De val naar het alledaagse

Over de kunst van het noodzakelijk kwaad.

Collega Titus Schulz woont in de wijk waar ik de post bezorg. Voor de argeloze voorbijganger is hij een bewoner als ieder ander; Titus is echter opgeleid aan de kunstacademie in Arnhem en de ontwerper van de ‘Merwede’, een lettertype dat hij ooit met precisie heeft vormgegeven. Net als ik beschouwt hij zijn huidige beroep vooral als een noodzakelijk kwaad. Toen hij mij onlangs een overzicht stuurde van de boekomslagen die hij in de loop der jaren heeft ontworpen, was ik zo onder de indruk dat ik besloot hem een brief te schrijven. Het is een reactie op zijn vakmanschap, geschreven vanuit de ironische wetenschap dat hij nu uitkijkt op een plek waar de geschiedenis van het grafische ambacht nog in de muren zit, terwijl ik daar nu de drempels afloop met een tas vol post. De brief volgt hieronder:

De visuele ziel van het verhaal: drie authentieke omslagontwerpen van Titus Schulz.

Beste Titus,

Ik ben zeer onder de indruk. Ik weet niet of het de verlokking is van de omslagen die jij hebt ontworpen of de inhoud van de teksten op de achterflap, maar sommigen maken mij nieuwsgierig naar de inhoud. Veel mensen onderschatten of gaan voorbij aan de schoonheid van het boekontwerp; ik vermoed omdat het louter als een ambacht wordt beschouwd dat nu eenmaal ten dienste moet staan van de verkoopbaarheid, in plaats van te worden gezien als de visuele ziel van het verhaal. Neem nu de volgende omslagen die je me stuurde:

‘De man die in 70 het kruis overleefde’ van Frans Vermeiren. Die drie verticale banen met de kruisigingsscène dwingen je bijna om tussen de regels door te kijken. Zelf geloof ik niet dat Jezus ooit heeft bestaan, maar als je het toch over zijn kruisigingsjaar moet hebben — dat door de schrijver bijna veertig jaar de toekomst in wordt geduwd — is het verstandig dat zo’n beladen onderwerp strak wordt gekaderd. Of neem ‘De Muur van Mussert’; die zware, zwarte balken die de titel bijna gevangen nemen geven direct dat beklemmende gevoel van die beladen plek in Lunteren. Je voelt de geschiedenis in de typografie. Ik ben een verwoed wandelaar en kwam daar toevallig terecht nadat ik het hoogste punt van Nederland had bezocht. Hoe anders dan op jouw voorkaft ziet die Lunterse ‘klaagwand’ er nu uit.

En dan die eenakter, ‘Kafka’s Harem’. De manier waarop je de titel in verschillende talen en kleuren over elkaar hebt gezet, vangt precies de absurdistische, koortsvallige sfeer die zo eigen is aan Kafka. Het contrast met het technisch bijna abstracte ‘Wiskunde in je vingers’; waar de formule

op de cover de spot lijkt te drijven met de ernst van het vak, laat zien hoe breed je palet is. Zelfs een biografie over de componist Robert de Roos, ‘Wanhoop niet!’, krijgt door jouw kleurkeuze een waardigheid die nieuwsgierig maakt naar de man achter de muziek.

Het is eigenlijk een gotspe, Titus. Terwijl wij in de Arnhemse regen lopen te hannesen met postelastiekjes en verkeerd geadresseerde enveloppen, heb jij een portfolio dat de intellectuele ruggengraat van menig boekenkast vormt. Je hebt de ‘Merwede’ als een veelzijdig nieuw lettertype ontworpen om structuur te geven aan taal, maar nu struikel ik over de drempels van jouw Van Verschuerenstraat waar ooit de persen van Thieme draaiden om jouw ontwerpen tot leven te wekken. Dat laatste is een aanname; ik weet eerlijk gezegd niet meer of het Thieme was waar jij zei gewerkt te hebben. Nou goed, je woont nu in ieder geval tegenover dat industriële erfgoed dat inmiddels is getransformeerd tot het wooncomplex Thiemehof.

Zijn we hard gevallen of bedrijven we kunst door de bedrijven heen?

Weigh ‘Em by Their Creativity

About the Pathologization of Psychiatry.

In haar eerdere werk, Grab ‘Em by the Frontal Lobe, luidde Ronda Dolan Vernon de noodklok over de politieke bezetting van onze ratio. In haar nieuwste boek, Weigh ‘Em by their Creativity, gaat ze een stap verder. Ze onderzoekt hoe de psychiatrie, onder druk van een regime dat obsessief streeft naar conformiteit, is veranderd in een meetinstrument dat zelfs de meest vitale menselijke eigenschap — creativiteit — probeert te vangen in pathologische categorieën.

