De vlieg op haar muur leek een vreemde vermomming van steeds iemand anders. Door de sleutelgaten gluurden ook nooit dezelfden. Het aflosschema van de wisselende wachten viel niet te achterhalen. Alleen de postbode buiten veranderde alleen maar van pet. Hij had vier varianten. De man liep aangenaam snel. Hij ‘deed’ haar hele straat in minder dan acht minuten. Hij was zo weer verdwenen.
Wijkbewoners vonden dat ze iemand bij haar langs moesten sturen. De beheerder van de buurtapp belde het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag van de GGD. Ook Veilig Thuis werd ingeschakeld en iemand bezocht het Wmo-loket van de gemeente. Er waren meer ogen op haar gericht dan ze al vermoedde. “Verraders”, riep ze. De façade van haar kluizenaarswoning liet voor het eerst wat geluid door.
Ze deed niet open. Eén keer probeerde een hulpverleenster met haar te praten door de brievenbus. Dat vond toevallig plaats toen ook de postbode er gebruik van wilde maken. Ze hoorde hem “neem me niet kwalijk” zeggen. Er viel een onbelangrijke brief op de mat. Ze had zijn stem gehoord, dat vond ze spannend. Hij droeg die dag een nieuwe pet. Ze noteerde ‘beetje schor’ in haar logboek. En: ‘Nieuwe flat cap. Flessengroen’.
Meer wilde ze niet van hem weten. Van haar hoefde niemand iets te begrijpen, ook hij niet, en vooral niet dat zij deed aan contraspionage. De doucheruimte boven haar voordeur was de enige veilige plek in huis. Die had ze hermetisch afgeplakt. Zelfs de douche kon ze niet meer gebruiken. Ze bekeek de buitenwereld door een kiertje: een tochtstreepje in haar tuimelraam. Zodoende kende ze de bezorgtijd van de postbode. Hij was behoorlijk stipt.
Op een dag week hij af van zijn routine. Hij had een brief bij haar in de bus gedaan maar weifelde. Hij wilde doorlopen maar keerde terug op zijn schreden. Hij belde bij haar aan. Zij herkende zijn verwarring. Daarom hield niets haar ditmaal tegen. Ze deed vrij onbevangen open. “Sorry” zei hij “ik geloof dat ik een verkeerde brief in uw bus heb gegooid. Voor 20, niet voor 18.” Hij had gelijk. Hij had zijn fout snel ingezien, maar was toch te laat geweest met corrigeren.
“Kan gebeuren” zei zij, en daarna: “vergissen is menselijk.” Toen, alsof ze helemaal los ging, kwam er zowaar nog een derde opmerking uit haar mond: “En ik maar denken dat u een robot was.” Hij keek verbaasd, maar moest wel lachen. Nog bijkomend van haar schrik, om haar vrijpostigheid, vond ze zichzelf best grappig. Na twee clichés en maanden van stilte, had ze iets leuks gezegd. Ze gaf hem de brief terug en duwde de deur heel langzaam in het slot.
Eenmaal boven water liet ik Beke’s amfibieboot snel weer varen.
Er zijn van die momenten die je doen beseffen hoe schimmig tijd en herinnering soms samenwerken. Neem een berichtje op de ‘Bea-app’, de online stoep van onze straat, cq ons digitale buurthuis, waar prangende vragen worden gesteld. Plotseling dook daar een naam op: een hoofdpersonage uit iemands jeugd, dat ik óók kende. Dat wil zeggen: ik kende de hoofdpersoon, maar zo vaag, dat ik die nooit als vergeten zou hebben bestempeld.
De hulpvraag op de straatapp van de één en het antwoord van de ander greep de pastoor aan om te illustreren hoe menselijke goedheid altijd boven komt drijven. Hij sprak van het voertuig van de ziel waarmee soms ook onze verbeelding zich verplaatst. Terwijl ik alleen een amfibievoertuig wilde zien waarover werd gesproken. Pastoors weten dat zodra het mysterie wordt ontrafeld en het prozaïsch blijkt te zijn, de magie wegebt. Van dergelijke ontnuchteringen raakt het geloof in verval.
Het ging de zoeker trouwens om meer dan alleen maar een naam van een detective. Er hoorde ook een vervoermiddel bij. Hij formuleerde zijn zoekvraag zo:
Ik meen me te herinneren dat ik in mijn jeugd (eind jaren zestig moet dat zijn geweest), een detectiveserie heb gelezen die zich afspeelde aan de Veluwezoom. En als ik mij goed herinner, had de hoofdpersoon een amfibievoertuig. Doet dit misschien bij iemand een belletje rinkelen? Ik ben op internet aan het zoeken geweest, maar het resultaat daar is precies nul.
Een andere straatgenoot vond het antwoord. Zij noemde De schrik van de Imbosch van Carel Beke. Hierin speelt Pim Pandoer de hoofdrol. Voor mij was het verhaal net begonnen – namelijk met de zoektocht van de één – en nog lang niet geëindigd met de hulpvaardigheid van de ander, die een afbeelding van de voorkant van het boek deelde. Ik wilde die kaft meteen omslaan en beginnen met lezen. Dat amfibievoertuig moest ik zien. Ik wist op dat moment zeker dat ik niet verder kon voordat ik dat voertuig onder ogen had gekregen.
Tegelijkertijd begon er in mijn hoofd een stem te preken. Dat gebeurt wel vaker, maakt u zich geen zorgen. Het was pastoor Pim Pandoer. Hij sprak vanuit het buurthuis, dat opeens in een kerkje was veranderd.
“Wat hier gebeurde,” zei hij, “was iets heel bijzonders. Het gaat mij niet om het boek zelf, hoewel dat natuurlijk een schat aan jeugdsentiment herbergt: een detectiveverhaal dat zich afspeelt tussen de bossen en heuvels van de Veluwezoom, een amfibievoertuig dat door de modder ploegt alsof het een tijdmachine is. Het gaat mij om de hulpvaardigheid; de simpele, onvoorwaardelijke bereidheid van een medemens om te helpen.”
