Teveel gezien, teveel gezegd

Soms breng je een verkeerde boodschap over.

De ‘reglementenfeeks’ droeg een fleece met letters op haar rug. Ze was een BEGELEIDER. Ik beschouwde haar als de ‘opperzeurkous’ aan de andere kant van de klapdeur. Ik weet dat bakfietsrijders daar niets te zoeken hebben. Het gebouw kent een eenvoudige indeling. Een muur deelt het enorme depot door de helft. De ene kant is gereserveerd voor de chauffeurs; hier halen zij hun postpakketten op. Vrachtwagens ‘docken’ aan een laadperron elders. De bestelbusbestuurders krijgen hun postpakketten op rolcontainers aangeleverd. Die rijden ze zelf in hun laadruimten. Doorgaans loopt alles op rolletjes. Het kan er daar ’s morgens ontzettend druk aan toe gaan.

Bij de chauffeurs gaat het er in de vroege ochtend hectischer aan toe dan in het ‘fietsenhok’ waar ik rond tienen mijn vervoermiddel kom inladen en ophalen.

Wij postbestellers aan de andere kant hebben het gemakkelijker wat laden betreft. Onze elektrische middelen staan in slagorde klaar. Als je zo rond tien uur ‘s ochtends op het depot komt, is het meeste voorwerk al gedaan. Dat betekent dat pallets met brievenbuspost vanaf de chauffeurskant door een heftruck zijn aangeleverd. ‘Depotmanagers’ hebben de post, rond die tijd, meestal al verder verdeeld. Het enige dat je zelf nog moet doen, is de zakken met handpost en brievenbuspakjes overzetten naar de fiets of de bakfiets die bestemd is voor de wijk waar je die dag moet bezorgen.

Elektrische aandrijving is een revelatie. In het dorp waar ik bezorgde, moest ik m’n eigen spierkracht en m’n eigen brik gebruiken. Nu rijd ik op die rammelkast alleen nog tussen m’n woning en het depot op en neer. Voor een postbode begint de zwaardere klus bij het bezorgen. Zeker wanneer je een nieuwe wijk loopt. In de eerste week stemde de hoeveelheid werk niet overeen met mijn contracturen. Ik kreeg meer op mijn bordje dan mij zinde. Met het inwerken alleen al was ik meer tijd kwijt. Dat had men niet goed ingeschat. Zonder een collega die je begeleidt – wat bij nieuwelingen eigenlijk altijd plaatsvindt – loop je in zo’n nieuwe wijk enorm te zieltogen. Bij mij waren ze er vanuit gegaan dat ik me wel zou redden. Ik had tenslotte elders al ervaring opgedaan.

Een extra moeilijkheidsfactor van die eerste dagen in Arnhem, was dat mij ‘impopulaire’ buurten waren toegewezen. Zo gaat dat nu eenmaal; langer in dienst zijnde collega’s verruilen wijken die ze onprettig vinden voor bezorglocaties die hun voorkeur hebben. Dat mag, daar stemmen teamleiders in toe, maar het is een langzaam proces; je moet wachten tot degenen die daar standaard bezorgen, plaats voor je maken. Verhuizing, ziekte-uitval, sabbatical, pensioen, baanwisseling, sterfte of ontslag, het zijn geen gebeurtenissen die zich dagelijks voordoen. Uiteindelijk val je op je plaats en wordt alles aangenamer. Ik nam de mij toegewezen bezorgwijk voor lief – ik kan goed leven met de heersende mores – maar naast de gebruikelijke inwerkvertraging, liep ik ook tegen wat specifiekere problemen aan.

Het Broek is een wijk die wordt gekenmerkt door een bijzondere mix van bewoners, achtergronden en verhalen. De hoge mate van diversiteit geeft de buurt kleur, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Veel mensen leven er in huurwoningen en hebben te maken met krappe financiële omstandigheden, wat soms leidt tot stress en een gevoel van beperkte perspectieven. Het Broek is een wijk waar warmte en rauwheid hand in hand gaan. Je kunt er een prettig gesprek hebben met iemand die voor haar woning zit met een kop koffie, en daarna worden onderbroken door een man die je toebijt dat je niet moet praten met “dat kankerwijf” (dat overkwam mij in die eerste week). Zulke momenten laten zien hoe dun de scheidslijn hier soms is tussen gemoedelijkheid en agressie. Voor iemand die dagelijks door de wijk beweegt, wordt dat contrast steeds zichtbaarder: de vriendelijke glimlach van de een, tegenover de vijandige uitval van de ander.

Dat wat betreft die wijk, waarvan een groot deel, na renovatiewerkzaamheden, trouwens prachtig in de verf staat. Dan is er nog Remisestraat 2, dat ook tot mijn bezorgdistrict behoort en z’n eigen zorgen kent. Iriszorg, dat zich daar bevindt, is een instelling die opvang en ondersteuning biedt aan mensen die worstelen met verslaving, vaak in combinatie met psychische of sociale problemen. Het is een plek waar bewoners structuur, zorg en een vorm van stabiliteit proberen te vinden, met steun van begeleiders die hen stap voor stap bijstaan. Voor mij roept zo’n instelling gemengde gevoelens op: ik weet dat er kwetsbare mensen verblijven, maar de nabijheid van verslavingsproblematiek maakt de omgeving ook onvoorspelbaar.

Eigenlijk deed zich daar een heel lief incident voor, dat precies die dubbelheid samenvat. Terwijl ik de post afleverde, bood een bewoner spontaan aan om het stapeltje post van me over te nemen en binnen af te geven bij de begeleiders. Dat was oprecht bedoeld, en ik geloofde hem ook. Toch voelde ik de spanning: ik droeg een verantwoordelijkheid, en het idee om een hele bundel post zomaar aan hem mee te geven, zat me niet lekker. Bovendien was ik zelf nog op zoek naar de juiste houding. De wijk was nieuw voor me. Ik had net hectiek meegemaakt in Het Broek. Als dorpsbezorger te Dieren werd het me snel te veel. Ik zei dat ik de post wel wilde overhandigen, maar dan graag samen naar binnen wilde lopen om de begeleiders persoonlijk te leren kennen en de post rechtstreeks bij hen af te geven. Zo vond ik een middenweg: zijn goede bedoelingen erkennen, maar ook mijn eigen verantwoordelijkheid waarmaken.

Er speelde nog meer mee. Kort daarvoor had ik in de Gelderlander gelezen dat er in datzelfde pand sprake was van open tbc. Dat gegeven knaagde ergens in mijn achterhoofd. Onwennigheid, voorzichtigheid en een vleug van wantrouwen mengden zich met de wens om het goed te doen. Ik was me er bewust van dat ik gespannen overkwam. De ervaring ging niet in mijn koude kleren zitten, maar liet me ook zien hoe complex de werkelijkheid is in een wijk als deze: achter de gevels spelen verhalen vol moeite en strijd, maar ook onverwachte momenten van menselijkheid en goedheid.

Na deze belevingen reed ik met mijn leegbezorgde bakfiets terug naar het depot. Daar wachtte me, alsof de dag nog niet genoeg verrassingen had gebracht, een laatste uitdaging. Ik bezat nog geen pasje om via de gebruikelijke ingang naar binnen te kunnen. De teamleider had me daarom gewezen op een omweg die ik, bij wijze van uitzondering, mocht gebruiken: aan de chauffeurskant kon ik naar binnen om via de eerder genoemde dubbele deur alsnog in de fietsgarage te belanden. Wat de teamleider er niet bij had verteld – waarschijnlijk omdat hij het zo vanzelfsprekend vond – was dat ik die route lopend moest afleggen.

