Yippie-ja-ja-yippie-yippie-yeah!

Over de dunne lijn tussen een gevierde doener en een vermeende oplichter.

Ik ben tegenwoordig op alles voorbereid als ik ook maar één teen over de drempel van een winkel zet; iemand zal mij hoe dan ook naar mijn koopervaring vragen. Is het niet een mens van vlees en bloed bij de uitgang dan wel een opploppende chatbot die een connectie heeft weten te leggen tussen mijn bankrekening en mijn e-mailadres. Sommigen zullen beweren dat dit laatste niet kan; of in ieder geval niet mag.

Hoe een digitale liefdesverklaring van de bouwmarkt sneuvelde aan de balie van de retourafdeling. (Uit discretie zijn de gezichten van de medewerkster en klant op deze foto door AI gegenereerd.)

Nou goed, laat ik mijn domheid dan erkennen. Ik was bij Hornbach gaan kijken naar een elektrische grastrimmer omdat mijn gazon – of wat daarvoor moet doorgaan – al zaad begon te schieten. In de winkel bleek de keuze reuze. Het eerste dilemma betrof de vraag of ik er eentje wilde met een accu of met een snoer. Deze moeilijke beslissing leidde mij naar een nieuw rek met wel tien verschillende merken. Alle fabrikanten boden hun machines aan in een oplopende prijsklasse van ‘goed voor de portemonnee’ tot ‘hoogste kwaliteit’. De prijs-kwaliteitverhouding van alle apparaten was natuurlijk prima; voor die overtuiging hoefde ik geen medewerker aan te spreken of zelfs maar de verpakking te lezen. In alle gevallen zou ik waar voor mijn geld krijgen, je hebt dan en daar geen mogelijkheid om iets anders te vinden.

Maar gekleurd advies of WC-eendreclame brengt de aankoopbeslissing niet dichterbij. In geval van twijfel, rijd je met lege handen naar huis en zoek je op internet een betrouwbare productvergelijker. Kortom, de EINHELL ELEKTROTRIMM kwam goed uit de test, bleek het beste bij me te passen en was bij Hornbach het goedkoopst. Toen het weer voor die week volkomen omsloeg, had ik weinig trek om opnieuw op de fiets te stappen. Ik bestelde het ding online. Dat lukte niet zonder mijn e-mailadres op te geven. Vandaar dat de eerder aangekondigde enquête mij niet kon ontgaan.

Hallo doener,
Bedankt voor je aankoop van EINHELL ELEKTROTRIMM bij HORNBACH! Hopelijk bevalt je aankoop goed! We hebben je hoog zitten. En jouw mening ook. Vertel je ons wat je van het door jou aangeschafte artikel vindt? Geen blad voor de mond, geen doekjes eromheen, gewoon onverschrokken en recht voor z’n raap graag. Goed kan immers altijd beter.


Ik ben altijd huiverig om positief te zijn over mijn klantervaringen. Roep ik op die manier het onheil niet over me af? Hoe kun je bovendien enthousiast zijn over een werktuig dat je nog maar één keer hebt gebruikt? Behalve het mijzelf het graf in schrijven bij al dat geprijs, geloof ik nog sterker in een ander verband: je bent net klaar met je loftuiting of je stuit op een negatieve winkelervaring.

En zo geschiedde. Inmiddels was ik vele transacties verder. De app vermeldde dat ik al voor €631 aan spullen had besteed. Dat vond ik niet weinig voor iemand die tot twee weken daarvoor zijn doe-het-zelf aankopen nog onveranderlijk bij de Praxis in de stad deed. Gedurende al mijn bezoeken aan de bouwmarkt was ik vriendelijk bejegend. Het moest dus wel een keer fout gaan.

Die gelegenheid deed zich voor bij de aanschaf van een aantal raamsluitingen, ook wel raamboogjes genoemd. Ik was vast van plan om die van het merk AXA te kopen – het ging tenslotte om mijn veiligheid – maar bij de ijzerwaren stond een bak met aanbiedingen die ik niet kon versmaden. De dingen zaten in amateuristisch dichtgeniete zakjes. Bij het afrekenen bleek er nergens een streepjescode op de verpakking te zitten. Geen probleem als koper; een medewerker schoot toe om het artikelnummer handmatig in te voeren.

