Wat voorbij is, blijft ruiken

De aantrekkingskracht van verdwenen werelden en de illusie van een gezamenlijk bestaan.

Ik zag Die zweite Heimat uiteindelijk in m’n dooie eentje. Aan degene met wie ik de vele afleveringen zou gaan kijken, schreef ik daarna provocerend dat de muziek in de film iets was om te negeren. Die zweite Heimat toont liefde en lust in combinatie met de geur van zweet en opwinding. Ze toont lichaamshaar op plekken waar wij het tegenwoordig wegscheren. ‘Reitz heeft het begrepen’ appte ik er achteraan. ‘Velen zouden geur juist een te verwaarlozen aspect van de serie noemen, maar ik niet. Je moet maar eens turven hoe vaak de regisseur het zijn personages over Geruch en riechen laat hebben.’

Waarschijnlijk sprak juist dat lichamelijke aspect me zo aan omdat ik niet meer onschuldig naar mijn medekijkster keek. Ik had iets dat als vriendschap begon voor liefde aangezien en daarmee precies datgene verkwanseld wat mij zo dierbaar was. Ik liet geen ongewenste intimiteiten op haar los, maar samen Heimat kijken zat er niet meer in. Ik bekeek de serie dus in mijn eentje, terwijl ik me er aanvankelijk juist op had verheugd die samen te beleven.

Met die geurkwestie meende ik iets te hebben ontdekt wat mij in Die zweite Heimat steeds sterker begon op te vallen: de manier waarop het verleden niet alleen wordt herinnerd, maar ook lichamelijk wordt gemaakt. De personages hebben lichamen, verlangen, zweten, ruiken, kussen, vrijen, worden ziek, sterven. Ze leven niet in een geschiedenisboek, maar in een wereld die aanvoelt, ruikt en soms zelfs een beetje stinkt. Misschien was dat wel een van de redenen waarom ik mij er zo gemakkelijk in verloor.

Want waar gaat Die zweite Heimat eigenlijk over? Op het eerste gezicht over jonge mensen die in München terechtkomen, daar een kunstenaarswereld vormen en proberen uit te vinden wie ze zijn en wat ze met hun talenten moeten aanvangen. Ze komen van buiten, zoeken elkaar op, richten een soort gemeenschap in en keren zich af van de wereld die achter hen ligt. Ze zijn ambitieus, verliefd, jaloers, egocentrisch, idealistisch en vaak hopeloos. Hun kleine wereld wordt hun grote wereld. En vervolgens valt die wereld langzaam uiteen.

Dat patroon kwam mij merkwaardig vertrouwd voor. Ik had in de jaren tachtig zelf deel uitgemaakt van een groep die, hoewel de omstandigheden anders waren, in sommige opzichten opvallend veel weg had van de wereld die Reitz hier oproept. Ook bij ons waren velen vanuit de provincie naar de stad gekomen. In Amsterdam vormden we een bende van krakers, kraakwachters en andere lieden die leefden in panden die op de nominatie stonden om te worden gesloopt. We hadden onze eigen opvattingen over hoe het leven eruit zou moeten zien en keerden ons, ieder met zijn eigen variant daarop, tegen wat we de overvloedmaatschappij noemden. We wilden niet zonder meer meedoen aan de wereld die ons werd aangeboden. We wilden haar veranderen, ontlopen of op zijn minst laten zien dat het ook anders kon.

Ook wij vormden een tijdelijke gemeenschap. Ook wij waren ervan overtuigd dat wat wij deden betekenis had. En ook bij ons viel de boel uiteindelijk uit elkaar. Dat laatste is misschien wel het meest herkenbare aan Die zweite Heimat. Niet dat ik mijzelf of mijn generatiegenoten één op één met de personages zou willen vergelijken. Daarvoor waren de verschillen te groot. Maar ik herken de eigenaardige combinatie van overtuiging, jeugd, ambitie, groepsvorming en zelfoverschatting. Ik herken ook de manier waarop een kleine groep mensen voor zichzelf een wereld kan scheppen waarin de eigen problemen tijdelijk belangrijker lijken dan alles wat zich daarbuiten afspeelt.