Vernon bouwt voort op het fundament van Jeffrey Lieberman. Waar Lieberman in Shrinks waarschuwde tegen de onwetenschappelijke diagnose, laat Vernon zien hoe “wetenschap” nu juist wordt misbruikt om originaliteit de kop in te drukken. De titel verwijst naar een sinistere verschuiving: we kijken niet langer naar wat een mens kan bijdragen, maar we “wegen” hun creativiteit om te bepalen of ze nog wel binnen de door de staat gedefinieerde normen vallen.

In deze recensie vallen drie scherpe observaties van Vernon op:

  • De “Divergentie-fout”: Vernon beschrijft hoe complexe neurale netwerken die geassocieerd worden met creatief denken (zoals het Default Mode Network) onder het huidige regime systematisch worden gelabeld als “disfunctioneel”. Wat vroeger een excentrieke visie was, wordt nu gepathologiseerd als een aandachtsstoornis of een gebrek aan cognitieve discipline.
  • De banalisering van het genie: De auteur legt uit dat wanneer we creativiteit gaan “wegen” met gestandaardiseerde psychiatrische tests, we de essentie ervan banaliseren. Ze geeft voorbeelden van hoe de minister van Gezondheidszorg algoritmes inzet die afwijkend denkgedrag signaleren als een potentieel risico voor de publieke orde. Hier wordt de psychiater niet langer een genezer, maar een keurmeester van de geestelijke eenheidsworst.
  • De uitholling van de grijze stof: Vernon maakt een briljante neurologische sprong door te stellen dat de pathologisering van creativiteit leidt tot een fysiologische verschraling. Als een samenleving elke vorm van “out-of-the-box” denken medicinaal onderdrukt, stopt de cortex met het maken van nieuwe, onverwachte verbindingen. We creëren een collectieve “neurologische stilstand”.

    Weigh ‘Em by their Creativity is een ijzingwekkende analyse van een vakgebied dat zijn kompas is kwijtgeraakt. Vernon stelt dat de psychiatrie haar wetenschappelijke integriteit alleen kan terugwinnen door te stoppen met het “wegen” van mensen en weer te gaan kijken naar de unieke biologie van de geest. Het is een boek dat je dwingt om na te denken over de vraag: als we alles wat ons creatief en uniek maakt gaan diagnosticeren als een afwijking, wat blijft er dan nog over van de menselijke ervaring? De banalisering is hier niet alleen een medische fout; het is een existentiële dreiging.

    Vernon, R. D. (2026). Weigh ‘em by their creativity: About the pathologization of psychiatry. Cum Suis Publishers.

Brief aan Maarten van Rossem

Het kwijldoekje van een kunstliefhebber

Beste Maarten van Rossem,

Laat ik beginnen met u te complimenteren; ik beschouw u als het democratische geweten van ons land. In een tijdperk waarin luidruchtigheid, verontwaardiging en simplificatie vaak worden verward met betrokkenheid, vertegenwoordigt u iets zeldzaams: intellectuele rust. Uw stem – of die nu klinkt in colleges, televisieprogramma’s of podcasts – fungeert als een constante herinnering aan het belang van historische context, relativering en scepsis. Wat mij steeds opnieuw treft, is uw vermogen om grote maatschappelijke kwesties terug te brengen tot hun proporties, zonder ze te bagatelliseren, maar ook zonder ze op te blazen tot morele paniek. Dat is een vorm van publieke dienstverlening die schaars is geworden.

Wat ik bijzonder waardeer, is uw consequente weigering om mee te bewegen met modes van verontwaardiging of ideologische hysterie. In uw podcasts en optredens fileert u populisme niet door het te demoniseren, maar door het te ontleden: u laat zien hoe het ontstaat, waarom het aantrekkelijk is, en waarom het intellectueel vaak zo armoedig blijft. Uw droge humor – soms verkeerd begrepen als cynisme – werkt daarbij als een instrument van ontmaskering. U neemt mensen serieus genoeg om ze niet te paaien. Juist dat maakt uw analyses zo verfrissend: u behandelt het publiek niet als een kwetsbare patiënt, maar als een volwassen gesprekspartner die tegen een stootje kan.