Een groter probleem ontstond echter bij het ruilen, een dag later. Eén van de boogjes had ik al uit de verpakking gehaald en op mijn kozijnen bevestigd. Zodoende wist ik dat ze in de verste verte niet tipten aan een merkartikel. Ik besloot alleen de ene, nog onaangetaste raamsluiting terug te brengen.

Wat er toen gebeurde haalt alle positieve Hornbach-ervaringen onderuit. De mevrouw van de retourafdeling bejegende mij alsof ik op klaarlichte dag probeerde de bedrijfskas te plunderen. Ze kon ten eerste niet geloven dat haar eigen bedrijf artikelen verkocht zonder streepjescode: “U hebt de streepjescode erafgetrokken.” Ook niet dat artikelen in goedkoop dichtgeniete verpakkingen worden verkocht: “U hebt het artikel uit de originele verpakking gehaald.”

Mijn kalme opmerking dat een collega van haar de vorige middag zelf het systeem had moeten voeden met het missende artikelnummer, werd afgedaan als een fabeltje. Het sluitmechanisme werd door haar aan een forensisch onderzoek onderworpen dat zelfs de gemiddelde rechercheur bij een moordzaak te ver zou gaan. Alsof ik daar stond met een stuk oud ijzer dat ik ergens uit een Arnhemse container had gevist, in plaats van een ongebruikt product waarvoor ik vierentwintig uur eerder gewoon harde euro’s had neergeteld. Het ‘onverschrokken en recht voor z’n raap‘ zijn, waar de enquête zo vurig om had gesmeekt, bleek aan de balie ineens eenrichtingsverkeer.

Thuisgekomen opende ik direct mijn mailbox; die enquête over mijn nieuwste Hornbach-ervaring zou er immers zó moeten zijn.

De ware as van Europa

Van de Orkney eilanden via mijn vloerplank linea recta naar Ancona (of net even anders).

Het begon allemaal, zoals zo vaak bij veelbelovende projecten, met een volstrekt triviale irritatie. In dit geval: een houten vloerplank in mijn Arnhemse huiskamer. Een kaarsrecht stuk hout, zoals dat hoort, maar toch niet identiek aan al zijn buren. Het was er later ingelegd. Waarschijnlijk had men ooit onder de vloer moeten zijn. Het orginele eikenhout moest verloren zijn gegaan. Nu lag er in plaats daarvan een goedkoop surrogaat met een afwijkende kleur. Daarom kon het daar niet blijven, vond ik.

Mijn plan was even elegant als ambitieus; ik wilde dit stuk vuren vervangen door een op maat gesneden strook doorzichtig glas. Daaronder een subtiel ledstripje voor de sfeer, en op het glas twee strakke, contrasterende pijlen die in elkaars verlengde de kamer in wezen.

Heet het poëtische vrijheid dat ik de Orkney eilanden liever omdoop tot Vikingeiland en San Marino en Ancona zelfs helemaal links laat liggen, teneinde de suggestie te wekken dat mijn zuidoostlijn in Ithaka uitkomt? 

Het doel? Mijn interieur fysiek verbinden met de kosmos. Op de ene punt van de glazen kompasnaald moest een tot de verbeelding sprekende wereldstad komen te staan; op de andere punt de perfecte tegenpool. Een blikvanger die bij het vallen van de avond oplicht en de bezoeker subtiel influistert: ‘kijk, als je deze lijn duizend kilometer doortrekt, sta je dáár.’

Met een kompas bepaalde ik de exacte as van de planken. De naald loog nooit. De lengterichting van mijn kamer bleek zich standvastig te oriënteren op een koers van 342 graden naar het noordwesten, en bijgevolg 162 graden naar het zuidoosten. Nu hoefde ik de geografie alleen nog maar te dwingen zich naar mijn vloerplanken te voegen.