De bedoeling was dat ik mijn bakfiets bij de normale ingang zou achterlaten, vervolgens zelf de omweg zou nemen, om de fiets daarna van binnenuit op te halen. Ik begreep dat anders, en nam de omweg met bakfiets. Aan toevallig aanwezige chauffeurs vroeg ik, of ik kon doorrijden. Zij staken hun duim wat plichtmatig omhoog; ze konden me eigenlijk geen uitsluitsel geven. Uiteindelijk liep ik tegen de eerder genoemde begeleidster aan die wel verantwoordelijk was en dat nadrukkelijk liet blijken. Ze maakte me op strenge toon duidelijk dat wat ik deed absoluut niet was toegestaan.

De spanning van alles wat ik die dag had meegemaakt zat nog diep in mijn lijf toen ik oog in oog kwam te staan met de strenge begeleidster. Haar toon en houding – onbuigzaam en scherp – voelden op dat moment verstikkend; ik had geen ruimte meer om met dergelijke serieusheid om te kunnen gaan. Voor even werd het me te veel; alle protocollen, regels en waarschuwingen drukten op me alsof ik ze niet meer kon bevatten. In mijn frustratie, die ik achteraf als ongepast en ondoordacht beschouw, ontglipte mij een reeks geïmproviseerde, spottende benamingen; stuk voor stuk woorden die in de hitte van het moment mijn oplopende stress probeerden te verwoorden.

Achteraf voel ik spijt over mijn uitbarsting. Deze collega deed gewoon haar werk en handhaafde regels die essentieel zijn voor de veiligheid en het ordentelijk functioneren van het depot. Mijn reactie was onterecht en toonde onvoldoende begrip voor haar positie en de verantwoordelijkheden die zij draagt.

Een bozig oogje dichtdoen

Zelfs de onverkwikkelijke veranderingsdrang van projectonwikkelaars werd mij hier een zorg.

Ik ben hier onlangs neergestreken en meet mijn omgeving in vierkante meters. Daarnaast zoek ik ‘dingetjes’ uit over mijn nieuwe habitat. Zo ontdekte ik (zie eerder) dat er op wikipedia over Angerenstein als wijk met geen woord wordt gerept en dat het gemeentebestuur voor mijn woongebied de benaming buurt hanteert. Mocht het ze al interesseren, dan houden buurtbewoners het woordje wijk in ere. Niet verwonderlijk, zo concludeerde ik, want mythe en verbeeldingskracht, fantasie en legende, vormen de basis waarop localisme is gestoeld. Net als bij nationalisme en populisme zijn feiten immers ook maar meningen.

Tussen sloop en nieuwbouw kon de oude Libanonceder even op adem komen. Dat wil zeggen: als hij toen al niet was murw geslagen.

Het ons kent ons gevoel lijkt hier zo groot dat je heel goed met alleen maar de suggestie van iets waarachtigs kunt leven. Ter bevestiging van het feit dat we het over meer dan alleen maar een buurtpark hebben met wat straatjes eromheen, is er bovendien de Stichting WIJKbelangen Angerenstein, die in haar WIJKkrant met tribaal bevestigende artikelen, het ‘gesundenes Volksempfinden’ levend houdt. Lees dat orgaan en je weet wat men wil dat je waarneemt, en wat er ogenschijnlijk speelt in dit buurtje.

Bij één van die – de sociale cohesie aanwakkerende – artikelen wil ik hier even stilstaan, omdat ik vreesde dat men bij de beschrijving van zo’n verbindend wijkinitiatief het zicht op de werkelijkheid wel erg uit het oog was verloren. Er wordt over dit zogenaamde SOSA-project gerept alsof het een architectonische meesteroplossing is, maar je ziet meteen dat men ten koste van oude esthetiek, elf huiseigenaren heeft bevoordeeld die toch al de middelen hadden om waar dan ook iets exclusiefs te vinden; met de nadruk op exclusie.

Aangespoord door het lovende stukje, liep ik er hoopvol heen, om tot mijn spijt te ontdekken dat de toegankelijkheid tot de omliggende natuur, die een schooltje, een plein, een vijver en een ceder ooit boden, volledig om zeep is geholpen. We hebben nu meer te maken met een ‘gated community’. Ik ken dat van mijn wandelingen door Thailand. Je hoefde maar met een teen in de richting van de toegangspoort te wijzen of een omhooggevallen privébewaker begon z’n machtswellust op jou, armetierig rugzaktouristje, bot te vieren.

Terug naar dat artikel. Men had veel moeite gedaan, zo las ik, om de monumentale ceder te behouden. Helaas: door het hek en zijn achtergrond lijkt de boom een gearresteerde die zijn vonnis met een enkelband in de eigen omgeving mag afwachten. De vijver is wel mooi maar ook hier roept de omheining uitsluiting en straf op. Als je er een blik in werpt voelt het alsof je in iemands privépoel staat te vissen. Wijkbelangen hebben hier duidelijk plaatsgemaakt voor woonbelangen van huizenbezitters met clanachtige privileges en sentimenten.

Ze ondervinden ongetwijfeld veel plezier bij hun jaarlijkse barbecue, maar een vorkje meeprikken is er voor vreemdelingen niet bij. Deze manier van bouwen drukt pottenkijkers weg en ik kan mij als wandelliefhebber en bouwstijlbewonderaar alleen maar verbazen. Je voelt je op deze plek een misleide, een verdwaalde of een opdringerige. Natuurlijk verstomt de kritiek na verloop van tijd. Dat is de tendens bij alle gemutuleerde missers in de woningbouw. Er is heel wat soesa geweest over dit project, naar ik heb begrepen, dus ik loop als nakomertje duidelijk achter de feiten aan.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik met een onbedorven, want verse blik naar een oude kwestie kijk. En toch bleek mijn gebrom voorbarig. Bij dat verse observeren van mij had ik één ding nagelaten. Ik was er nog niet aan toegekomen om te kijken hoe het er hier vroeger uitzag. Tja, wat zal ik daarvan zeggen? Ik vrees dat ik mijn eerdere kritiek moet herformuleren. Het wijkblad was niet zozeer het zicht op de werkelijkheid verloren, maar sloot gewoon niet aan bij mijn verwachtingen. Die leken gebaseerd op een prachtig gewaande omgeving die door de veranderingsdrang van vastgoedjongens en metselbazen onder de sloophamer was gekomen.

Dat blijkt niet het geval. Wat hier sinds 1976 stond was een oerlelijk schooltje waar men christelijke kleuterleidsters ‘kweekte’. De latere opleidingsinstituten die zich hier vestigden, alsook de kunstenaars, die er als laatsten gebruik van maakten, hebben de executie van deze onbeduidende doos alleen maar vertraagd. Ik moet eerlijk zijn: lelijkheid is gewoon door lelijkheid vervangen. Louter afgaand op architectonische waarden, hebben we het hier over een budgetneutrale operatie. Er lijkt op dat gebied niets gewonnen of verloren. Alleen is het grootste deel van het omringende groen nu in ‘bezit’ van de bewoners.

De libanonceder werd in 1875 geplant in het prachtige park van Huis Klarenbeek. Zoals dat bomen betaamd heeft hij de veranderzucht in zijn nabijheid lijdzaam moeten ondergaan. Hij werd zorgvuldig ingepast in latere nieuwbouwplannen. Iedere baksteen in de buurt van zijn stam was er één teveel, maar men begon zijn omgeving al vroeg te veranderen. Waar zou je je, na verloop van tijd, nog druk om maken? Ook hij zal zijn zinloze verzet zo langzaamaan wel zat zijn.

Over de bouwsels op de plaats van het voormalige Hof van Klarenbeek kunnen we sinds de tweede helft van de jaren 70 zeggen: het is niets maar het was ook niets. Deze foto van het oude S.O.S.A.-gebouw zegt wat dat betreft genoeg. De afbeelding staat op bladzijde 147 van het boek Angerenstein, van landgoed tot woonwijk uit 2008 van de Stichting Wijkbelangen Angerenstein. De foto is gemaakt door Kees van Koppenhagen.


