Hun ultieme bouwwerk

Wie weet werd zijn staalgewrocht toch speelgoed voor een wichtje.

Monument majeur de Paris


Op de warmste dag van het jaar schreef de geknakte kunstenaar vanuit zijn ‘madcave’ aan zijn muze:

‘Hoi Swaantje, de kist is aangekomen; zoals verwacht ontbreken er onderdelen, maar voorlopig kan ik voort. Het wordt een huzarenstuk. Ik ben zojuist begonnen aan de poten. Ze laten me met rust. Dit werk houdt me koest. De staf vindt alles goed zolang je vadertje voor ons garant wil staan. Mocht het gevaarte ooit verrijzen, dan praten we over een hoogte van 1 meter 85 exclusief de sokkel.’

Diezelfde middag ontving ze meer details. Hij maakte vorderingen. Ze moest gaan bijbestellen. ‘Zoek overal.’ Hij liet de bode haar ook schetsen brengen. ‘Deze moeren en bouten. Deze strippen en platen.’ Elk stukje had een nummer. Soms was het merk er in geponst; Meccano!

Hij kreeg weer praatjes. Werd het ooit zoals vroeger? Met wat er uit zijn handen kwam, zwol ook zijn taal. Zou het gaan zoals de dokter had voorspeld? “Het idioom van uw man is het eerste teken van zijn dwalen.”

De dag was haast voorbij. Hij schreef nog honderduit. Woorden als: een bouwkundig epos dat fier overeind zal staan; een staaltje superieure ingenieurskunst; een monument van mechanische persistentie; een staalconstructie van allure; mijn kathedraal van gatenijzer; mijn metalen magnum opus; een erecte daad van zeldzame dapperheid.

Ze las er graag overheen; haar man die kinderspeelgoed veel te serieus nam in pompeuze frasen.

’s Avonds, toen zijn project dan toch was losgelaten, liet hij vanuit het dolhuis nog één keer van zich horen; een mededeling die misschien, heel in de verte, op herstel wees.

Zijn laatste briefje vroeg: ‘Wanneer is je eisprong? Ik kom snel thuis. Misschien wordt het nu toch tijd voor een derde.’

©Uitgeverij Cum Suis, 2026

Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.

Leeftijdsdiscrimi-nazi

Over de weigering om je eigen houdbaarheidsdatum te synchroniseren met de feiten.

“Wollt ihr die totale Wahrheit?” Dat dacht ik niet. Of liever: nog niet. Het is daarom dat ik hier de term ‘leeftijdsblokkade’ wil lanceren. Dat is de fase waarin men stopt met het aannemen van biologische bewijslast of al te waarheidsgetrouwe opmerkingen; de individuele noodrem op de genadeloze tijdlijn. In deze pauze creëer je een persoonlijke echoput waarin de signalen van de buitenwereld – die venijnige hints over een trager tempo of de neerbuigende vraag of het lettertype wellicht te klein is – stuiten op een muur van doelbewuste ignorantie. De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in jezelf voert een schrikbewind over de eigen waarneming; elke spiegel die de feiten presenteert wordt verbannen; elke observatie over je bouwjaar wordt gecensureerd als ware het vijandige propaganda.

In deze staat van ‘leeftijdsblokkade’ fungeert de waarheid als een directe bedreiging voor het fragiele ego. De omgeving constateert simpelweg verval; jij classificeert die objectieve waarneming onmiddellijk als een frontale aanval. Het is een vorm van interne apartheid waarbij je de superieure, ervaren versie van jezelf hermetisch afsluit van de fysiek verouderende versie. Je negeert de knarsende gewrichten met dezelfde fanatieke overtuiging waarmee je een nieuwe rimpel wegredeneert; een ideologische loopgravenoorlog tegen je eigen biologie.

Psychologisch gezien duiden we dit aan als een extreme vorm van cognitieve herwaardering; je hersenen filteren simpelweg de data die niet harmoniëren met het gewenste zelfbeeld. Er is echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat deze interne censuur de telomeerverkorting in je cellen ook maar een seconde stopt. Je kunt de boodschapper – je bezorgde omgeving – wel executeren; de biometrische klok tikt onverstoorbaar door; entropie trekt zich nu eenmaal weinig aan van je persoonlijke dictatuur.

De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in de spiegel tolereert geen enkele tegenspraak. Het is de weigering om de oogst te accepteren, louter omdat je nog steeds wilt doen alsof het zaaitijd is. Je klampt je vast aan een status quo die allang door de realiteit is ingehaald; een statische waan die je moet beschermen tegen de onvermijdelijke schemering.