Mijn overmoedige romantiek, een schuin oog op de kaart en een snelle rekensom brachten me in hogere sferen. Noordwestelijk moest het granieten, mistige Aberdeen liggen; bakermat van robuuste architectuur aan de Schotse kust. En de andere kant op? De ultieme hoofdprijs. De lijn leek zich in een rechte streep door de Alpen te boren om via de Adriatische Zee pardoes te eindigen op Ithaka, het mythische eiland van Odysseus; de plek die in de wereldliteratuur symbool staat voor het ultieme verlangen naar huis. Van Aberdeen naar Ithaka, dwars door mijn Arnhemse huiskamer. De titel van dit bericht borrelde al op in mijn bloghoofd.

Om deze geografische poëzie visueel te bezegelen, vroeg ik AI een overzichtskaart te genereren. Een simpele opdracht, zou je denken: trek een rechte lijn van 342 en 162 graden vanuit mijn locatie in Arnhem en toon de steden die zich aan hun uiteinden bevinden. Toen begon de chatbot te hallucineren. Hij raakte in een diepe, technologische identiteitscrisis. Hij wilde zó graag aan mijn romantische verlangen voldoen, dat hij de wetten van de cartografie ter plekke ophief. De computer stuurde me een kaart waarop Arnhem was herverkaveld en diep in Duitsland lag. Een andere variant toonde een lijn die met een lichte, elegante zwiep om Aberdeen heen boog om toch vooral Ithaka te kunnen raken. De computer probeerde een fysiek onmogelijke, kromme plank in mijn huiskamer te leggen, louter om het sprookje in stand te houden. Kunstmatige intelligentie, zo bleek, vertelt liever een sfeervolle leugen dan de nuchtere waarheid.

De realiteit leert ons dat de aarde hardnekkig rond is. Wie op een platte kaart een liniaal legt, vergeet dat een constante kompasas (de ‘loxodroom’ van mijn vloerplank) op een driedimensionale bol een heel eigen koers vaart. De computer verwarde mijn kompaslijn met een grootcirkel en boog de werkelijkheid om tot een geometrisch gedrocht. Toen de digitale stofwolken waren opgetrokken en de nuchtere natuurwetenschappelijke berekening werd hersteld, bleek Odysseus mijn huiskamer op meer dan een haar na te hebben gemist. Ithaka werd onbarmhartig van het bord gekegeld. Aberdeen bleek net een paar graden te ver naar links te liggen.

Dat feestje ging dus niet door. Maar wat ik ervoor terugkreeg, was de pure, onversneden waarheid. Geen computerillusies meer, maar geometrische zekerheid. Als het glas straks in de vloer ligt en het ledlicht aan gaat, wijzen de pijlen naar de absolute, territoriale uitersten van het Europese continent die mijn huis doorsnijden. Aan de zuidoostkant reist de blik onder een hoek van exact 162 graden langs Bonn, en rakelings langs de minirepubliek San Marino, om na exact 1.090 kilometer te eindigen in de historische Italiaanse havenstad Ancona aan de azuurblauwe Adriatische Zee; poort naar de klassieke oudheid.

Draai ik me om, dan schiet de blik onder 342 graden over de Veluwe, verlaat bij Den Helder de Nederlandse kust, klieft door de woeste Noordzee en komt na 915 kilometer pas weer aan land op de stormachtige, prehistorische Orkney-eilanden in het uiterste noorden van Schotland. Een mythische eilandengroep die eeuwenlang het brute zenuwcentrum vormde van een Noors Viking-graafschap; de plek van waaruit de drakenschepen hun strooptochten over de Britse eilanden coördineerden en waar de echo van het Oudnoords nog altijd door de kliffen jaagt.

Toegegeven, Ancona klinkt minder poëtisch dan Ithaka, maar het heeft de onwrikbare schoonheid van de feiten. Mijn huiskamer vormt de ware as tussen Schotse stormen en Italiaanse zon. Graveer ik dat straks met een gerust hart in het glas? Of zal ik me op de valreep toch een kleine, romantische afwijking van de rechte koers permitteren? Het is verleidelijk om bij de ene pijl ‘Vikingeiland’ te schrijven en bij de andere de naam van de ultieme bestemming uit menig epos; het synoniem voor de persoonlijke ontdekkingsreis. Geïnspireerd door het beroemde gedicht van Konstantínos Kaváfis, waarin de reis boven het doel1 gaat, blijkt de tweestrijd tussen de exacte geometrie en de lokroep van de mythologie, eerlijk gezegd, allang beslecht.