Lieuwe spreekt

Zonen die over hun dode vaders vertellen maken me huilerig op een bijna gênante manier.

Vandaag belandde ik bij toeval in een documentaire over de zoon van Theo van Gogh. Lieuwe is een jongen die in tegenstelling tot zijn vader eigenlijk niet in de belangstelling wil staan. Hij verzet zich daarom aanvankelijk tegen een interview dat de voormalige assistente van Theo met hem wil voeren. Voor haar besluit hij een uitzondering te maken; zij loopt tenslotte ook nog steeds met haar verdriet rond om de moord op een opmerkelijk man.

Gedurende een groot aantal dagen trekken zij samen op. Eigenlijk doet de voormalige assistente met Lieuwe precies hetzelfde als wat zij vroeger met Theo deed. Ze bezoeken dezelfde plaatsen. Ik vermeld de dingen die me vooral zijn bijgebleven in dit interview hier puntsgewijs.   

  1. Lieuwe heeft er lang aan gedacht om een kaartje naar de moordenaar van zijn vader te sturen in de gevangenis: ‘Kijk, ik leef een gelukkig leven terwijl jij aan het rotten bent in de gevangenis. Je zit een levenslange gevangenisstraf uit. De politieman die indertijd de keuze had om je dood te schieten of in je been, heeft een goede beslissing genomen. Jou doodschieten zou een gunst geweest zijn. Nu word je dagelijks gedwongen om na te denken over je daad.’ Zoiets. Het is er tot nu toe niet van gekomen om het kaartje te schrijven. Maar dat inwrijverige, jezus, hoe begrijp ik dat.
  2. Lieuwe ging boos naar bed op de laatste dag dat hij samen met zijn vader was. Daarover lijkt hij totaal geen spijt te hebben en dat zegt iets over de relatie die hij met zijn vader had. Hij lijkt te beseffen dat dit soort van kleine huiselijke conflicten geen invloed hadden op de overkoepelende liefde die de mannen voor elkaar voelden. Ze kibbelden wel vaker en ze hielden toch wel van elkaar. Herkenbaar.
  3. Lieuwe bezoekt een tatoeagestudio waar hij wel vaker een tatoeage heeft laten zeggen. Hij laat weten dat zijn vader tegen het zetten van zo’n tatoeage was.
  4. Wat me enorm ontroerde was de volgende uitspraak van Lieuwe: “Elke keer dat ik me scheer is het nog steeds zo dat ik een wond heb. Op die momenten denk ik: ik had een vader nodig.” Ok, hoe vaak scheert een man zich? Ik constateer dat hij nog iedere dag aan zijn vader denkt. 
  5. “[Ik mis] de zondagen samen als we films op tv keken. Zijn buik was een zachte poef waar ik mijn hoofd op kon leggen.” 
     

Voortuinen waardoor rivieren stromen

De grootheidswaan van een bronbeekbuurtje.

Ik ben hier pas komen wonen en verken mijn omgeving per strekkende meter. Intussen raadpleeg ik betrouwbare bronnen om te zien waar ik nu eigenlijk belandde. Wist je dat Wikipedia wonderwel zwijgt over Angerenstein als wijk? En de gemeente Arnhem doet er nog een schepje bovenop: volgens hun kaarten is dit slechts een buurt, keurig ondergebracht bij de wijk ‘Velperweg en omstreken’. Alsof ze een Rembrandt rubriceren in de categorie ‘diversen’. Maar ja, het zijn dus wel de officiële bronnen.

Kenmerkend voor park Angerenstein is de aanwezigheid van een netwerk van beken met verschillende watervallen en vijvers. […]. Ten noorden van Huis Angerenstein bevindt zich een bronvijver en enkele kwelplekken die mede de verschillende vijvers voeden. Hier bevindt zich tevens de bron van de Julianabeek. In 2005 hebben de bewoners van de Julianalaan deze beekloop ontdekt en in hun eigen voortuinen weer zichtbaar gemaakt. (Bron: Wikipedia)

Boeien! De bewoners zelf lachen om zoveel ambtelijke zuinigheid. Wie ik ook aanspreek, hij weet feilloos waar Angerenstein begint en eindigt; de harde grenzen van zijn leefgemeenschap liggen vast in stenen en stroompjes. Dit is de wijk van het wegsijpelende water (en van koophuizen waarvoor je geld als water moet hebben). Het stadhuis mag zijn statistieken koesteren, de straat weet beter. Waar je het hoort kabbelen, daar ligt Angerenstein. Het zal de gemiddelde Angerensteiner worst wezen of je het hier een wijk noemt of een buurt, als de positieve energie er maar blijft stromen; Panta rhei.

Ik zou een slechte buurtreporter zijn als ik de kwestie niet ook even voorlegde bij de man die langs het bronbeekje in zijn voortuin een steiger heeft gebouwd alsof er een sloep moet worden aangemeerd. De walkapitein legt toevallig de laatste hand aan zijn project als ik langsloop, dus ik grijp mijn kans.
“Meet men zich hier niet een al te grote broek aan als men de buurt een wijk blijft noemen?”
Overspoeld door een besluiteloze woede, kijkt hij mij glazig aan; alsof ik belletje heb getrokken en vergeten ben om weg te lopen. Het wordt tijd om mij stroomafwaarts te begeven.

Martin, de ecotopische parkambassadeur

Een visionaire vriend voor vogels van velerlei pluimage.

Als er per se een huis moet staan op een plek in een park waar beter bomen konden groeien, dan is Martin onze man. Hij lijkt me de meest geschikte persoon om dit gebouwtje in Angerenstein als bewoner en gids tolerabel te maken. Ik bedoel dit als een compliment. Als we dan toch een vertegenwoordiger van het groen naar dat onderkomen moeten afvaardigen (waarop overigens ook al horeca-exploitanten zaten te azen), is hij de beste gastheer die een voormalige forellenkwekerij zich maar kan wensen. Omdat hij bereid is om aan wie dan ook uitleg te verschaffen over alles dat met flora en fauna te maken heeft. En meer.

De flamboyante Martin was precies wat deze doos in het park kon gebruiken, zeker als we weten dat er op deze locatie ook al horeca-exploitanten en vastgoedinvesteerders zaten te azen. ‘Alcedo Atthis‘ is de wetenschappelijke naam voor de ijsvogel. Verder staat er onder de nok van de voorgevel: ‘Nunc fluens facit tempus‘. Dat betekent: Het stromende nu maakt de tijd. Dit correspondeert met een andere spreuk (zie verderop) die met eerbied in de bast van een boom rond Martins’ huis is gekerfd.

Hij doet me aan Jan Timman denken; de grote, wijze schaker die sprak met een zachte, ietwat bekakte stem. Dat rustgevende timbre klonk nooit overdreven of gekunsteld, maar paste gewoon bij zijn statuur en bij zijn gedistingeerdheid. De onderwerpen die deze Martin aansnijdt zijn interessanter dan welke gespekstof ook; Martin houdt van de hem omringende natuur. Hij praat bloemrijk over alles dat groeit en bloeit en hem altijd weer boeit.

Hij geeft toe dat hij deel uitmaakt van een biotoop en daarin als mens niet eens de primus inter pares is of het alfamannetje. Martin communiceert met vogels, maar niet predikend zoals Franciscus van Assisi, en niet bezwerend zoals figuren in de mythologie of folklore. Vergeet de auguren (vogelwichelaars) in het oude Rome of de oppergod Wodan die zijn raven Huginn (‘gedachte’) en Muninn (‘geheugen’) met onderzoeksopdrachten de wereld instuurde. Als Martin met vogels praat, verandert hij zelf in een vogel.