Dat kan wel zijn, wilde ik antwoorden, maar ik ben nu op een spoor gezet dat voor mij veel concreter is. Een twee-elementenvoertuig om een beetje filosofisch te doen, een terra-aqua-wagen om mij wat Latijnser uit te drukken, een land-en-waterkar om het luchtig te houden. Het mocht niet baten. De pastoor had het woord genomen en wilde het niet meer afgeven. Zijn kerkje was een heuse kathedraal op een heuvel geworden. Hij sprak alsof hij op de kansel stond en had, voor zijn gevoel, een geweldig thema te pakken:
Denk ook aan het contrast. De zoeker heeft gezocht, misschien met veel te veel trefwoorden op internet, hopeloos verdwijnend in de zee van digitale data. En ineens, zonder enige beloning behalve de voldoening van een goed geheugen en een groot hart, komt er iemand langs die zegt: “Oh, dat is dit boek.” Klaar. Eenvoudig. Rechtstreeks. Een beetje zoals een oude speurneus die een verdwenen aanwijzing vindt die niemand anders zag.
En er zit iets ontroerends in dit soort momenten. Want wie had ooit gedacht dat de Veluwezoom en een amfibievoertuig uit de late jaren zestig, zo’n naïeve jeugdverwondering, op een digitale app in 2025 weer tot leven zouden komen? Ergens tussen emoji’s en korte zinnetjes, gebeurt iets dat je doet glimlachen. Het herinnert je eraan dat menselijke connectie geen leeftijd kent, dat herinnering collectief kan worden gedeeld, dat het plezier van een gevonden antwoord even warm kan zijn als het plezier van het originele verhaal zelf.
Jeugdsentimenten zijn een apart soort magie. Ze zijn verstopt in geuren, in geluiden, in boeken die je als kind verslond. En soms, heel soms, komen ze terug via een ander, via een onbekende helper, en voel je je even weer die tienjarige die met ingehouden adem de pagina’s omsloeg van een detective waarvan hij elk detail koesterde.Het mooie van dit alles is dat het niet gaat om snelheid of efficiëntie. Het gaat om aandacht. Om het besef: iemand leest, iemand herinnert, iemand deelt. Dat is hulpvaardigheid in haar puurste vorm. Het soort hulpvaardigheid dat niet opschept, dat niet iets terugvraagt, maar simpelweg de wereld een beetje completer maakt.
Misschien is dat wel de moraal van het verhaal: dat de wereld, zelfs in digitale vorm, soms net zo magisch kan zijn als de amfibievoertuigen van Pim Pandoer. Dat kleine gebaren, een naam, een hint, een herinnering, een correctie, een suggestie, de wereld een beetje rijker maken; en dat ze de tijd overbruggen, van de jaren zestig tot nu, van jeugd tot volwassenheid, van een vergeten avontuur tot een gevonden glimlach.En wie weet: misschien was dat boek zelf nooit zo belangrijk geweest, als het niet had geleid tot dit moment van onverwachte, eenvoudige vriendelijkheid.
Terwijl de pastoor deze woorden sprak – op de voor hem zo gezalfde wijze – had de oorspronkelijke vrager niet stilgezeten. Hij was meteen gaan zoeken op de aangereikte trefwoorden Carel Beke, De schrik van de Imbosch, Pim Pandoer en amfibievoertuig. Hij vond op Wikipedia alles wat er te weten viel. Het werd eindelijk stil in mijn hoofd. De pastoor had zijn punt gemaakt: de zegen van onderlinge hulpvaardigheid was weer eens aangetoond.
Ik las over de schrijver en zijn antagonist. Ik kreeg de voorkanten van zijn boeken te zien. Er dook een gefragmenteerd beeld op van het amfibievoertuig. In korte tijd werd alles veel prozaïscher dan ik hoopte. Zolang iets in nevelen gehuld blijft, is de aantrekkingskracht groot, de interesse gewekt, de zoektocht in volle gang. Maar wanneer de ontsluiering komt en het geheim alledaags blijkt, vervliegt de betovering. Ik was weer snel over mijn hoogtepunt heen.
De pastoor vertrouwde veel meer dan ik op de mensheid.
Waarom Meidas Touch onmisbaar is voor de Amerikaanse (en onze) democratie.
Als Nederlander met een – naar mijn mening – goede passieve beheersing van de Engelse taal, begrijp ik de Amerikaanse politiek beter dan ik kan verwoorden; voor dat laatste ben ik niet welsprekend genoeg. Ik kan alle nuances van politieke debatten moeiteloos volgen, maar als ik zelf het woord moest voeren, zou ik minder scherp en woordrijk overkomen dan ik wilde. Alleen al daarom ben ik onmachig om het lot van Amerika ook maar een jota te beïnvloeden. Ik onderga wat daar gebeurt met de radeloosheid van een waarnemer die slechts door een glazen wand mag toekijken, bewust van de impact van de huidige gebeurtenissen, maar gevangen in een afstand die onoverkomelijk lijkt.
Vanuit Europa zie ik het MeidasTouch Network als het scherpste wapen in de strijd om het discours over de democratie te heroveren.
Die taalbarrière doet niets af aan mijn zorgen over de staat van de democratie in de Verenigde Staten, die ik wel nog steeds als de hoeksteen van de westerse wereld beschouw. Vanuit mijn Europese perspectief is het cruciaal dat er krachten vrijkomen die zich actief verzetten tegen de erosie van democratische normen. En dat is precies waarom ik Meidas Touch Network zo ontzettend belangrijk vind. Voor mij is Meidas Touch veel meer dan alleen een progressief mediakanaal. Het is een digitale verdedigingslinie. Het netwerk, opgericht door de drie broers Ben, Brett en Jordy Meiselas, is ontstaan uit pure noodzaak en frustratie over de politieke chaos. Ze waren geen doorgewinterde politieke operatoren, maar een burgerrechtenadvocaat, een video-editor en een marketingexecutive die vonden dat ze moesten handelen.
