De laatste colporteurs van het zondebesef

Over zeldzaam wordende zielverkopers die dachten dat ook koppensnellers behoefte hadden aan scholastiek.

Totdat documentairemaker Jan Maarten Deurvorst zich ging verdiepen in het leven en werk van de laatste Franciscanen in Nieuw-Guinea, scheen hij ongeveer dezelfde gedachte over missie- en zendingswerk te hebben gehad als ik: dat het in wezen neerkwam op een mengeling van religieus imperialisme, cultureel vandalisme en goedbedoeld paternalisme, uitgevoerd door mannen op sandalen die vonden dat de bewoners van de jungle dringend behoefte hadden aan Europese schuldgevoelens, catechismussen en het correcte gebruik van westers bestek.

‘De kloosterorde der Franciscanen is een bedelorde. Niemand heeft bezit. Daarmee betoont de orde haar solidariteit met de armen […], wat misschien haar populariteit verklaart. [De broeders en zusters] werden ver de binnenlanden [van West-Papoea] ingestuurd. De Franciscanen […] legden het gebied dus min of meer open. Opvallend was dat ze zich daarbij nogal anti-institutioneel gedroegen. […] Ook al omdat ze weinig bagage hadden om mee te nemen.’ (radiofragment)

Misschien moet ik verder alleen voor mezelf praten: ik vond dat religieuze verspreidingsarbeid vooral neerkwam op het vervangen van lokale mythen door westerse, met als twijfelachtige bonus een kerkgebouw, een schoolbord en een permanent gevoel van beschavingssuperioriteit. De missionarissen van “Papoealand” – zoals zij het ook wel noemden – waren in essentie spirituele koloniale ambtenaren. Wereldvreemde mannen Gods die koppensnellers kwamen vertellen dat kannibalisme verkeerd was, maar ondertussen wel een complete cultuur archiveerden, herschreven en gedeeltelijk ontmantelden.

Ziezo, dat vooroordeel is opgetuigd. Maar de radiodocumentaire De laatste der Franciscanen, uitgezonden door het geschiedenisprogramma OVT van de VPRO, maakt het beeld aanzienlijk ingewikkelder. Zij heeft de hinderlijke eigenschap mijn atheïstische wereldbeeld te ontregelen.

Wat deze documentaire bijzonder maakt, is dat zij niet alleen gaat over missionering in koloniale context, maar vooral over de onverwachte wederzijdse beïnvloeding tussen missionarissen en Papoeastammen zoals de Asmat en de Marind. In Nederlandse koloniale verhalen stonden die groepen lang bekend als koppensnellers en kannibalen; een beeld dat sensationeel was. De documentaire onderzoekt wat er werkelijk gebeurde toen Franciscanen zich daar na de Tweede Wereldoorlog op grotere schaal vestigden.

De Franciscaanse aanwezigheid in Nederlands Nieuw-Guinea begon al in 1937. Nederlandse minderbroeders werkten in gebieden rond Merauke, Mimika en later ook in het Asmatgebied. Hun werk beperkte zich niet tot religie: zij hielden zich bezig met onderwijs, gezondheidszorg, taalstudie en infrastructuur. Opvallend is dat Franciscaanse missionarissen relatief veel belangstelling hadden voor lokale rituelen en culturen, in tegenstelling tot meer paternalistische missiebenaderingen elders.

Interessant is de bredere historische achtergrond. West-Papoea werd tot 1962 bestuurd als Nederlands Nieuw-Guinea. Daarna kwam het gebied onder Indonesisch bestuur, wat leidde tot langdurige spanningen en onafhankelijkheidsbewegingen. Sommige missionarissen gingen zich later nadrukkelijk uitspreken over mensenrechten en geweld tegen Papoea’s. De uitzending blijkt sowieso niet alleen een verhaal over religie te zijn, maar ook over identiteit, antropologie, culturele ontmoeting, kolonialisme en het verdwijnen van een Nederlandse wereld in de Pacific.