Als educatieve kindervriend heeft Martin ook duidelijk meerwaarde op deze plek in het park onder de bomen. De buurtjongeren komen spontaan bij hem aankloppen. Voor de schoolgaande jeugd is het snel duidelijk dat ze hier te maken hebben met een heuse boswachter die verstand heeft van klimaatopwarming en andere milieuzaken (handig voor als je een opstel moet schrijven). Hij denkt niet alleen met je mee maar hij laat ook je idealen intact. Toen een peuter vroeg of hij een kabouter was, zei hij zondermeer ja.

Als Martin je ontvangt in zijn habitat geeft hij eerst een rondleiding bij zijn huis voordat hij je binnenlaat. Hij somt de ontmoetingen op die hij had met zijn medeschepselen en toont je aan waar die plaatsvonden. Het verbaast je dat een plek in een stad – want dat blijft het – zoveel observaties met zeldzame dieren kon opleveren: de ijsvogel, zwarte zwaan, ringslang, Groene specht, Oehoe, Wielewaal, Hazelworm, Das, Boommarter en Waterspreeuw. Laat Martin vooral het waarom van het pootjewippen van de Waterspreeuw aan je uitleggen.

Daarna laat hij je binnen in een ruimte zonder tussenmuren. Zijn woning is één groot lokaal (hij slaapt op zolder). Deze voormalige biologieklas stond oorspronkelijk vol met broedbakken, gevuld met eierdril, zich ontwikkelende embryo’s en net uitgekomen visjes. Dat gekweek is niet de nobelste geschiedenis, vind ik, maar je kunt je  voorstellen dat de Heidemij in de gelegenheidsrol van vishouder, dankbaar gebruikmaakte van het kraakheldere water dat van de heuvel stroomde. In de vijvers rondom werd spartelend zilver grootgebracht en voor goudgeld verkocht. Ooit moet de stichting zich hier een klein fortuin op de forellenmarkt hebben verworven.

Martin ontpopt zich als een pleitbezorger van de ecotopie. De term Ecotopia is na de roman van Callenbach, die het woord had gemunt, door allerlei denkers, activisten en gemeenschappen verder ingevuld en verbonden met bredere spirituele, activistische en politieke stromingen. Daarbuiten werd de term ook filosofisch verbreed door bijvoorbeeld Latour met zijn Actor-Network Theory: een wereldbeeld waarin niet-menselijke actoren (dieren, rivieren, bossen) volwaardige deelnemers in de samenleving zijn. Verder heeft Ernst Bloch zijn utopiebegrip (het ‘nog-niet-zijnde’) erop toegepast: Ecotopia als horizon waarnaar we ons oriënteren. Vraag Martin er maar naar en hij kan er bevlogen op doorfilosoferen.

De boeken in deze reeks waren typische ‘stichtelijke boekjes’, wat betekent dat ze geschreven werden vanuit een protestants-christelijke levensbeschouwing en lezertjes morele of religieuze waarden moesten bijbrengen. Jacoba van der Steen-Pijpers baseerde de verhalen in haar Barendje-serie vaak op de belevenissen van haar eigen zoons. De boeken werden uitgegeven door G.F. Callenbach in Nijkerk.

Onze parkambassadeur besluit de rondleiding met een citaat uit een stichtelijk boekje dat hem als kind (in Leiden) werd voorgelezen; een deeltje uit een reeks vertellingen over Barendje, geschreven door Co van der Steen-Pijpers, die zich liet inspireren door haar woonplaats en de wijk in Arnhem waar zij woonde. In deze uitgave, verschenen vlak na de oorlog, wordt de kwekerij in Angerenstein al genoemd en beschreven. Dat Martin dat verhaal in zijn jeugd onder ogen kreeg beschouwt hij, achteraf gezien, als een voorteken; een verwijzing naar zijn latere bestemming. Het emotioneert hem nog steeds. Wil hij hiermee suggereren dat hij in predestinatie gelooft? Of is juist het toeval de ware tranentrekker? Hoe dan ook, Martin blijkt naar een zorgvuldig gekozen hoogtepunt te hebben toegewerkt.

Zijn er dan geen dieptepunten Martin? Is het leven hier echt zo idyllisch?
Hij wil aan volwassen bezoekers best toegeven dat hij zich soms bedreigd voelt. Sterker nog: hij is bedreigd. Er is op hem geschoten. Met zo’n eenvoudig in het buurland te verkrijgen, neppistool, waarover regelmatig wordt gerept in misdaadverslagen. Het ging om twee pubers. De dadertjes zijn veroordeeld en zitten nu in een soort van reclasseringsprogramma van de jeugddetentie. Martin schijnt niet boos te zijn. Hij lijkt ook deze gebeurtenis als een soort van natuurverschijnsel op te vatten.

Zoals mensen, in alles wat ze zichzelf tegenwoordig permitteren, eigenlijk hun hele milieu om zeep helpen, was het schietincident, in een alomvattend perspectief, eigenlijk niets anders dan een wat dramatisch verlopen, biologische gebeurtenis, relativeert Martin. Natuur die zichzelf vernietigt; het omgekeerde van altruïsme. Dat komt soms voor ja. En ja, die jochies gingen veel te ver natuurlijk. Die waren ontspoord. In de rechtzaal leken ze bange, te vroeg uit het nest geduwde, vogeltjes.

Martin heeft toen aangegeven dat hij best met ze wilde praten.

Nunc stans facit aeternitatem. Deze Latijnse uitdrukking betekent: Het staande nu maakt de eeuwigheid. Dit is het tweede deel van de filosofische uitspraak van Boëthius. Het concept draait om het onderscheid tussen twee soorten ‘nu’:
1. Nunc Fluens (Het stromende nu): Dit is het veranderlijke moment dat onmiddellijk overgaat in het verleden en de toekomst. Dit creëert de tijd (tempus).
2. Nunc Stans (Het staande nu): Dit is het onveranderlijke, tijdloze, absolute heden. Het is een moment dat niet voorbijgaat, maar alle tijd omvat. Dit creëert de eeuwigheid (aeternitatem).
Boëthius definieerde de eeuwigheid als “de perfecte, totale en gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven.” Het is een nu dat vaststaat en alle momenten tegelijkertijd bevat, in tegenstelling tot onze menselijke tijd waarin het nu constant wegglijdt.

P.S. Toeval bestaat niet, zeggen sommigen. Ik ben een andere mening toegedaan, maar toch is het grappig: de schrijver van Ecotopia heet Ernest Callenbach, en de Barendje-boekjes van Jacoba van der Steen-Pijpers verschenen ooit bij uitgeverij G. F. Callenbach in Nijkerk. Twee heel verschillende werelden, verbonden door één naam.

Muziekindelingen (1. Klassiek)

Iemand moest de eeuwige herrie rubriceren.

Voor mij bestaat er niets aangenamers dan het maken van indelingen, lijstjes, schema’s, tabellen en, als het even kan, sub-tabellen met voetnoten. Mijn ex schreef dat toe aan haar overtuiging dat ik een ambulant praktijkvoorbeeld was van iemand met een gedragsstructuur in het autistische spectrum. Ikzelf ben van mening dat we mijn behoefte aan overzicht niet hoeven te medicaliseren. Het feit dat ik ooit een Excel-bestand heb gemaakt voor de optimale indeling van de keukenkastjes, vloeit, naar mijn smaak, gewoon voort uit efficiëntie.

Als we het toch over illustratieve gevalletjes moeten hebben, lijkt het kwalificeren of diagnostiseren van ex-geliefden als zijnde autistisch en/of narcistisch mij een veelvoorkomende ‘after-partnerschap-hobby’. Je zou het subtiel ‘het zoeken naar closure’ kunnen noemen, maar eigenlijk is het gewoon de psychologische variant van de vuilnis buiten zetten: je schuift alles wat niet meer bevalt in een categorie waar je zelf geen invloed op hebt en waar je radicaal afstand van wilt doen zonder je verantwoordelijk te hoeven voelen.