De kracht van MTN ligt in hun compromisloze aanpak om het narratief terug te veroveren van de rechtse media. In een tijdperk waarin desinformatie zich met duizelingwekkende snelheid verspreidt, gebruiken zij de moderne mediatools – korte, virale video’s en podcasts – om op heldere en directe wijze te communiceren over de feiten en de gevaren. Ze stellen zichzelf niet op als partijpolitieke influencers, maar als verdedigers van de democratie. En eerlijk gezegd is dat voor mij in deze context hetzelfde. Ze doen wat traditionele media soms te langzaam doen of te voorzichtig: ze benoemen leugens als leugens. Hun content is scherp, gevat en vaak humoristisch, maar altijd met een serieuze, feitelijke ondertoon. Ze ontmaskeren de gaslighting van de MAGA-beweging en degenen die de verkiezingsuitslagen in twijfel trekken.
Als toeschouwer die de Amerikaanse democratie als een essentieel bolwerk beschouwt, zie ik Meidas Touch als een van de meest effectieve checks and balances in het informatietijdperk. Ze mobiliseren een publiek dat snakt naar eerlijke en duidelijke berichtgeving, en ze bieden een digitaal thuis voor mensen die de democratische principes willen verdedigen. Zonder zulke onverschrokken stemmen, die niet bang zijn om hun ongenoegen over de extremen aan de rechterflank luid en duidelijk te uiten, zou het publieke debat in de VS nog verder scheefgroeien. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de broertjes Meiselas met hun netwerk een noodzakelijke en onmisbare rol spelen bij het bewaken van de Amerikaanse democratie. Ze geven de gewone burger een duidelijke stem en een krachtige tool in de strijd voor de waarheid. En dat is van onschatbare waarde.
Laten we proberen hun videokanaal naar 6 miljoen abonnees te brengen (op dit moment is dat 5,51M).
P.S.: We zien hoe politieke figuren die kritiek hebben op Trump steeds vaker doelwit worden van zijn retoriek en acties. Het is beangstigend om te bedenken wat er met het cruciale tegengeluid van de gebroeders Meiselas kan gebeuren. Als er iets gebeurt waardoor hun stem verstomd raakt, vrees ik dat dit het definitieve einde van de democratische waarden in de VS inluidt, waarmee de weg naar autocratie onder Trump definitief zou worden geplaveid. Hun veiligheid is, in zekere zin, de veiligheid van de Amerikaanse democratie zelf.
Je kent het vast: je hebt net iets besteld, betaald of geregeld, je kunt eindelijk weer een beetje tot rust komen, en pling! daar is-ie hoor: de email of het appje met de vraag ‘Hoe tevreden bent u over onze service?’ Nou, tot een paar seconden geleden wás ik nog best tevreden, bedankt, maar nu vrees ik dat ik toch iets heb opgelopen. De enige mening die ik nog kwijt wil, is dat ik vind, dat we dit uitwisselingsmoment veel te lang hebben opgerekt.
Hoe tevreden bent u over uw ervaring met ons? Hoe waardeert u onze dienstverlening? Hoe ervaart u de kwaliteit van onze service? In hoeverre voldeed onze dienstverlening aan uw verwachtingen? Kunt u op een schaal van 1 t/m 10 aangeven hoe uw ervaring met ons is geweest? We horen graag hoe uw ervaring was, zodat we kunnen blijven verbeteren. Welke momenten maakten uw reis met ons bijzonder (of juist minder prettig)? Als u uw beleving met één woord zou moeten omschrijven, welk woord zou dat zijn? STOP: NORMALE MENSEN LOPEN OF LIGGEN ELKAAR TOCH OOK NIET CONSTANT TE BEVRAGEN?
Het lijkt tegenwoordig alsof geen transactie meer compleet is zonder een digitaal kruisverhoor. Of ik nu een treinkaartje koop, een tandartsafspraak maak of een overnachting boek: het echte product is niet de dienst zelf, het gaat de ‘klantbemiddelaars’ om de enquête erna. Bedrijven willen niet alleen mijn geld, maar ook mijn emoties, in overzichtelijke vakjes van één tot en met tien. En vaak begint de ‘Customer Experience Survey’ niet (pas) na de ontvangst van het pakket, het ondernemen van de reis of het verblijf in het hotel (een dergelijke feedbackronde volgt ook, maar later). Nee, de primaire tevredenheidspeiling is gericht op het koop-, afspraak- of boekingproces zelf! Hoe was dat onvermijdelijke gedoe (niet hun woord) mij bevallen?
Wat moet ik met zo’n vraag als: ‘Zou u ons aanbevelen bij vrienden en familie?’ Verwacht men dat ik tijdens een verjaardagsfeest enthousiast uitroep: “Wat een gezellige avond; wisten jullie trouwens dat de klantenservice van mijn internetprovider echt een 9,3 waard is?” En dan de toon van die aansporingen: quasi-persoonlijk, met een vleugje chantage. ‘Uw mening is belangrijk voor ons!’ Nee hoor, mijn mening is helemaal niet belangrijk. Anders had ik niet eerst in de wacht gestaan om mijn tevredenheid te laten peilen. Want, geloof me, dat overkwam mij ook nog: dat ik moest wachten toen ik eindelijk om was om mij onbezoldigd te laten ondervragen.
