppen ze met mengen en worden het aparte soorten. Een Koolmees en een Pimpelmees herkennen elkaar zodoende niet als partner.
In de vogelkunde wordt de term ras vaak als synoniem gebruikt voor ondersoort. Dit is een groep binnen een soort die er net even anders uitziet door geografische isolatie, maar nog wel vruchtbaar kan kruisen met de rest van de soort. Een ‘ras’ ontstaat vaak doordat een populatie in een uithoek van het leefgebied woont (bijvoorbeeld op een eiland). Waar de gebieden van twee rassen elkaar raken, zie je vaak mengvormen. Die kunnen het allemaal nog met elkaar doen met goede resultaten. Het is belangrijk om te weten dat de term ‘ras’ (Engels: breed) buiten de wetenschap vaak wordt gebruikt voor door mensen gefokte varianten. Denk aan postduiven, sierkippen of honden. Dit zijn geen natuurlijke ondersoorten, maar resultaten van menselijk ingrijpen. In het wild kom je dit eigenlijk alleen tegen bij ontsnapte kooivogels of “soepganzen” (kruisingen tussen tamme en wilde ganzen).
De nazi’s hadden het ook vaak over rassen, maar die maakten vanuit wetenschappelijk oogpunt een fundamentele denkfout. De nazi-ideologie was gebaseerd op een 19e-eeuwse vorm van pseudowetenschap. Eén van de belangrijkste wetenschappelijke redenen waarom hun “rassenleer” niet klopte heb ik in het begin genoemd: mensen zijn genetisch extreem homogeen. Als het DNA van twee willekeurige mensen (of ze nu uit Europa, Afrika of Azië komen) gemiddeld genomen voor 99,9% identiek is, valt een rassenonderscheid natuurlijk moeilijk vol te houden.
Spreken van ras op de manier zoals de nazi’s deden is dan ook een sociaal construct, geen biologisch feit. Ze probeerden mensen in “hokjes” te plaatsen op basis van uiterlijke kenmerken zoals oogkleur of schedelvorm. In de biologie noemen ze dit ‘typologisch denken’. In de natuur verlopen menselijke eigenschappen (zoals huidskleur of lengte) heel geleidelijk over de kaart. Er is nergens een harde biologische grens waar de ene “groep” stopt en de andere begint. De nazi’s bepaalden zelf welke kenmerken “superieur” waren. Dat is een subjectief oordeel, geen biologische meting. In de echte biologie bestaat er niet zoiets als een “beter” of “slechter” gen, alleen genen die op dat moment gunstig zijn voor overleving in een specifieke omgeving.
Naast deze biologische misvattingen, maakten de nazi’s ook een kapitale taalkundige en historische blunder door de term ‘Arisch’ te kapen. Oorspronkelijk verwees dit namelijk naar een taalfamilie (Indo-Iraans) en niet naar een genetisch type. Iemand die een bepaalde taal spreekt, behoort niet automatisch tot een aparte biologische groep. Het is alsof je beweert dat alle mensen die “vogel” zeggen, biologisch anders zijn dan mensen die “bird” zeggen. De nazi’s namen oppervlakkige uiterlijke verschillen en beweerden onterecht dat daar diepe, onoverbrugbare biologische en morele verschillen achter zaten. De moderne genetica heeft die claim volledig weerlegd. De nazi’s begonnen met een vooroordeel en zochten daar vervolgens (pseudo)wetenschappelijke bewijzen bij. Zij bedachten eerst de categorieën (“superieur” vs. “inferieur”) en probeerden mensen daar met geweld in te passen. Als de biologie niet meewerkte (bijvoorbeeld omdat “Arische” mensen ook donker haar hadden of “niet-Ariërs” blond waren), werden de data genegeerd of vervalst.
Zo bezien is de menselijke biologie eigenlijk heel overzichtelijk: in de vogelgids van het leven hebben we aan één pagina genoeg.
Dwaalgast
De vriendin moest echt af van het idee dat ze een vluchteling de dood in had gejaagd.
Gisteren vloog er bij een vriendin een snip tegen het raam. Het beest overleefde de botsing niet. Toen het mooi gedrapeerd op een blauw fond tussen een paar herfstversieringen dood lag te wezen, begon het determineren. We hadden het in wezen makkelijk want de meeste Nederlandse vogelgidsen bevatten maar twee snipvarianten: de watersnip en de houtsnip. Toch viel het nog niet mee. Na veel wikken en wegen concludeerden we dat het om een houtsnip moest gaan.

Niet alleen de gelijkenis van het verse kadaver met de boekafbeeldingen leidde tot die conclusie, maar ook de bijbehorende omschrijving. Samengevat: houtsnippen horen thuis in vochtige bossen; als je er een aantreft op een binnenplaats in het hart van Amsterdam, is het beest zo goed als zeker verdwaald. Bij een watersnip kun je daar nog aan twijfelen. Er stroomt tenslotte water door het IJ. Mijn vriendin had zich enigszins schuldig gevoeld, want toen zij het dier – in nog levende staat – naderbij kwam, was het verschrikt opgeschoten. Vanachter een bamboestruik in haar ‘cours’ (zoals zij dat karig beplante vierkant tussen de apartementen noemt) vloog ‘snippie’ in een laatste opleving, zijn noodlot tegemoet.
Er was geen redden meer aan geweest, aldus mijn troostende verklaring. De vogel verkeerde waarschijnlijk al geruime tijd in een verhoogde staat van paniek. Ik vermoedde dat de eerste vuurwerkknallen hem volkomen gedesoriënteerd de stad in hadden gejaagd. De vriendin moest haar aandeel in zijn doodsnood niet overdrijven. Kwam ze niet altijd en overal op voor noodlijdende medeschepsels en deed ze dan niet alles wat in haar macht lag? Wat ze in dit geval kon, kwam neer op bezorgdheid tonen (aan de voortvluchtige in zijn nog levende hoedanigheid) en ‘een stukje nazorg’ (aan het hoopje ongeluk dat na de botsing zielloos ter aarde was gestort). Wat had ze anders kunnen doen dan toekijken? Ik bedoel: als stadsmens?
Oeps. Die laatste opmerking was, vrees ik, één vergoelijking te veel van het goede.