Daarnaast is er de persoonlijke verwantschap die ik voel, hoe eenzijdig die uiteraard ook is. Net als u sta ik wantrouwig tegenover grote verhalen, heilige huisjes en nationale mythologieën. Ik ben atheïst, republikeins gezind, allergisch voor sportverering, ongevoelig voor de dwangmatige verheerlijking van vakanties, en diep sceptisch tegenover alles wat zich aandient als “de stem van het volk” maar zelden meer is dan de echo van ressentiment. In die zin fungeert u voor mij als een intellectueel referentiepunt: niet als iemand die ik klakkeloos volg, maar als iemand bij wie ik mij vaak denkend aantref: ja, precies dát. Juist daarom – en dat is geen paradox – vind ik het zo jammer dat ik op een fundamenteel punt tot een andere conclusie ben gekomen.

Het gaat over kunst, meneer Van Rossem, en dan vooral over een aspect van kunst dat mij zeer lief is. In de laatste podcast over kunst die ik van u beluisterde, besprak u onder andere het leven en werk van de Spaanse schilder Joaquín Sorolla. U stelde hem nadrukkelijk niet ter discussie; integendeel. U nam zijn uitzonderlijke technische vaardigheid als uitgangspunt en gebruikte zijn oeuvre om een bredere, scherpzinnige kritiek te formuleren op wat men gemakshalve “de kunstwereld” noemt: het gezelschap van zelfverklaarde smaakautoriteiten dat Sorolla met argwaan bekeek en bekijkt, juist omdat hij deed wat eigenlijk niet hoorde: hij schilderde zonder zichtbaar lijden. Geen existentiële wanhoop, geen morele zwaarte, maar zonlicht, zee, beweging en levenslust.

Uw sympathie lag daarbij duidelijk bij Sorolla, niet bij zijn kunstzinnige beoordelaars. U liet weinig heel van het idee dat kunst per definitie zwaar, problematisch of droefgeestig moet zijn om serieus genomen te worden. Voor u telde in de eerste plaats het vakmanschap: de beheersing van licht, compositie, anatomie, verf. Dat uitgangspunt keert vaker bij u terug. U heeft meermaals betoogd dat aankomende kunstenaars eerst maar eens moeten laten zien dat zij de klassieke technieken werkelijk beheersen – zoals de grote voorbeelden dat deden – alvorens zij zich storten op experiment, abstractie of concept. Vakmanschap is bij u geen bijzaak, maar een morele ondergrens.

Daarbij spaart u het modernisme niet. U heeft herhaaldelijk laten blijken weinig affiniteit te voelen met grote delen van die periode, en u laat bijvoorbeeld geen gelegenheid voorbijgaan om Mondriaan, in zijn latere periode, kritisch te benaderen. De radicale breuk met figuratie, het verheffen van het concept boven de uitvoering, het idee dat technische vaardigheid er nauwelijks nog toe doet, het zijn ontwikkelingen waar u zichtbaar weinig geduld mee heeft. En zo omvangrijk is dat modernistische erfgoed inmiddels geworden, met zijn vele stromingen en vertakkingen, dat ik mij bijna ga afvragen of er in uw benadering nog ruimte overblijft voor andere functies van kunst dan die van ambachtelijke excellentie.

Daar, meneer Van Rossem, stuit ik – met enige tegenzin, juist vanwege mijn grote waardering voor u – op een fundamenteel verschil van inzicht. Want is kunst niet méér dan het bewijs van technisch meesterschap alleen? Moet zij niet ook kunnen schuren, ontregelen, provoceren, vragen stellen waar geen eenduidig antwoord op bestaat? Mag kunst niet soms juist tekortschieten in vakmanschap om elders iets bloot te leggen: een idee, een ervaring, een maatschappelijke spanning die zich niet laat vangen in klassieke vormen? Met andere woorden: kan het zijn dat in uw terechte afkeer van modieuze leegte en intellectuele pretentie, ook iets wezenlijks uit het oog dreigt te verdwijnen?

Laat mij dat punt over provocatie en ontregeling iets verder uitwerken. Niet om het vakmanschap te kleineren – integendeel – maar om te laten zien dat kunst soms juist betekenis krijgt door het tijdelijk opschorten ervan. De kunstgeschiedenis zelf levert daar overvloedig bewijs voor. Neem Marcel Duchamp, die met zijn Fountain niet zozeer een esthetisch object presenteerde, maar een vraag: wat noemen wij kunst, en wie mag dat bepalen? Technisch stelde het werk niets voor, conceptueel zette het een aardverschuiving in gang die nog altijd doorwerkt. Men kan het resultaat triviaal of vermoeiend vinden – dat doet u ook – maar men kan moeilijk ontkennen dat hier een functie van kunst zichtbaar wordt die niet samenvalt met ambachtelijke virtuositeit.