  1. Ithaka (1911) is het beroemdste gedicht van de Griekse dichter Konstantínos Kaváfis. Het is een ode aan het leven als reis. De boodschap is helder: het is niet het einddoel dat telt, maar de ervaringen en wijsheid die je onderweg opdoet. Hieronder vind je de klassieke en veelgeprezen Nederlandse vertaling van het gedicht door Hans Warren en Mario Molegraaf:

    Wanneer je op reis gaat naar Ithaka,
    wens dan dat de weg lang mag zijn,
    vol avonturen, vol ervaringen.
    Vrees de Laistrygonen en de Cyclopen,
    en de woedende Poseidon niet,
    zulke monsters zul je op je weg niet tegenkomen
    wanneer je gedachten hooggespannen zijn,
    wanneer een verfijnde emotie
    je geest en je lichaam beroert.
    De Laistrygonen en de Cyclopen,
    de woedende Poseidon zul je niet ontmoeten,
    als je ze niet meedraagt in je ziel,
    als je ziel ze niet voor je neerzet.

    Wens dat de weg lang mag zijn.
    Dat er vele zomerochtenden zullen zijn
    waarop je – met wat een vreugde, met wat een genot! –
    havens binnenvaart die je voor het eerst ziet;
    dat je mag stoppen bij Fenicische handelsposten,
    en mooie waren mag aanschaffen,
    parelmoer en koraal, barnsteen en ebbenhout,
    en allerlei verfijnde parfums,
    zoveel verfijnde parfums als je maar kunt krijgen;
    dat je vele steden in Egypte mag bezoeken,
    om te leren en te leren van de wijzen.

    Houd Ithaka altijd in gedachte.
    Daar aan te komen is je uiteindelijke bestemming.
    Maar overhaast de reis in geen geval.
    Laat hem liever vele jaren duren
    en arriveer pas als oude man op het eiland,
    rijk door alles wat je onderweg hebt verworven,
    zonder te verwachten dat Ithaka je rijkdom zal schenken.

    Ithaka heeft je de mooie reis gegeven.
    Zonder Ithaka was je niet vertrokken.
    Meer heeft het je niet te bieden.

    En vind je het armzalig, Ithaka heeft je niet bedrogen.
    Zo wijs geworden, met zoveel ervaring,
    zul je al begrepen hebben wat Ithaka’s beduiden.
    ↩︎
Hier nog even een voorbeeld van een overcompleet informatiebord, dat bovendien een iets te alternatieve waarheid toont; zoveel zustersteden blijkt het verlengde van mijn kamerplank niet te doorkruisen. Maar het idee voor een lichtgevend baken blijft overeind en komt er dus wel.

Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.

Paul kwakelt hooghartige shit

Over de logica van de betweter, de wetten van de steekproef en waarom ‘iedereen’ het mis heeft.

M: Ken jij het ezelsbruggetje: Piet koopt hoge schoenen?

R: De beginletters verwijzen naar de grachten van Amsterdam, is het niet? Ben je dingen voor jezelf op een rijtje aan het zetten?

M: Nee. Iemand zei dat iedereen in Nederland dit kent, maar ik kende het niet. Dus nu doe ik een klein onderzoekje.

R: ‘Iedereen’ is een onhoudbare generalisatie in vrijwel elke bewering. Als je dat woord op die manier gebruikt, krijgt het direct iets denigrerends. Het wordt, volgens mij, vooral gebezigd door iemand met een beperkte kennis, die het weinige dat hij weet zo maximaal mogelijk wil uitbuiten om status te claimen.

M: Kan het ook gewoon zijn dat diegene er oprecht van overtuigd was dat dit tot de algemene kennis behoort? Misschien is dat ook zo en ben ik de enige die dit gemist heeft.

