Waar het heilige vervloog

Laat het aardse het sacrale overal met zachte hand de deur uit begeleiden.

In een populaire, laagdrempelige vorm fungeert de bekendste heilige van Nederland – protagonist van de pakjesbezorging die daags voor zijn verjaardag nog overuren draait – als voorbeeld van hoe een goed, rechtvaardig of barmhartig leven eruit kan zien. De scheidslijn tussen religie en volksgeloof is altijd poreus geweest. In de hele geschiedenis liepen heiligenverering, legendevorming, volksverhalen en religieuze overtuigingen voortdurend door elkaar. Veel “echte” heiligen zijn doordrenkt van mythologische elementen, en veel volksfiguren vinden hun oorsprong in religieuze tradities. Sinterklaas is hiervan simpelweg een modern voorbeeld. Het kinderfeest heeft niet dezelfde sacrale status als heiligen die onderdeel zijn van liturgie en doctrine, maar dat zijn culturele scheidslijnen, geen wezenlijke. Zoals ieder weldenkend mens weet, berust het heilige op menselijke verbeelding, niet op bovennatuurlijk bewijs.

In alle gevallen draait het om de projectie van idealen. Zowel heiligen als de goedheiligman fungeren als dragers van goedheid, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en bescherming van zwakken. De een is ernstig verpakt, de ander feestelijk, maar de psychologie erachter – het verlangen naar belichaamde goedheid – is identiek. Het grote onderscheid dat gelovigen maken is cultureel en theologisch, niet historisch of psychologisch. De goedheiligman is een heilige in verhalende, verwereldlijkte vorm. De afstand zit vooral in de manier waarop we de figuur benaderen, niet in zijn oorsprong of functie. Uiteindelijk komt het heilige voort uit de mens zelf: zijn neiging tot verbeelding, tot zingeving, en – niet zelden – tot het creëren van symbolen die autoriteit en macht legitimeren.

Maar waarom begon ik hier eigenlijk over? Omdat ik zelf een postbezorger ben? Misschien omdat het thema van heiligheid — echt of verzonnen — de laatste tijd onverwacht vaak op mijn pad kwam. De afgelopen weken werd ik geconfronteerd met verschillende vormen van geloofsbeleving. Niet in een grote theologische discussie (want daartoe ben ik niet bij machte), maar in kleine, terloopse momenten: een opmerking, een ontmoeting, een tekst waarop mijn oog viel. De herinneringen die dat losmaakten bleven zich vermenigvuldigen. Ik moest denken aan zoekers die ik heb gekend, die geworsteld hebben met hun geloof, die houvast zochten, het vonden, het weer verloren, of zich er juist heel stevig aan vastklampten. Dat alles begon zich te roeren, alsof er een lade werd opengetrokken die ik lang geleden had dichtgeschoven.

En dus begon ik te schrijven. Fragmenten, losse gedachten, schetsen. Ik voelde dat het richting een essay ging en maakte daar ook esthetisch werk van; ik pretendeer tenslotte ook uitgever te zijn. De uiterlijke vormgeving liep vooruit op de inhoud, zoals dat meestal gaat bij mij. En toen, ergens halverwege, kwam ik vast te zitten. Mijn kennis van religie schoot tekort; ik voelde dat ik op drijfzand stond. Op dat moment leek het me verstandig om niet door te duwen, maar eerst grond te zoeken. Niet door mezelf nog meer woorden te laten produceren, maar juist door mijn woorden even te laten zwijgen. En dus greep ik naar een boek van een ander. Een stevig boek, een kritisch boek: The God Delusion van Richard Dawkins. Ik vond het tijd worden om het weer eens grondig te herlezen; om wat lucht, structuur en tegenwicht te vinden.

Vanuit die combinatie van confrontaties, herinneringen, zoeken en lezen, ontstond het thema van vandaag. Want ja, het is vrijdagmiddag. En op vrijdagmiddag vieren we VrijMiPo, onze Vrijdagmiddag Poëzie. Iedere week rond een ander thema, en het kon eigenlijk niet uitblijven dat ooit het geloof aan de beurt zou zijn. Dus welkom in dit denkbeeldige kerktheater, een plek die niet gewijd is en vrij kan ademen, waardoor er ruimte ontstaat voor lichtheid. Een ruimte waar de onwrikbare, soms benauwende ernst van een kerkbankverleden botst met de open, rumoerige levendigheid van een poëziepodium. Hier leken het heilige en het alledaagse elkaar heel even te dulden, tot het heilige tenslotte vervloog; en dat was eerlijk gezegd een bevrijding. Misschien zou het overal zo moeten gaan: dat het aardse het sacrale langzaam maar beslist naar de achtergrond dringt.

Ik zadel u op met drie gedichten die steeds iets anders aanraken van hetzelfde. De conclusie is in alle gevallen hoopvol, tenminste als je bereid bent geloof te zien voor wat het vaak is: een excuus, een aanjager en een dekmantel. Laat even los wat geloof voor u betekent, of juist niet betekent. Laat de middag binnenkomen. Laat de woorden hun eigen weg zoeken.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Een zondag in Lagorce

De kerk is uit, de boeren worden jagers, en schieten
offervaardig een rustdag aan flarden.

Verdreven vogels vluchten in de toren, maar de koster
houdt geen schuilkerk voor vluchtelingen.

Voor zijn late dienst hangt hij zelf in de touwen.
En zie: het regent lood.

De mannen hebben schik om wat hun voor
de loop komt van godswege.

©Ronald van Noorden in De Toverhazelaar | ©2011 Uitgeverij Augustus, ISBN: 9789045705385

Ondergraving

Onze spatels reiken dieper dan het slijk
waarnaar wij ketters ons begeven.
Wij leggen bloot: de toedracht rond een lijk;
dat wil de kerk ons niet vergeven.

Waarheid lag in brokstukken te wachten.
Weten wil vooruit en kent geen grens.
Ons spitwerk ondergroef de wens
die vader was van één gedachte.

Geleerden die ons leerden te wantrouwen,
verkozen weten boven beterweten,
en lieten ons dat bot voor bot herkauwen.

Je hoort ze aan, de bange exegeten,
die hun god de schepping toevertrouwen,
maar ondertussen ga je door met meten.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Novice de Chartres

In het om hem heen gebouwd theater
waar wierook brandde voor de sfeerverhoging
was hij die avond voor zijn gevoel
wel driemaal getrouwd en gescheiden.

