
Wie de ‘Stoeve-laarsjes’ past, trekke hen aan


Natuurlijk zal dit slinkse nest niet rusten voordat alle neuzen haar kant op wijzen. Het gaat niet goed met de opperbazen in de Boreale bossen van Teutholia. Blafhond Geert had teveel afscheiding na de laatste coupe. De hooghartige bloedhond Markusz liep een vette kluif mis en blaft nu al een toontje lager. De potsierlijke Teckel Thierry verliet zijn roedel overhaast en keerde terug met hangende pootjes, wat een slappe indruk maakte. Kettinghond Henk kan alleen het boerenerf bewaken en laat zijn oren teveel hangen naar, de niet minder voorspelbare, one-trick pony Van der Plas. De Eerdmanterriër tenslotte baalt dat zijn alfavrouwtje vaker wordt aangehaald door asielhoudster Jinek dan hij.

Nee, ik zal haar niet de hemel in prijzen want ik ken haar verder niet, maar dit is wat ik wel van haar weet:
1. Zij heeft de moed om de problemen te benoemen.
In het dossier Buitenplaats Beekhuizen stuitte ik op een muur van bureaucratisch gelul. Terwijl andere partijen meegaan in de technische rekensommetjes die op papier natuurwinst beloven, was het Beau Vroone die mijn bezwaren ondersteunde. Het getuigt van intellectuele eerlijkheid om te erkennen dat een administratieve stikstofreductie de natuur in de praktijk niet helpt. We hebben politici nodig die de fysieke realiteit van de Veluwezoom zwaarder laten wegen dan een juridisch sluitend document.

2. Zij toont betrokkenheid bij de directe leefomgeving (en kijkt dus ook over de gemeentegrenzen heen).
Natuur houdt niet op bij de gemeentegrens tussen Rheden en Arnhem. Waar veel raadsleden zich verschuilen achter hun eigen ‘tuintje’, toonde Beau Vroone zich bereid om over de grenzen heen te kijken. Door de Rhedense fractie te tippen over mijn boze emails en blogberichten, liet zij zien dat ecologische belangen en democratische transparantie een regionaal belang zijn. Dat is het type leiderschap dat de Veluwezoom nodig heeft.
3. Zij brengt de filosoof terug in de politieke arena.
Dat Beau een afgestudeerd filosofe is, zie ik als een aanzienlijk voordeel voor de lokale politiek. We moeten hiervoor terug naar het oude Griekenland, de bakermat van onze democratie. Voor figuren als Plato was de ‘filosoof-bestuurder’ het hoogste ideaal; niet uit arrogantie, maar omdat een filosoof getraind is om voorbij de waan van de dag te kijken. In de traditie van Socrates stelt een filosoof de ‘waarom-vraag’ die anderen vaak vergeten. In een tijd van snelle oneliners hebben we mensen nodig die logische drogredenen herkennen en die de ethische consequenties van beleid kunnen overzien voordat de eerste schop de grond in gaat.
4. Haar scriptie waarin zij patronen van onderdrukking doorziet, belooft veel goeds.
Haar masterscriptie over de ‘heks als anti-moeder’ is meer dan een historisch onderzoek; het is een analyse van hoe systemen van macht en uitsluiting werken. Door te laten zien hoe vrouwen historisch tot zondebok werden gemaakt zodra ze niet aan onmogelijke maatschappelijke normen voldeden, toont ze aan dat ze scherp is op systeemfouten. In de politiek betekent dit dat zij waarschijnlijk de eerste zal zijn die signaleert wanneer kwetsbare ‘groepen’ — of dat nu mensen, dieren of de natuur zelf zijn — onterecht in de hoek van ‘het probleem’ worden gedrukt. Haar focus op reproductieve rechten en de onzichtbare lasten van zorgwerk vertaalt zich direct naar een pleidooi voor een rechtvaardigere inrichting van onze Arnhemse samenleving.
En dus?
Politiek gaat voor mij om vertrouwen. Vertrouwen dat een volksvertegenwoordiger niet alleen de regels volgt, maar ook durft te zeggen wanneer die regels de werkelijkheid geweld aandoen. Beau Vroone heeft mij nu al bewezen over die scherpte en integriteit te beschikken. Wie hart heeft voor de natuur van de Veluwezoom en wie gelooft in een transparante democratie vindt in haar de juiste stem in de Arnhemse raad.