R: Als die persoon daarvan uitgaat, is hij onvoldoende doordrongen van de statistische werkelijkheid. Het woord ‘iedereen’ wordt hier misbruikt als retorische stijlfiguur. Trap er niet in; hij past een semantisch trucje toe om autoriteit te veinzen. Met dit persoonlijke onderzoekje buig je voor zijn imponeringsgedrag. Zo wek je de indruk dat het zinvol is om ongefundeerde claims te poneren. Ik zou de bewering simpelweg als deductief onjuist kwalificeren en er verder geen intellectuele energie aan verspillen.

M: Het staat nu 3-1. Mijn moeder en een vriendin kenden het ezelsbruggetje ook direct.

R: Wat de eindstand van je steekproef ook wordt, de omvang ervan is irrelevant. Je hebt de universele claim allang gefalsifieerd. Jouw uitzonderingspositie vormt het zwarte schaap dat de stelling dat ‘alle zwanen wit zijn’ eigenhandig slacht. Die ene stem van jou zegt logisch gezien genoeg. Wat ik je op het hart wil drukken is: vind jezelf belangrijk genoeg om de onhoudbaarheid van andermans borrelpraat in te zien, zonder dat je daar eerst een heel databestand voor aanlegt.

M: Wat maak jij er een gigantische big deal van! Ik vraag gewoon wat rond, ik ben geen wetenschappelijk onderzoek aan het optuigen. Ik was gewoon onzeker of ik een gat in mijn opvoeding had. Waarom moet alles bij jou altijd meteen veranderen in een intellectuele loopgravenoorlog?

R: Mag ik je vragen of er toevallig een man achter deze absolute stelling zat?

M: Het was Paul.

R: Ah. Paul laat weer eens van zich horen. Als ik het niet dacht.

M: Pfffff. Wat doet de persoon er nou toe? Waarom sleep je dat er in hemelsnaam bij?

R: Omdat de afzender in dit geval de hele lading dekt.

M: Begrijp je dat ik dit een enorm negatieve en vermoeiende benadering vind?

R: Niet echt, want ik neem het hier voor je op. Jij plooit je naar de arrogantie van iemand die zomaar wat roept. Je had, vind ik, wat geëmancipeerder en autonomer kunnen reageren op zijn stelligheid.

M: Dit heeft werkelijk ab-so-luut niets met emancipatie te maken! Ik vroeg me gewoon iets af en jij kaapt mijn onschuldige nieuwsgierigheid om je eigen vete met Paul uit te vechten. Je neemt het helemaal niet voor me op. Je vindt het maar niks hoe ik hiermee omga. Je kleineert me waar ik bij sta.

R: Paul gedraagt zich als het ultieme schoolvoorbeeld van een mansplainer.

M: En ondertussen wil jij mij even haarfijn uitleggen hoe ik had moeten reageren en wat ik moet voelen. Wie is hier nu eigenlijk de mansplainer?

R: Dit is geen uitleggen, ik formuleer slechts een wens over hoe je je eigen autonomie kunt beschermen. Bovendien doe ik dat zonder enig gevoel van patriarchale of intellectuele superioriteit. Daarnaast pas ik simpelweg wat elementaire logica toe: als jij – en jij alleen, te midden van duizend anderen – nog nooit van het ezelsbruggetje hebt gehoord, maakt dat de stelling dat ‘iedereen’ het kent logisch onhoudbaar. Dat is geen mening, dat is een feit.

M: Nu doe je het wéér! Je verpakt je betweterigheid in een theoretische mal om je gelijk te halen!

R: Ik geef juist aan dat jouw individuele stem afdoende is; dat jij het als persoon meer dan waard bent om die claim direct te verwerpen, wat jou in feite superieur maakt aan de waardeloze stellingnemer. Ik hoop simpelweg dat mensen die mij lief zijn niet buigen voor iemand die ten onrechte stellig is.

M: Zoals jij nu doet bedoel je?

R: Als ik me ten onrechte stellig uitlaat over een falsifieerbare zaak, hoop ik net zozeer dat mensen mij met argumenten corrigeren. Maar in dit specifieke geval stel ik louter vast dat iemand een onhoudbare stelling lanceert. En roep ik jou op, als vriend, om die onzin met gepast disrespect te behandelen.