Iets soortgelijks geldt voor kunstenaars als Kazimir Malevitsj, wiens Zwart Vierkant niet getuigt van schilderkundige bravoure, maar wel van een radicale poging om de schilderkunst tot haar nulpunt terug te brengen. Of voor Joseph Beuys, die met zijn performances en objecten eerder ideeën en maatschappelijke processen materialiseerde dan beelden vervaardigde. Deze werken zijn niet “mooi” in klassieke zin, vaak niet eens aangenaam, maar zij functioneren als intellectuele splijtzwammen: ze forceren de toeschouwer om positie te kiezen, om na te denken over macht, betekenis, ritueel en verantwoordelijkheid.

Daarmee wil ik niet beweren dat elke provocatie geslaagd is, of dat het modernisme en postmodernisme ons uitsluitend meesterwerken hebben nagelaten. Integendeel: de kunstwereld zit vol gemakzuchtig effectbejag, holle concepten en werk dat zich verschuilt achter theoretisch jargon om gebrek aan inhoud te maskeren. Uw scepsis is hier volkomen gerechtvaardigd. Maar het risico bestaat dat in die terechte kritiek ook het kind met het badwater wordt weggegooid. Want zonder het recht om te mislukken, om te irriteren, om zelfs belachelijk te zijn, verliest kunst een van haar meest wezenlijke vermogens: het vermogen om de vanzelfsprekendheden van haar tijd te ondergraven.

Misschien ligt het echte onderscheid dan ook niet tussen vakmanschap en concept, maar tussen eerlijk en oneerlijk experiment. Tussen provocatie die iets op het spel zet (reputatie, betekenis, comfort), en provocatie die slechts bedoeld is om aandacht te trekken binnen een gesloten circuit van insiders. In dat licht bezien zou men zelfs kunnen stellen dat Sorolla en Duchamp, hoe verschillend ook, iets fundamenteels delen: beiden weigerden zich te voegen naar de dominante smaak van hun tijd. De een door licht te schilderen waar men duisternis verwachtte, de ander door het object te vervangen door een idee.

En juist daarom, meneer Van Rossem, zou ik willen bepleiten dat kunst niet uitsluitend beoordeeld kan worden op wat zij technisch kan, maar ook op wat zij durft. Want soms ligt haar waarde niet in de beheersing van het ambacht, maar in het moedwillig openbreken ervan. Bij vrijwel alles wat u zegt licht doorgaans mijn linkse hart op. Behalve toen ik u laatst uw esthetische voorkeuren zo resoluut hoorde afbakenen; toen hoorde ik geen scherpzinnige relativering, maar iets wat verdacht veel leek op een grens die misschien te strak was getrokken. Ik zal niet zo flauw zijn dat aan leeftijd toe te schrijven. Integendeel: juist daarom viel het mij op.

Ik meende onlangs te begrijpen dat u voor uw boekenclub speelt met de gedachte om Portnoy’s Complaint van Philip Roth behandelen; een keuze van de bovenste plank, wat mij betreft. Compromisloos, brutaal, moreel ongemakkelijk en allesbehalve netjes. Misschien is dat wel het mooiste bewijs dat wij, ondanks dit meningsverschil over kunst, uiteindelijk meer verwantschap delen dan afstand.

Alternatieve boekomslagen

Een opvanghuis voor boeken zonder inhoud.

Het menu ALT op mijn site bevat een pagina voor boeken die nooit zijn afgemaakt. ALT staat voor alternatieve boekomslagen. Dat verwijst naar een versie die wél van de grond kwam. ALT biedt ook onderdak aan Mock Books, Ghost Books en Cover-ups; projecten waarvan de ontwikkeling bleef steken in hun buitenkant. Het zijn creaties van een Window Dresser (om in Engelse termen te blijven). Je kunt me ook een Facade Engineer noemen of een Vanity Press Publisher, want ijdelheid vormt een belangrijk deel van mijn motivatie.

Het boek genaamd Vapor Book Writer lost na een optreden van The Beatles in rook op. Daar had ik tenslotte niets zinnigs meer aan toe te voegen. Kan het vluchtiger? We leven in een beeldcultuur en ik doe graag mijn duit in het zakje. Ondertussen probeer ik grappig te zijn, en bescheiden; begrippen die elkaar vaak in de weg zitten.