Ik denk dat dit voornamelijk te maken heeft met het verwerken van een teleurstelling over het verlies van:
1. een gedeelde toekomst.
2. nabijheid.
3. een illusie die je zelf zorgvuldig had opgebouwd.
4. de ander als handig projectiescherm.
5. je favoriete sparringpartner in schuldtoewijzing.
6. de Netflix-inlogcode.
7. een toegewijde plantenwatergever als je zelf (te lang) op reis ging.
8. de illusie dat samen afwassen ooit gezellig zou worden.

Maar het kan natuurlijk ook een vorm van revanchistische ondersteuning zijn (“Hier moet ik mijn handen wel van aftrekken!”). Een andere psychologische verklaring zou kunnen zijn dat men stiekem hoopt dat de ex later in een gesticht opduikt en dat men dan kan zeggen: “Zie je wel, ik had het altijd al gedacht.” Enfin, genoeg amateurdiagnostiek. Laten we nu doorgaan naar mijn eerste te publiceren indeling, en wel die van de klassieke muziek.

Muziek is zo veelomvattend, en er zijn zoveel verschillende stijlen en stromingen, dat je een heel leven kunt wijden aan het maken van een goed ingedeeld totaaloverzicht. En dat is dan nog vóór je überhaupt een noot hebt beluisterd. Eigenlijk luister ik niet graag naar muziek die ik nog niet heb gecategoriseerd. Ik voelde altijd dat er een grote taak voor mij was weggelegd.

Iemand moest orde scheppen, de chaos indelen, de muzikale jungle temmen. Als ik het niet deed, dan kreeg je zo’n slordige lijst waar Bach naast Bocelli stond en Mozart per ongeluk onder ‘easy listening’ was komen te vallen. Ik heb daar voorbeelden van gezien en moest toen inderdaad onmiddellijk de woorden Risperidon en Haldol googelen (zonder overigens een spoedbestelling te plaatsen). Sta mij dus toe dat ik de klankkast der beschaving voor eens en altijd alfabetiseer. Hier volgt een lijst van alleen nog maar de indeling der stijlen.

1. Symphonieën, Grote orkestrale werken, Orkestmuziek (Symfonisch gedicht, Suite, Ouverture, Sinfonietta, Kamerorkest, Concertante symfonie)

2. Piano en piano-aanverwanten, cq geslagen chordofonen. Dus: 

  • Klaviermuziek (Klaviermuziek, Pianomuziek, Orgelmuziek, Klavecimbelmuziek, Fortepiano-muziek, Dulcimer, Hammered Dulcimer)
  • Sonates en concerten (Pianosonate, Orgelsonate, Pianoconcert, Orgelconcert)
  • Kamermuziek (Pianotrio, -kwartet, -kwintet) 
  • Stijlen en genres (Toccata, Fuga, Preludes, Etudes, Fantasia)
  • Elektronische toetsinstrumenten (Elektronische orgelmuziek voor zover klassiek, Synthesizermuziek voor zover klassiek)

3. Chordofonen behalve de onder 2 genoemden. Dus:

  • Strijkinstrumenten (Viool, Altviool, Cello, Contrabas, Gamba (Viola da gamba) enzovoort)
  • Tokkelinstrumenten (Gitaar, Harpluit (Luit), Harpsichord, Mandoline, Zither, Harpsichord enzovoort)
  • Andere Snaarinstrumenten (Harpen, Banjo, Sitar, Kora, Saz enzovoort)

4. Aërofonen (Blaasmuziek, Harmonieorkest of Fanfareorkest, Koperensemble of Koperkwintet, Houtblaasmuziek, Kamermuziek voor blaasinstrumenten) 

5. Religieus gezang (Sacrale muziek, Liturgische muziek, Kerkmuziek, Geestelijke muziek, Cantate of Oratorium, Madrigaal of Motet, Requiem)

6. Opera’s (Muziektheater, Singspiel, Lyric Drama of Dramatisch Muziekstuk, Opera seria, Opera buffa, Grand opera, Operette, Ariette of Aria)

7. Wereldlijke/profane/seculiere liederen, Niet-kerkelijk gezang (Lied, Chanson, Madrigaal, Romance, Ballade)

8. Filmmuziek, Scores, Soundtracks


Ad. 5

(Hier volgt een voorbeeld van de verdere uitsplitsing van Religieus gezang waarbij ik componisten nog maar heel zijdelings noem. Dat wordt later specifieker.)

Religieus gezang in de klassieke muziek omvat een brede verzameling muziekstijlen en genres die worden uitgevoerd in een religieuze of spirituele context. Het omvat onder meer sacrale muziek, liturgische muziek, kerkmuziek, en geestelijke muziek. Hieronder een overzicht van wat elk van deze termen inhoudt en wat eronder valt:

1. Sacrale muziek

Dit verwijst naar muziek die gecomponeerd is voor religieuze doeleinden, ongeacht de specifieke liturgische functie. Het kan zowel binnen als buiten formele erediensten worden uitgevoerd. Voorbeelden:

  • Mis (Missa) – Een van de meest voorkomende vormen van sacrale muziek, geschreven voor de katholieke eredienst, bestaande uit vaste onderdelen zoals het Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei. Componisten zoals Johann Sebastian Bach (Mis in b-klein), Mozart (Krönungsmesse), en Beethoven (Missa Solemnis) schreven beroemde missen.
  • Requiem – Een dodenmis, vaak met plechtige en intense muziek, zoals die van Mozart, Verdi, en Fauré.
  • Cantates – Composities met zang, vaak geschreven voor de liturgie, zoals Bach’s kerkcantates.
  • Oratoria – Grootschalige werken voor solisten, koor en orkest, met een religieus thema maar zonder scenische opvoering. Voorbeelden zijn Handel’s Messiah en Haydn’s Die Schöpfung.

2. Liturgische muziek

Dit is muziek die specifiek geschreven is voor gebruik tijdens de eredienst en volgt strikt de structuur van een religieuze viering. Het omvat gezangen en werken die deel uitmaken van de liturgische handelingen.

  • Gregorisch gezang – Eenstemmige, Latijnse gezangen die tijdens de middeleeuwse katholieke mis werden uitgevoerd. Bekend om hun vloeiende en meditatieve karakter.
  • Anglicaanse koorwerken – Polyfone werken zoals die door Thomas Tallis en William Byrd zijn gecomponeerd voor de Anglicaanse kerk.
  • Lutherse koraal – Religieuze liederen in de lutherse traditie, vaak gebruikt in de werken van J.S. Bach, zoals zijn koraalcantates.

3. Kerkmuziek

Kerkmuziek verwijst naar muziek die bedoeld is voor uitvoering in een kerk of een andere religieuze instelling. Deze categorie is breed en omvat zowel formele liturgische werken als meer algemene religieuze composities.

  • Koraalmuziek – Muziek voor koren, vaak voor gemeenschappelijk gezang in de eredienst. Dit kan variëren van eenvoudige hymnens tot complexe motetten zoals die van Palestrina en Byrd.
  • Motetten – Polyfone koorwerken zonder instrumentale begeleiding, met een religieuze tekst. Bekende motetcomponisten zijn Josquin des Prez, Bach, en Palestrina.
  • Passies – Muziek die het lijdensverhaal van Christus vertelt, zoals Bach’s Matthäus-Passion.

4. Geestelijke muziek

Dit is bredere muziek met een spirituele of religieuze lading, maar niet noodzakelijk gebonden aan een specifieke religieuze viering. Het kan ook persoonlijke religieuze reflecties of universele spirituele thema’s bevatten.