In de documentaire speelt dat – het verdwijnen van een tijdperk – een grote rol. Juist daar krijgt het verhaal een menselijke scheur die verhelderend licht doorlaat. Vrijwel alle Nederlandse missionarissen zijn inmiddels vertrokken of overleden. De titel De laatste der Franciscanen verwijst naar de laatste nog aanwezige Nederlandse pater in het gebied, die Deurvorst heeft geïnterviewd. Dat geeft het programma een melancholische laag: het einde van een Nederlands-katholieke aanwezigheid in Papoea die bijna negentig jaar heeft geduurd.

Het is niet dat Theo van der Broek van zijn geloof viel; hij zou graag zijn doorgegaan als drager van het kruis, bemiddelaar tussen Rome en het moeras, vertegenwoordiger van de hemelse hoofdvestiging. Als traditionele leverancier van zondebesef bleek hij echter niet geschikt. Uiteindelijk toonde deze vertegenwoordiger van de eeuwigheid zich vatbaar voor iets aards. De minderbroeder ontmoette zijn min. Jawel, de pater werd verliefd op een vrouw. Daarmee verloor de kerk een missionaris, maar kreeg de documentaire haar ontroerendste detail. Hij werd verbannen en door zijn geloofsgenoten met de nek aangekeken.

Op een enkeling na; iemand die begreep dat medemenselijkheid pas geloofwaardig wordt zodra zij ophoudt een investering in het hiernamaals te zijn.1 Met andere woorden: iemand die uiteindelijk de mens belangrijker vond dan het systeem waarin hij had leren geloven.

  1. Aanvankelijk stond hier: “iemand die de ware implicaties van het geloof had begrepen.” Maar juist daarin schuilt voor mij een probleem. Religieuze moraal blijft moeilijk los te zien van het idee dat goede daden uiteindelijk plaatsvinden binnen een verhouding tot God; als onderdeel van een morele boekhouding van zonde, schuld en verlossing. Dat roept de vraag op in hoeverre christelijke naastenliefde volledig belangeloos kan zijn wanneer zij tegelijk verbonden blijft aan eeuwige consequenties voor degene die haar verricht. Misschien waren het daarom eerder humanistische impulsen die die ene oud-collega van de verbannen pater volgde: een direct moreel besef, los van de gedachte dat een goede daad tevens een investering kan zijn in hemel, verlossing of goddelijke goedkeuring. ↩︎

Sterk geschreven, maar je reduceert religieuze naastenliefde wel erg gemakkelijk tot een soort kosmische bonusregeling. Alsof ongelovigen nooit handelen uit ijdelheid of behoefte aan erkenning, of – je raadt het al – ware compassie.
— Marianne, Nijmegen

Die zin over ‘spirituele koloniale ambtenaren’ is hard, maar niet onterecht. Missionering was vaak gewoon imperialisme met een bijbel onder de arm.
— Peter, Groningen

Interessant stuk juist omdat het weigert eenvoudig anti-katholiek te worden. Dat maakt het ongemakkelijker en dus eerlijker.
— Anoniem

Als antropoloog mis ik wel nuance over de Asmat. Het woord ‘koppensnellers’ blijft toch een koloniale categorie, zelfs wanneer je uitlegt dat het een historisch beeld betreft.
— Drs. H. van Leeuwen

Die arme pater. Negentig jaar in het moeras voor Rome gewerkt en uiteindelijk alsnog ingewisseld vanwege bureaucratische kuisheid.
— Theo, Breda

Ik ben gelovig en toch herken ik die ‘hemelse boekhouding’ waar je over schrijft. Juist daarom vond ik de noot sterker dan het essay zelf.
— Els, Antwerpen

De ironie druipt er soms iets te dik bovenop. Alsof iedere missionaris automatisch een koloniale karikatuur was. Maar goed, misschien is dat juist je stijlmiddel.
— Johan

OVT blijft fantastisch in het oproepen van dat melancholische gevoel van verdwenen Nederlandse werelden. Je ruikt in die documentaire bijna het schimmelende missiekantoor.
— Karel

Begint het ijs nu pas echt te kraken?

De transformatie van solo naar symbiose en de onzekere koers van het aan wal gaan.