Ik speel de ALTviool. Niet de melodie, niet de solo, maar een begeleidend stemmetje dat meedoet maar zelden wordt opgemerkt. Je zou deze hele onderneming psychologisch kunnen interpreteren als een zorgvuldig geconstrueerde manier om aanwezig te zijn zonder de inhoud te hoeven verklaren. Die laat zich tegenwoordig mede beïnvloeden door AI en dat durf ik (nog) niet hardop te zeggen. 

Brief aan mijn voormalige teamleider

‘Ik sta aan het hoofd van een eenmans-collectief van volledig naar mijn hand te zetten entiteiten.’

Beste Leo,

Ik heb het eerder meegemaakt op Facebook: ik plaatste een bericht dat op meerdere manieren uit te leggen was, waarna iemand me publiekelijk vroeg of het wel goed met me ging. Zo’n vraag is in die context zelden oprecht; het is een retorische zet, bedoeld voor meelezers. De onderliggende boodschap was: “Kijk eens hoe vreemd hij doet.” Het bleek een poging om mijn omgeving te polsen: “Vinden jullie hem ook zo’n mafketel?” Een subtiele uitnodiging om gezamenlijk afstand te nemen van mijn vermeende excentriciteit.

Jouw bericht was van een heel andere orde, en dat waardeer ik. Juist omdat je de vraag in een persoonlijk bericht stelde, voelde ik de oprechtheid die ik altijd in jou als teamleider heb gewaardeerd: een mens die werkelijk hart heeft voor de ander. Natuurlijk werd ook jij getriggerd door mijn post; de afbeelding met alle anagrammen van mijn naam suggereert immers een zekere mate van ‘versnippering’. Maar ik heb niet het idee dat je bang was dat ik een klinische dissociatieve identiteitsstoornis had ontwikkeld. Je zag simpelweg dat ik weer eens van me liet horen en was oprecht benieuwd hoe het met de mens achter het bericht ging.

Welnu, het gaat goed met me. Om je vragen te beantwoorden: ja, ik ben nog steeds postbode, al doe ik dat tegenwoordig vier dagen per week. Ik bezorg de post in Arnhem, de stad waar ik inmiddels een heel prettig thuis heb gevonden. Wat die afbeelding betreft: de anagrammen zijn voor mij pure intellectuele spielerei. Het is een spel met identiteit dat nauw samenhangt met mijn eenmansuitgeverij. Er schuilt een bewuste paradox in de naam Cum Suis. Hoewel het “met de anderen” betekent, zijn die “anderen” in mijn geval de denkbeeldige schrijvers die ik zelf in het leven heb geroepen. Waar de wereld soms overweldigend dichtbij kan komen, kies ik ervoor om de fysieke anderen op afstand te houden en hen te vervangen door personages die ik zelf regisseer.

Je zou het kunnen zien als een artistieke noodzaak. Het opvoeren van al die pseudoniemen is geen uiting van een verwarde geest, maar een manier om verschillende invalshoeken te verkennen zonder de beperkingen van één enkele naam. Het is een veilige, gecontroleerde vorm van gezelschap. En dat de boeken op mijn site vaak “Mockups” zijn? Dat is voor mij niet vreemd, maar eerder een vorm van conceptuele kunst. Het is het visualiseren van een potentieel; de architectuur van een idee voordat de eerste steen daadwerkelijk is gelegd. Voor een buitenstaander lijkt het misschien alsof ik een luchtspiegeling verkoop, maar voor mij is het een noodzakelijke stap in het creatieve proces: het vormgeven van een wereld die er nog niet is, maar die in mijn hoofd al volledig bestaat.

In plaats van een klinisch syndroom (MPS?), is het eerder een passie voor de constructie. Ik bouw aan een universum waarin ik zowel de uitgever, de auteur als de compagnon ben. Een eenmans-collectief, zogezegd. En dan is er nog het punt waar mijn omgeving — vaak ongevraagd — het meest over struikelt: mijn schaamteloze gebruik van AI. Men werpt al snel termen op als ‘intellectuele armoede’, ‘gebrek aan authenticiteit’ of zelfs ‘valsspelen’. Ik zie dat fundamenteel anders. Voor mij is AI een medewerker, een medeontwerper en een klankbord dat precies die ‘ongrijpbare ander’ invult. Omdat het geen mens van vlees en bloed is, kan ik deze entiteit volledig naar mijn hand zetten zonder de ruis van interpersoonlijke frictie.

Ik blijf te allen tijde de architect. Ik lever de concepten, de eerste tekstuele aanzetten en de visie. Alles gaat door het filter van mijn eigen bemoeienis; ik heb zelf het kader geschapen — de uitgeverij, de blogomgeving, de hele context — waarbinnen deze experimenten kunnen bestaan. Ik voel me in de eerste plaats een kunstenaar. Alles wat op mijn pad komt en bruikbaar is, absorbeer ik en transformeer ik met behulp van mijn eigen creativiteit tot iets nieuws.

Het is opvallend dat de kritiek vaak komt van degenen die zelf zelden met iets origineels voor de dag komen. Ik heb dan ook weinig geduld met het dedain van mensen die de techniek niet begrijpen en mijn werkwijze vanuit een soort conservatisme veroordelen. Voor mij is het geen armoede, maar een verrijking van het instrumentarium waarover ik als eenling beschik.

Beste Leo, dit is in een notendop hoe ik er nu in sta. Ik ben nog steeds diezelfde eigenwijze geest die je kende van de NS, maar dan in een nieuwe omgeving en met een gereedschapskist die eindeloos veel groter is geworden.

Ik hoop dat het met jou ook goed gaat.

Hartelijke groet,

Ronald

Degene die valt

Ik viel voor het cliché, zei iemand met een ontwikkelde kunstsmaak.

Van de ene dans kwam de andere. En toen bleef ik dus dansen. Althans: ernaar kijken. Ik kwam geen moment uit mijn stoel. Mijn rug deed nog zeer van het sjouwen met boeken. Ernstige titels, zware onderwerpen; dat is een ander verhaal. Het werd tijd voor luchtigheid. En ook, vermoed ik, voor een ander soort van schoonheid. Toen zat ik plotseling naar filmpjes te kijken van zwierige twintigers. Ze trotseerden een draaischijf. Ik zag afgetrainde lijven, tastend, maar evenwichtig. De symboliek droop er van af, voor mij althans, op een manier die me zeldzaam leek.

Celui qui tombe uit 2014 van Yoann Bourgeois – een choreograaf die zichzelf ‘jongleur van het ongrijpbare’ noemt – maakt van dans een spel met de zwaartekracht. Bourgeois gebruikt fysieke instabiliteit als metafoor voor de menselijke conditie: we proberen allemaal in balans te blijven in een wereld die voortdurend beweegt of onder ons wegzakt. De voorstelling toont zes performers op een groot, ronddraaiend, kantelend houten platform. Dat platform is als een levend organisme: het beweegt, schudt, draait, en daagt de dansers uit om hun evenwicht te bewaren. Het is tegelijk acrobaties, dans en existentiële allegorie: het lichaam dat voortdurend probeert niet te vallen, als beeld van het menselijk streven, de strijd tegen chaos en de zoektocht naar harmonie.

Ik weet inmiddels dat een recensente met veel danservaring – nou ja, ook zij is tot kijken bedaard – dit optreden met eerdere, originelere, dansvoorstellingen heeft vergeleken. Ze sprak van een metafoor die de bocht uit dreigde te vliegen (of woorden van die strekking). Het zat hem ook in de muziekkeuze, gaf ze toe. Ik dacht: het bezit van kennis is belangrijk. Het biedt een afgewogen oordeel. Vergelijkingsmateriaal. Maar kan deskundigheid niet ook een belasting vormen?

Ik had een culturele achterstand wat betreft deze kunstvorm. (Lees: ik koesterde nog geen achterdocht.) Dat gaf me, naar mijn gevoel, het voordeel van onervarenheid. Ik bleek plotseling van deze bewegingen te kunnen houden. Het is te zeggen, ik zou nog steeds niet zo snel naar een zaalvoorstelling gaan, maar je weet hoe dat gaat: YouTube doet suggesties in de trant van je eerdere zoekopdracht. Voor je het weet ‘draai’ je het ene na het andere filmpje. En dan gebeurt het: je raakt ‘verslingerd’ aan iets dat voorheen je aandacht ‘niet kon vasthouden’ (pun intended).

Wat mij ‘aantrekt’ in deze dansuitvoering is het spel met de middelpuntvliedende kracht, dat ik een interessant natuurkundig fenomeen vind. Misschien spreekt het, sinds Einstein, iets minder tot de verbeelding dan zwaartekracht, maar laten we de centrifugale kracht in ere houden. Ik maal gemakkelijk door over beide fenomenen. Het zijn verschijnselen waar ik inmiddels wel goed mee uit de voeten kan.