Mijn inbox is tegenwoordig zelden saai, maar dit bericht van Jan Keemink (voorzitter van Stichting Natuurbehoud Veluwezoom) trof me direct. Jan volgt het dossier Buitenplaats Beekhuizen al jaren op de voet. Terwijl het college zich opmaakt voor de raadsvergadering van 24 maart, viel hem iets op in de terminologie die daar wordt gebruikt. Een subtiel verschil in woorden, dat in de praktijk wel eens grote gevolgen zou kunnen hebben voor hoe we als burgers buitenspel worden gezet.

Hoi Ronald,
Het viel mij op dat het gaat om een ‘verklaring van geen bedenkingen’ die de raad nu wil afgeven. Maar volgens mij zijn er bij de fracties juist heel veel bedenkingen, behalve misschien bij de VVD. Er wordt gehandeld alsof het om een verklaring van geen bezwaar gaat, maar dat is het niet. Eigenlijk kunnen ze die verklaring dus helemaal niet afgeven.
Het zou ook mooi staan in de Regiobode als persbericht of bij Studio Rheden.
Kun jij daar nog iets mee in jouw blog?
Groet, Jan
Jan’s observatie zette me aan het denken. Is de raad hier werkelijk zo onwetend, of zijn we getuige van een politiek schaakspel? Ik heb de officiële stukken van wethouder Paul Hofman (GroenLinks) erbij gepakt en deze laten spiegelen door een bekende met de nodige bestuursjuridische ervaring. Kijken we hier niet naar een normale procedure, of naar een zorgvuldig opgetuigde ‘fuik’? Ik besloot Jan mijn bevindingen terug te sturen met een vraag.
Dag Jan,
Dank voor je bericht. Ik heb de stukken voor de 24e nog eens goed doorgespit.
Je punt over de “verklaring van geen bedenkingen” (vvgb) is interessant. Ik heb het even voorgelegd aan een bekende uit het bestuursrecht (zie ook de annex onderaan). Juridisch gezien is die vvgb een nogal taai instrument: de raad geeft hiermee in feite alleen de ‘sleutel’ af om de procedure te starten.
Dit hoef ik jou niet te vertellen natuurlijk. Ik begrijp je mail vooral als een signaal over de politieke beeldvorming. We weten allebei dat de rij met bezwaarmakers op dit moment niet bepaald tot aan de Posbank staat. Juist omdat die massale weerstand vanuit de burger ontbreekt, wordt de rol van de media en de politieke fracties cruciaal.
Moet ik je suggestie voor mijn blog zo begrijpen dat je de druk op de ketel wilt houden bij de fracties die twijfelen? Als er vanuit de samenleving weinig ‘zienswijzen’ komen, is de enige weg om dit plan te stuiten een politieke weigering op basis van de “goede ruimtelijke ordening”.
Ik heb in de bijlage de juridische fijnmazigheid laten bevestigen door mijn bron (zie PS2). Het laat zien dat de raad zichzelf deels buitenspel zet als er geen zienswijzen komen (punt 6 van het besluit). Is dit precies waarom je de publiciteit zoekt? Om te voorkomen dat dit proces geruisloos naar een ‘automatische’ definitieve verklaring kabbelt?
Ik hoor graag of je wilt dat ik in mijn blog de nadruk leg op deze juridische ‘fuik’ waar de raad in dreigt te lopen, of waar zij zich graag toe laat verleiden in te lopen, als betreft het een zorgvuldig opgetuigd labyrint voor de argeloze burger (PS1).
Hartelijke groet,
Ronald
PS1: Als we uitgaan van ons vermoeden dat de raad het proces bewust ‘dichtgetimmerd’ heeft, dan krijgt jouw opmerking over de “verklaring van geen bedenkingen” een hele bittere bijsmaak. Ze handelen alsof het een hamerstuk is zonder enig bezwaar, terwijl de werkelijkheid buiten de raadszaal natuurlijk heel anders is. Door deze terminologie te gebruiken, creëren ze een papieren werkelijkheid waarin het lijkt alsof de raad unaniem achter het plan staat. De route naar een definitief besluit wordt voor de politici zo glad mogelijk gemaakt, terwijl de burger voor een labyrint staat; dit in de hoop dat niemand de moeite neemt om een zienswijze in te dienen. Ik wil in mijn blog de nadruk leggen op dit ‘politieke theater’. Het lijkt erop dat de raad (inclusief GroenLinks/PvdA) de burgerparticipatie degradeert tot een formaliteit die ze het liefst zo snel mogelijk afvinken.
PS2: Annex: Samenvatting advies inzake procedure VVGB Bovenallee 1
Naar aanleiding van de stukken voor de raadsvergadering van 24 maart 2026 heb ik een bevriende bestuursjurist om een duiding gevraagd van de term ‘verklaring van geen bedenkingen’ in deze context. Hieronder de kernpunten uit zijn reactie:
Na het lezen van deze correspondentie rest de vraag: laten we ons als burgers geruisloos opsluiten in een labyrint dat ontworpen is om ons te laten verdwalen, of eisen we dat de ‘bedenkingen’ die er wel degelijk zijn, ook daadwerkelijk gehoord worden? De klok tikt richting 24 maart.
Beste heer Rosenberg, ik begrijp nu dat u twee typen ogen onderscheidt bij mensen die onderzoek doen naar de authenticiteit van schilderijen: ogen die kijken met louter kennis van zaken, en de gezichtsorganen van de zogenaamde experts met dollartekens in hun blik.
Een combinatie van de twee is ook mogelijk: de halfkritische visie van geldbeluste connaisseurs. Die zouden het u moeilijk kunnen maken, maar nee, al deze mensen heeft u buitengesloten; zij doen u geen kwaad meer.