Hij verlangde naar buiten. Neukte stiekem,
dus moeizaam en schrijnend, tussen
persoonlijk ontheiligd marmer, onverklaard
blijvende stigmata in zijn lamswollen pijen.

Steeds bevreesder dat z’n lul van z’n lichaam
zou vallen, werd het tijd voor een list
of een wonder; aldus verklaarde hij
zich op de valreep ongelovig.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Moerdijk moet nodig met de tijd mee

Café De Put is niet meer in zak en as; juist omdat het er niet meer is.

Mijn zwager is de CEO van een Opslag- en expeditiekantoor in Moerdijk. Bij die onderneming hoort een gigantische loods. Het ding bestond al toen de verdozing van Nederland nog niet als een onesthetische aanval op de omgeving werd gezien maar als een teken van welvaart. Het ging goed met zijn bedrijf met als gevolg dat de loods te klein werd. Daarom kwam er een tweede. Dat ding was vele malen groter. Toen je loods 1 naast loods 2 zag staan, begreep je pas hoe bescheiden mijn zwager was begonnen en met hoeveel succes hij het bedrijf naar de top had geleid. Dat werd alleen maar duidelijker bij iedere volgende uitbreiding.

Ik probeerde hier iets poëtisch over op papier te zetten voor op het jubileum; het bedrijf bestond 50 jaar. Er kwamen zinnen bij mij op als ‘matroesjka’s in het kwadraat’, ‘het grote omvademt het kleine’, ‘het kind dat blokkentorens omslaat’, ‘Hij zal gebouwen in gebouwen doen verdwijnen.’ Maar ik werd geukkig niet uitgenodigd. Mijn schrijfader slibte weer dicht; kust veilig.

Als mij in het bijzijn van iemand duidelijk wordt dat ik een onpraktische taalgebruiker ben, dan is het wel wanneer ik de praktijkgeschoolde kerel, die mijn zwager is, over 6.500 m2 hoogwaardige loodsruimte hoor spreken, of over zijn fantastische alarmsysteem, de bovenloopkranen met een capaciteit van 10.000 kg per stuk, de brede overheaddeuren, stellingen met ontelbare palletplaatsen, zijn AEO certificering, zijn ISO certificering, of de verwarmingskamer met een capaciteit van nog eens 60 pallets.

Niet dat mijn zwager en ik elkaar niet mogen, maar we zitten verschillend in de wedstrijd (zoals de uitdrukking luidt), en nu we het toch over sport hebben: hij sponsert de plaatselijke voetbalclub. Dat bedoel ik, hij betekent iets voor zijn omgeving, hij is zo’n ondernemer die anderen laat meeprofiteren van zijn welvaart. Dus is het niet eens omwille van de goede vrede dat ik onze verschillen niet benadruk als we elkaar ontmoeten. We kennen elkaars meningen bovendien al lang. Ik vind dat er in de wereld een steeds grotere ruimte wordt ingenomen door het kapitalisme, maar mij vergaat de lust om daarover te beginnen in zijn bijzijn. Hij heeft mensen uit het dorp toch maar mooi aan een baan geholpen.

Helaas moeten zij op een goed moment wel hun huizen verlaten. Zoals ik al zei: de zaken gaan goed in Moerdijk. Geen wonder dat het dorp te klein wordt voor bewoners. Het woord uitbreiding is gevallen en daarmee ook het doek voor de gewone burger. Het gehucht valt feitelijk uiteen in twee groepen: 1. zij die ondernemen en schaalvergroten, en 2: zij die mijmeren over gunstige uitkoopregelingen en alvast inpakken. Bij die terugtrekkende bewegingen wordt natuurlijk gefoeterd. Toch vind ik dat het dorp, gezien de situatie, opvallend weinig echt boze bewoners telt. Dat komt misschien omdat veel mensen die er woonachtig zijn ook werken voor een bedrijf aldaar. Want er is werk zat. En wiens brood men eet…

Niet alles wat zaken doet in Moerdijk heeft overigens kans gezien om te expanderen. Er was een café dat de Put heette. Daar viel het doek, ruim voordat de doem van uitbreidende industrieterreinen opdook. Ik vrees dat we hier gewoon moeten denken aan een geval van slecht ondernemerschap. Café de Put heet trouwens niet zo omdat zich hier een natuurlijke bron bevond, of een wonderput waaruit een mooie sage of legende kwam opborrelen. De naamgever was gewoon een vent die een kroeg begon en het een leuk idee vond dat bezoekers naar huis konden bellen met: “Schat, ik kom wat later, ik zit nog in De Put.” Wat dat betreft had de tent beter tot het laatste moment open kunnen blijven.

Omdat het vandaag VrijMiPo is en ik mij ten doel heb gesteld om iedere week een of twee gedichten op te voeren in uw denkbeeldige café, laat ik u bij deze een gedicht horen over iemand  die zijn geboortewijk zo snel mogelijk wilde verlaten, en een gedicht over iemand die zo’n zelfde verlangen koesterde wat betreft produktie-arbeid.

Een laan op zuid

Kleumende telg uit een bakluchtbuurt
waar buikzieke wijven in hun raamkozijnen
gesmoorde vloeken uit hun kussens klopten.

Sleepnet over brakke grond sleurde zijn wijk
langs de aarde, wierf het vullis voor een drietal
kroegen, wat winkeltjes en woningen in rijen.

Weke wezens van de moddergrond, ontstaan
uit kikkerrit van huizen; om lucht snakkend
leven dat groeide naar de grootte van die bak.

Lijpe laan waar men hem leerde lopen, vluchtplan
van te late ouders. Eerste stap die daar
vandaan de verte van een thuis verlangde.

©Ronald van Noorden ©Cum Suis 2012

Non-stop

De werveling is ooit in gang gezet.
Miljoenenijver hield de zaak aan ’t draaien.
Overvloedige vingers slaan het alfabet.
Ontelbare handen die de band afgraaien.

Een dag, verhangen tussen prikklokslagen.
Drie pauzes, voor het leven gemarkeerd.
Wij fantaseren uit ons hoofd geleerd,
wat wij gaan doen met onze snipperdagen.

We weten wel wat goed is en wat slecht.
Het lichaam schreeuwt om zelfbeheer,
de vrijheid van een niemandsknecht!

Maar iedere dag komt op hetzelfde neer:
we staan hier straks en nu en morgen weer.
Wat komt van al ons later nog terecht?