Wat bezielt een mens om de relatieve veiligheid van de Finse kust te verruilen voor de onverbiddelijke grijstinten van de Noordelijke IJszee? Het YouTube-kanaal Alluring Arctic Sailing begon niet als een gelikt mediaproject, maar als een minimalistische studie in menselijke volharding. Juho Karhu, de protagonist van dit epos, belichaamde jarenlang de archetypische solo-zeiler; een man die schijnbaar genoeg had aan een stalen romp, een paar ski’s en de ijzige stilte van de hoge breedtegraden. De vroege jaren van het kanaal werden gekenmerkt door een zekere ascetische esthetiek. Juho navigeerde de fjorden in zijn eentje, waarbij de kijker getuige was van een technische dialoog tussen mens en element.

Hoewel de vroege dagen van Alluring Arctic een frisse wind brachten door de focus op expedities in hoge breedtegraden in plaats van de standaard tropische ‘bikini-zeil-vlogs’, zie je vaak een verzadigingspunt optreden bij dit soort content. YouTube beloont extreem dramatische verhaallijnen, maar bij zeilkanalen treedt er na een paar seizoenen soms ‘avontuur-moeheid’ op bij het publiek; hoe spectaculair de fjorden ook zijn, voor de gemiddelde kijker begint de tiende storm op elkaar te lijken. Tja, en als je dan ook nog voor langere tijd aan land gaat…

Die dynamiek veranderde enigszins toen zijn partner aan boord kwam. Wat aanvankelijk een verslag van nautische ontberingen was, transformeerde in een liefdesverhaal – zo keek ik er althans naar – met nog wel de extreme druk van een onverbiddelijke omgeving, maar ook met beelden van twee jongverliefde mensen. Voor mij monsterde Sohvi Kangasluoma precies op tijd aan. Ik zwijmelde. Ze waren nu in ieder geval samen. Sohvi was een PhD Candidate aan het Arctic Centre van de Universiteit van Lapland toen ze aanmonsterde (inmiddels heeft ze een doctorsgraad). Ze zat in de laatste, zware fase van haar promotietraject en profiteerde optimaal van de reis met Juho door tijdens hun tochten daadwerkelijk onderzoek te doen en aan haar proefschrift te schrijven. De boot was dus niet alleen een vervoermiddel voor ski-avonturen, maar ook een varend laboratorium.

Deze overgang van individuele overlevingsdrang naar een gedeeld lot werd bezegeld met de aanschaf en de collectieve renovatie van een nieuw schip. Het opknappen van de boot fungeerde als een metafoor voor hun gezamenlijke toekomst; een wetenschappelijk onderbouwde herstructurering van hun leven om de meest vijandige omgevingen op aarde te kunnen weerstaan. Het resultaat was een uniek genre: de expedition-romance.

Een van de meest onderscheidende kenmerken van hun reis was de synergie tussen zeilen en skiën. Door berghellingen aan te varen die enkel via het water bereikbaar zijn, creëerden zij hun eigen privé-resort; een vorm van toerisme die zo exclusief is dat de enige getuigen de camera en de poolwind waren. Het was deze combinatie van maritieme kunde en alpine durf die het kanaal naar een eenzaam hoog niveau tilde.

Dit culmineerde in twee monumentale prestaties: De Noordwestpassage; een onderneming met twee goede vrienden waarbij de grenzen van navigatie en groepsdynamiek werden opgezocht. En de Overwintering; het absolute magnum opus. Twee mensen met hun Groenlandse hond Nova – die zij ter plaatse adopteerden, daarmee hun band met het landschap definitief bezegelend – in een bewust ingevroren schip in een verlaten baai. De psychologische en fysieke impact van het ‘vastzitten’ als een bewuste keuze, bood een zeldzame inkijk in een leven dat volledig is losgekoppeld van de moderne tijdrekening.

Toch kent elk verhaal zijn schaduwkanten. De aflevering waarin zij meevoeren met Groenlandse zeehondenjagers zorgde voor een stevige dissonant. Hoewel het een eerlijke, bijna rauwe weergave was van een eeuwenoude overlevingstraditie, botste de bloedige realiteit van de jacht frontaal met de gepolijste verwachtingen van een deel van het westerse publiek. Het was een moment waarop de kijker bruut werd herinnerd aan het feit dat de natuur in de Arctis niet alleen een decor is voor mooie plaatjes, maar een functionele en vaak meedogenloze werkelijkheid. Dat zij deze beelden durfden te tonen, getuigt van een integriteit die zeldzaam is op YouTube, zeker ook omdat die aflevering hen kijkers kostte.