We weten allemaal dat niemand die testresultaten met een oprechte klantinteresse leest. Ze verdwijnen in een spreadsheet-hel, waar ze worden omgezet in kleurrijke cirkel- en staafdiagrammen waarmee managers elkaar geruststellen dat alles prima gaat met het bedrijf. Totdat ze een daling zien van 0,3 procentpunt; dan volgt er een werksessie met post-its over ‘klantbeleving’ en ‘persoonlijk contact’. Misschien is dat wel het wrangste: klanttevredenheidsonderzoeken zijn het tegenovergestelde van persoonlijk contact. Ze doen alsof ze luisteren, maar het is ‘algoritmisch luisteren’ in het belang van een daarop volgend algoritme dat nog precieser berekent waarmee ze je daarna kunnen lastigvallen.
Een automatisch knikje, een digitaal ‘aha’, en vervolgens: niets waaraan jij als klant echt iets hebt. Want natuurlijk zit de berekening er volkomen naast. Nee hoor, ik hoef geen terugkoppeling van dit ongevraagde onderzoek, ik wens geen gerichte advertenties, ik zoek geen product in de lijn van wat ik eerder heb besteld. Laat me gewoon een eenmalige, anonieme klant zijn. Ik belief geen relatie met uw bedrijf, geen evaluatie van mijn gevoelens na iedere aankoop. Soms wil ik gewoon iets aanschaffen zonder dat iemand achteraf vraagt hoe ik me daarbij voelde. Weg met de klanttevredenheidsonderzoeken. Stop met die service-evaluaties. Ik ben geen ‘stakeholder’ in uw belangennetwerk.
Ik heb betaald voor wat ik ontving; daarin school alle tevredenheid die ik tot uitdrukking wilde brengen.
De grensoverschrijdende idolatrie van een gedoodverfde dictator.
Mocht je het vergeten zijn: de leider van de Partij Voor de Vrijheid reisde ooit naar Rusland om een toespraak te houden in de Doema. Hij vond deze Kremlin-echozaal kennelijk geen ‘nepparlement’, een kwalificatie die hij regelmatig had gebezigd met betrekking tot het Nederlandse lagerhuis. Hij prees de façade van het Russische volk die je net zo goed ‘de democratie in dienstverband’, ‘het theater van de instemming’ of ‘de goedkeuringsfabriek van Poetin’ kunt noemen. Het leek hem een toonbeeld van orde en nationale trots.
Het bezoek van Wilders aan het ja-knikparlement in Rusland was, op z’n minst, controversieel. De man die zichzelf graag zag als aanvoerder van de cultus van de sterke leider bleek zelf een charismatische-leider-volgeling die in het applausbureau van de Russische machtspiramide even kon ervaren wat het is om toegejuicht te worden zonder tegenspraak. Een voorproefje, wellicht, van de wereld zoals hij die graag zou zien: veel geklap, geen vragen. Het moet een verademing zijn geweest: eindelijk een parlement dat niet intrumpeert, maar bevestigt.
Hij zei dat de NAVO zich moest terugtrekken uit Oost-Europa om de spanningen met Rusland te verminderen. Wilders’ toespraak werd door de Russische media met instemming ontvangen. De Russische minister van Buitenlandse Zaken noemde Wilders’ toespraak een “belangrijk signaal”. Dat was het ook, maar niet zoals Sergej Lavrov het bedoelde. Geert Wilders heeft gestemd tegen steun aan Oekraïne op meerdere momenten.
Op 25 februari 2022, de dag na de Russische invasie van Oekraïne, stemde de Tweede Kamer in met een motie van afkeuring tegen de Russische invasie. Wilders stemde tegen. Op 2 maart 2022 stemde de Tweede Kamer in met een motie om wapens te leveren aan Oekraïne. Wilders stemde tegen. Op 10 maart 2022 stemde de Tweede Kamer in met een motie om meer militaire steun te verlenen aan Oekraïne. Wilders stemde tegen. Hij heeft ook gestemd tegen andere resoluties en moties die steun aan Oekraïne behelsden.
Wilders is later teruggekomen van zijn openlijke bewondering voor Poetin. De oorlog in Oekraïne dwong tot een herijking van zijn houding. De sympathie voor de Russische leider, ooit verpakt in retoriek over “begrip” en “evenwicht”, werd plots een lastige erfenis. Schoorvoetend koos hij de zijde van de NAVO en sprak hij zich, zij het laat en zonder overtuiging, uit voor steun aan Oekraïne. Het was geen ommekeer die voortkwam uit inzicht, maar uit noodzaak; geen besef van morele grenzen, eerder een strategische correctie in het licht van het onvermijdelijke.
Zijn fascinatie voor de sterke man is nooit verdwenen. Ze verplaatste zich slechts van het Kremlin naar Boedapest, van Poetin naar Orbán; een geestverwant die zich graag tooit met de mantel van traditie en nationale soevereiniteit, terwijl hij intussen de rechtsstaat vakkundig afbreekt. Wilders noemde hem herhaaldelijk “een echte leider”, iemand die zijn land “terugneemt”, alsof macht pas legitiem wordt wanneer ze zich onttrekt aan controle. In zijn welwillende woorden over andere autocraten klinkt diezelfde ondertoon door: een heimelijke bewondering voor degenen die ongestoord kunnen regeren, zonder de last van tegenspraak of debat.
In die zin lijkt Wilders op Trump: beiden beweren de stem van het volk te zijn, maar dulden het volk slechts zolang het applaudisseert. Hun geloof in de democratie is voorwaardelijk: ze omarmen haar als podium, niet als principe. En telkens wanneer ze zich gedwongen zien partij te kiezen voor het Westen, voor de NAVO of voor het recht, doen ze dat met hoorbare tegenzin, alsof vrijheid een noodzakelijk kwaad is. Achter hun lofzangen op nationale soevereiniteit, schuilt een diep wantrouwen jegens pluraliteit. Wat hen aantrekt in het autoritaire model, is de illusie dat orde kan bestaan zonder overleg, dat leiderschap sterker is dan twijfel, en dat de wereld eenvoudiger wordt als men haar reduceert tot blinde gehoorzaamheid van onderdanen.