©Ronald van Noorden ©Cum Suis 2012

Café de Put schijnt z’n eigen kuil te hebben gegraven, nog voordat de doem van uitbreiding van bedrijfsterreinen zich aankondigde. Het fijne weet ik er eerlijk gezegd niet van.

Gisteren is VrijMiPo begonnen

De stille introductie van een nu al achterhaalde traditie.

Voor het gedicht dat u zo gaat lezen wilde ik een aanleiding creëren die geworteld was in een geschiedenis die nooit echt tot rust is gekomen. Daarbij dacht ik terug aan iemand die ik werkelijk heb gekend: Richard, een journalist die zijn sporen vooral heeft verdiend in het Midden- en Zuid-Amerika van de jaren tachtig en negentig. Richard schreef altijd vanuit een diep gevoel voor rechtvaardigheid. Hij verslond de nieuwsberichten over El Salvador, Guatemala en Nicaragua. Over boeren, studenten en arbeiders die opstonden tegen dictators die, met stille of openlijke steun van de Verenigde Staten, in het zadel werden gehouden. Hij koos steevast de kant van de onderdrukten, de verdrevenen, de gemartelden. Hij schreef voor linkse bladen, met een felheid die hem niet alleen siert, maar die zijn stukken ook een morele helderheid gaf die destijds weinig journalisten wisten te bereiken.

Maar er was één domein waarop die helderheid wegviel, waarop de nuance zoekraakte: dat van zijn eigen familiegeschiedenis. Richard was de zoon van repatrianten die de Bersiap aan den lijve – of liever: in de nabijheid van hun eigen ouders, vriendengroepen, en afbrokkelende gemeenschappen – hadden gevoeld. Het ging om mensen die beschadigd uit Indonesië waren teruggekeerd, en dat verdriet had zich in Richard vastgezet als een oude splinter die nooit helemaal werd verwijderd of kon uitzweren.

Over het lot van studenten in San Salvador sprak hij met grote empathie en militante solidariteit. Maar zodra het over Indonesië ging, over de onafhankelijkheidsstrijd, de politionele acties, de pemoeda’s, en de complexe verstrengeling van daderschap en slachtofferschap, veranderde zijn toon. Daar kon hij niet meer de journalist zijn die afstand bewaart. Zijn betrokkenheid werd familiair, zijn oordelen hard, zijn redeneringen scheefgetrokken door een loyaliteit die hij niet kon of wilde afleggen.

Voor mijn gedicht besloot ik van die spanning gebruik te maken, maar dan in een fictieve vorm. Ik verzon een oud-journalist (deels geïnspireerd door Richard, deels door de verhalen van andere kinderen van oud-Indiëgangers, KNIL-militairen, Molukkers en Indische Nederlanders) die aan het einde van zijn carrière een boekje publiceert over de Bersiap. In dat boek probeert hij te verklaren waarom dit deel van de geschiedenis volgens hem nooit eerlijk is verteld. Hij bekritiseert de Indonesische zwijgzaamheid over geweld tegen niet-inlanders, maar veracht het idee dat Nederland überhaupt iets te verwijten valt.

Zijn toon is die van iemand die geen rust vindt in het verleden dat hij heeft geërfd. De trauma’s van zijn ouders worden de argumenten van zijn boek; hun angst wordt zijn rechtvaardiging. Hij schrijft niet zozeer om recht te doen aan de geschiedenis, maar om recht te doen aan hen, aan hun pijn, aan wat ze hebben doorstaan; of wat hij meent dat zij hebben doorstaan.

Er gaat een zekere tragiek van uit, juist omdat ik Richard kende: hoe iemand die zo scherp, zo eerlijk, zo moedig kon schrijven over andere wereldconflicten, toch een blinde vlek bewaart voor het koloniale verleden waarvan hij zelf een erfgenaam is. Hoe jammer zou het geweest zijn als mijn vriend die kleine kronkel in een boekje had geperst, alsof hij daarmee niet alleen zijn ouders, maar ook zichzelf wilde vrijpleiten. Gelukkig heeft hij dat gelaten, maar in zijn nalatenschap zijn wel aanzetten tot zo’n poging gevonden.

Wie opgroeit met ouders die verwond zijn, zoekt soms de rest van zijn leven naar een vorm van rechtvaardiging die die wonden verzacht. De fictieve oud-journalist in mijn tekst draagt dat verlangen met zich mee. Niet als een politiek standpunt, maar als een morele erfenis. Uit die spanning, uit dat verlangen naar rechtvaardiging en dat misplaatste morele zelfvertrouwen, ontstond een (gelukkig) nooit geplubliceerd boek alsook het gedicht dat u zo gaat lezen. De ‘je’ die daarin wordt aangesproken is geen werkelijk bestaande persoon, maar een samenstelling van stemmen uit die generatie; een echo van Richard, maar ook van vele anderen.

Misschien, als ik heel eerlijk ben, richt het gedicht zich niet alleen tot die verzonnen man, gebaseerd op een journalist die ik echt heb gekend, maar ook tot een bepaalde versie van mijzelf. Een denkbeeldige ik die óók had kunnen eindigen met een boekje dat eigenlijk meer een verdediging is dan een verhaal. Een ik die krampachtig probeert te bewijzen dat zijn verleden, zijn standpunten, zijn twijfels allemaal een sluitende logica volgen. Zo’n ik die, in zijn pogingen tot rechtvaardiging, alleen maar weerstand oproept en onbedoeld laat zien waar zijn rafelrandjes zitten.

Daartegenover zou dan het andere deel van mij moeten staan: de blogberichtenschrijver van wie u hier een stukje leest, en het parmantige, ouderwets aandoende dichtertje dat ik soms ook ben. Hopelijk zijn dat figuren die geen gelijk hoeven te krijgen. Ik weet niet of dat hier gelukt is. Ik kan mijn andere ikken goed met schamperheid beschrijven, dat wel. Het zou mooi zijn als ik ooit verlost raakte van de hardnekkige drang om iemand – inclusief mezelf – te overtuigen, zodat ik niet steeds wegzink in de modder van goedpraterij en ander zelfbedrog, maar me eenvoudig kan beperken tot het ontmaskeren van waarheden, hoe ongemakkelijk die ook zijn.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Hoe heet jij in het journaal?

Zonder een pietenbijnaam word je nooit minister.