Sommigen van uw dierbaren, zo vertelde u, begonnen ook al raar te kijken. Pure afgunst. Zij waren van mening dat u een economisch belang hebt bij het bepalen van echt of nep. Dat noemde u blikvernauwing. Ook hen wees u de deur.
U bent geen charlatan maar een lichtmeester en een scherpslijper. U werd van jongsaf omringd door kunst. Toeval en gevoel voor schoonheid hebben u belast met iets enorms; iets onhandelbaars. U beweert een Rembrandt te bezitten.
Helaas voor u kunt u niet om de ‘toeschrijvingsautoriteiten’ heen. Dat zijn mensen – in uw woorden – die in geen enkele eerder genoemde categorie passen. Ze zijn verbonden aan musea en hebben het aureool van wetenschappelijkheid en objectiviteit.
Die trekt u niet in twijfel, maar de ware experts werken niet belangeloos. Ze willen geen onderzoek verrichten zolang u uw doek niet op voorhand in bruikleen geeft (mocht deze als echt worden aangemerkt).
Ziedaar de patstelling. U bent een noodgedwongen eigenaar en een actief conflictvermijder. U werkt nauwkeurig als het om uw hobby gaat (het vervaardigen van lenzen), maar u wilt zichzelf niet creatief noemen. Vervalsen bijvoorbeeld, u zou niet weten hoe dat moet. U heeft het werk verworven. Zoals je talent erft. De toedracht blijft vaag maar schijnt de garantie van echtheid te impliceren. Kun je daarmee volstaan?
Je zult het maar zijn: de bezitter van een Rembrandt. Het schilderij hangt in uw slaapkamer naast uw vroegere werkplaats. Het wil onderzocht worden; het verlangt naar ogen die het definitieve onderscheid maken, niet naar de blikken van simpele museumbezoekers. Toch zal het langs talloze beschouwers en commentatoren moeten, wil het werkelijkheidsgehalte ervan worden bepaald.
Ik weet niet goed waarom u zoveel vertrouwen in mij stelde. Omdat ik maar een postbode ben? Of juist omdat ik uw briefgeheimen bewaak? Dacht u dat ik zou zwijgen voor het overige? Maar ik ben een schrijver, meneer Rosenberg, ik ben eerst en vooral een schrijver; ook ik maak aanspraak op mijn eigen stukje originaliteit tegenover de rest van de wereld.
Ik herken de neiging dat je wilt pronken met iets en het wilt verstoppen. Je vindt dat het recht heeft op aandacht. Je doet alles en toch weer niets om vakkundige blikken op je werk te vestigen.
Ik weet wat het is: u wilt vragen uit de weg gaan. Maar u ervaart ook eenzaamheid. Duur bezit schept grote verantwoordelijkheid, drijft je weg van de meute. Vage herkomst verlangt een verklaring. En daarna nog één. Zo reageert een omgeving die zelf niet veel kan.
Er heerst totaal geen angst dat het oordeel uiteindelijk “nep” zal zijn. Dat zou ons eerder helpen. Het zou de bevrijding inluiden. Het werk wordt er niet lelijker van. Stel je voor: eindelijk bevrijd te worden van het predikaat van echtheid door een menigte die zelf geen grootsheid ervaart.
Niet uit zichzelf, nooit in de slaapkamer.
Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.
Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.
Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.
Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.
Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.
Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.
Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.
Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):
Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen.
Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.
Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.
Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.
Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.
Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.
Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.
Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.
Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.
De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.
Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?
De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.
In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.
De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.
Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.
Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.
Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.
Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.
Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).
Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.
Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.
In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.
Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.
De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.
Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.
Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.
Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.
Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.
Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.
Een ernstig geval van keuzestress, dat sommigen zouden bestempelen als een luxeprobleem, leidde tot het volgende berichtje van een vriendin vanuit een chique winkel in Utrecht: ‘Totaal ander onderwerp nu, en ik weet dat er veel ergere dilemma’s bestaan, maar waarom zijn er zo veel lelijke schoenen?’
Ik wist dat zij niets zou hebben aan mijn antwoord, maar ik zat nog in de fase van ad rem willen zijn, dus schreef ik, ook vanuit een winkel: ‘Hoe duurder de schoen, hoe groter de kans dat hij eruitziet alsof hij is samengesteld uit restafval van een orthopedische kliniek en een legodoos. Men noemt dit “avant-garde”, maar wij weten wel beter: het is gewoon een sociaal experiment om te zien hoe ver mensen gaan voor een merklogo.’