Op dit moment bevindt Alluring Arctic zich in rustiger vaarwater; letterlijk en figuurlijk. ‘Sailing’ is bewust verwijderd uit de titel. Met de boot in de stalling en het paar in een Fins vakantiehuis, is de constante dreiging van het ijs vervangen door de alledaagsheid van het vasteland. Juho heeft bovendien de zakelijke koers verlegd door Patreon de rug toe te keren en abonnementen in eigen beheer te nemen. Patreon is weliswaar de industriestandaard voor het financieel ondersteunen van makers, maar het platform fungeert ook als een machtige tussenpersoon die een aanzienlijk percentage van de inkomsten opeist en de directe communicatie met de achterban bemoeilijkt. Juho’s overstap naar een eigen systeem is een stap naar volledige autonomie die past bij zijn karakter; het is de digitale variant van solo-zeilen waarbij hij liever zelf aan het roer staat van zijn community dan afhankelijk te zijn van de grillen van een extern platform. Het brengt echter ook risico’s met zich mee voor de continuïteit, want zonder de vertrouwde infrastructuur van een grote speler moet hij zijn volgers nu op eigen kracht aan boord houden.

Het succes van dergelijke kanalen stoelt vaak op een constante escalatie van avontuur. Nu de grootste mijlpalen zijn bereikt, rijst de vraag: wat nu? Kan een verhaal dat gedijt bij ontbering, overleven in de geborgenheid van een Finse woonkamer?

Alluring Arctic Sailing heeft bewezen dat een goed verhaal over afzondering paradoxaal genoeg het beste werkt wanneer er op een zeker moment iets van liefde in beeld komt. De interactie tussen twee mensen die op elkaar aangewezen zijn in een bevroren leegte, geeft de kijker een ankerpunt. Maar met het schip aan land en de grote expedities achter de rug, staat het kanaal voor zijn grootste uitdaging: bewijzen dat het de aandacht kan vasthouden zonder de adrenaline van het ijs. Of, om het wat ironischer te formuleren: we hebben ze zien overleven in een bevroren baai met een hond en een afgepaste hoeveelheid leeftocht en scheepsbenodigdheden. De vraag is nu of ze de confrontatie ook zo dapper doorstaan met een stabiele internetverbinding, een dagelijkse sauna en een knapperende haard.

Dat is pas échte overleving.

Vrienden op afstand

Want stel je voor dat je mij in het ware licht ziet?

Beste H,

Als we elkaar nogmaals ontmoeten kan ik het beeld dat ik van mezelf wil creëren niet waarmaken. Ik zal banaal blijken en dat verdraag ik niet. Ik zal afbreuk doen aan wat ik buiten mijn bereik wil handhaven. Het is iets dat schijnbaar bestaat in sommige van mijn beste uitingen. Maar dat ben ik niet. Of toch; heel soms, dus veel sporadischer dan ik zou willen. Affijn, dat van die jeuk aan m’n kont was echt (ik deel dat gegeven als een frivole uitsloverij of een provocatie naar mezelf). Maar ook dat wat ik schreef in het gedicht berust op waarheid: dat ik je soms, tegen mijn zin, moet weggummen. Omdat je de diepste kijker bent onder mijn vrienden. “Maak geen röntgenfoto’s van mij”, schreeuw ik dan. Neem genoegen met de door mij opgerichte façade. Maar je behandelt mij zoals je jezelf behandelt. Mag ik je zelfportret zo zien? Als een hele diepe waarneming? Bijna te diep voor het mooie?
(25 april 09:30u)

Beste H,

Waren alle toekomstschetsen maar zo, zoals jij ze vangt in je beeld en de bijbehorende titel. Maar er wordt vaak te veel ingevuld als het om het ‘verre heden’ gaat. Ik bijvoorbeeld schrijf over het ‘openstaande morgen’ met jeuk aan m’n kont. Maar dat is nu; toevallig. Omdat ik zo opstond; krabbend aan m’n gat vanwege die ene hete peper van gisteren. Zie je wel: too much information. Onbegonnen tijd is onbegonnen werk. Dus daar ga ik weer met mijn foefjes. Te veel stelligheid over zoiets onkenbaars. Het ‘uitgestelde nu’ in vloeibaar vooruitzicht. De extrapolatie. Het altijd maar invullen; praten, bekennen, uitleggen. Het besef van de toekomst blijft voor mij een blabla-gebeuren. Dat wil zeggen: zolang ik leef. Wanneer mag ik zwijgen? Wie slaat mij dood? Ik wil eindigen in een goot.
(25 april, 02:10u)

De gepaste schoenfase

Na de teen-condooms leek het nu weer even: hoge hakken, echte liefde.