We leven in een staat waarin democratische vertegenwoordiging en recht elkaar in evenwicht houden. Deze rechtsstatelijke parlementaire democratie wordt door Wilders niet geëerbiedigd. Zijn uitspraken en standpunten tasten de fundamentele rechten en vrijheden van burgers aan. Ze kunnen leiden tot een toename van discriminatie en haatspraak, en ze kunnen de democratie ondermijnen.
De psychologische en financiële terreur die critici van Trump de mond snoert.
Wat een droevig nieuws is dit. Ik hoorde het en het sloeg in als een bom, niet alleen vanwege het verlies van twee waardevolle stemmen, maar vooral vanwege de onderliggende motivering. De podcast Shrinking Trump stopt. De makers, psychologen John Gartner en Harry Segal, voelen zich genoodzaakt de stekker eruit te trekken, om een reden die een rilling door mijn hart jaagt: ze moeten vrezen voor vervolging en kunnen, mocht het zover komen, de proceskosten niet dragen.
Dat de makers zichzelf het zwijgen opleggen uit angst, nog voordat er een officiële aanklacht is, legt de focus op de gevaarlijke aard van de intimidatie. Dit benadrukt het meest verontrustende element: het is een actie uit anticipatie. Daardoor wordt het een vorm van zelfcensuur onder dwang. Dit is hoe een bedreigde democratie haar kritische stemmen systematisch de nek omdraait. Het misbruik van juridische procedures is de nieuwe tactiek om de persvrijheid te muilkorven. Preventief moeten stoppen met het louter uitspreken van je mening, dat is toch wel het ergste.
Dit is de rauwe, onverbloemde realiteit die we nu onder ogen moeten zien. Het is niet langer een hypothetisch gevaar; het is acuut. Een regering, of een politieke beweging met de intentie de democratie te ondermijnen, gebruikt de rechtspraak als wapen. Kritiek uiten wordt een financieel risico, een potentieel bankroet. Het gaat hier niet om een gerechtvaardigde vervolging vanwege een misdrijf, maar om het intimideren en monddood maken van critici door de dreiging van eindeloze en onbetaalbare juridische procedures.
En dat is precies waar de schoen wringt en waarom ik zo’n enorme zwaarte voel. Het feit dat je jezelf preventief het zwijgen op moet leggen, uit anticipatie op een dreiging die alleen al door haar bestaan zo intimiderend is dat ze haar doel bereikt. Er is nog geen dagvaarding de deur uit, er is nog geen officier van justitie in actie gekomen, en toch zijn de stemmen al verstomd. Dit is de sluipende gifbeker van onvrijheid. Het is een demonstratie van hoe een klimaat van angst, gecreëerd door de dreiging van de staat of machtige individuen, de vrijheid van meningsuiting aan het wurgen is.
Shrinking Trump was meer dan een podcast; het was een psychologische analyse, een poging om zin te geven aan de chaos, en een daad van burgerlijke moed van twee geleerden. De droeve laatste aflevering markeert niet alleen het einde van hun programma, maar ook een ‘tipping point’ in de strijd voor de democratie. Als zelfs de angst voor juridische kosten ons al dwingt tot stilte, wat is dan nog de waarde van de vrijheid van meningsuiting? Dit is een wake-up call, een bewijs dat de democratie niet alleen sterft in duistere dictaturen, maar ook langzaam wordt uitgehold in het volle daglicht door het wapen van de onbetaalbare rechtsprocedure.
We zijn weer twee stemmen armer. Ik vrees dat het niet de laatsten zullen zijn.
Hoe verschillende vormen van geluk stilletjes renderen in 42 huizen.
Ik woon in een straat met voornamelijk koopwoningen; 41 om precies te zijn en als we sociaal zijn 42, want een belangrijke kant van een hoekwoning op nummer 1 in een straat met een andere naam, inclusief een groot deel van de tuin van die woning, kan ook tot mijn straat worden gerekend. Het aantal huurwoningen bedraagt 14. Ik behoor tot de minderheid.
Koop mislukt, verhuur geregeld. En omgekeerd. Zoek de verschillen. Die zijn er wel, maar ook weer niet; het hangt af van je levensvisie. Ik zeg: het kan verkeren. Het debat over huren of eigendom gaat minder over rancune en meer over de vanzelfsprekende verschillen die het systeem creëert. Soms volstaat het om dat met een knipoog vast te stellen, zonder dat er een conflict van hoeft te komen.
Een huurder, ergens in Nederland, schreef een brief naar een krant, en opperde daarin de vraag waarom huren elk jaar stijgen, terwijl eigenwoningbezitters mogen rekenen op stabiele maandlasten. De huiseigenaar die daarop reageerde, somde een aantal, steekhoudend ogende, argumenten op, maar leek zijn punt uiteindelijk te missen.
Dat vakmensen duurder worden en een huis onderhoud vraagt, klopt, maar dat is geen huurverhoging. Het zijn kosten die de eigenaar zelf bepaalt: wanneer er wordt geschilderd, of die keuken nog even meegaat, en hoeveel hij voor een vakman wil betalen. Een huurder heeft die luxe niet; die betaalt jaarlijks meer, onderhoud of geen onderhoud. Bovendien doet de genoemde eigenaar alsof huurders geen bijdrage leveren aan onderhoud, terwijl die kosten uiteraard allang zijn verrekend in de huurprijs. De verhuurder betaalt ze niet uit eigen zak.
Wie vrijwillig het eigenaarschap op zich neemt, draagt het onderhoud doorgaans met liefde. Zoals dat met liefde wel vaker gaat: ze kost wat, maar dat weet men doorgaans van tevoren. Een huurder zal nooit de voldoening van het eigenaarschap ervaren. Zijn liefde is gemankeerd, en bovendien wordt dat huren ieder jaar verhoogd. Daar is geen goede verklaring voor.