En hier begint mijn ongemak met sommige manieren waarop Die zweite Heimat kan worden bekeken. Je kunt de serie namelijk lezen als een verhaal over de jaren zestig: over de politieke veranderingen, de studentenbeweging, de culturele omwenteling en de geboorte van een nieuwe Duitse filmcultuur. Vanuit dat perspectief kun je Reitz verwijten dat hij zijn jonge kunstenaars te veel afzondert van de maatschappelijke werkelijkheid waarin zij leven. De politieke strijd wordt dan decor, terwijl de persoonlijke levens van de kunstenaars het eigenlijke drama vormen. De geschiedenis wordt teruggebracht tot de geschiedenis van een groep mensen die elkaar liefhebben, haten, verraden, inspireren en verliezen.

Maar ik vraag mij af of dat niet precies de verkeerde eis aan deze serie is.
Ik hoef helemaal niet te weten of de studentenrevolte in Die zweite Heimat historisch volledig, evenwichtig of representatief wordt weergegeven. Ik wil weten hoe het geweest kan zijn om daar te staan, midden in zo’n kleine wereld, wanneer je nog jong bent en denkt dat de groep waartoe je behoort misschien werkelijk iets bijzonders vertegenwoordigt. Ik wil weten hoe het voelt wanneer die wereld langzaam groter wordt en je haar daardoor juist kwijtraakt. En ik wil weten wat er overblijft wanneer iedereen uiteindelijk zijn eigen kant op gaat. Want dat is ook wat ik zelf heb meegemaakt.

De meesten van ons zouden later terechtkomen in precies die maatschappij waartegen we ons zo nadrukkelijk hadden afgezet. Sommigen zouden beroepen of levensstijlen kiezen waarmee ze juist enorme profiteurs van de welvaart en de consumptie zouden worden die we vroeger verafschuwden. De kraakpanden verdwenen, de groep viel uiteen en de overtuigingen die ons ooit bij elkaar hadden gebracht kregen andere vormen, of verdwenen helemaal.

Misschien is het daarom dat ik de melancholie van Die zweite Heimat niet zonder meer als een gebrek kan zien. Natuurlijk is de serie achteraf gemaakt. Natuurlijk kijkt Reitz terug. Natuurlijk maakt hij van een verdwenen wereld een soort verloren thuis. Maar wat moet hij anders doen? Wie terugkijkt op zijn jeugd kijkt per definitie vanuit het verlies van wat inmiddels voorbij is. Daarom vind ik het te gemakkelijk om de nostalgie van Die zweite Heimat tegen de serie zelf te gebruiken. De kritiek zou dan zijn dat de serie nostalgie bekritiseert naar het verleden, terwijl ze zelf nostalgisch naar een verleden terugkijkt.

Maar nostalgie is niet noodzakelijk een historische claim. Ze hoeft niet te betekenen: zo waren de jaren zestig, zo zag die gemeenschap eruit, zo verliep de geschiedenis. Ze kan ook de vorm zijn waarin een ervaring zich na tientallen jaren aan iemand opdringt. Wie een verdwenen gemeenschap probeert terug te halen, maakt haar onvermijdelijk mooier, samenhangender en betekenisvoller dan zij destijds misschien was. En misschien is dat precies wat mij in Die zweite Heimat zo treft. Niet dat ik er de jaren zestig in herken, maar dat ik er iets herken van de merkwaardige illusie dat een groep jonge mensen samen een wereld kan vormen die groter is dan de wereld waarin zij toevallig terecht zijn gekomen.

Ook die wereld houdt geen stand. Maar zolang zij bestaat, zit er een prettig luchtje aan.