M: Jouw hele reactie is volkomen misplaatst. Waarom moet je altijd zo rücksichtslos arrogant en drammerig zijn als je denkt dat je de logica aan je zijde hebt? Ik vind het zo ontzettend onnodig en kwetsend.

R: Dat is jouw perceptie, en die staat je vrij. Arrogantie en drammerigheid zijn echter psychologische kwalificaties; iets wezenlijk anders dan analytische stelligheid, waaraan ik me in deze niet schuldig maak. Je vindt me een arrogante zak. Dat kan. Dat aanvaard ik als de prijs voor de waarheid.

M: Je bent er zo heilig van overtuigd dat je de waarheid in pacht hebt. Dat is exact dezelfde stelligheid waar je Paul van beschuldigt.

R: Dat jij dat zo ervaart, maakt het onaanvechtbaar; een subjectief gevoel onttrekt zich immers per definitie aan de logica. Maar epistemologische stelligheid en psychologische zelfovertuiging zijn twee volstrekt verschillende grootheden.

M: Wat een schitterend theoretisch rookgordijn. Dus omdat jij Pauls uitspraak epistemologisch noemt, en die van jou niet, is jouw betweterigheid heilig?

R: Nou heilig; in ieder geval van kritiek ontheven. Stelligheid is een eigenschap van de gedane bewering; zelfovertuiging is een karaktertrek van de persoon. Waar die eerste vorm van overtuigingskracht expliciet uitdaagt tot inhoudelijk verzet en tegenargumenten, blijft de tweede variant volstrekt immuun voor de rede. Stelligheid kun je direct aanvechten door feitelijk aan te tonen dat de claim onterecht is. Zelfovertuiging biedt die opening niet; die laat zich door geen enkel rationeel argument bestrijden. Kortom: stelligheid is falsifieerbaar, zelfovertuiging is hooguit laakbaar. Jij falsifieerde Pauls stelling met één adequate, goudeerlijke reactie. Het enige wat ik wilde aangeven, was: dat volstond, daar had je het bij kunnen laten. Niet dat ik je daartoe kon verplichten, dat zou immers pas echt autoritair en arrogant zijn. Maar omwille van de intellectuele hygiëne richting de vertolker van het misplaatste aplomb, had ik het simpelweg wenselijk gevonden.

M: Prachtig geformuleerd hoor. Maar onderaan de streep zit ik hier met een vriend die zich gedraagt als een arrogante zak, puur omdat hij me wilde beschermen tegen Paul. Het is fascinerend: jij kunt het op zo’n manier voor me opnemen dat ik je na afloop een enorme lul vind. Schiet mij maar lek.

Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






Fictie voor gevorderden

Over grote mensen die de weg kwijtraken in de poppenkast van de werkelijkheid.

In Duitsland werd een acteur die een fascist speelde in het stuk Catarina and the Beauty of Killing Fascists door het publiek beloond met een vliegende fruitmand en een poging tot zijn fysieke verwijdering van het podium. Een kind dat zich bemoeit met een poppenkastverhaal vormt een compliment aan de speler. Maar grote mensen die geen verschil meer zien tussen schijn en werkelijkheid? Je denkt aan emotionele onvolwassenheid, verstandelijke beperking en/of de kracht van confrontatie. Kennelijk voelden sommigen in de zaal zich persoonlijk aangesproken.

Rotte tomaten waren altijd al de ultieme dialoog tussen kunst en toeschouwer zodra deze laatste zich ongemakkelijk begon te voelen. Een zekere vorm van ontlading vanuit de zaal kan soms als een compliment worden opgevat. Noem het de ongevraagde vorm van publiekparticipatie die in ieder geval betrokkenheid bewijst. Maar wat als de Jan Klaassens onder hen door de vierde wand breken omdat ze ‘de wolf’ niet meer van de acteur kunnen onderscheiden?

Wat te doen als een artistiek concept wordt geïnterpreteerd als de creatie van een vijandsbeeld? Het is tegenwoordig een hele opgave: onderscheid maken tussen een zorgvuldig geregisseerde illusie en een directe aanval op de eigen wereldbeschouwing. In theaters wordt de vierde wand niet langer doorbroken door de acteur, maar door de toeschouwer die besluit dat een politiek incorrecte monoloog een prima reden is voor een bestorming. We zien het vaker: zodra een personage niet onmiddellijk als een karikaturale schurk met een snorretje wordt neergezet, raakt de moderne theaterbezoeker in een existentiële crisis.