Behalve een tokkie in de wijk waar ik bezorg, ben ik eigenlijk nog nooit iemand tegengekomen die het Sinterklaasjournaal niet leuk vindt. Toch vertegenwoordigt die ene tegenstem een kleine maar luidruchtige groep die het programma te links en te intellectueel noemt; vooral vanwege de woordgrapjes en de subtiele verwijzingen naar bekende Nederlanders. Dit ultrarechtse verdomhoekje van de boze blanke samenleving heeft het desondanks gezellig. Daar in dat kleine café van Presikhaven telt een woke pakjesboot niet mee, maar men organiseert er zijn eigen onveranderlijke Sinterklaasfeest met ouderwetse pieten die zich pikzwart smeren uit een potje schoenpoets.

Als ik dan toch een verhaal aan kinderen moest vertellen, dan liever aan kinderen die niet meer in Sinterklaas geloven. Ik zou ze – in de functie van docent natuurkunde – over een wezen onderwijzen dat in een superpositie verkeert zolang het hermetisch voor de realiteit blijft afgesloten. Inderdaad, ik heb het hier over het gedachte-experiment van Schrödinger’s Kat. Voor de kat gebruiken we in dit geval een zeurpiet. En nogmaals: het is maar een hypothetisch scenario hè. Niemand – ook de meest irritante dwarsligster niet – mag daadwerkelijk iets ergs overkomen.

Opmerkelijk genoeg komt datzelfde woordje woke juist weer niet over de lippen van die andere groep die het Sinterklaasjournaal afwijst: de activisten die menen dat het programma nog steeds te veel vasthoudt aan het oude beeld van Zwarte Piet (of in ieder geval aan een verhaal over witte superioriteit). Het is een merkwaardige tegenstelling: het ene kamp vindt het te progressief, het andere niet progressief genoeg, wat er misschien op wijst dat het Sinterklaasjournaal precies doet wat een goed kinderprogramma hoort te doen: meebewegen met de tijd, zonder zichzelf te verliezen.

Ik heb nog niet naar het journaal gekeken sinds de afwezigheid van Diewertje Blok. We missen Dieuwertje allemaal maar ik heb ook begrepen dat bijna iedereen Merel een prima opvolgster vindt. Ik ken ouders die hun kinderen vertellen dat Diewertje met pensioen is omdat ze het niet over hun hart kunnen krijgen de waarheid te vertellen. Vanaf welke leeftijd mogen kinderen weten dat kanker werkelijk bestaat? Wanneer leg je ze uit dat die ziekte je letterlijk bij de neus kan nemen? Over zoiets moet je kinderen uiterst behoedzaam informeren. Ik ben dan ook blij dat ik zelf geen kinderen heb.

Het kan niet anders of het Sinterklaasjournaal maakt dit jaar dankbaar gebruik van de politieke soap rond de coalitievorming. Het is weer spannend in het Grote Pakhuis: de pakjes liggen klaar, maar op Pakjesboot 66 wil het maar niet vlotten met de samenwerking. Puzzelpiet meldde dat de bemanning nog altijd geen overeenstemming heeft over de koers. Jonkiepiet en Fatsoenspiet proberen voorlopig per onderwerp te navigeren, in de hoop dat het schip zo tenminste blijft drijven. Maar niet iedereen is het daarmee eens. Dwarspiet (ook terecht zeurpiet genoemd) weigert nog altijd met Klimaatpiet in één stuurhut te zitten; al is dat de opvolger van Europiet, die van de stoomboot stapte en terugging naar limburg omdat hij in Nederland niet de grote Timmerklaas kon worden.

Controlepiet is overboord geslagen tijdens een discussie over de pakjesroute, waardoor ook het kompas zoek is. Ondertussen heeft Complotpiet zijn strooigoed overgedragen aan Wappiet en is hij een handeltje begonnen in diepvriespepernoten (“voor het geval de wereld vergaat”). Strafbladpiet deelt cadeautjes uit aan iedereen die het horen wil, en belooft de strengste pakjescontrole ooit, behalve voor zichzelf. Wisselpiet probeert zich naar de stuurhut te wurmen, maar Ambitiepiet blokkeert het trapje met een plan voor een “nieuwe koers met oude pieten”. Mestpiet haalt de schouders op en rolt een chocoladeshaggie terwijl ze mijmert over stikstofvrije marsepein.

Aan de reling zitten Solidaripiet, Kerkpiet en Dierenpiet, die alvast een roeibootje te water hebben gelaten. Ze zeggen dat ze hun eigen, meer duurzame route naar Spanje willen volgen. Opiniepiet probeert de gemoederen te sussen met een peiling, maar de uitkomst wisselt elke vijf minuten. En achter in het ruim zit Nogéénpiet, die plechtig zweert dat hij deze keer echt niet meedoet… tenzij hij mag sturen. Zo dobbert de pakjesboot voort: het water is rustig, de meningen onstuimig, en de koers blijft onduidelijk. Of de pakjes op tijd aankomen, weet niemand. Maar één ding is zeker: het wordt weer een spannende intocht. En wie weet; misschien zit er morgen wel een regeerakkoord in je schoen.

Sorry, iets zegt mij dat het daadwerkelijke sinterklaasjournaal veel leuker is. Maar daar zit dan ook een heel team achter. En wat me ook niet onbelangrijk lijkt: die redactie houdt zowel van grote als van kleine kinderen.

Uitstel van executie?

Bomen met voorbeschouwers in afwachting van nabeschouwers (of tussenbeschouwers).

Ze kwamen naar m’n bomen kijken. In eerste instantie ging het om de apenboom (ook wel slangenden genoemd), die heer en meester is in mijn voortuin. Ook het groepje coniferen achter het huis, dat een indrukwekkende erfafscheiding vormt, vereiste nader onderzoek. De oudste van de twee mannen hield een klembord vast en bleef maar op een formulier turen waarop hun opdracht stond: de stammen controleren op breekbaarheid. Of zoiets. Ik vroeg of ik met dendrologen te maken had. “Nee,” zei deze overduidelijke aanvoerder kortaf. De ‘krullenjongen’ naast hem hield me overduidelijk voor een enorme eikel.