Een ernstig geval van keuzestress, dat sommigen zouden bestempelen als een luxeprobleem, leidde tot het volgende berichtje van een vriendin vanuit een chique winkel in Utrecht: ‘Totaal ander onderwerp nu, en ik weet dat er veel ergere dilemma’s bestaan, maar waarom zijn er zo veel lelijke schoenen?’

Ik wist dat zij niets zou hebben aan mijn antwoord, maar ik zat nog in de fase van ad rem willen zijn, dus schreef ik, ook vanuit een winkel: ‘Hoe duurder de schoen, hoe groter de kans dat hij eruitziet alsof hij is samengesteld uit restafval van een orthopedische kliniek en een legodoos. Men noemt dit “avant-garde”, maar wij weten wel beter: het is gewoon een sociaal experiment om te zien hoe ver mensen gaan voor een merklogo.’

Omdat ik precies wist wat ik nodig had in de zaak waar ik was – ik bevond mij in de wachtrij van een apotheek – en ik dus tijd genoeg had, maar ook omdat mijn gevoel voor humor nog niet afdoende was aangetoond, liet ik hierop volgen: ‘Ik kan trouwens ook wel een voordeel bedenken. Lelijk schoeisel vormt eigenlijk een beveiligingssysteem. Niemand gaat je overvallen voor een paar patta’s dat eruitziet als twee opgeblazen vissen of Crocs met nepbont.’

Mmm, alweer te matig misschien om echt leuk te lijken, dus waarschijnlijk zouden er nog meer te snel geconstrueerde antwoorden volgen. Eigenlijk demonstreerde ik hiermee precies de reden waarom er overproductie is in de mode-industrie; de kwantiteit moet een soort van sporadische kwaliteit waarborgen. Maar wacht, nu had ik plotseling een hele persoonlijke associatie.

Ik moest opeens aan Elisabeth denken. Wat had ik haar Vibran FiveFingers leuk gevonden. Koddig, guitig, aandoenlijk en schalks, dat waren de woorden die ik aanvankelijk voor haar en haar teenschoenen bedacht. Wat ik er ook zo geweldig aan vond, was dat de dingen zolen van niks bezaten. Elisabeth en ik waren even groot. Ik flaneerde graag met haar.

Toch zou mijn vertedering snel verdwijnen. De afspraak om te gaan hardlopen kreeg een flinke knauw bij haar voordeur, die open en dichtging als ik haar ophaalde. Ik was altijd precies op tijd of net iets te vroeg. Zij was nooit klaar, moest nog van alles doen. Ze duwde me een Duitstalig boek in handen. Zo kon ik de tijd in haar portiek met Goethe doden of een andere ‘echte’ schrijver. Haar schoentjes mochten ook niet naar binnen. Die stonden daar ‘ganz alleinig und barfüßerisch’ voor de dorpel. Zolang zij er zelf niet in zat vond ik ze best bizar.

Ik begrijp niet waarom ze mij zo rigoureus buitensloot. Het leidde er toe dat ik, zittend op de harde rand van een plantenbak, steeds luider ging voordragen. Op een gegeven moment begon mijn gereciteer qua luidheid op de toespraken van Hitler of Goebbels te lijken. Dat vond ze helemaal niet erg. Het enige compliment dat ze mij ooit heeft gegeven is dat ik sprak met een “geloofwaardig hoogduits” accent. En zij kon het weten want ze had het gestudeerd.