Spirituele liederen – Bijvoorbeeld de liederen van John Dowland, die vaak spirituele en existentiële thema’s behandelen zonder strikt liturgisch te zijn.

Psalmen – Muzikale bewerkingen van de bijbelse psalmen, zoals de Psalmen van David door Heinrich Schütz.

Lofzangen – Vaak gericht op het prijzen van God, zoals het Magnificat of het Te Deum.

TikTokdiplomatie

Maakt het uit of je door de dictator wordt gecontroleerd of door de anti-democraat?

De president van de Verenigde Staten vertoont gedrag dat verre van adequaat is voor een wereldleider. Zijn beoordelingsvermogen laat te wensen over, en zijn optreden verraadt kenmerken die sterk overeenkomen met een narcistische persoonlijkheid. Dat hij daarbij ook nog vals en onbetrouwbaar is, maakt de situatie des te zorgwekkender.

‘Het maakt niet uit of je door de hond of door de kat wordt gebeten’, luidt het spreekwoord.

Het nieuws dat Oracle de Amerikaanse activiteiten van TikTok overneemt, lijkt op het eerste gezicht een gewone zakelijke deal. Maar de context maakt het verontrustend: de Amerikaanse regering onder Trump zette TikTok onder druk met beschuldigingen dat de Chinese eigenaar, ByteDance, gegevens van Amerikaanse gebruikers doorspeelde aan Beijing. De oplossing was een politieke: een Amerikaanse partij moest het bedrijf “overnemen” om de app in de VS te laten voortbestaan.

Dat Oracle deze rol kreeg, roept vragen op. Het gaat minder om echte gegevensbescherming en meer om geopolitiek en machtsuitoefening. Nationale veiligheid wordt gebruikt als dekmantel voor commerciële en politieke belangen. Digitale platforms worden zo geen instrument van onafhankelijke regelgeving of internationale afspraken, maar van de politieke willekeur van de machtigste staten.

TikTok opereert in China onder het gezag van Xi Jinping, die totale controle hoog in het vaandel heeft staan. Het probleem wordt echter niet opgelost wanneer de Amerikaanse tak in handen komt van Oracle, een bedrijf met nauwe politieke connecties en beperkte transparantie. De macht verschuift dan simpelweg van de ene invloedssfeer naar de andere, terwijl de belangen van miljoenen gebruikers nauwelijks worden meegewogen.

Een president met weinig verstand van grenzen en nuance krijgt zo plots een stevige vinger in de pap bij de Amerikaanse versie van TikTok. De situatie doet denken aan de pingpongdiplomatie van de jaren zeventig: toen al ontstond een politiek spel tussen een aspirant-autocraat en een gevestigde dictator. De vergelijking gaat op, omdat beide voorbeelden laten zien hoe de relatie tussen de landen wordt bepaald door pragmatische deals, niet door nobele idealen als veiligheid. Achter het scherm van publieke retoriek over bescherming en orde gaat het vooral om politieke en economische voordelen voor machthebbers en hun trouwe entourage.

Zowel toen als nu leidde dit soort deals tot felle controverse. Nixon kreeg destijds het verwijt dat hij morele principes opzijzette voor geopolitiek gewin. De TikTok-deal laat iets vergelijkbaars zien: de vrije markt wordt ondermijnd en politieke bevoordeling ligt op straat. Dit laatste is rechtstreeks verbonden met de nauwe banden tussen Trump en Oracle-oprichter Larry Ellison, een uitgesproken aanhanger en gulle donateur van de president.

Deze toenaderingen tussen machtspolitieke regimes laten zien dat internationale betrekkingen zelden draaien om de verheven waarden waarmee ze publiekelijk worden verkocht. In werkelijkheid gaat het om de machtsbalans, persoonlijke belangen van leiders en de opportunistische voordelen die ze eruit kunnen halen. Wat werd gepresenteerd als een sportief bruggetje naar wereldvrede – de pingpongdiplomatie – was in feite een geraffineerde schaakzet. Nixon gebruikte het om China in te zetten als tegenwicht tegen de Sovjet-Unie en tegelijk zijn eigen positie thuis te versterken.

Ook de TikTok-deal draait niet alleen maar om nationale veiligheid. In werkelijkheid is het een instrument voor de president: om economische bondgenoten te belonen, de media-infrastructuur te beïnvloeden en om symbolisch te tonen dat hij de zogenaamde ‘Chinese dreiging’ onder controle houdt; een theaterstuk van macht en propaganda dat vooral hemzelf en zijn entourage dient.

De analogie met pingpong laat zien dat het publieke verhaal toen en nu een dekmantel is voor verborgen agenda’s: geopolitieke manoeuvres, persoonlijke machtsuitbreiding en economische voordelen voor loyale elites. Terwijl het publiek een potje pingpong of een app ziet, ontvouwt zich achter de schermen een veel geraffineerder spel dat de werkelijke inzet onthult.

Hopelijk struikelt ook de huidige president over zijn eigen schijnvertoning, zodat zijn ware aard net zo genadeloos zichtbaar wordt als die van Nixon destijds.

De verboden parade die niet viel te stoppen

Hoe Boedapest opstond tegen Orbáns dreiging, met steun uit Europa.

Budapest Pride lijkt vandaag zonder geweld te zijn verlopen. Dat is op zichzelf al een overwinning, want de mars vond plaats ondanks een officieel verbod van de Hongaarse regering, dat deelname strafbaar stelt met een boete van 500 euro en mogelijk zelfs gevangenisstraffen voor de organisatoren. Er werd gedreigd met het gebruik van technologie voor gezichtsherkenning, waardoor deelnemers later alsnog in conflict kunnen raken met het bewind. Toch stroomden duizenden mensen de straten op; niet alleen queer Hongaren, maar ook bondgenoten, gezinnen, mensen met een beperking, en opvallend veel buitenlandse afgevaardigden.

Dat de Pride uiteindelijk zonder ingrijpen kon doorgaan, had volgens mij niets met tolerantie te maken, maar met berekening. Orbán weet dat harde repressie tegen de aanwezige Europarlementariërs, ambassadeurs en buitenlandse delegaties tot internationale ophef en diplomatieke schade zou leiden. Tegelijk ziet hij zijn machtsbasis afbrokkelen: in de peilingen verliest hij terrein aan Péter Magyar, en hij kan zich geen nieuw conflict veroorloven dat de Europese subsidiepotten in gevaar brengt. Angst voor gezichtsverlies en verlies van macht hield hem dit keer tegen.

Dat laatste zal vermoedelijk een doorslaggevende factor zijn geweest. Tientallen Europarlementariërs, diplomaten, en ook de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema waren zichtbaar aanwezig. Hun aanwezigheid maakte het voor de regering Orbán uiterst onaantrekkelijk om met harde hand in te grijpen: geweld tegen demonstranten zou niet alleen het Hongaarse imago internationaal verder beschadigen, maar ook diplomatieke incidenten kunnen veroorzaken. Zo werd een poging tot onderdrukking, ironisch genoeg, door internationale solidariteit geneutraliseerd.

De Pride begon ooit als een protest, niet als een feestje. In 1969 weigerden trans vrouwen, lesbiennes, en andere queer personen in New York zich nog langer te onderwerpen aan politiegeweld en discriminatie. De Stonewall-rellen markeerden het begin van de moderne lhbtq+-beweging, een strijd om gelijke rechten die nog steeds niet ten einde is. In Boedapest anno 2025 is het datzelfde vuur van verzet dat de Pride levend houdt.

Maar de context is grimmiger dan ooit. Premier Viktor Orbán regeert al vijftien jaar met ijzeren hand. Zijn regime is doordrenkt van nationalistisch conservatisme en een cynisch gebruik van culturele vijandbeelden. Lhbtq+-rechten zijn daarin een dankbaar doelwit geworden. De beruchte ‘kinderbeschermingswet’ verbiedt alle uitingen van queer-identiteit voor minderjarigen en stelt het gelijk aan schadelijke propaganda; een echo van het donkerste verleden van Europa. De wet biedt geen bescherming, maar een legitimatie voor onderdrukking.