Uit de toon van beide brieven kon ik afleiden dat de schrijvers geen ruziemakers zijn. Ze verheffen hun stem niet, maar brengen rustig hun argumenten naar voren. Als ze dichter bij elkaar in de buurt woonden, zouden ze waarschijnlijk makkelijk door één deur kunnen.
Ik vermoed dat de huiseigenaren in mijn straat zich niet echt storen aan de huurders, zelfs niet aan de scheve verhoudingen die het systeem met zich meebrengt. Hun stenen werken in stilte voor hen, terwijl de huurders hun geld de deur uit zien lopen; een verschil dat je met enige zelfspot kunt verdragen, zolang het leven verder redelijk verdeeld lijkt.
Zo bezien draait het gesprek over huren en eigendom minder om afgunst dan om de vanzelfsprekendheid waarmee die ongelijkheid wordt geaccepteerd. De één bouwt vermogen op, de ander betaalt eraan mee; beide partijen lijken zich daar opmerkelijk goed bij neer te leggen.
Als er dan toch wrijving moet ontstaan, laat het dan over iets wezenlijks gaan; iets dat meer waard is dan de waarde van een huis.
Over Fräulein Schneider, angst en de stille medeplichtigheid van toeschouwers.
Fragment nummer 3 uit de brievenroman: De Liefdesbrigade
Lieve Onno,
Toen ik onlangs opnieuw luisterde naar What Would You Do? uit Cabaret, het lied waarin Fräulein Schneider haar verloving met de Joodse fruitverkoper Herr Schultz verbreekt, bleef ik lang stil zitten. De muziek van Kander en Ebb klonk ineens niet meer als een nummer uit een oude musical, maar als een spookachtige echo uit een tijd die nooit helemaal voorbij is. Er ligt iets beklemmends in de berusting waarmee ze zingt: “What would you do, if you were me?” Geen verwijt, geen oproep, slechts een vraag die zich in je vastbijt, omdat ze geen antwoord duldt.
Ik heb het lied vaak opgezet. Maar ditmaal hoorde ik iets anders: niet alleen het verhaal van een vrouw die buigt voor angst, maar een spiegel voor onszelf, voor het gemak waarmee we zwijgen wanneer het ingewikkeld wordt om niet te zwijgen. De moraal van Cabaret is nooit luid of heroïsch geweest. Ze schuilt in het alledaagse: in de huisbazin die liever niets riskeert, in de gasten die blijven drinken terwijl buiten de wereld kantelt. De musical is geen geschiedles, maar een anatomie van menselijke aanpassing.
Fräulein Schneider zingt niet om zich te verontschuldigen. Ze verdedigt haar keuze, of beter: haar onvermogen om te kiezen. Ze heeft een man ontmoet die haar goed behandelt, maar het antisemitisme om haar heen wordt voelbaar. Ze weet dat het niet goed is om de verloving te verbreken, maar ze weet ook dat ze zal lijden als ze dat niet doet. En dus kiest ze voor het zekere, voor de stilte, voor het meebuigen met de tijdgeest. In haar stem hoor je de vermoeidheid van iemand die al te veel stormen heeft overleefd.
Wanneer ze zingt “What would you do, if you were me?” vraagt ze niet om begrip, maar om medeplichtigheid. Ze trekt ons mee in haar redenering. Wie durft haar ongelijk te geven? Wie durft te zeggen: ik zou moediger zijn geweest? In die dubbelzinnigheid schuilt de kracht van het lied en de morele schrik van Cabaret.
Wat mij trof, was dat haar vraag vandaag nog steeds rondzingt, zij het op andere toonhoogte. Ik dacht aan de beelden uit Gaza, aan Israël, aan de doden aan beide kanten. Niet omdat ik die situaties met elkaar wil vergelijken — dat zou onzinnig en oneerbiedig zijn — maar omdat ik dezelfde menselijke reflex herken: de neiging om onze machteloosheid te vertalen in stilte, om onze angst te camoufleren met redelijkheid. Ik hoor jou en mij zeggen: “Het is te complex”, “Ik weet niet wat ik ervan moet vinden”, “Er is aan beide kanten schuld.” En natuurlijk is dat waar. Maar onder dat verstandige zwijgen sluimert iets van wat Fräulein Schneider zong: ik wil overleven, ik wil geen ruzie met de wereld.
Het is een ongemakkelijke gedachte, dat moraliteit niet verdwijnt in het kwaad zelf, maar in de voorfase, in de tijd van schouderophalen, van redelijke mensen die liever niets zeggen. Dat was de tijd van Cabaret: het Berlijn van de vroege jaren dertig, waar men nog danste terwijl de toekomst al besloten lag in de schaduw van de vlaggen. En dat is ook onze tijd, waarin we, omringd door informatie, steeds vaker niet weten wat we met kennis moeten doen.
Ik betrap mezelf op dezelfde houding. Ik volg het nieuws, ik lees de analyses, maar ik voel hoe woorden verdampen zodra het om schuld en verantwoordelijkheid gaat. Ik wil niemand veroordelen. Ik wil begrijpen. En dat begrip wordt al snel een deken waaronder de pijn verdwijnt. Zo werkt berusting; niet als keuze, maar als sluipende verdoving.
In die zin is Fräulein Schneider geen schurk. Ze is een mens die probeert te leven in een wereld die onveilig is geworden. Haar angst is begrijpelijk, haar berusting herkenbaar. Dat maakt haar verhaal zo huiveringwekkend: omdat het niet ver weg is. Ze is niet de ander. Ze is wij.
Ik denk dat we Cabaret daarom nog steeds nodig hebben. Niet om lessen te trekken over het verleden, maar om te zien hoe morele keuzes zich aankondigen in het klein; in gesprekken, in zwijgen, in het kiezen van comfort boven ongemak. De musical toont geen monsters, maar gewone mensen. De echte gruwel begint niet met haat, maar met de normalisering van angst.