Dat toeschouwers zich opwinden, vind ik overigens een goede zaak. Het geeft aan hoe sterk ze zich betrokken voelen; zolang men het minieme verschil tussen de acteur en zijn rol (dus tussen echt en ernst) maar in het achterhoofd houdt. We wanen ons in een beschaafde tijd, maar een stille zaal vormt geen vooruitgang. Van de Griekse oudheid tot aan Shakespeare was het theater een luidruchtig bordeel van emoties. Men gooide met rot fruit en scandeerde door dialogen heen. In dat opzicht is een beetje boegeroep en traag geklap bij de schijn van antisemitisme eigenlijk een charmante terugkeer naar onze wortels.

Ik juich deze ‘kettingreacties’ toe. De voorstelling is niet het laatste woord, en het protest evenmin. De ongefilterde uitwisseling van artistieke vrijheid en maatschappelijk debat zegeviert juist in de schuring. De schrijver en de acteur lokken de reactie uit en de zaal antwoordt. Dat is geen incident; dat is dialoog. Ja, ik geloof onvoorwaardelijk in het vrije woord, maar toch een kleine handleiding voor de ‘tere zieltjes’ onder ons: voor wie de confrontatie met het onaangename niet aan kan, is er goed nieuws. Net zoals een televisie een uitknop heeft, bevindt zich bij de ingang van elk theater een loket. Je hoeft niet naar binnen. Je kunt er ook voor kiezen de acteurs niet te gaan bekijken.

Als we de schijn van de werkelijkheid niet meer verdragen, kunnen we beter collectief terug naar de poppenkast. Daar is de boze wolf tenminste nog herkenbaar aan zijn dik aangezet gegrom en zijn voorspelbare valsheid. Kunst moet de onaangename kantjes integreren en de advocaat van de duivel spelen om ons tot reflectie te dwingen. Dat daarbij af en toe iemand van zijn stoel valt van verontwaardiging, hoort bij het vak. Geweld tegen acteurs en regisseurs blijft natuurlijk kwalijk en dient bestraft te worden, maar een beetje passie op de tribune? Graag.

De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Veelzeggende verbanden

Kun je zo met feiten omgaan dat toeval niet lijkt te bestaan?

Of het nu gaat om historische feiten of andere vastgelegde gegevens, ik geloof dat het bijna altijd mogelijk is om informatie in een groter verband te plaatsen zodat die veelzeggend wordt en het lijkt alsof de wereld een beetje om jou draait. Dat gevoel is verleidelijk, omdat je automatisch vooral datgene opmerkt wat jouw persoonlijke verhaal bevestigt. Details die daar niet in passen verdwijnen gemakkelijk naar de achtergrond, terwijl de elementen die jouw idee ondersteunen des te helderder naar voren springen. Zo ontstaat het gevaar dat je patronen meent te zien die eigenlijk niets anders zijn dan het resultaat van je eigen behoefte aan betekenis en bevestiging. Wat je interpreteert als een groter verband, is vaak slechts een zorgvuldig geselecteerde afspiegeling van je bestaande overtuigingen; een spiegel die meer van jezelf laat zien dan van de werkelijkheid.

De afstand tot de ‘Sint Joseph’ in Arnhem en Rotterdam.

Toch is het in de praktijk vaak ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we naar toevalligheden kijken in ons dagelijks leven. Confirmation bias – het fenomeen waarbij we vooral letten op informatie die onze verwachtingen ondersteunt – lijkt altijd op de loer te liggen. Maar soms voldoen de gebeurtenissen die onze aandacht trekken niet helemaal aan de strikte definitie van dit verschijnsel. Er kan sprake zijn van een kleine samenloop van omstandigheden, van interesse of nieuwsgierigheid, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een systematische bevooroordeling van feiten. Met andere woorden: niet alles wat zich laat duiden als ‘versterking van mijn narratief’ (gatver) is een zuiver voorbeeld van een bevestigingsvooroordeel; soms is het gewoon een toevallige combinatie van details die je interessant vindt.