Het contact met haar is verbroken. Dat kwam niet door haar schoeisel maar toch: in het bos liep het fout met de voethandschoenen die de natuurlijke bewegingen moesten simuleren. Ze kon het parcours, dat harde en zachte stukken bevatte, alsook passages met wortels en modderige delen, nooit ononderbroken voltooien. De grond bleek ongeschikt, de zolen te dun, haar voeten te gevoelig. Het werd haar allemaal te moeilijk. Waarom kon ik geen route uitstippelen met alleen maar zachte paden?

De basis viel weg. We haalden elkaar uit ons normale ritme. Dat placht liefde ook te doen, maar onze verstoringen bleken niet liefdevol. De vriendin in Utrecht had inmiddels een knoop doorgehakt; ze stuurde een foto van haar aankoop. Ik kon niet zeggen dat ik haar keuze reuze vond. Te hoge hakken misschien. Maar geen probleem uiteraard. Als zij ze aan had, zou alles goedkomen. In die schoenfase zaten we nog.

Kantoorliefde anno 1960

Het relaas van het ontslag van Onno’s moeder.

Met Kantoorliefde anno 1960 heeft Onno van Dorreland een opmerkelijk boek geschreven: half familiekroniek, half aanklacht tegen de verstikkende moraal van het begin van de jaren zestig. De ondertitel Het relaas van mijn moeders ontslag klinkt bureaucratisch, bijna droog, en dat is precies de wrange ironie die door het hele boek heen sluimert.

Van Dorreland vertelt het verhaal van zijn moeder, een vrouw die weigerde zich neer te leggen bij het voorspelbare levenspad dat haar generatiegenotes werd voorgehouden: jong trouwen, kinderen krijgen, de eigen ambities opbergen. Zij wilde een carrière, wilde zichzelf zijn. Maar in de kantoorwereld van begin jaren zestig was dat al een vorm van rebellie. Vrouwen die trouwden, dienden op te stappen of werden eruit gewerkt. Het huwelijk gold als een stilzwijgend ontslagformulier.

Dan gebeurt wat niet had mogen gebeuren: een kantoorromance. Een collega maakt haar het hof en er bloeit in het geniep een relatie op. Totdat het uitkomt. En dan toont de hypocrisie van die tijd zich in zijn meest venijnige vorm. De man blijkt getrouwd, heeft kinderen; details die hij angstvallig verzwegen had. Maar waar je zou verwachten dat hij ter verantwoording wordt geroepen, gebeurt het omgekeerde. Zij krijgt ontslag. Hij blijft gewoon zitten. Sterker nog: hij ontkent zijn aandeel, minimaliseert de affaire tot een onbenullige flirt, en laat haar vallen als een baksteen.

Van Dorreland schrijft met ingehouden woede, maar ook met een scherpe pen. De opmerking dat hij “blij is dat deze man niet zijn vader is geworden” heeft iets van zwarte humor; een zoon die zijn eigen ontstaansgeschiedenis welhaast bedankt voor een gemiste kans op een waardeloze vader. Het is die droge toon die het boek draaglijk maakt, die voorkomt dat het een slachtoffer-epos wordt.

Want een slachtoffer is zijn moeder niet geworden, althans niet in de ogen van haar zoon. Zij ontmoette later een betere man, trouwde, werd moeder. Maar – en hier zit de angel van het boek – ze werkte nooit meer. Ze werd inderdaad die huisvrouw die ze juist niet had willen zijn. Van Dorreland wijst er nadrukkelijk op dat dit niet haar keuze was, niet haar zwakte, maar het resultaat van een maatschappij die geen ruimte liet voor herstel of een tweede kans. Een vrouw met zo’n ‘smet’ op haar blazoen kwam er niet meer bovenop.

Het boek leest als een persoonlijke afrekening, maar overstijgt het individuele verhaal. Van Dorreland schetst een tijd waarin vrouwen structureel werden achtergesteld – lagere lonen voor hetzelfde werk, dubbele moraal bij seksueel gedrag, ontslag bij huwelijk – en laat zien hoe die mechanismes niet abstract waren, maar levens verwoestten. Echte levens. Zoals dat van zijn moeder.