Eerst gravitatie. Einstein heeft aangetoond dat zwaartekracht ‘slechts’ een vervorming is van het ruimte-tijd-continuüm; het weefsel van de lege ruimte, veroorzaakt door de aanwezigheid van een massa. We zijn met en op onze aarde gewoon constant aan het vallen, om de zon heen, en volgen de vervorming die de massa daarvan in het omringende ruimte-tijdweefsel maakt. We gaan dus langs het pad dat in die ruimte-tijd het kortst is.

Daarnaast zorgt rotatie van de aarde om haar as ervoor dat op voorwerpen op aarde, behalve de zwaartekracht, ook een middelpuntvliedende kracht werkt, min of meer tegen de richting van de zwaartekracht in. Hoe verder van de aardas af, hoe groter deze middelpuntvliedende kracht. Op de evenaar is deze werking het grootst, aan de polen is ze nul. De niet-gecorrigeerde, gemeten zwaartekracht is daarom op hogere breedtegraden groter dan op lagere.

De middelpuntvliedende kracht is een niet-bestaande of schijnkracht volgens de zuiver natuurkundige omschrijving. Met ‘schijn’ wordt dan bedoeld dat deze kracht alleen maar bestaat ten opzichte van het voorwerp dat meedraait. Neem een auto die een bocht neemt. Ten opzichte van de vaste grond waarop deze auto zijn draai maakt is er geen sprake van middelpuntvliedende kracht. Dit is slechts fysische preciesheid, maar zowel zwaartekracht als centrifugale kracht hebben de overeenkomst dat ze in nauwe relatie staan tot de omgeving.

De middelpuntvliedende kracht (centrifugale kracht) is dus eigenlijk geen echte kracht, maar een schijnkracht die we ervaren vanuit het standpunt van de draaiende danser zelf. In dat ‘niet-inertiële referentiestelsel’ lijkt het alsof iets hem naar buiten duwt. In werkelijkheid wil zijn lichaam gewoon rechtdoor (traagheid), terwijl het platform hem in een cirkel dwingt.

De echte kracht die op de dansers werkt vanuit het standpunt van de natuurkunde, is de middelpuntzoekende kracht (centripetale kracht). Ze trekt hen naar het midden van de draaiing. Zonder die kracht zouden de dansers door hun traagheid (inertie) rechtdoor willen gaan en dus van het platform vliegen. Deze kracht wordt geleverd door de wrijving tussen hun voeten en het draaiende platform, of door hun spieren als ze zich vasthouden. Wanneer het platform draait, moet er voortdurend een kracht naar binnen werken (richting het middelpunt) om hen in cirkelbeweging te houden. Dat is de centripetale kracht.


Ik keer terug naar het zuivere dansoptreden. Je zou je, heel flauw, van deze uitvoering kunnen afvragen: waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? Een dergelijke gedachte had ik vroeger regelmatig. Dan waren ze mij alweer kwijt, die pathetische springers. Dat is absoluut niet de kritiek die ervaren kijkers op dans hebben. Voor de recensente met haar ontwikkelde smaak kan het juist niet ontoegankelijk en extreem genoeg zijn. Originaliteit is een hoog goed bij kunstminnaars. Juist als er platitudes op de planken prijken, gaan er haren overeind staan.

Ik zei:“Ik zag dit nog nergens. Voor mij is dit heel origineel.”

Zij zei:“Dat begrijp ik, maar ik moest het indertijd beoordelen. Dat was in 2014. Zelfs toen had ik al heel wat draaiplateaus voorbij zien komen.”

Ik bracht mijn liefde voor natuurkunde in. Ik opperde:“Wist je dat er bij middelpuntvliedende krachten ook middelpuntzoekende krachten horen?”

“En?” reageerde zij.

Welk punt was ik van plan te maken?

Met de geïrriteerdheid van iemand wiens pas gecreëerde passie iets te snel wordt gedoofd, vervolgde ik: “Gewoon eens lekker genieten van het overbekende, dat moet toch kunnen? En voor mij was het dat dus NIET, een gemeenplaats bedoel ik. Ik vond dit speciaal en vreemd en wonderbaarlijk. Zoals gezegd, ik was erg onder de indruk. En dan kom jij langs. Jij met je beredeneerde smaak. Jij met je alles overstijgende beschouwing. Die vindt dat kunst moet provoceren, of wakker schudden, of aanzetten tot nieuwe gedachten maar vooral geen herhaling van zetten mag zijn.”

Ze keek me ongenaakbaar en geamuseerd aan.