De slangenden of apenboom (Araucaria araucana) is een conifeer die van nature groeit in het zuiden van Chili en het zuidwesten van Argentinë. Het is een altijdgroene boom die tot 40 m hoog kan worden en een stamomtrek van 1,5 m kan bereiken. De boom wordt ook wel apentreiter, apenleed, apenpuzzel, kandelaarden of apenverdriet genoemd. De naalden zijn schubachtig, dik, driehoekig en scherp. Ze zijn ongeveer 3–5 cm lang en blijven lange tijd (tot vijftien jaar) op de door de naalden bedekte takken. Uiteindelijk verdorren de naalden en komen de takken bloot te liggen.De mannelijke en vrouwelijke delen zijn te vinden op verschillende bomen (twehuizig), sommige exemplaren zijn echter eenhuizing. De vrouwelijke kegels zijn bolvormig en kunnen zo groot als een kleine voetbal worden, en bevatten eetbare zaden; deze zaden worden in Chili op grote schaal geoogst. Mannelijke kegels zijn kleiner en min of meer cilindrisch. Het is bekend dat sommige apenbomen 50 m hoog kunnen worden met een stamdiameter van ongeveer 2 m en meer dan 1000 jaar oud kunnen worden. De apenboom is ook sterk aangepast aan vuur en bosbranden, branden zijn door vulkanisme en menselijke activiteit niet ongewoon in zijn natuurlijk areaal. Zo heeft de apenboom een dikke schors ontwikkeld als bescherming tegen brand. (Bron: Wikipedia)

Natuurlijk had ik meteen door dat zij geen dendrologen waren. Ze droegen tuinkleding en hele zware werkschoenen. In de aanhangwagen achter hun busje lagen cirkelzagen zoals alleen houthakkers en bosbouwers die gebruiken. Toevallig had ik niet lang daarvoor een cryptogram gemaakt waarin het woord dendroloog voorkwam. 16 horizontaal. De omschrijving die daarbij hoorde, luidde: Houtkenner die de waarheid niet sprak (10). Ik vond het leuk om dat woord nu in het echt te gebruiken.

“Klopt het dat deze bomen zouden worden omgezaagd?” vroeg de nestor, nog steeds intens naar zijn papier starend. Ik had zoiets gehoord ja. Toen ik de woning aanvaardde, kon ik er nog niet direct in. Eerst moesten er allemaal werkzaamheden worden verricht: ‘wasbak en toilet badkamer, vervanging radiatoren, aansluiting krachtstroom keuken.’ En inderdaad, op de lijst voor de aannemer, die de consulente van de woningbouwvereniging aan mij voorlas, stond ook dat de bomen eraan moesten. (‘Perceel 39: kappen en afvoeren Araucaria araucana / rooien en afvoeren coniferenhaag (Thuja/Leylandii) – conform bestek.’)

Dat vond ik toen best gek. Ik vroeg haar verbaasd waarom. Ik vond dat die bomen er nog prima uitzagen. Ik was natuurlijk geen kenner maar ze zaten nog goed in het groen. Ze hadden enorme dikke stammen die kaarsrecht omhoog groeiden. Zij was ook geen kenner. Zij begreep mijn verbazing. “Ze zijn wel oud natuurlijk” zei ze nog, maar ze zou gaan informeren naar de reden. Ik weet niet of het door mijn vraag kwam, maar het kappen is uiteindelijk niet doorgegaan. Ik kon de woning betrekken met vegetatie en al.

Kennelijk heeft men het besluit om ze te vellen toen niet van tafel geveegd maar uitgesteld, want vandaag stonden dus die mannen voor mijn deur. De oude rot keek van zijn formulier naar boven en van boven naar zijn formulier. “Moeten ze om?” vroeg ik. “Niet goed te zeggen” antwoordde hij “daar zal iemand naar moeten komen kijken.” “Maar zijn jullie dan niet degenen die daarover gaan?” vroeg ik. “Nee, daar zijn ze veel te groot voor”, zei de stamoudste. “Als deze bomen ommoeten, zal er een kraan nodig zijn.”

Ik begreep dat deze bomen deze mannen boven het hoofd waren gegroeid. De apenboom in mijn voortuin moest minstens van mijn leeftijd zijn. “Zijn jullie uiteindelijk wel degenen de de bomen gaan vellen? Ik bedoel: als ze om moeten?” wilde ik nog weten. Alweer fout. “Nee, wij zijn hoveniers” sprak de werkleider, alsof daarmee alles was verklaard. Hij had zijn oordeel wat dit adres betreft kennelijk geveld want hij kon nu eindelijk opkijken uit het klembord. Hij werd er onverwacht vrolijk van. Dit klusje was duidelijk afgerond. Hij hoefde niet te handelen; afvinken bleek voldoende.

Mijn bomen mochten nog even doorgroeien.

De kommaneukers van Cedille

Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.

Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.

Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.

Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.

Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.

Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!

Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?

Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:

Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).

Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’

En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De ş zit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.

Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.

Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.

Postscriptum:

Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.

Ze leken zo ‘Lucky’ samen

Een Haags powerduo bewees dat het kon: een bestuurlijke chemie van politieke tegenpolen.

In 2012, na de val van Rutte I, kwamen VVD en PvdA als winnaars uit de verkiezingen. De politieke noodzaak dwong hen tot samenwerking in wat de pers al snel het ‘huwelijk van de tegenpolen’ noemde. Toch groeide er iets wat verder ging dan pure coalitie-logica. Tijdens de onderhandelingen bleken Rutte en Samsom elkaar opvallend goed te begrijpen. Waar eerdere formaties verzandden in wantrouwen, wisten zij met humor, intellectuele scherpte en realpolitik een brug te slaan. Journalisten beschreven hun gesprekken als ‘bijna vriendschappelijk’ en ‘met een zekere bewondering voor elkaars kunde’.

Mark Rutte, de eeuwige glimlach in maatpak, een man die elke crisis kon reduceren tot een gezellig gesprekje bij de koffieautomaat. Diederik Samsom, een voormalig kernfysicus die zijn idealen als meetinstrumenten hanteerde. Tussen de rekenkundige ernst van de sociaaldemocraat en de vrolijke soepelheid van de liberaal ontsproot iets wat men, met Haagse ironie, een bromance ging noemen. Waar anderen ruzieden over procentpunten, spraken zij over vertrouwen. Hun samenwerking werd een verstandshuwelijk met momenten van tederheid. Rutte bewonderde Samsoms gedrevenheid, Samsom Rutte’s grenzeloze optimisme.

Rutte waardeerde Samsoms rationele aanpak en wetenschappelijke denkwijze; Samsom bewonderde Ruttes politieke lenigheid en optimisme. Ze konden het fel oneens zijn, maar hadden een soort ondertoon van: we doen dit samen, want we zijn de enigen die dit kunnen. In de media werden ze al snel neergezet als een soort ‘Haags powerduo’. Er stonden koppen in de krant als ‘Rutte en Samsom: het verstandshuwelijk dat liefde werd’, er circuleerden zelfs spotprenten waarop ze als een getrouwd stel werden afgebeeld, wandelend door de regen met één paraplu. De publieke perceptie van hun warme band werd onlosmakelijk verbonden met de humor van buitenaf.

De definitieve verbeelding van de ‘bromance’ kwam van LuckyTV, de satirische rubriek van Sander van de Pavert die dagelijks te zien was in De Wereld Draait Door. Van de Pavert transformeerde de politieke samenwerking in een soapachtige relatie. Het hoogtepunt was de persiflage die volgde op hun gezamenlijke optreden bij Pauw & Witteman, waar de twee leiders opvallend warm en eensgezind over hun regeerakkoord spraken. LuckyTV gebruikte de beelden van hun serieuze gesprek aan tafel, monteerde ze opnieuw, en legde de heren hilarische, gefingeerde dialogen in de mond over hun ‘geheime’ relatie. In de meest besproken scene vertelde Diederik Samson aan de interviewers: “En ik herinner me de eerste avond, dat we tegenover elkaar zaten met een enorme stijve.” De politieke overwinning werd zo een zwoele, intieme bekentenis.

Ik zat destijds met bijna plaatsvervangende schaamte naar de LuckyTV-beelden te kijken. Die geforceerde intimiteit, die blikken over de talkshowtafel, en dan die uitspraak over de “enorme stijve”. Het was zó over de top, zó expliciet, dat ik me even afvroeg of dit wel kon. Toch was het juist deze hilarische, brutale grensverlegging die het fragment zo memorabel maakte. Achteraf beschouwd, markeerde dit moment misschien ook wel een hoogtepunt in de geschiedenis van wat er in humor op de Nederlandse televisie mocht worden gezegd. Ik vraag me weleens af of zo’n persiflage vandaag nog met dezelfde onschuld zou worden ontvangen. De maatschappij lijkt sindsdien op sommige vlakken preutser en gevoeliger geworden.

De LuckyTV-bromance van Rutte en Samsom staat daarmee niet alleen als een politieke grap recht overeind (ja, ik weet het, sorry), maar lijkt me ook als tijdsbeeld voer voor sociologen, communicatiewetenschappers en wie al niet. Ik schrijf dat hier terwijl ik normaal helemaal niet houd van filmpjes waarin men mensen woorden in de mond legt. De effectiviteit van video-editing en voice-overs als framingtechniek is zo groot dat satire de politieke framing ook op een hele foute manier kan beïnvloeden. Daar bestaan talloze voorbeelden van. Dit ‘materiaal’ raakt echter aan politiek, media, humor en de publieke opinie op een manier waardoor het, volgens mij, zoals gezegd, zeer geschikt is voor een analyse door diverse wetenschappelijke disciplines.

Na verloop van tijd begon de coalitie overigens te piepen en te kraken. De PvdA betaalde electorale schade voor de compromissen die Samsom moest sluiten, en zijn partij keerde zich tegen hem. Rutte bleef, Samsom viel, maar volgens insiders hield Rutte tot het laatst respect voor hem. Er wordt zelfs gezegd dat Rutte na Samsoms vertrek “oprecht teleurgesteld” was, omdat hij zelden met iemand zo goed had kunnen samenwerken. De bromance leeft voort in de Haagse overlevering als symbool van een zeldzame samenwerking tussen verstand en gevoel, tussen liberaal en sociaaldemocraat; een korte periode waarin ideologische verschillen even leken te vervagen onder persoonlijke chemie.

Dus Jetten, Yesilgöz, als jullie meelezen…

Het meest berucht werd het filmpje van de twee, gemaakt door LuckyTV. De kracht van deze videopersiflage lag in de knappe montage. Door de gezichten van Rutte en Samsom tijdens hun serieuze interview strak te kaderen en hun lachjes en blikken te isoleren, wist LuckyTV de politieke ernst volledig te ondermijnen. Zo werd het veel meer dan alleen een grap; het is een sociocultureel document. In werkelijkheid konden de twee het uitstekend met elkaar vinden tot het bittere einde. Het was uiteindelijk de kiezer die besloot dat het sprookje geen tweede deel verdiende. Toen het stof neerdaalde, bleef Rutte overeind als de lachende liberaal terwijl Samsom verdween in de mist van zijn eigen achterban, verslonden als hij werd door de twijfel en de teleurstelling die zijn partij van binnenuit verteerde. Maar nogmaals: de LuckyTV-montage is een microkosmos van maatschappelijke dynamieken, waardoor het een uitstekend studieobject is voor elke geleerde die zich bezighoudt met de snijvlakken van politiek, media en cultuur.

Veelzeggende verbanden

Kun je zo met feiten omgaan dat toeval niet lijkt te bestaan?

Of het nu gaat om historische feiten of andere vastgelegde gegevens, ik geloof dat het bijna altijd mogelijk is om informatie in een groter verband te plaatsen zodat die veelzeggend wordt en het lijkt alsof de wereld een beetje om jou draait. Dat gevoel is verleidelijk, omdat je automatisch vooral datgene opmerkt wat jouw persoonlijke verhaal bevestigt. Details die daar niet in passen verdwijnen gemakkelijk naar de achtergrond, terwijl de elementen die jouw idee ondersteunen des te helderder naar voren springen. Zo ontstaat het gevaar dat je patronen meent te zien die eigenlijk niets anders zijn dan het resultaat van je eigen behoefte aan betekenis en bevestiging. Wat je interpreteert als een groter verband, is vaak slechts een zorgvuldig geselecteerde afspiegeling van je bestaande overtuigingen; een spiegel die meer van jezelf laat zien dan van de werkelijkheid.

De afstand tot de ‘Sint Joseph’ in Arnhem en Rotterdam.

Toch is het in de praktijk vaak ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we naar toevalligheden kijken in ons dagelijks leven. Confirmation bias – het fenomeen waarbij we vooral letten op informatie die onze verwachtingen ondersteunt – lijkt altijd op de loer te liggen. Maar soms voldoen de gebeurtenissen die onze aandacht trekken niet helemaal aan de strikte definitie van dit verschijnsel. Er kan sprake zijn van een kleine samenloop van omstandigheden, van interesse of nieuwsgierigheid, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een systematische bevooroordeling van feiten. Met andere woorden: niet alles wat zich laat duiden als ‘versterking van mijn narratief’ (gatver) is een zuiver voorbeeld van een bevestigingsvooroordeel; soms is het gewoon een toevallige combinatie van details die je interessant vindt.

Laat ik een voorbeeld geven: iemand doet mij een boekje cadeau over de geschiedenis van de St. Josephkerk in Arnhem, aan de voet waarvan ik nu woonachtig ben. Ik begin me hierdoor voor het eerst serieus in die kerk te verdiepen en kom erachter dat de architect de Rotterdammer Hendrikus Cornelis Marie van Beers is (op 14 maart 1929 vond de consecratie plaats). Omdat wij stadsgenoten zijn wil ik weten of er in mijn geboorteplaats niet minstens een gebouw op naam van dezelfde Van Beers staat. Dat is inderdaad het geval. Er bevindt zich ten minste één project in Rotterdam dat aan Hendrikus Cornelis Marie van Beers wordt toegeschreven: het ontwerp voor de R.K. Ambachtsschool ‘St. Joseph’ aan de Walenburgerweg uit 1931. Dit gebouw heette ook ‘St. Joseph’ en ik woonde er, net als bij het gebouw in Arnhem met die naam, op loopafstand vandaan.

Toch eens kijken, dacht ik, hoeveel meters het van deur tot deur was in beide gevallen. En wat denk je? Van mijn woning in de Lumeystraat in Rotterdam naar de Sint Joseph ambachtschool te Rotterdam is het 270 meter. Van mijn woning in de Beatrixstraat in Arnhem naar de hoofdingang van de Sint Josephkerk in de Rosendaalseweg 700 te Arnhem is het 270 meter! Dat is een bizarre ontdekking.

Ik lees dat de genoemde architect de zoon is van een architect, namelijk Francis Jacobus Cornelis Josephus van Beers. Deze man werd op 16 november 1865 geboren. In officiële bronnen wordt hij aangeduid als architect-bouwkundige. Hij liet een minder bekend oeuvre na dan zijn zoon. Hij was verder ook niet beroemd. Maar als Rotterdamse architect van zijn tijd bleek hij toch relevant. Er wordt op een blog vermeld dat hij verantwoordelijk is voor de woningen aan de Mathenesser­laan 183 tot 199, die in 1898 werden gerealiseerd.

Valt daar soms ook een toevalligheid te ‘scoren’? Ja hoor: mijn opa en oma van vaderszijde woonden op de ’s Gravendijkwal. Die ligt om de hoek van de Mathenesserlaan. Ze bevonden zich dus ook op loopafstand van een gebouw ‘van’ een Van Beers. Zou het mogelijk zijn dat Van Noorden senior (mijn opa) op zo’n zelfde afstand tot een ontwerp van Van Beers senior heeft gewoond, als Van Noorden Junior (dat ben ik) tot twee van de ontwerpen van Van Beers junior? Helaas, zoveel toeval had het lot niet in petto. Hij en mijn oma woonden op ’s Gravendijkwal 8 en dat, aldus google maps, is een afstand van zo’n 550 meter tot Mathenesserlaan 189 (de middelste van het rijtje gebouwen aldaar).

De afstand tot een rijtje met ontwerpen van de architect Van Beers senior vanaf het huis van mijn grootouders in Rotterdam.

Doelgericht zoeken naar verbanden levert niet altijd de verbanden op die je zoekt, maar met een beetje aanpassing en een tikkeltje omdenken kom je vaak een heel eind. Het brein is nu eenmaal vindingrijk genoeg om losse elementen in een passend patroon te schuiven, of het nu gaat om getalssymboliek, historische toevalligheden of andere vormen van resultaatgericht zoeken. Zo ontstaat er al snel een verhaal dat vooral overtuigend is voor degene die het construeert. Afijn, over confirmation bias sprak ik hierboven al.

Heeft iemand behoefte aan een uitsmijter? Ik vond nog een piepkleine gelijkenis: beide architecten voerden als tweede doopnaam Cornelis. Mijn opa heette ook Cornelis. Lekker belangrijk. Niet dus. Ik geloof dat ik deze laatste overeenkomst als een toevalligheid kan kwalificeren die absoluut geen naam mag hebben. En gelukkig maar.

Ook deze storm komt zij te boven

Ouwehand moet zich alwéér buigen over een mensenonderwerp.

Een leiderschapsconflict heeft de driekoppige Eerste Kamerfractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) verscheurd. De fractie is gespleten in twee kampen, die beiden beweren de ware vertegenwoordigers van de Partij voor de Dieren te zijn. Het partijbestuur heeft de leden per mail geïnformeerd dat alleen fractievoorzitter Ingrid Visseren-Hamakers namens de partij doorgaat. De senatoren Niko Koffeman en Peter Nicolaï betwisten dit en stellen dat zij degenen zijn die de Partij voor de Dieren zullen vertegenwoordigen.

V.l.n.r.: Guppy Visseren-Hamakers zwemt zenuwachtig rond, belaagd als zij wordt door twee Trojaanse paarden: de zebravissen Nicolaï en Koffeman die beren op de weg zien. Esther Ouwehand gelooft dat zij te maken heeft met de muizenissen van eendagsvliegen.

De vraag blijft waarom Koffeman – die dieren centraal wilde stellen en vond dat de PvdD te ver van haar kernopdracht afdreef – uitgerekend vlak voor de verkiezingen zijn lidmaatschap opzegde. Daarmee toonde hij dat hem niets kleinmenselijks vreemd is. De strategische timing ondermijnde de interne cohesie en joeg kiezers weg. Dank u wel meneer Koffeman; al eens van de tactiek van de verschroeide aarde gehoord? Idealen worden niet alleen verraden door tegenstanders, maar soms ook door hun eigen predikers; wanneer de zuiverheid van het principe zwaarder gaat wegen dan het voortbestaan van de beweging die het moest dragen.

Oh, oh, wat zijn de egogedreven mannetjes belangrijk!