Soms vraag ik me af hoe dat lied zou klinken als het vandaag werd gezongen. Niet in Berlijn, maar in onze wereld van ai-assistentie, socials en nieuwsfeeds. Misschien iets zachter, iets vermoeider. Misschien zou Fräulein Schneider niet meer zingen over haar verloving, maar over haar timeline; over hoe elke mening iemand boos maakt, en dus zwijgt ze maar. “What would you do?” is dan niet langer een excuus, maar een collectieve zucht: laat mij erbuiten.
En toch, in die zucht schuilt iets tragisch. Want wie zich laat verdoven, offert iets wezenlijks op: het vermogen tot empathie. En zonder empathie blijft alleen de rede over; koud, afstandelijk, functioneel. De rede zegt: het is ingewikkeld. Het hart zegt: dit doet pijn. En ergens tussen die twee stemmen zingt Fräulein Schneider nog steeds, zacht, maar hoorbaar, alsof ze ons waarschuwt voor het moment waarop rede verandert in lafheid.
Ik heb het lied meerdere keren teruggespeeld. Niet om te oordelen, maar om te luisteren naar wat er níét wordt gezegd. In de pauzes tussen de zinnen hoor je haar adem, haar angst, haar verlangen om te kunnen geloven dat ze niets verkeerd doet. En daarin ligt de kern van onze menselijke tragiek: we willen goed zijn, maar vooral veilig.
Wat zou ik doen? Wat zou jij doen? Het zijn vragen zonder antwoord, en misschien is dat precies de reden dat ze blijven spoken. Want zolang we ze blijven stellen, zijn we tenminste nog niet helemaal afgestompt.
Misschien is dat de troost die Cabaret ons biedt: niet de belofte van heldendom, maar de erkenning van onze broosheid. Fräulein Schneider zingt haar verontschuldiging niet uit trots, maar uit vermoeidheid. En ergens, in dat zachte “What would you do?”, hoor ik ook mezelf; niet als dader, niet als redder, maar als mens die probeert te begrijpen hoe angst en schuld zich met elkaar verstrengelen.
Ik weet het niet. Maar ik blijf luisteren. Liefs van Gertrud Wiesental
Lieve Gertrud,
Dank je voor je brief, die me trof door haar helderheid en gevoeligheid. Wat jij schrijft over Cabaret en Fräulein Schneider raakt aan iets wat we zelden onder ogen durven zien: dat morele keuzes vaak niet plaatsvinden in momenten van groot drama, maar in de stiltes daartussen. Ik herken dat ongemakkelijke terrein waar rede en angst elkaar raken, het terrein waarop we proberen mens te blijven, zonder precies te weten wat dat nog betekent.
Je legt een link met het heden, en terecht. Ook ik betrap mezelf op dat ‘verstandige zwijgen’ waarover je schrijft. Wij behoren, denk ik, tot een kleine minderheid die zich niet fel heeft uitgesproken tegen Israël, niet uit onverschilligheid, maar uit een soort schroom. Veel mensen hebben het optreden van Netanjahu en zijn regering in Gaza als genocide aangemerkt. Behoren zij daarmee tot degenen die moedig zijn, die hun stem verheffen? En zijn wij dan degenen die zich verschuilen achter nuance, achter het verlangen om het van alle kanten te willen begrijpen?
Het is een pijnlijke vraag, omdat de grens tussen wijsheid en lafheid soms onzichtbaar wordt. Ik zie de spagaat waarin velen zich bevinden, niet in de laatste plaats joden zelf, die met afgrijzen zien hoe het lijden van hun volk wordt gebruikt als rechtvaardiging voor nieuw lijden. Ik moet dan denken aan Sam Harris, die ik zeer waardeer om zijn helder denken en zijn afkeer van dogmatisme, maar die nu, in zijn strijd tegen jihadistisch extremisme, misschien te weinig oog heeft voor het geweld dat aan Palestijnse zijde wordt geleden. Het lijkt bijna onmogelijk om te spreken zonder verstrikt te raken in schuld, geschiedenis en identiteit.
En dan die wrange omkering van de geschiedenis, die niemand graag hardop uitspreekt: wat ooit de Joden werd aangedaan, lijkt nu, in vertekende vorm, door sommigen in hun naam aan een ander volk aangedaan te worden. Alleen al die gedachte voelt als heiligschennis, en toch dringt ze zich op, omdat we niet blind kunnen zijn voor de beelden. Wie durft dan nog te spreken? En wie zwijgt er uit voorzichtigheid, uit respect, of uit angst voor misinterpretatie?
Misschien is dat het morele vacuüm waarin wij nu leven: dat spreken en zwijgen beide riskant zijn geworden. Het antisemitisme is niet verdwenen; het sluimert, en wordt door deze oorlog opnieuw gewekt, soms vermomd als politieke kritiek, soms schaamteloos en rauw. Tegelijk zien we hoe verontwaardiging omslaat in haat, en hoe woorden, zelfs goedbedoeld, hun onschuld verliezen.
Ik weet niet wat de juiste houding is. Misschien is er geen juiste. Wat ik wel weet, is dat jouw verwijzing naar Cabaret me eraan herinnert dat menselijke angst niet alleen morele zwakte is, maar ook een teken van onze kwetsbaarheid. Fräulein Schneider koos voor overleven, niet uit overtuiging maar uit uitputting. En ergens, in de echo van haar stem, hoor ik ook iets van ons; mensen die proberen te begrijpen, zonder te veroordelen, maar ook zonder te vluchten in relativering.
Je slotzin trof me: dat zolang we de vraag blijven stellen, we nog niet afgestompt zijn. Misschien is dat het enige wat ons rest: blijven luisteren, blijven vragen, en erkennen dat onze onzekerheid ook een vorm van menselijkheid is.
Wat is Wilders meer dan een vergeelde blondering met een donkere ‘haatuitgroei’?