Kantoorliefde anno 1960 is geen prettig boek, maar wel een noodzakelijk. Het combineert persoonlijke geschiedenis met maatschappijkritiek, pijn met precisie, verontwaardiging met verdriet. En het doet dat met een literaire finesse die voorkomt dat het verzandt in sentiment. Een indringend portret van een tijd die gelukkig voorbij is, en een waarschuwing dat rechtvaardigheid nooit vanzelfsprekend is.

Het gedicht ‘Generatie Swipe’.

Uit: schrammenbloed

Het onderstaande gedicht werd in 2016 ingestuurd voor deelname aan de Turing Nationale gedichtenwedstrijd (nu genaamd: De Gedichtenwedstrijd). Ik noemde het toen Tinderella. Alle gedichten in de tweede ronde werden voorzien van een persoonlijke feedback.

Assepoester heeft geen tijd meer om te wachten tot de fee haar koppelt met de man van haar leven. Tegenwoordig moet ze daar zelf voor zorgen! Gelukkig bestaat er zoiets als de dating-app Tinder. Meet Tinderella. Een romantische verbinding komt vaker niet tot stand dan wel. Ze veegt de mindere goden in één vloeiende beweging aan de kant.

Die luidde voor dit gedicht:

Zeer mooi, erg vakkundig gedicht dat iets van de tijdsgeest perfect verwoordt. Vooral in de laatste helft overtuigt dit gedicht, want aanvankelijk klinkt de combinatie van het zeer traditionele rijmschema, het moraliserende thema, en het afstandelijke perspectief nogal belerend (wat niet wil zeggen dat de ‘les’ niet helemaal terecht is). Naar het einde toe komt er meer plaats voor ambiguïteit (vrij willen zijn van ‘dwangprofeten’, niet meer te hoeven ‘kreunen voor de eeuwigheid’ is begrijpelijk) en neemt het gedicht de lezer volledig mee. De ‘wij’-vorm, die impliceert dat elk van ons (ook Tinderella zelf dus) zo tot oppervlakte en tijdelijk vermaak wordt herleid, is uitstekend gekozen. De v-v-v alliteratie aan het einde (prachtige zin!) roept perfect de snel herhaalde swipe-beweging op, maar doet het gedicht ook mentaal nagalmen in de leegte. Virtuoos.

Jury van Turings Nationale Gedichtenwedstrijd 2016

Tja, als je zo’n waardering krijgt (virtuoos!), kun je jezelf de vraag stellen wat je nog meer moet doen om in de prijzen te vallen. Toch is het verstandiger om je daar niet op te fixeren en je tevreden te stellen met het deskundige commentaar van de voorjury. Het ging om een persoonlijke beoordeling van medewerkers van de poëzietijdschriften Awater en Poëziekrant.

Het gedicht is nu opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium

Ik deed mijn voordeel met deze professionele feedback. Ik veranderde alleen nog de naam van het gedicht. Ik noemde het een tijdlang Her ‘Tinder’ Touch. Het gedicht is nu opgenomen onder de naam Generatie Swipe in de bundel Het Eenmansimperium, uitgegeven door uitgeverij Cum Suis.

Generatie Swipe


Je passies zijn niet groot en kort van duur,
de smaak van het moment beheerst je leven,
de stemming van de dag of van een uur
beïnvloedt onophoudelijk je streven.

Je dient de gril van je gemoed; al geven
wanen geen voldoening, een nieuw geloof
is goed voor even (je moet er blind en doof
voor zijn, of gek, of in het nauw gedreven).

Goeroes, wonderdokters, dwangprofeten,
al die dwazen voor bepaalde tijd
die je te woord staat tegen beter weten…

Wie kreunt nog voor de eeuwigheid?
Je haalt ons binnen en je moet ons kwijt;
wij worden met een vingerveeg vergeten.

Schrijver: Ronald van Noorden © 2016 Cum Suis


Voor de geïnteresseerden, hier een kleine geschiedenis van de ontwikkeling van dit gedicht. In 2012 noemde ik het RP (naar de datingsite Relatie Planet die in die tijd nog populair was). Het gedicht eindigde minder sterk toen, namelijk met de zin: ‘wij worden met een muisklik weer vergeten!’ In 2016 doopte ik mijn gedicht om tot ‘Tinderella’, in 2017 tot Her ‘Tinder’ Touch, en nu noem ik het Generatie Swipe. Het is onder die naam opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium.