Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






Fictie voor gevorderden

Over grote mensen die de weg kwijtraken in de poppenkast van de werkelijkheid.

In Duitsland werd een acteur die een fascist speelde in het stuk Catarina and the Beauty of Killing Fascists door het publiek beloond met een vliegende fruitmand en een poging tot zijn fysieke verwijdering van het podium. Een kind dat zich bemoeit met een poppenkastverhaal vormt een compliment aan de speler. Maar grote mensen die geen verschil meer zien tussen schijn en werkelijkheid? Je denkt aan emotionele onvolwassenheid, verstandelijke beperking en/of de kracht van confrontatie. Kennelijk voelden sommigen in de zaal zich persoonlijk aangesproken.

Rotte tomaten waren altijd al de ultieme dialoog tussen kunst en toeschouwer zodra deze laatste zich ongemakkelijk begon te voelen. Een zekere vorm van ontlading vanuit de zaal kan soms als een compliment worden opgevat. Noem het de ongevraagde vorm van publiekparticipatie die in ieder geval betrokkenheid bewijst. Maar wat als de Jan Klaassens onder hen door de vierde wand breken omdat ze ‘de wolf’ niet meer van de acteur kunnen onderscheiden?

Wat te doen als een artistiek concept wordt geïnterpreteerd als de creatie van een vijandsbeeld? Het is tegenwoordig een hele opgave: onderscheid maken tussen een zorgvuldig geregisseerde illusie en een directe aanval op de eigen wereldbeschouwing. In theaters wordt de vierde wand niet langer doorbroken door de acteur, maar door de toeschouwer die besluit dat een politiek incorrecte monoloog een prima reden is voor een bestorming. We zien het vaker: zodra een personage niet onmiddellijk als een karikaturale schurk met een snorretje wordt neergezet, raakt de moderne theaterbezoeker in een existentiële crisis.

Dat toeschouwers zich opwinden, vind ik overigens een goede zaak. Het geeft aan hoe sterk ze zich betrokken voelen; zolang men het minieme verschil tussen de acteur en zijn rol (dus tussen echt en ernst) maar in het achterhoofd houdt. We wanen ons in een beschaafde tijd, maar een stille zaal vormt geen vooruitgang. Van de Griekse oudheid tot aan Shakespeare was het theater een luidruchtig bordeel van emoties. Men gooide met rot fruit en scandeerde door dialogen heen. In dat opzicht is een beetje boegeroep en traag geklap bij de schijn van antisemitisme eigenlijk een charmante terugkeer naar onze wortels.

Ik juich deze ‘kettingreacties’ toe. De voorstelling is niet het laatste woord, en het protest evenmin. De ongefilterde uitwisseling van artistieke vrijheid en maatschappelijk debat zegeviert juist in de schuring. De schrijver en de acteur lokken de reactie uit en de zaal antwoordt. Dat is geen incident; dat is dialoog. Ja, ik geloof onvoorwaardelijk in het vrije woord, maar toch een kleine handleiding voor de ‘tere zieltjes’ onder ons: voor wie de confrontatie met het onaangename niet aan kan, is er goed nieuws. Net zoals een televisie een uitknop heeft, bevindt zich bij de ingang van elk theater een loket. Je hoeft niet naar binnen. Je kunt er ook voor kiezen de acteurs niet te gaan bekijken.

Als we de schijn van de werkelijkheid niet meer verdragen, kunnen we beter collectief terug naar de poppenkast. Daar is de boze wolf tenminste nog herkenbaar aan zijn dik aangezet gegrom en zijn voorspelbare valsheid. Kunst moet de onaangename kantjes integreren en de advocaat van de duivel spelen om ons tot reflectie te dwingen. Dat daarbij af en toe iemand van zijn stoel valt van verontwaardiging, hoort bij het vak. Geweld tegen acteurs en regisseurs blijft natuurlijk kwalijk en dient bestraft te worden, maar een beetje passie op de tribune? Graag.

De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Werdegang, zwabberkoers of wonderreis?

Het ontwikkelingstraject van filosofieprofessor Philip Goff.

Fragment uit Terug naar de roeken van het stoppelveld.

Begin jaren zestig besloten mijn ouders om van Rotterdam naar Rijen te verhuizen. Er waren toen nog geen openbare scholen in dat Brabantse dorp. Ik belandde tussen kinderen die ‘van huis uit’ geloofden. Ik weet niet meer wat de aanleiding was, maar op een zeker moment moesten we van onze meester één voor één al onze doopnamen opsommen. Iedereen bleek die te bezitten behalve ik. Het waren er soms wel vijf en sommigen klonken maf en moeilijk. Toch brachten mijn klasgenootjes het er foutloos van af. Was het de bedoeling geweest om mij te vernederen, dan mocht die poging als mislukt worden beschouwd. Ik raakte juist vervuld van trots dat ik ‘slechts’ Ronald heette. Ook al vormde ik de absolute minderheid en had de meester dat aardig blootgelegd, ik voelde mij niet buitengesloten maar uniek; misschien wel een geboren leider. Vanaf die dag drong zich het besef aan mij op dat het een zegen was om ‘niets’ te zijn van huis uit.

Philip Goff presenteert zijn spirituele traject als een moedige zoektocht, maar wat resteert is een geloof dat tot decor is gereduceerd. Het christendom wordt ontdaan van zijn claims, zijn weerbarstigheid en zijn existentiële dreiging, en vervolgens opnieuw aangekleed tot een intellectueel esthetisch object. Dat dit vervolgens als ‘ketters’ en moedig wordt gepresenteerd, maskeert slechts dat hier geen overgave plaatsvindt, maar beheersing. Wie zo gelooft, loopt geen risico, offert niets en hoeft niets te verantwoorden. Het geloof is niet langer een confrontatie met het onzegbare, maar een comfortabel verhaal dat precies past bij degene die het vertelt.

Ik geloof dat ik alle gelovigen expres vreemde vogels ben gaan vinden. Mijn eigen eigenaardigheden nooit buiten beschouwing latend, zijn ze dat in mijn ogen altijd gebleven. Niettemin observeerde ik ze graag en lang in hun vertrouwde omgeving. Enkelen van hen sloten zich vrijwillig op in kloosters of speelden serieus met de gedachte om monnik te worden. Dat vond ik onnavolgbaar. Omdat opofferingen vanwege een geloofsovertuiging mij fascineerden, ben ik hen wat beter gaan volgen. Ook geloofsafval interesseerde me mateloos, juist omdat mij dit zo’n logische reactie leek. Voor mijn beoogd essay voer ik drie typen van ‘zwerfgasten’ op. Ze werden als kind gevormd door het klassieke godsgeloof en zijn daarna een religieuze zoektocht begonnen die een groot deel van hun leven heeft opgeslokt. Ik stel de vraag of het vreemd is dat ze zichzelf nooit volledig aan de eigen haren uit hun geestelijke moerassen omhoog wisten te trekken.

De één heeft “de hele santenkraam” ingeruild voor wat beter in zijn commerciële kraam te pas kwam en verdient inmiddels discutabel veel geld als spiritueel coach, met alle bijbehorende volksverlakkerij van dien. Hij maakt dankbaar gebruik van het bekende principe dat een gek altijd wel een grotere gek vindt die hem bewondert. Tal van goedgelovigen met een religieuze achtergrond staan immers te dringen om, na de geestvernauwing van hun jeugd, opnieuw richting te ontvangen; ditmaal verpakt in een modieus, vaak oosters aandoend vocabulaire, dat vooral de illusie voedt van diepgang, groei en een voortdurend werken aan het zelf. Die honger naar persoonlijke ontwikkeling eindigt opvallend vaak in een kritiekloos aanvaarden van stelligheden, geuit door een goeroe die zich er in zijn arrogante overtuiging nooit voor lijkt te schamen dat hij niets kan bewijzen van wat hij beweert.

De tweede persoon die ik bespreek, bleef altijd katholiek in de traditionele zin van het woord. Hij is meegegaan in de modernisering die de kerk zelf heeft doorgemaakt en staat daardoor onmiskenbaar geëmancipeerder in het leven dan toen hij jong was. Zijn religiositeit verlangde nooit naar een uitweg buiten het systeem; integendeel, hij zocht verdieping binnen het kader dat hem was meegegeven. Dat streven bereikte een culminatiepunt toen hij serieus overwoog bij een klooster in te treden en bereid bleek de wereldse pleziertjes, die hij zich inmiddels had verworven, achter zich te laten. Ik heb altijd geloofd in zijn intrinsieke goedheid. Voor mij belichaamde hij iemand die de christelijke boodschap werkelijk had begrepen. Hypocrisie heb ik hem nooit kunnen verwijten. Juist daarom vond ik zijn persoonlijke zoektocht het moeilijkst te doorgronden. Hij leek in staat zijn vrouw en kinderen op afstand te plaatsen ten gunste van een zuiver ideaal; alsof nabijheid, zinnelijkheid en gehechtheid ondergeschikt waren geraakt aan een morele zuiverheid die hij nastreefde. Die zuiverheid had voor hem onmiskenbaar waarde; voor mij bleef zij betekenisloos.

Sta mij toe nu mijn derde zoeker te introduceren. Ditmaal betreft het iemand die ik niet persoonlijk ken: de filosofieprofessor Philip Goff, werkzaam in Cambridge. Ook hier gaat het om een gelovige jongen van huis uit, die op enig moment aan het zwerven raakte. Waar anderen onderweg alles achter zich laten of juist halsstarrig vasthouden aan wat hen is meegegeven, bewandelt Goff een derde route: hij onderzoekt, ontleedt, herformuleert en richt opnieuw in. Langs de omwegen van atheïsme, panpsychisme en een zorgvuldig geselecteerde spirituele gevoeligheid heeft hij uiteindelijk een nieuw onderkomen gevonden in een liberale, mystiek geïnspireerde variant van het christendom, een geloof dat hij met enige trots aanduidt als ‘ketters’.

De vraag is daarbij niet zozeer of Goff gelooft, maar hoe hij gelooft, en vooral: wat hij onderweg heeft achtergelaten. Vanuit zijn academische positie was hij in staat om vrijwel elke relevante geloofstraditie, filosofische stroming en mystieke praktijk aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Dat heeft hem, naar eigen zeggen en volgens zijn bewonderaars, een coherente visie opgeleverd waarin wetenschap, filosofie en mystiek elkaar ontmoeten. Men zou echter ook kunnen zeggen dat hij het geloof heeft ontdaan van zijn weerbarstige onderdelen en opnieuw heeft aangekleed tot een intellectueel draaglijk geheel.

Goff’s verhaal wordt vaak gepresenteerd als een uitzonderlijk samenhangende spirituele ontwikkeling. Opgegroeid in een katholiek gezin raakte hij vroeg vertrouwd met de rituelen en verhalen van het christendom, maar zijn intellectuele nieuwsgierigheid leidde hem al snel naar een atheïstisch wereldbeeld, dat hij decennialang volhield. Opmerkelijk genoeg bleef hij in die periode ontvankelijk voor mystieke ervaringen en ontwikkelde hij een filosofische belangstelling voor het panpsychisme: de gedachte dat bewustzijn geen bijproduct is, maar een fundamentele eigenschap van de werkelijkheid. Daarmee werd de deur naar het religieuze niet gesloten, maar op een kier gehouden, zorgvuldig bewaakt door academische terminologie.

Een belangrijk keerpunt vormde zijn ontdekking van de mystieke tradities binnen het christendom, met name die van de Oosters-Orthodoxe Kerk. In tegenstelling tot de westerse nadruk op schuld, straf en verzoening herinterpreteert Goff de kern van het christendom als een proces van ‘deificatie’: niet verlossing door plaatsvervangend lijden, maar geleidelijke deelname aan het goddelijke. Het is een lezing die theologisch niet nieuw is, maar die opvallend goed aansluit bij zijn eerdere filosofische overtuigingen, alsof de mystiek hier niet zozeer corrigeert, maar bevestigt.

Binnen deze interpretatie wordt de kruisiging van Jezus niet langer begrepen als een noodzakelijk offer, maar als een daad van radicale solidariteit. God identificeert zich met menselijk lijden en positioneert zich aan de zijde van de zwakken en gemarginaliseerden. Deze visie is ethisch aantrekkelijk en emotioneel overtuigend, maar laat zich ook lezen als een subtiele herschrijving: het harde dogma maakt plaats voor een moreel aanvaardbare symboliek, waarin het kwaad wordt erkend zonder dat er een almachtige, straffende God voor verantwoordelijk hoeft te worden gehouden.

Tegelijkertijd verkent Goff niet-westerse tradities, zoals Advaita Vedanta, waarin het individuele zelf samenvalt met een universeel bewustzijn. Hij erkent de elegantie van dit denken, maar haakt uiteindelijk af bij het probleem van het lijden, dat daar te gemakkelijk als illusie wordt opgevat. Zijn ‘ketterse’ christendom biedt hier een uitweg: lijden is reëel, kwaad bestaat, maar God is nog onderweg. De schepping is onvoltooid, en God evolueert mee; een gedachte die opmerkelijk goed past bij een modern, procesmatig wereldbeeld.

In dit raamwerk vermengt Goff pantheïstische en panentheïstische elementen. Alles is doordrongen van het goddelijke, maar God overstijgt het geheel ook. Jezus krijgt daarbij een exemplarische rol: niet uniek in wezen, maar exemplarisch in graad. Hij fungeert als prototype van wat de mens potentieel kan worden. Het christendom wordt zo een spiritueel oefenprogramma, ontdaan van zijn exclusiviteitsclaims.

Goff positioneert zijn geloof nadrukkelijk als pluralistisch en kritisch. Andere religies — van hindoeïsme tot soefisme — worden erkend als legitieme pogingen tot waarheid. Zijn christendom is geen dogmatische overtuiging, maar een combinatie van hoop, praktijk en esthetische voorkeur. Het biedt gemeenschap en ritueel, zonder de intellectuele vrijheid wezenlijk te beperken. Zekerheden worden vermeden, maar betekenis blijft behouden.

Zo bezien laat Goff’s spirituele traject zich lezen als een zorgvuldig georkestreerde zoektocht waarin niets definitief wordt losgelaten en niets onverenigbaars wordt toegelaten. Wat overblijft is een geloof dat zijn scherpe randen heeft verloren, maar daardoor des te draaglijker is geworden voor de moderne intellectueel.

Tja, wat zal ik er afsluitend van zeggen? Philip Goff laat zien hoe spiritualiteit in onze tijd kan worden gered door haar te herformuleren tot een intellectueel aanvaardbaar ontwerp. Het geloof wordt daarbij niet verworpen, maar zorgvuldig gestript van alles wat werkelijk tegenspreekt, verstoort of verplicht. Wat resteert is een esthetisch en moreel comfortabel systeem dat zich presenteert als diepgang, maar in wezen elk risico op radicale confrontatie vermijdt. Het is een geloof dat niets eist, niets bewijst en uiteindelijk vooral bevestigt wat al gedacht werd.

Juist daarin schuilt volgens mij niet alleen de aantrekkingskracht, maar ook de fundamentele zwakte van dit project. In het werk van Philip Goff fungeert religie uiteindelijk als een aankleedpop: het oude keurslijf is afgeworpen, maar het lichaam blijft hetzelfde. Door selectief te citeren, herinterpreteren en combineren wordt het christendom herschapen tot een systeem dat naadloos aansluit bij hedendaagse morele en intellectuele voorkeuren. Wat als ‘ketterij’ wordt gepresenteerd, blijkt bij nader inzien een vorm van spirituele maatwerkproductie, waarin elk element dat werkelijk schuurt, wordt vervangen door symboliek, procesdenken en goedbedoelde vaagheid. Het resultaat is geen geloof dat bevraagt of ontwricht, maar een overtuiging die zich probleemloos laat dragen; juist omdat zij nergens meer werkelijk op het spel staat.

PS 1: Wie na het lezen van dit stukje nieuwsgierig is geworden naar de ideeën van Philip Goff, kan terecht in zijn boek Why? The Purpose of the Universe (Oxford University Press, 2023). Daarin gaat hij dieper in op vragen over bewustzijn, kosmisch doel en de herinterpretatie van religieuze tradities; precies de thema’s die ik hier voorzichtig heb verkend.

PS2: Ik heb geprobeerd zo objectief mogelijk te blijven bij het schetsen van Goff’s gedachte-ontwikkeling. Toch kon ik er niet omheen: hier zien we opnieuw het patroon van iemand die als kind werd gevormd door het klassieke godsgeloof, zichzelf later gedurende vele jaren als atheïst bestempelde en nu, na een omzwervende intellectuele en spirituele zoektocht, vrij voorspelbaar uitkomt bij spiritualiteit, mystiek en een persoonlijke interpretatie van het christendom. Dat doet bijna denken aan een Werdegang, een levenspad dat kronkelt en zich ontvouwt in fasen van afwijzing, herwaardering en innerlijke synthese. Anderen, waaronder enkele van zijn kritische collega’s en universitaire recensenten, zouden dit eerder een zwabberkoers noemen: een traject dat heen en weer beweegt tussen filosofische zekerheid en existentiële twijfel, waarbij de uiteindelijke bestemming voornamelijk scepsis oproept.

Panentheïsme is een filosofische en theologische stroming die een middenweg probeert te vinden tussen het klassieke godsbeeld (God staat los van de wereld) en pantheïsme (God ís de wereld).

De term komt uit het Grieks:

  • Pan: alles
  • En: in
  • Theos: God

Letterlijk betekent het dus: “Alles is in God.”

In het panentheïsme wordt God gezien als de bezielende kracht die door het hele universum stroomt en waarin het universum zich bevindt. Het grote verschil met andere visies is:

  1. Immanent: God is overal aanwezig in de natuur en de kosmos (net als bij pantheïsme).
  2. Transcendent: God is tegelijkertijd groter dan het universum. Als het universum zou ophouden te bestaan, zou God volgens deze leer nog steeds bestaan. Het universum is een deel van God, maar God is niet beperkt tot het universum.

Heeft dit een wetenschappelijke onderbouwing? Nee. Het is belangrijk om dit kritisch te bekijken. Drie opmerkingen:

  • Geen wetenschappelijke theorie: Panentheïsme is een metafysische of filosofische opvatting, geen wetenschappelijke. Het doet uitspraken over de “aard van het zijn” die niet toetsbaar of falsifieerbaar zijn met de wetenschappelijke methode.
  • Compatibiliteit: Veel panentheïsten (zoals aanhangers van de procestheologie) stellen dat hun wereldbeeld juist goed samengaat met de wetenschap. Zij zien bijvoorbeeld de wetten van de natuur of de evolutie als de manier waarop “God” zich uitdrukt in de materie.
  • Panpsychisme: Er is een raakvlak met de filosofische stroming van het panpsychisme (het idee dat bewustzijn een fundamentele eigenschap van materie is), waar tegenwoordig in de analytische filosofie en sommige hoeken van de neurowetenschap serieus over gedebatteerd wordt. Echter, panentheïsme voegt daar een religieuze/goddelijke laag aan toe die wetenschappelijk gezien niet te bewijzen valt.

Breaking the Spell (Part III; Hfst 9, 10 en 11)

Part III: Religion Today (9: Toward a Buyer’s Guide to Religions, 10: Morality and Religion, 11: Now What Do We Do?)

In Part III van Breaking the Spell verlaat Daniel C. Dennett het historische en evolutionaire perspectief en richt hij zich op het heden. Na te hebben laten zien hoe religie is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, stelt hij nu de vraag: wat betekent dit alles voor de wereld waarin wij vandaag leven? Dit deel gaat niet meer over oorsprong, maar over gevolgen en keuzes. Dennett vraagt hoe we met religie omgaan in een samenleving die steeds beter begrijpt hoe overtuigingen werken, maar waarin religie nog altijd een sterke rol speelt; in moraal, onderwijs en politiek. De drie hoofdstukken van dit deel horen nauw bij elkaar. Ze bouwen voort op elkaar en bewegen van vergelijking, via morele reflectie, naar verantwoordelijkheid. Samen vormt Part III het meest directe en actuele deel van Breaking the Spell. Het is geen aanval op religie, maar een uitnodiging tot helderheid. Dennett vraagt de lezer niet om te geloven of niet te geloven, maar om na te denken over wat geloven vandaag betekent, en wat het doet.

In hoofdstuk 9 (Toward a Buyer’s Guide to Religions) stelt Dennett een ongemakkelijke, maar eenvoudige vraag: als religies echte invloed hebben op mensen en samenlevingen, waarom zouden we ze dan niet mogen vergelijken? Hij pleit niet voor ranglijsten of afschaffing, maar voor openheid. Religie mag geen uitzondering zijn op kritisch denken. Wie vrijheid serieus neemt, moet ook keuze en informatie serieus nemen.

Hoofdstuk 10 (Morality and Religion) gaat dieper in op een hardnekkige overtuiging: dat moraal zonder religie niet kan bestaan. Dennett onderzoekt deze gedachte zorgvuldig en laat zien dat morele intuïties ouder zijn dan religieuze systemen. Religie kan moraal ondersteunen en versterken, maar is niet de enige bron ervan. Daarmee maakt hij moraal los van angst en gehoorzaamheid, en plaatst hij haar terug in het menselijke samenleven.

In hoofdstuk 11 (Now What Do We Do?) komt alles samen. Dit is geen afsluitend antwoord, maar een open vraag. Dennett roept niet op tot strijd of afwijzing, maar tot volwassenheid. Als we religie begrijpen als een menselijk verschijnsel met echte gevolgen, dan hebben we ook de verantwoordelijkheid om er eerlijk en zorgvuldig mee om te gaan; in onderwijs, debat en persoonlijke keuzes.

Part III: “Religion Today”, Hoofdstuk 9“Toward a Buyer’s Guide to Religions”

Korte samenvatting van hoofdstuk 9

Met hoofdstuk 9 zet Dennett een opzettelijk prikkelende stap. De titel alleen al — Toward a Buyer’s Guide to Religions — klinkt voor veel lezers ongemakkelijk. Religie vergelijken met een product? Dat lijkt respectloos of zelfs cynisch. Precies dat ongemak is onderdeel van Dennetts punt. In dit hoofdstuk onderzoekt hij hoe religies vandaag functioneren, en stelt hij de vraag of het mogelijk — en verantwoord — is om religies te vergelijken, beoordelen en bespreken op hun effecten. Niet op hun heiligheid, maar op wat ze doen in het leven van mensen. In “Toward a Buyer’s Guide to Religions” maakt Dennett duidelijk dat de evolutie van religie niet stopt bij geloof, groepsvorming of zelfbescherming. In de moderne wereld komt daar verantwoordelijkheid bij. Dit hoofdstuk vraagt om volwassenheid. Niet om spot, niet om eerbied, maar om eerlijkheid. Als religies deel uitmaken van het publieke leven, dan horen ze ook thuis in het publieke gesprek; inclusief kritiek, vergelijking en twijfel. Met dit hoofdstuk opent Dennett Part III: een onderzoek naar religie zoals zij nu functioneert, in een wereld waarin mensen kunnen kiezen, twijfelen en vergelijken.

Waarom een “buyer’s guide”?

Dennett bedoelt met een buyer’s guide geen winkelgids en geen reclamefolder. Hij gebruikt de term als metafoor voor kritisch vergelijken. Zoals we dat doen bij scholen, therapieën of politieke systemen. De onderliggende vraag is eenvoudig: als religies echte invloed hebben op mensen en samenlevingen, waarom zouden we dan niet mogen vragen welke beter of slechter uitpakken? Dennett stelt dat we dit soort vragen op veel terreinen normaal vinden, behalve bij religie. Daar geldt vaak een stilzwijgende regel: niet vergelijken, niet beoordelen, niet kiezen op basis van gevolgen.

De breuk met “belief in belief”

Dit hoofdstuk bouwt direct voort op hoofdstuk 8. Waar belief in belief laat zien dat geloven vaak wordt verdedigd omdat het geloof is, doorbreekt hoofdstuk 9 dat patroon. Dennett zegt hier in feite: als we geloven belangrijk vinden omdat het iets doet, dan moeten we ook eerlijk kijken naar wat het doet. Dat betekent: niet alle religies over één kam scheren, maar ook niet doen alsof elke vorm van religie automatisch goed is.

Religie als pakket van praktijken

Een belangrijk punt in dit hoofdstuk is dat religie volgens Dennett geen enkelvoudig idee is, maar een pakket:

  • overtuigingen,
  • rituelen,
  • sociale regels,
  • machtsstructuren,
  • morele verwachtingen.

Wie religies vergelijkt, vergelijkt dus geen abstracte waarheden, maar manieren van leven. Dat maakt vergelijking lastig, maar niet onmogelijk. Dennett pleit ervoor om te kijken naar vragen als:

  • Bevordert deze religie nieuwsgierigheid of gehoorzaamheid?
  • Stimuleert zij verantwoordelijkheid of afhankelijkheid?
  • Maakt zij vreedzaam samenleven makkelijker of moeilijker?

Waarom deze vergelijking zo gevoelig ligt

Dennett begrijpt goed waarom het idee van een buyer’s guide weerstand oproept. Religie raakt aan identiteit, familie, traditie en emoties. Vergelijken voelt al snel als veroordelen. Maar hij draait het om iets anders; juist omdat religie zo diep ingrijpt, is kritiek geen luxe maar een verantwoordelijkheid. Het verbod op vergelijking beschermt religie tegen vragen, maar laat mensen vaak alleen met de gevolgen, positief of negatief.

Geen aanval op gelovigen

Belangrijk is dat Dennett dit hoofdstuk niet schrijft als aanval op gelovigen. Hij maakt herhaaldelijk duidelijk dat religies mensen kunnen steunen, zin kunnen geven, gemeenschappen kunnen dragen. Maar dat ontslaat ze niet van beoordeling. Goede bedoelingen zijn geen garantie voor goede uitkomsten. Dennett wil weg van de gedachte: “Als het iemand helpt, mogen we er niets over zeggen.” Hij wil toe naar: “Als het iemand helpt, laten we begrijpen hoe en tegen welke prijs.”

Vrijheid betekent ook vergelijken

Een subtiel maar belangrijk punt is dat Dennett religieuze vrijheid koppelt aan kennis. Echte keuzevrijheid bestaat alleen als mensen:

  • alternatieven kennen,
  • informatie hebben,
  • vragen mogen stellen.

Een samenleving die religies niet mag vergelijken, biedt geen echte keuze, maar traditie bij gebrek aan alternatief. De buyer’s guide staat dus symbool voor:

  • openheid,
  • volwassen omgang met religie,
  • vertrouwen in het denkvermogen van mensen.

De kern van Dennetts voorstel

Dennett stelt geen definitieve gids op. Hij zegt niet welke religie “het beste” is. Zijn voorstel is bescheidener, maar radicaler: laten we doen alsof religie een menselijk systeem is dat besproken, onderzocht en vergeleken mag worden. Dat alleen al zou een grote verandering zijn.

Part III: “Religion Today”, hoofdstuk 10“Morality and Religion”

Korte samenvatting van hoofdstuk 10

In hoofdstuk 10 behandelt Dennett een van de meest gevoelige en beladen onderwerpen in het hele boek: de relatie tussen religie en moraal. Dit is het punt waar veel lezers onrustig worden, omdat hier een diepgewortelde overtuiging wordt aangeraakt: het idee dat moraal zonder religie niet kan bestaan. Dennett pakt dit onderwerp voorzichtig maar vastberaden aan. Hij ontkent niet dat religie vaak een morele rol speelt in het leven van mensen. Wat hij wel betwist, is het idee dat religie de bron van moraal is. In “Morality and Religion” ondergraaft Dennett een hardnekkige aanname: dat religie de bewaker is van goed en kwaad. Hij laat zien dat moraal dieper ligt dan geloof, en ouder is dan godsdienstige systemen. Dit hoofdstuk nodigt de lezer uit om moraal niet te zien als een vast pakket regels, maar als een gedeeld menselijk project, gevormd door ervaring, medeleven en nadenken. Daarmee zet Dennett een belangrijke stap in Breaking the Spell: hij laat zien dat het mogelijk is om religie serieus te nemen, zonder haar tot morele maatstaf te verheffen.

De centrale vraag van dit hoofdstuk

De kernvraag van dit hoofdstuk is eenvoudig, maar ingrijpend: hebben mensen religie nodig om moreel te zijn? Of scherper geformuleerd: komt moraal van religie,
of gebruikt religie morele ideeën die al bestonden? Dennett laat zien dat deze vragen vaak door elkaar worden gehaald. Dat zorgt voor verwarring én voor angst: wie religie bekritiseert, zou moraal ondermijnen. Dit hoofdstuk probeert die koppeling los te maken.

Moraal als menselijk verschijnsel

Dennett begint met het idee dat moraal ouder is dan georganiseerde religie. Samenleven vraagt altijd om regels: eerlijkheid, wederkerigheid, zorg voor zwakkeren, beperking van geweld. Deze morele ideeën zijn nodig in elke groep, religieus of niet. Ze ontstaan niet uit openbaringen, maar uit het simpele feit dat mensen met elkaar moeten leven. Religie neemt deze morele intuïties niet over om ze te creëren, maar om ze te versterken, te structureren en te rechtvaardigen.

Religie als morele versterker, niet als bron

Dennett erkent dat religie moraal zichtbaar en bindend kan maken. Geboden, verhalen en rituelen geven morele regels gewicht. Ze zorgen ervoor dat mensen zich eraan houden, ook als niemand kijkt. Maar dat betekent nog niet dat moraal zonder religie verdwijnt. Dennett maakt hier een belangrijk onderscheid: religie kan moraal ondersteunen, maar zij bezit haar niet. Dit onderscheid wordt vaak genegeerd, waardoor religie moreel onmisbaar lijkt, terwijl zij in werkelijkheid één van de manieren is waarop moraal wordt doorgegeven.

Het gevaar van morele immuniteit

Een van Dennetts scherpste punten in dit hoofdstuk is dat religie soms morele regels afschermt tegen kritiek. Als iets moreel juist is “omdat God het wil”, wordt het moeilijk om vragen te stellen. Dat kan problematisch zijn wanneer morele regels verouderd raken, schade veroorzaken, of botsen met nieuwe inzichten. Dennett laat zien dat morele vooruitgang vaak juist plaatsvindt ondanks religieuze weerstand, niet dankzij religieuze vastheid.

Moraal zonder religie is geen leegte

Dennett verzet zich tegen het idee dat een niet-religieuze wereld moreel leeg zou zijn. Hij noemt dit een vals dilemma: alsof er maar twee opties zijn: religie of chaos. Hij benadrukt dat empathie, verantwoordelijkheid, zorg en rechtvaardigheid ook zonder religieuze basis kunnen bestaan. Mensen kunnen moreel handelen omdat zij begrijpen wat hun gedrag met anderen doet, niet alleen omdat het is voorgeschreven.

Waarom religie moreel aantrekkelijk blijft

Toch begrijpt Dennett waarom religie moreel aantrekkelijk is. Ze biedt duidelijke regels, vaste verhalen en een gevoel van zekerheid. Voor veel mensen is dat rustgevend. Maar die zekerheid heeft een prijs: minder ruimte voor twijfel, aanpassing en groei. Dennett stelt geen verbod voor, maar een keuze: willen we moraal vastzetten, of willen we haar blijven ontwikkelen?

De inzet van dit hoofdstuk

Dit hoofdstuk is geen aanval op moraal, maar een bevrijding van moraal uit religieuze exclusiviteit. Dennett wil laten zien dat:

  • moraal van ons allemaal is,
  • moraal bespreekbaar moet blijven,
  • moraal kan groeien.

Door moraal los te koppelen van religie, wordt zij niet zwakker, maar juist eerlijker en menselijker.

Part III: “Religion Today”, hoofdstuk 11“Now What Do We Do?”

Korte samenvatting van hoofdstuk 11

Met hoofdstuk 11 komt Breaking the Spell op een punt waar filosofie, wetenschap en verantwoordelijkheid samenkomen. Na alle analyses, verklaringen en kritische vragen blijft er één onvermijdelijke kwestie over: wat moeten we nu doen met deze kennis?Dennett presenteert dit hoofdstuk niet als een handleiding of een manifest. Het is eerder een open uitnodiging om volwassen om te gaan met religie, nu deze niet langer buiten kritiek is geplaatst. In “Now What Do We Do?” laat Dennett de lezer niet achter met antwoorden, maar met verantwoordelijkheid. Het boek eindigt niet met een conclusie, maar met een opdracht. Religie is geen taboe en geen vijand. Het is een menselijk systeem met kracht, schoonheid en risico’s. Wie die serieus neemt, moet haar durven onderzoeken. Het echte “nu wat?” is daarom geen oproep tot actie, maar tot een houding: eerlijkheid boven geruststelling, begrip boven ontzag, en volwassenheid boven angst. Daarmee sluit Breaking the Spell af zoals het begon: niet met vernietiging van religie, maar met het vertrouwen dat mensen het aankunnen om haar te begrijpen.

Geen triomf, geen afrekening

Dennett begint met het afwijzen van een misverstand. Zijn boek is geen poging om religie te “ontmaskeren” om haar daarna af te schaffen. Hij viert geen overwinning op geloof en roept niet op tot spot of strijd. Integendeel: hij benadrukt dat religie een krachtig en diepgeworteld menselijk verschijnsel is, dat niet zomaar verdwijnt en ook niet zou moeten verdwijnen zonder nadenken. De vraag is dus niet: “hoe raken we religie kwijt?” maar: “hoe gaan we er verstandig mee om?”

De prijs van eerlijkheid

Dennett erkent dat het “breken van de betovering” ongemakkelijk is. Wie religie onderzoekt zoals andere menselijke systemen, neemt zekerheden weg. Dat kan angst oproepen, vooral bij mensen voor wie religie steun, zin of structuur biedt. Toch stelt Dennett dat eerlijkheid onvermijdelijk is. Als religie echte gevolgen heeft — moreel, politiek, psychologisch — dan hebben we de plicht om haar te begrijpen, ook als dat pijn doet. Niet onderzoeken is geen neutraliteit, maar nalatigheid.

Onderwijs als sleutel

Een belangrijk praktisch punt in dit hoofdstuk is onderwijs. Dennett pleit niet voor religieuze indoctrinatie, maar voor kennis over religie. Dat betekent:

  • leren hoe religies zijn ontstaan,
  • begrijpen waarom ze overtuigend zijn,
  • zien hoe ze functioneren in groepen.

Volgens Dennett maakt kennis mensen niet cynisch, maar weerbaar. Wie begrijpt hoe overtuigingen werken, kan er bewuster mee omgaan, gelovig of niet.

Vrijheid vraagt om volwassenheid

Dennett verbindt religieuze vrijheid aan verantwoordelijkheid. Vrijheid van geloof betekent niet dat geloof boven kritiek staat. Het betekent dat mensen mogen kiezen, maar keuzes hebben alleen waarde als ze geïnformeerd zijn. Dit sluit aan bij het idee van de “buyer’s guide” uit hoofdstuk 9: geen verplichting, geen verbod, wel open vergelijking en bespreking. Een samenleving die religie beschermt tegen vragen, ondermijnt uiteindelijk haar eigen vrijheid.

Wat doen we met twijfel?

In eerdere hoofdstukken liet Dennett zien hoe belief in belief twijfel verdacht maakt. In dit slothoofdstuk draait hij dat om. Twijfel is geen vijand, maar een teken van betrokkenheid. Dennett pleit voor een cultuur waarin:

  • vragen stellen normaal is,
  • onzekerheid mag bestaan,
  • overtuiging geen schild is tegen kritiek.

Dat geldt niet alleen voor religie, maar voor alle sterke overtuigingen.

Moraal zonder angst

Dennett keert nog één keer terug naar moraal. Hij benadrukt dat eerlijk nadenken over religie geen morele leegte hoeft te creëren. Integendeel: moraal die niet rust op angst of gehoorzaamheid, maar op inzicht en zorg, is vaak duurzamer. Hij vraagt de lezer om vertrouwen te hebben in menselijke vermogens:

  • empathie,
  • samenwerking,
  • verantwoordelijk denken.

De toon van het slot: voorzichtig optimisme

Opvallend aan dit hoofdstuk is de toon. Dennett is kritisch, maar niet kil. Hij is bezorgd, maar niet somber. Hij gelooft dat mensen beter kunnen omgaan met religie dan vaak wordt aangenomen. Zijn optimisme is echter voorwaardelijk: alleen als we bereid zijn te leren, te praten, en moeilijke vragen niet uit de weg te gaan.

Veelzeggende verbanden

Kun je zo met feiten omgaan dat toeval niet lijkt te bestaan?