Laat ik een voorbeeld geven: iemand doet mij een boekje cadeau over de geschiedenis van de St. Josephkerk in Arnhem, aan de voet waarvan ik nu woonachtig ben. Ik begin me hierdoor voor het eerst serieus in die kerk te verdiepen en kom erachter dat de architect de Rotterdammer Hendrikus Cornelis Marie van Beers is (op 14 maart 1929 vond de consecratie plaats). Omdat wij stadsgenoten zijn wil ik weten of er in mijn geboorteplaats niet minstens een gebouw op naam van dezelfde Van Beers staat. Dat is inderdaad het geval. Er bevindt zich ten minste één project in Rotterdam dat aan Hendrikus Cornelis Marie van Beers wordt toegeschreven: het ontwerp voor de R.K. Ambachtsschool ‘St. Joseph’ aan de Walenburgerweg uit 1931. Dit gebouw heette ook ‘St. Joseph’ en ik woonde er, net als bij het gebouw in Arnhem met die naam, op loopafstand vandaan.

Toch eens kijken, dacht ik, hoeveel meters het van deur tot deur was in beide gevallen. En wat denk je? Van mijn woning in de Lumeystraat in Rotterdam naar de Sint Joseph ambachtschool te Rotterdam is het 270 meter. Van mijn woning in de Beatrixstraat in Arnhem naar de hoofdingang van de Sint Josephkerk in de Rosendaalseweg 700 te Arnhem is het 270 meter! Dat is een bizarre ontdekking.

Ik lees dat de genoemde architect de zoon is van een architect, namelijk Francis Jacobus Cornelis Josephus van Beers. Deze man werd op 16 november 1865 geboren. In officiële bronnen wordt hij aangeduid als architect-bouwkundige. Hij liet een minder bekend oeuvre na dan zijn zoon. Hij was verder ook niet beroemd. Maar als Rotterdamse architect van zijn tijd bleek hij toch relevant. Er wordt op een blog vermeld dat hij verantwoordelijk is voor de woningen aan de Mathenesser­laan 183 tot 199, die in 1898 werden gerealiseerd.

Valt daar soms ook een toevalligheid te ‘scoren’? Ja hoor: mijn opa en oma van vaderszijde woonden op de ’s Gravendijkwal. Die ligt om de hoek van de Mathenesserlaan. Ze bevonden zich dus ook op loopafstand van een gebouw ‘van’ een Van Beers. Zou het mogelijk zijn dat Van Noorden senior (mijn opa) op zo’n zelfde afstand tot een ontwerp van Van Beers senior heeft gewoond, als Van Noorden Junior (dat ben ik) tot twee van de ontwerpen van Van Beers junior? Helaas, zoveel toeval had het lot niet in petto. Hij en mijn oma woonden op ’s Gravendijkwal 8 en dat, aldus google maps, is een afstand van zo’n 550 meter tot Mathenesserlaan 189 (de middelste van het rijtje gebouwen aldaar).

De afstand tot een rijtje met ontwerpen van de architect Van Beers senior vanaf het huis van mijn grootouders in Rotterdam.

Doelgericht zoeken naar verbanden levert niet altijd de verbanden op die je zoekt, maar met een beetje aanpassing en een tikkeltje omdenken kom je vaak een heel eind. Het brein is nu eenmaal vindingrijk genoeg om losse elementen in een passend patroon te schuiven, of het nu gaat om getalssymboliek, historische toevalligheden of andere vormen van resultaatgericht zoeken. Zo ontstaat er al snel een verhaal dat vooral overtuigend is voor degene die het construeert. Afijn, over confirmation bias sprak ik hierboven al.

Heeft iemand behoefte aan een uitsmijter? Ik vond nog een piepkleine gelijkenis: beide architecten voerden als tweede doopnaam Cornelis. Mijn opa heette ook Cornelis. Lekker belangrijk. Niet dus. Ik geloof dat ik deze laatste overeenkomst als een toevalligheid kan kwalificeren die absoluut geen naam mag hebben. En gelukkig maar.