De gekte achter het masker

Dit was niet de manier waarop ze de stad op stelten zouden gaan zetten.

Elias wist het al toen hij de trein uitstapte. De lucht in zijn longen voelde te ijl, zijn voeten te licht. Hij had die ochtend meer koffie gedronken dan de wankele vrede in zijn hoofd kon verdragen. Cafeïne fungeerde als versneller voor de naderende gekte. Terwijl hij richting de binnenstad liep, passeerde hij De Inktpot, het massieve gebouw waarin zijn oude werkgever was gevestigd. Met die UFO op de rand oogde het niet als een kantoorpand, maar als het hoofdkwartier uit de Gouden Eeuw van de comics.

Dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Bij Batman lijkt het niet anders; de tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat weinig ruimte voor degenen die naast hem staan.

Elias zag zichzelf staan. Niet als de man die een afspraak had met een goede vriendin, maar als de Dark Knight die vanaf de daken neerkeek op een stad die hij naar zijn hand ging zetten. Het was een kortsluiting in zijn hersenen: de gevels van de Utrechtse panden bogen weg voor het decor van Gotham. Hijzelf loste op in de schaduw van een wreker. Elias kende de manie achter die vermomming als geen ander.

Deze metamorfose is een klassieker waarmee in strips de diepste angsten worden verbeeldt. Bij Batman overstijgt de missie het niveau van een hobby; er openbaart zich een pathologie. Veel critici beschouwen de vleermuis als de werkelijke identiteit, terwijl Bruce Wayne slechts dienstdoet als het vleesgeworden masker om de schijn van normaal op te houden. Waar een personage als Spider-Man worstelt met sociale frictie – Peter Parker probeert zijn huur te betalen terwijl zijn alter ego de wereld redt – kenmerkt de tweespalt bij Batman zich door een grimmiger, existentiëler kaliber.

Het trauma van Wayne drijft hem tot een obsessieve hyperfocus. Vanuit een psychologisch perspectief schuurt dit tegen een dissociatieve staat aan, al behoudt Bruce de regie. Bij Elias nam de biologie de regie nu over. In die koortsachtige toestand degradeerde zijn empathische vermogen tot een bijverschijnsel; een noodzakelijk kwaad dat moest wijken voor de architect van het universum. Een overvloed aan dopamine joeg zijn hersenen op tot een toerental dat geen enkele nuance meer verdroeg; een interne storm die alles wegvaagde ten gunste van die ene, allesoverheersende missie.

De ontmoeting vond plaats in een café aan de Oudegracht. Voor Elias fungeerde haar stem als achtergrondruis bij zijn eigen, schitterende gedachtestroom. Hij was getransformeerd tot een personage; eendimensionaal, onstuitbaar en volkomen onbereikbaar voor de menselijke maat. Terwijl zijn geest ruimte bood aan messiaanse inzichten, waande hij zich in Sin City. De bravoure waarmee hij die denkbeeldige wereld dacht te redden, voelde in zijn hoofd heroïsch, maar in de praktijk van de middag bleef daar niets van over. Het reduceerde zijn gedrag tot een staaltje vermoeiende egomanie.

Pas uren later, toen de zon zakte en de koortsige glans van de dag begon af te nemen, kwam hij bij. In de stilte van de terugreis besefte hij wat hij had aangericht. Haar aandoening, die allesoverheersende factor in haar leven – de reden ook dat ze soms met moeite haar koffiekopje tilde – was in zijn tunnelvisie niet meer dan een voetnoot geweest. Terwijl hij zijn eigen bedreigde fantasiewereld bestierde, had hij haar onherroepelijk in de steek gelaten. De Batman in hem had het stuur overgenomen met een arrogantie die geen tegenspraak duldde. Zijn neurologie verklaarde de drang, de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie, maar zij wiste niet de schuld uit. Hij schaamde zich diep, maar helaas wel te laat.

De stad was die dag inderdaad onveilig geweest. Alleen was hij zelf de schurk van het verhaal geworden.