Of het nu gaat om historische feiten of andere vastgelegde gegevens, ik geloof dat het bijna altijd mogelijk is om informatie in een groter verband te plaatsen zodat die veelzeggend wordt en het lijkt alsof de wereld een beetje om jou draait. Dat gevoel is verleidelijk, omdat je automatisch vooral datgene opmerkt wat jouw persoonlijke verhaal bevestigt. Details die daar niet in passen verdwijnen gemakkelijk naar de achtergrond, terwijl de elementen die jouw idee ondersteunen des te helderder naar voren springen. Zo ontstaat het gevaar dat je patronen meent te zien die eigenlijk niets anders zijn dan het resultaat van je eigen behoefte aan betekenis en bevestiging. Wat je interpreteert als een groter verband, is vaak slechts een zorgvuldig geselecteerde afspiegeling van je bestaande overtuigingen; een spiegel die meer van jezelf laat zien dan van de werkelijkheid.

De afstand tot de ‘Sint Joseph’ in Arnhem en Rotterdam.

Toch is het in de praktijk vaak ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we naar toevalligheden kijken in ons dagelijks leven. Confirmation bias – het fenomeen waarbij we vooral letten op informatie die onze verwachtingen ondersteunt – lijkt altijd op de loer te liggen. Maar soms voldoen de gebeurtenissen die onze aandacht trekken niet helemaal aan de strikte definitie van dit verschijnsel. Er kan sprake zijn van een kleine samenloop van omstandigheden, van interesse of nieuwsgierigheid, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een systematische bevooroordeling van feiten. Met andere woorden: niet alles wat zich laat duiden als ‘versterking van mijn narratief’ (gatver) is een zuiver voorbeeld van een bevestigingsvooroordeel; soms is het gewoon een toevallige combinatie van details die je interessant vindt.

Laat ik een voorbeeld geven: iemand doet mij een boekje cadeau over de geschiedenis van de St. Josephkerk in Arnhem, aan de voet waarvan ik nu woonachtig ben. Ik begin me hierdoor voor het eerst serieus in die kerk te verdiepen en kom erachter dat de architect de Rotterdammer Hendrikus Cornelis Marie van Beers is (op 14 maart 1929 vond de consecratie plaats). Omdat wij stadsgenoten zijn wil ik weten of er in mijn geboorteplaats niet minstens een gebouw op naam van dezelfde Van Beers staat. Dat is inderdaad het geval. Er bevindt zich ten minste één project in Rotterdam dat aan Hendrikus Cornelis Marie van Beers wordt toegeschreven: het ontwerp voor de R.K. Ambachtsschool ‘St. Joseph’ aan de Walenburgerweg uit 1931. Dit gebouw heette ook ‘St. Joseph’ en ik woonde er, net als bij het gebouw in Arnhem met die naam, op loopafstand vandaan.

Toch eens kijken, dacht ik, hoeveel meters het van deur tot deur was in beide gevallen. En wat denk je? Van mijn woning in de Lumeystraat in Rotterdam naar de Sint Joseph ambachtschool te Rotterdam is het 270 meter. Van mijn woning in de Beatrixstraat in Arnhem naar de hoofdingang van de Sint Josephkerk in de Rosendaalseweg 700 te Arnhem is het 270 meter! Dat is een bizarre ontdekking.

Ik lees dat de genoemde architect de zoon is van een architect, namelijk Francis Jacobus Cornelis Josephus van Beers. Deze man werd op 16 november 1865 geboren. In officiële bronnen wordt hij aangeduid als architect-bouwkundige. Hij liet een minder bekend oeuvre na dan zijn zoon. Hij was verder ook niet beroemd. Maar als Rotterdamse architect van zijn tijd bleek hij toch relevant. Er wordt op een blog vermeld dat hij verantwoordelijk is voor de woningen aan de Mathenesser­laan 183 tot 199, die in 1898 werden gerealiseerd.

Valt daar soms ook een toevalligheid te ‘scoren’? Ja hoor: mijn opa en oma van vaderszijde woonden op de ’s Gravendijkwal. Die ligt om de hoek van de Mathenesserlaan. Ze bevonden zich dus ook op loopafstand van een gebouw ‘van’ een Van Beers. Zou het mogelijk zijn dat Van Noorden senior (mijn opa) op zo’n zelfde afstand tot een ontwerp van Van Beers senior heeft gewoond, als Van Noorden Junior (dat ben ik) tot twee van de ontwerpen van Van Beers junior? Helaas, zoveel toeval had het lot niet in petto. Hij en mijn oma woonden op ’s Gravendijkwal 8 en dat, aldus google maps, is een afstand van zo’n 550 meter tot Mathenesserlaan 189 (de middelste van het rijtje gebouwen aldaar).

De afstand tot een rijtje met ontwerpen van de architect Van Beers senior vanaf het huis van mijn grootouders in Rotterdam.

Doelgericht zoeken naar verbanden levert niet altijd de verbanden op die je zoekt, maar met een beetje aanpassing en een tikkeltje omdenken kom je vaak een heel eind. Het brein is nu eenmaal vindingrijk genoeg om losse elementen in een passend patroon te schuiven, of het nu gaat om getalssymboliek, historische toevalligheden of andere vormen van resultaatgericht zoeken. Zo ontstaat er al snel een verhaal dat vooral overtuigend is voor degene die het construeert. Afijn, over confirmation bias sprak ik hierboven al.

Heeft iemand behoefte aan een uitsmijter? Ik vond nog een piepkleine gelijkenis: beide architecten voerden als tweede doopnaam Cornelis. Mijn opa heette ook Cornelis. Lekker belangrijk. Niet dus. Ik geloof dat ik deze laatste overeenkomst als een toevalligheid kan kwalificeren die absoluut geen naam mag hebben. En gelukkig maar.