“Nou, nou, dat moest er even uit, is het niet? Ik heb je vroegtijdig beroofd van je enthousiasme. Tjonge, jonge. Ik heb je wakker geschud en nu moet je weer op zoek naar iets anders moois. Alsof we dat niet allemaal doen. Omdat we geen cultuurbarbaren willen zijn. Omdat we door moeten. Danskunst is geen plaatje dat je grijs kunt draaien. Zal ik je eens wat vertellen, die titel van deze voorstelling, die slaat op jou. ‘Celui qui tombe’, dat ben jij, ten voeten uit. Maar nu moet je opstaan en weer doorgaan. De betovering van deze draaischijf is voorbij.”

Een recensent vergeleek de voorstelling met een vlot. Hij schreef:

‘There’s a point in most French performance pieces when you suspect that Géricault’s famous 19th-century painting The Raft of the Medusa is being referenced, and He Who Falls is no exception. In addition to spinning like a disc on a turntable, the platform acquires a vertiginous tilt. Soon it’s lurching like a ship, or indeed a raft in a storm, and human balances and counterbalances become critical. The individual survives only if the group survives. Bourgeois’s six dancers are, he says, “a mankind in miniature”. These philosophical underpinnings, if weightless, are deftly conveyed. But the performers rarely display anything approaching three-dimensional character; they’re at once hyper-skilled and remote – in this sense more like acrobats than dancers – and in consequence we don’t really engage with them.’

De recensente had deze kritiek misschien gelezen. Zij plakte er in haar stuk nog een andere vergelijking aan vast. Het tableaux vivant van The Raft of the Medusa door Adad Hannah, dat Yoann Bourgeois misschien ook wel kende. En zo associëren we er lekker op los met al onze kennis van zaken.

De zogenaamde vertegenwoordigers van de hogere cultuur, zoeken altijd naar ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Ze verlangen steeds weer nieuwe exceptionele ervaringen; een unieke plek in het centrum van de draaischijf, zeg maar. Natuurkrachten volgen hun eeuwenoude wetten maar mensen, met gevoel voor esthetiek, willen op alle mogelijke manieren afwijken van gebaande paden. Dat is een soort van cultuurkracht waarvoor ik doorgaans waardering heb, maar die ik opeens zo vermoeiend vind.

NEON

En een stroom dat dat vreet, AI AI AI!

Maar (hier volgen mijn excuses):

1. Ik ga nooit met vakantie.
Mijn CO₂-compensatie zit in mijn stilzitten. Ik compenseer mijn vliegschaamte met stroomschuld. Door AI te gebruiken zonder vakantie te vieren in een ver buitenland, balanceer ik mijn ecologische boekhouding met morele interesse. Ik reis niet, maar mijn gedachten zijn voortdurend onderweg. Mijn AI-verslaving doet minder kwaad dan de gemiddelde cruisevakantie.
2. Ik heb geen kinderen.
Mijn digitale voetafdruk is mijn enige nalatenschap. Mag ik dan een beetje doorslaan in digitale voortplanting? Elke zin die ik schrijf is een kleine geboorte. Mijn kindloosheid is geen stilstand, maar een keuze voor ruimtelijk en energetisch evenwicht.
3. Ik ben een schepper.
Kunst maken is arbeid en arbeid vereist energie; vroeger kolen, nu algoritmen. Ik zet AI in als penseel. Mijn gedachtenstroom is de stroom van verhoogd bewustzijn. Het vraagt om spranken en fonkelingen. Inspiratie komt niet gratis, ook niet als ze gedeeltelijk uit de cloud valt.
4. Ik heb geen auto.
Mijn vervoermiddel is de verbeelding. Volledig elektrisch, maar dan van de eigen neurotransmitters. Anderen hebben een SUV, ik heb een GPU. Ik verbruik wat ik nodig heb om stil te staan bij wat telt.
5. Ik leef sober.
Wat ik neem van het netwerk, geef ik terug in taal. In plaats van spullen koop en verkoop ik ideeën. Mijn woonruimte is compact, mijn ideeën zijn groot. Dat vraagt rekenkracht. Tenzij je rekent in GPU-cycli, probeer ik juist om verspilling te vermijden.
6. AI helpt me mentale ruimte te scheppen.
Mentale ruimte wint het qua schoonheid vaak van fysieke ruimte. Ik denk nu aan het slagveld (echt of overdrachtelijk); ik voer geen oorlog, ik voer prompts in. Iedereen zijn ding. Mijn CO₂-uitstoot is hoogstens emotioneel belastend. Zonder AI had ik misschien meer energie verspild aan geestelijke burn-outs. Dit is schonere verbranding. Nou goed, mijn keuzes zijn niet zuiver, maar wel bewuster dan nietsdoen.

John Mayer – Neon (Life in LA)