Terug naar normaal (eigen foto, genomen op maandag 22 maart 2026). De Inktpot staat in Utrecht bekend als het grootste bakstenen monument van Nederland. Oorspronkelijk gebouwd als het vierde administratiegebouw van de Nederlandse Spoorwegen (HGB IV), is het inmiddels de zetel van de spoorbeheerder ProRail. Het gebouw werd tussen 1918 en 1921 opgetrokken onder leiding van architect George van Heukelom. Vanwege de materiaalschaarste na de Eerste Wereldoorlog moest men creatief zijn. Omdat bakstenen schaars waren, kocht de NS zelf twee steenfabrieken en een houtbedrijf op om de aanvoer te garanderen. In de fundering zijn oude spoorstaven verwerkt; een vroege vorm van hergebruik die de constructie een ijzersterke basis gaf. Het gebouw is gigantisch, met kilometers aan gangen en honderden kamers. Ter gelegenheid van de tentoonstelling Panorama 2000 plaatste kunstenaar Marc Ruygrok een UFO op de hoek van de dakrand. Het is 12 meter breed en geeft ’s avonds licht. Hoewel de buitenkant van het gebouw doet denken aan de Amsterdamse School of de vroege zakelijkheid, is het interieur minstens zo fascinerend. We zien daar veel Art deco invloeden; veel van het originele meubilair en de tegeltableaus zijn bewaard gebleven. Het gebouw bevat twee interne watertorens die vroeger de druk op de waterleidingen van het spoorwegnet reguleerden.

P.S.1: Bij Peter Parker ligt de focus minder op een gespleten psyche en meer op de sociale frictie. Hij is in de eerste plaats een mens die toevallig superkrachten heeft. Hij probeert z’n huur te betalen, tentamens te halen en relaties te onderhouden. De Spider-Man vermomming vormt de uitlaatklep voor zijn verantwoordelijkheidsgevoel. Zijn twee kanten zitten elkaar constant in de weg; als Spider-Man een bankoverval stopt, komt Peter Parker te laat op zijn werk. Als we kijken naar wie de meest ultieme dualiteit toont, komen andere stripfiguren nog sterker naar voren. Two-Face is de letterlijke verpersoonlijking van gespletenheid (goed vs. kwaad). The Hulk toont een biologische en psychologische splitsing; ratio (Banner) versus instinct (Hulk). Superman is de omgekeerde Batman; Clark Kent is het masker dat door een god wordt gedragen om erbij te horen. Hoewel Batman een diepe, duistere tweespalt kent, is Spider-Man waarschijnlijk degene die het meest tastbaar worstelt met het combineren van twee levens. We noemen Spider-Man een klassieke superheld: zijn kracht, reflexen en ‘spider-sense’ zijn genetisch veranderd. The Hulk en Superman vallen hier ook onder. De term ‘Super’ slaat direct op hun bovennatuurlijke status.

P.S2: Bruce Wayne heeft een schaduwkant en een civiele kant. Strikt genomen is hij een costumed vigilante (gemaskerde burgerwacht). Hij heeft geen superkrachten; zijn ‘kracht’ komt voort uit extreme training, technologische gadgets en een onuitputtelijke banktekening. In de academische analyse van strips wordt hij vaak een ‘Mystery Man’ genoemd, een term die stamt uit de jaren ’30 voor helden die hun identiteit verbergen om de wet in eigen hand te nemen. Zijn trauma (de moord op zijn ouders) drijft hem tot een obsessieve strijd tegen de misdaad. Als burger fungeert Wayne als filantroop en playboy. Vanuit een psychologisch perspectief zou je dit kunnen linken aan concepten uit de persoonlijkheidsleer, zoals de dissociatieve identiteitsstoornis, al voldoet Bruce zelden aan alle klinische criteria aangezien hij volledige controle en herinnering behoudt over beide rollen.
Batman ging lang geleden op in zijn alter ego; zijn menselijke kant vormt een goed geregistreerd toneelstukje voor de buitenwacht. In Gotham bestaat er geen ruimte voor twijfel. Batman is niet zomaar een man in een pak; hij is een rigide constructie van pure wilskracht en hyperfocus. Voor de buitenwacht lijkt dit misschien op discipline, maar van binnen is het een allesverslindende stroomversnelling.

P.S.3: Of je nu een duistere miljonair bent met een voorliefde voor vleermuispakken of een student met geldgebrek; de dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Je wordt, net als Batman, de architect van je eigen universum. De stad ligt aan je voeten; elk detail is scherp en elk obstakel lijkt slechts een test van je eigen superioriteit. Maar waar Batman de controle claimt te hebben, daar neemt de bipolariteit de regie ongevraagd over. De vergroeiing met dat alter ego – die almachtige staat waarin rust een belediging is en actie de enige waarheid – heeft een hoge prijs. Terwijl Batman zweeft boven de straten, verliest hij het contact met de grond. Het is in deze staat dat de held de overhand krijgt en de menselijke connectie naar de achtergrond verdwijnt. De tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat geen ruimte voor de behoeften van degenen die naast je staan.