Dat een meerderheid van de Nederlandse Tweede Kamer in mei opriep tot een kabinetsdelegatie bij de Pride, getuigt van de juiste reflex. Het was een signaal: mensenrechten zijn grensoverschrijdend. Maar niet iedereen ging hierin mee; de PVV stemde tegen. Partijleider Geert Wilders, die warme banden onderhoudt met Orbán, weigerde zich uit te spreken tegen een wet die de vrijheid van meningsuiting en vereniging ondermijnt en queer Hongaren tot tweederangsburgers maakt. Dat is geen conservatisme, dat is collaboratie met een repressief systeem en geeft aan waar hij zelf heen zou willen.

Het contrast met burgemeester Femke Halsema kon vandaag niet groter zijn. Door naar Boedapest af te reizen, ondanks een dreigend reisadvies, betoonde ze niet alleen solidariteit met de lokale queer gemeenschap, maar ook met de burgemeester van Boedapest, Gergely Karácsony. Hij noemde de Pride een “gemeenschappelijk feest van vrijheid” en onttrok het evenement aan het demonstratierecht door het als gemeentelijk programma te labelen. In zijn woorden wonen er in Boedapest “geen eerste- en tweederangsburgers”.

Dat Halsema, net als haar voorgangster Simone Kukenheim in Istanbul, het lef toont om fysieke aanwezigheid in te zetten als bescherming, is een daad van stille diplomatie en groot moreel gewicht. Niet met een schreeuw, maar door schouder-aan-schouder te staan.

Orbán lijkt de controle te verliezen. Zijn angstcampagne heeft averechts gewerkt. De Pride is uitgegroeid tot een nationaal symbool van verzet tegen autoritair bestuur. Zelfs niet-queer Hongaren sluiten zich aan, niet omdat ze zelf onder de wet vallen, maar omdat ze voelen dat dit hen allemaal raakt. Orbán is steeds kleinzieliger en machtshongeriger geworden; een leider die burgers verdeelt, angsten exploiteert, en de Europese waarden waarop hij ooit aanspraak maakte, met voeten treedt.

Vandaag heeft de Pride hem overtroffen. Niet in volume, maar in morele helderheid. De regenboog, die ooit begon als symbool van hoop in stormachtige tijden, is in Boedapest opnieuw gaan schijnen; als teken van moed, solidariteit en een langzaam opkomend nieuw Hongarije.

‘Daddy’ Donald en zijn retejong

Poen uit de belastingpot om een ploert te paaien.

Mark Rutte is inmiddels de risée van de NAVO. Met zijn geslijm richting Trump zette hij niet alleen zichzelf voor schut, maar in zijn hoedanigheid als secretaris‑generaal eigenlijk ook alle 32 lidstaten. Allereerst was er zijn controversiële bericht aan ‘dear Donald’. Trump publiceerde deze private chat met sardonisch genoegen op zijn platform Truth Social. En daar stond het dus voor iedereen te lezen.

‘Mr President, dear Donald, Congratulations and thank you for your decisive action in Iran, that was truly extraordinary, and something no one else dared to do. It makes us all safer. You are flying into another big success in The Hague this evening. It was not easy but we’ve got them all signed onto 5 percent! Donald, you have driven us to a really, really important moment for America and Europe, and the world. You will achieve something NO American president in decades could get done. Europe is going to pay in a BIG way, as they should, and it will be your win. Safe travels and see you at His Majesty’s dinner!’

Later volgde er nog een publieke grap met ‘daddy’. Rutte liet dat woord vallen in de volgende opmerking: “Then daddy has to sometimes use strong language to get them to stop.” Daarmee vergeleek hij Trump met een vaderfiguur. Een NAVO-leider wordt geacht neutraal en zakelijk te zijn. Het tonen van zulke persoonlijke adoratie lijkt ongebruikelijk, zeker naar een politicus die controversieel is. Natuurlijk, een diplomaat mag privéberichten uitwisselen, maar als ze publiek worden, vervaagt de grens tussen persoonlijk en institutioneel. Tactieken zoals vriendjespolitiek of overdreven vleierij ondermijnen de strategische neutraliteit.

Journalisten confronteerden de secretaris-generaal met de inhoud van zijn privébericht en het feit dat Trump het openbaar had gemaakt. Rutte verdedigde zichzelf en vond de toon “gepast”. Hij benadrukte dat er niets vertrouwelijks in stond. Sommige analisten noemden het een ‘charm offensive’; een vorm van bewuste diplomatie om Trump binnenboord te houden. Anderen waarschuwden voor ‘flattery-led influence’ die de betrouwbaarheid kon schaden. Er was verbazing over de openlijke adoratie tegenover een politicus wiens houding tegenover de NAVO traditioneel kritisch is.

Dit filmpje zal blijven rondzingen.

Het gaat mij er niet zozeer om dat de leider van de NAVO publiekelijk met één lidstaat flirt en of dit potentieel riskant is voor de onderlinge samenhang. Ik stoor mij aan het feit dat hij slijmt met een slecht mens. De vraag of hier niet een te persoonlijke toon wordt aangeslagen, waardoor de NAVO een soort van politiek theater dreigt te worden in plaats van een organisatie die de gezamenlijke veiligheid bespreekt, zou voor mij niet spelen als dit ronduit kruiperige gedrag naar een ander was vertoond. Ik vind het alleen maar ongelooflijk irritant dat deze overdreven, gênante woorden aan Trump waren gericht. Daardoor heeft Ruttes reputatie voor mij als neutrale leider echt schade opgelopen.

Rutte koos voor directe, persoonlijke diplomatie, wat een duidelijke breuk was met de traditionele, officiële toon die zijn voorganger kenmerkte. Sommigen zullen vinden dat dit strategische winst opleverde. Trump zou zich hierdoor gekend kunnen voelen, waardoor hij bijvoorbeeld de defensiebelofte van artikel 5 niet meer in twijfel trekt en zich opnieuw betrokken voelt bij de NAVO doelstellingen. Maar onorthodoxe diplomatie versus institutionele integriteit is zoals gezegd mijn punt niet. Dit geslijm valt onder regelrechte kruiperigheid omdat het aan Trump is gericht.

Tja, wurm jezelf er maar uit, slijmjurk; je maakt het alleen maar genanter.

Want wie is Trump nu helemaal, dat hij zo hoflijk ontvangen wordt? Laat ik dat nog even opsommen. Dit is een man die de Amerikaanse ontwikkelingshulp grotendeels stopzette, met als gevolg dat honderdduizenden mensen wereldwijd zonder voedsel of medische zorg kwamen te zitten. Met zijn handelsbeleid joeg hij complete continenten tegen zich in het harnas, en zijn economische koers bracht de Amerikaanse overheidsfinanciën in ernstige wanorde.

Hij weigert Israël publiekelijk aan te spreken op het geweld en de uithongering van burgers in Gaza, en kiest keer op keer voor stilzwijgende instemming met grof militair optreden. Ondertussen ondermijnt hij thuis de democratische rechtsstaat: hij zaait twijfel aan verkiezingsuitslagen, valt de onafhankelijke rechtspraak aan, en tart de fundamenten van de democratie.

De rechten van de lhbti-gemeenschap worden onder zijn invloed steeds verder uitgehold, en slechts drie dagen voor zijn komst naar Den Haag gaf hij nog opdracht tot luchtaanvallen waarbij naar alle waarschijnlijkheid ook burgers omkwamen. Dit is dezelfde man die, na zijn verkiezingsnederlaag, aanzette tot een poging tot staatsgreep. Hij is inmiddels veroordeeld voor seksueel grensoverschrijdend gedrag én financiële fraude.