Moest hij de partij persé op dit moment laten voelen hoezeer ze van de bron was afgedwaald? Zijn vertrek leek minder op een daad van moreel verzet dan op een berekende explosie. Na zulke acties blijft meestal weinig meer over dan as, en een verwarring die kiezers afschrikt. Dat is wat er gebeurt wanneer idealisten te lang tussen politiek en moraal balanceren: wat ze niet meer kunnen zuiveren, willen ze vernietigen. Een oude, menselijke reflex, ook als het om dieren gaat, die ze dan voor het gemak maar even links laten liggen.

Hitchslaps forever

Zo gezien is er een lang leven voor Maarten van Rossem weggelegd.

Christopher Hitchens was, naar mijn overtuiging, een van de scherpzinnigste en meest moedige denkers van de moderne tijd. Zijn vermogen om hypocrisie te ontmaskeren, zijn eloquentie, en zijn compromisloze toewijding aan rede en intellectuele eerlijkheid maakten hem tot een zeldzaam licht in een vaak troebele wereld van opinie en ideologie. Ik heb altijd grote bewondering gehad voor zijn geest, zijn scherpzinnige humor, en de manier waarop hij met een mengeling van elegantie en verontwaardiging kon spreken over zowel religieuze dogma’s als politieke dwaasheden.

Helaas stierf hij veel te vroeg, en met zijn dood leek ook een bepaalde vorm van onverschrokken intellectuele moed te verdwijnen. Toch, dankzij de hedendaagse AI-technieken, lijkt zijn geest even te worden opgeroepen; niet letterlijk natuurlijk, maar in de geest van zijn retorische stijl en zijn onvermoeibare zoektocht naar waarheid.

In deze virtuele heropleving zien we een animatie waarin Hitchens’ kenmerkende toon en redenering tot leven worden gebracht. Hij spreekt, als het ware, vanuit het hiernamaals over Trump’s vulgariteit, scènes die hij zonder twijfel als exemplarisch zou hebben beschouwd voor de decadentie en morele leegte van onze tijd. De begeleidende tekst van de video is helder en scherp; ze vat precies die geest van kritische verontwaardiging samen waar Hitchens zelf om bekend stond.

De tekst onder de video’s is eerlijk genoeg:

‘In deze analyse wekken we de geest van Christopher Hitchens tot leven om de diepe schande van Donald Trump’s ‘Gatsby’-feest te bespreken. Men zou bijna bewondering kunnen hebben voor de pure, onvervalste branie om een ‘Great Gatsby’-themafeest te organiseren – een roman die juist de leegheid en oppervlakkigheid van rijkdom ontleedt – op een moment dat het beleid van de regering rond voedselhulp voor de armsten van het land onderwerp is van felle publieke discussie.

Dit is niet zomaar smakeloosheid; het is een berekende verklaring van minachting. Dit spektakel onthult de kern van de hypocrisie van het Trump-fenomeen en legt zijn ‘populisme’ bloot als een goedkope oplichterij. We ontleden hoe dit evenement, en het kruiperige gedrag van figuren als Marco Rubio, een perfecte manifestatie vormt van een nieuw sektarisme dat een republiek heeft uitgehold tot een vergulde, intellectueel failliete persoonscultus.

Deze video is een satirische parodie en een intellectuele verkenning in de geest van Christopher Hitchens. Ze wordt niet onderschreven door de nalatenschap van Hitchens, noch door enige instelling of door Donald Trump. Alle argumenten worden gepresenteerd met het oog op debat en kritische analyse, in de stijl van een Oxfordse provocatie.’


Het verdient vermelding dat de video opent met een duidelijke disclaimer. Dat vind ik discreet en gepast: het getuigt van respect voor Hitchens’ nalatenschap en van transparantie tegenover de kijker. Daarmee wordt meteen duidelijk dat het hier om een satirische reconstructie in zijn geest gaat, niet om een poging om zijn stem letterlijk te doen herleven.

‘DISCLAIMER: Dit is een parodie en een door fans gemaakte inhoud. Het is niet verbonden met of goedgekeurd door Christopher Hitchens of zijn erfgenamen/familie. De video’s zijn geïnspireerd op zijn publieke uitspraken en ideeën, bedoeld voor educatieve, vermakelijke en satirische doeleinden, en gebruiken een gesynthetiseerde stem (AI-parodie) die niet aan Christopher Hitchens toebehoort. We gebruiken visuele lip-sync en nagesynchroniseerde vertelling om nieuwe, hypothetische dialogen en gedachte-experimenten te creëren.

Deze inhoud is NIET ECHT en bedoeld als karikatuur/satire om complexe ideeën toegankelijker en boeiender te maken voor kijkers. Ons doel is om intellectuele ideeën op een respectvolle manier te verkennen, zonder de intentie om iemand te misleiden tot het geloven dat deze inhoud authentiek is.

Deze AI-gegeneerde parodie van Christopher Hitchens is gemaakt voor educatieve discussie en culturele analyse. Ze bevat geen haat, geweld of enige vorm van echte politieke steun.’

En om af te sluiten: na de virtuele evocatie van Hitchens is het goed om nog even de echte stem van de man zelf te horen. Onderstaande video, getiteld “The Best of the Hitchslap”, is een compilatie van enkele van zijn scherpste momenten; verbaal, intellectueel en moreel. Wie Hitchens nog niet kent, zal in deze fragmenten zien wat hem tot zo’n uitzonderlijk denker maakte: zijn combinatie van belezenheid, ironie, morele ernst en een haast klassieke beheersing van de rede.

De term ‘Hitchslap’ is een speelse samentrekking van Hitchens en slap (klap), en verwijst naar de manier waarop hij zijn tegenstanders – met argument, geestigheid en precisie – van repliek diende. Het is geen fysieke klap, maar een retorische tik die meestal werd uitgedeeld met een glimlach en een onontkoombare logica.

P.S.
De AI-bewerkingen deden me even glimlachen bij de gedachte hoe geestig het zou zijn om onze Maarten van Rossem op vergelijkbare wijze te vereeuwigen. Zowel Hitchens als Van Rossem zijn uiteraard de laatsten die zoiets zelf ooit nodig of wenselijk zouden achten, maar als het met intelligentie, smaak en humor gebeurt, wat zou er dan op tegen zijn? Het risico blijft natuurlijk dat men zulke figuren woorden in de mond legt die niet de hunne zijn. Dat is precies waar respect en nuance het verschil maken tussen een eerbetoon en een karikatuur. Gelukkig kunnen we van Maarten van Rossem nog in levenden lijve genieten; zijn droogkomische scepsis behoeft (nog) geen digitale wederopstanding.