Hoe ver zou zijn macht hebben gereikt, als Wilders het echt tot minister-president had gebracht? Hoe snel zou hij, als een Trump van de Lage Landen, met het afbreken van de democratie zijn begonnen? Het idee van een Nederlandse zonnekoning die met één pennenstreek de rechtsstaat buitenspel zet, is een schrikbeeld dat schril contrasteert met de polderrealiteit van Den Haag. Polderen kon Wilders sowieso niet. Zijn populistisch-autoritaire gedachtegoed – dat de trias politica als een belemmering ziet – staat haaks op de geest van onze grondwet. Maar is de angst reëel dat Wilders zijn autocratische fantasie had kunnen realiseren? Hoe ver was hij daadwerkelijk gekomen, voordat de ingebouwde mechanismen van onze machtenspreiding hem tot de orde zouden hebben geroepen? En is hij echt zo stoer als hij over wil komen? Volgens mij heeft de man die wel A zegt maar nooit B, een onverwacht B-kantje.
Is de angst reëel dat Wilders zijn autocratische aspiraties ooit had kunnen verwezenlijken? Ik denk dat hij zijn neiging tot dictatorschap niet langer dan een week had kunnen volhouden. Volgens mij kan zijn drift naar almacht razendsnel uitbleken tot de behoefte aan huiselijkheid van een onzeker menneke. Hij lijkt me niet ongevoelig voor bipolaire golven van grootheidswaan en radeloosheid.
De eerste onoverkomelijke barrière voor een zonnekoning in Nederland vormt het parlementaire stelsel zelf. In tegenstelling tot presidentiële systemen is de premier hier geen direct gekozen leider met een eigen, onafhankelijk mandaat. De uitvoerende macht is direct afhankelijk van de wetgevende macht. Blonde, radicale idealen vergelen snel aan een kabinetstafel. Zelfs als Wilders premier zou zijn geworden, had hij een coalitieakkoord moeten sluiten. Elk wetgevend initiatief is vervolgens afhankelijk van een meerderheid in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer, waar zijn partij nooit een absolute meerderheid zou hebben gehad. Het resultaat: de noodzaak tot compromis. Plannen om fundamentele grondrechten in te perken, de Grondwet te wijzigen, of de onafhankelijkheid van instituten aan te tasten, zouden in de wetgevende macht al stuiten op de rode lijnen van de coalitiepartners. Zonder het vertrouwen van de Kamers is de premier, ongeacht zijn populariteit, direct demissionair. De overlap van machten fungeert hier als een schild.
Mocht de uitvoerende macht – het Kabinet onder Wilders – er via een (onwaarschijnlijk) loyale coalitie toch in slagen controversiële wetten door het parlement te loodsen, dan stuit deze op de rechterlijke macht, het meest strikt onafhankelijke deel van de trias politica. De rechts-radicale aanval richt zich doorgaans op het delegitimeren van de rechters, door hen weg te zetten als ‘politieke’ of ‘activistische’ elite. Wat een grijs gedraaid plaatje werd dat (Wilders heeft veel grijze kantjes). Maar goed, de Nederlandse rechters zijn voor het leven benoemd en kunnen niet zomaar worden ontslagen door de regering vanwege een onwelgevallige uitspraak. Cruciaal is bovendien de rol van het internationaal recht. Nederland is gebonden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechterlijke macht, en dan met name de Hoge Raad, kan wetgeving toetsen aan dit verdrag en deze buiten werking stellen als er fundamentele mensenrechten in het geding zijn (denk aan de vrijheid van godsdienst of non-discriminatie). Dit vormt de ultieme check op de soevereiniteit van de uitvoerende en wetgevende machten.
Naast de formele machten bestaan er in Nederland nog andere buffers die de radicale agenda zouden vertragen of afzwakken. Ten eerste de ambtelijke macht. De ambtenaren zijn loyaal aan de staat, niet aan een individuele politicus of partij. Zij zijn de kennishouders en de uitvoerders van de wet. Een radicale premier zou te maken krijgen met de weerstand van de feiten en de onmogelijkheid om bepaalde ongrondwettelijke plannen in de praktijk uit te voeren. Ten tweede de decentrale overheid. Veel beleid, zoals woningbouw, integratie of handhaving, wordt uitgevoerd door provincies en gemeenten, die hun eigen gekozen bestuurders en bevoegdheden hebben. Zelfs een premier met de absolute wil zou niet zomaar de dagelijkse gang van zaken in alle 342 gemeenten kunnen overnemen, wat de spreiding van de macht nog breder maakt dan alleen de trias politica. De Nederlandse bestuurslaag is gefragmenteerd genoeg om een zonnekoning te verstikken in de veelheid aan bestuurslagen.
De conclusie is duidelijk: een zonnekoning zat er nooit echt in. Die ‘coupe soleil’ – de barokke ‘pruik’ die je altijd van verre zag aankomen – was een beangstigende eerste wanvertoning, maar daar bleef het gelukkig bij. De Nederlandse democratie is gebouwd op de overlap en de wrijving tussen machten, niet op hun strikte scheiding. Dit systeem is misschien niet altijd daadkrachtig, maar het is wel ongekend veerkrachtig tegen de autocratische impulsen van een populistisch leider. De onvermijdelijke realiteit van de polder is, dat Wilders, net als iedere andere premier, onmiddellijk geconfronteerd zou worden met de checks and balances van de coalitie, het parlement en de onwrikbare rechtspraak. De trias politica in haar Nederlandse vorm – de machtenspreiding – zou zijn radicale blondeburgerdroom in de kiem smoren. Iets zegt mij dat Wilders dit uiteindelijk helemaal niet betreurt. Ik stel me hem voor in zijn ‘man cave’ zoals ik hem hierboven heb getekend. Misschien had ik nog twee katten op zijn schoot moeten plaatsen. Omdat hij daar van schijnt te houden, maar vooral ook als symbolen van zijn gedoodverfde gespletenheid.
Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.
Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.
Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.
Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.
Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.
Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.
Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.
Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.
Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.
Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.
Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.
Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.
Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.