Als rechtvaardigheid werkelijk leidend was, had hij niet in het centrum van de macht moeten staan, maar in een cel moeten zitten van het Internationaal Strafhof.

De stuka-piloot die niet stuk wilde

Een overlevingskunstenaar aan de verkeerde kant van het verleden.

Fragment nummer 2 uit van de brievenroman: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Na onze eerdere brieven, die me op een dieper niveau hebben geraakt dan ik had voorzien, merk ik dat mijn aandacht – misschien zelfs mijn waakzaamheid – is blijven hangen bij bepaalde historische figuren. In de context van onze gesprekken en jouw werk, kwam ik onlangs de naam tegen van iemand die ik nog niet kende: Hans-Ulrich Rudel.

Drie verschillende uitgaven van Mein Kriegstagebuch, het oorlogsdagboek van Hans-Ulrich Rudel, dat nog altijd populair is in ultra-rechtse kringen. Het geldt als lectuur onder deze hedendaagse populistische en neo-fascistische bewegingen om de verkeerde redenen. Onder hen wordt Rudel helaas als een cultheld beschouwd. Zij menen in zijn militarisme en onbuigzaamheid een ‘voorbeeld’ te zien. Het zou mooi zijn indien er een biografie verscheen die leesbaar was voor historisch geïnteresseerden die niet gecharmeerd zijn van autoritaire ideologieën maar zuiver het verhaal van het veelbewogen leven van Rudel als een historisch verslag willen overzien.

Gezien je historische kennis en je professionele inzet bij het blootleggen van hedendaagse extremistische netwerken, ga ik ervan uit dat deze naam je bekend is. Toch wil ik hem graag met je bespreken, misschien juist omdat ik benieuwd ben naar jouw blik, die steeds zo zorgvuldig en genuanceerd is.

Zoals je wellicht weet, was Rudel een van de meest onderscheiden soldaten van het Derde Rijk; door Hitler persoonlijk zelfs geëerd met het enige bestaande exemplaar van het Gouden Ridderkruis met Eikenloof, Zwaarden en Briljanten. Hij vloog duizenden missies, vernietigde honderden Sovjettanks, en werd ondanks zware verwondingen telkens weer ingezet. Zijn militaire dossier leest als een bizarre heldenepiek, waarin uithoudingsvermogen, fanatisme en loyaliteit op een griezelige manier samenkomen.

Wat me echter vooral trof – en waarover ik graag jouw visie zou horen – is Rudels rol ná de oorlog. Zijn onverbloemde nationaal-socialistische overtuigingen, zijn contacten met andere oud-nazi’s in Latijns-Amerika, en zijn publicaties waarin hij de nazi-ideologie geen strobreed in de weg legde, maken hem tot een van de beruchtste representanten van het naoorlogse revanchisme.

Zijn oorlogsdagboek, Mein Kriegstagebuch, is in sommige kringen haast een cultboek geworden. Het is opmerkelijk hoe open hij daarin spreekt, niet alleen over zijn militaire successen, maar ook over zijn ideologische overtuiging, die hij na de oorlog nauwelijks heeft afgezworen. Dat maakt het tot een beklemmend document: een combinatie van frontverslag, heldenverering en onverholen apologetiek.

Een stripalbum waarin Rudel wordt opgevoerd als een held van de tegenpartij.

Wat me bezig blijft houden – en ik zeg dit met de voorzichtigheid die onze briefwisseling inmiddels kenmerkt – is hoe deze figuren een zekere aantrekkingskracht blijven uitoefenen op mensen. Niet vanwege hun moorddadige ideeën, hoop ik, maar vanwege het aura van ‘kracht’, ‘trouw’ of ‘prestatie’ dat hen wordt toegeschreven. Hoe zie jij dat? Hoe duid je zo’n fascinatie in het licht van je werk?

Ik schrijf je dit niet vanuit sensatiezucht, maar uit een oprechte behoefte om te begrijpen hoe zulke verhalen blijven circuleren. En misschien ook om te toetsen waar bij jou de grenzen liggen tussen onderzoek, interesse, en morele afschuw; grenzen die jij eerder zo helder hebt kunnen markeren, en waarvan ik hoop dat je me opnieuw iets wilt uitleggen.

Met mijn warme groet, en in verbondenheid,
Onno van Dorreland

Lieve Onno,

Wat een merkwaardig toeval; of misschien moet ik zeggen: wat een onvermijdelijkheid in het grote archief dat onze herinneringen blijken te zijn. Want ja, ik ken hem, die Hans-Ulrich Rudel. En ik moet je bekennen dat ik mij, na jouw verwijzing, opnieuw in zijn levensloop heb verdiept. Dat wil zeggen: ik heb mij laten onderdompelen in wat gerust een mengeling van walging en bewondering genoemd mag worden.

Van eenvoudig Fahnenjunker (heerlijk, die barokke Duitse rangaanduidingen die ergens tussen opera en kazerne in hangen) tot succesvol Stukadoor. Je begrijpt mijn woordspeling, want hij was natuurlijk die gevreesde Stuka-piloot, specialist in het ‘pleisteren’ van Sovjettanks met bommen. En na een obligaat ‘Wir haben es nicht gewusst’ krijgsgevangene gespeeld te hebben — zijn militaire carrière eindigend met letterlijk geknakte vleugels want hij werd mank — bleef hij figuurlijk met zijn hoofd in de wolken, in de ideologische contreien van Argentinië.

Een man dus, die duidelijk zijn verdiende straf is ontlopen. Of beter gezegd: hem handig ontweken heeft, met een flair die ik met tegenzin als geniaal moet typeren. Ik denk dat zijn grote intelligentie hem meermaals uit penibele situaties heeft gered. Hij moet een listige piloot zijn geweest met een groot strategisch overzicht, een mensenkenner in zijn omgang met Hitler (die hij kennelijk met een zekere intimiteit ontmoette), een indrukwekkende, slinkse overste in zijn contact met de geallieerden, en een taaie overlever toen hij besloot te emigreren naar oorden waar de morele temperatuur milder was voor lieden van zijn soort.

Hij bleef zijn principes trouw, maar het waren niet de meest gezonde principes. Hij was, kortom, een rotzak die op onverklaarbare wijze respect afdwong. Al deze woorden zijn van mij. Wat mij nu intrigeert: is er ooit een fatsoenlijke biografie aan hem gewijd? Iemand die hem niet als held, maar als symptoom heeft durven beschrijven? Jij vraagt je dit ook af dus ik zal er verder onderzoek naar doen.

Ik steek niet graag de loftrompet af over iemand die tot het tegenkamp behoort, maar ik geloof dat ik moet constateren — met al mijn afkeer paraat — dat hij zonder meer de ‘beste’ soldaat was die de Tweede Wereldoorlog heeft voortgebracht. In de zin van: effectief, trouw, meedogenloos, onaantastbaar en ideologisch consistent tot in het graf. Het is een akelige gedachte. Maar de waarheid is zelden zacht.

Hartelijks,
Gertrud Wiesenthal

De neiging om Rudel als een held neer te zetten, ook aan geallieerde zijde, is groot; een neiging die zelden stil lijkt te staan bij zijn onverminderde trouw aan het nazisme.
Dat Rudel, een overtuigde nazi tot ver na de oorlog, nog steeds als luchtvaartheld wordt gevierd — ook door zijn voormalige tegenstanders — zegt meer over onze fascinatie voor moed dan over ons historisch besef.
De heldenstatus die Rudel ten deel valt, zelfs buiten nazi-gezinde kringen, roept vragen op over de scheiding die men meent te kunnen maken tussen technische bekwaamheid en moreel failliet.