Omdat ik precies wist wat ik nodig had in de zaak waar ik was – ik bevond mij in de wachtrij van een apotheek – en ik dus tijd genoeg had, maar ook omdat mijn gevoel voor humor nog niet afdoende was aangetoond, liet ik hierop volgen: ‘Ik kan trouwens ook wel een voordeel bedenken. Lelijk schoeisel vormt eigenlijk een beveiligingssysteem. Niemand gaat je overvallen voor een paar patta’s dat eruitziet als twee opgeblazen vissen of Crocs met nepbont.’
Mmm, alweer te matig misschien om echt leuk te lijken, dus waarschijnlijk zouden er nog meer te snel geconstrueerde antwoorden volgen. Eigenlijk demonstreerde ik hiermee precies de reden waarom er overproductie is in de mode-industrie; de kwantiteit moet een soort van sporadische kwaliteit waarborgen. Maar wacht, nu had ik plotseling een hele persoonlijke associatie.
Ik moest opeens aan Elisabeth denken. Wat had ik haar Vibran FiveFingers leuk gevonden. Koddig, guitig, aandoenlijk en schalks, dat waren de woorden die ik aanvankelijk voor haar en haar teenschoenen bedacht. Wat ik er ook zo geweldig aan vond, was dat de dingen zolen van niks bezaten. Elisabeth en ik waren even groot. Ik flaneerde graag met haar.
Toch zou mijn vertedering snel verdwijnen. De afspraak om te gaan hardlopen kreeg een flinke knauw bij haar voordeur, die open en dichtging als ik haar ophaalde. Ik was altijd precies op tijd of net iets te vroeg. Zij was nooit klaar, moest nog van alles doen. Ze duwde me een Duitstalig boek in handen. Zo kon ik de tijd in haar portiek met Goethe doden of een andere ‘echte’ schrijver. Haar schoentjes mochten ook niet naar binnen. Die stonden daar ‘ganz alleinig und barfüßerisch’ voor de dorpel. Zolang zij er zelf niet in zat vond ik ze best bizar.
Ik begrijp niet waarom ze mij zo rigoureus buitensloot. Het leidde er toe dat ik, zittend op de harde rand van een plantenbak, steeds luider ging voordragen. Op een gegeven moment begon mijn gereciteer qua luidheid op de toespraken van Hitler of Goebbels te lijken. Dat vond ze helemaal niet erg. Het enige compliment dat ze mij ooit heeft gegeven is dat ik sprak met een “geloofwaardig hoogduits” accent. En zij kon het weten want ze had het gestudeerd.
Het contact met haar is verbroken. Dat kwam niet door haar schoeisel maar toch: in het bos liep het fout met de voethandschoenen die de natuurlijke bewegingen moesten simuleren. Ze kon het parcours, dat harde en zachte stukken bevatte, alsook passages met wortels en modderige delen, nooit ononderbroken voltooien. De grond bleek ongeschikt, de zolen te dun, haar voeten te gevoelig. Het werd haar allemaal te moeilijk. Waarom kon ik geen route uitstippelen met alleen maar zachte paden?
De basis viel weg. We haalden elkaar uit ons normale ritme. Dat placht liefde ook te doen, maar onze verstoringen bleken niet liefdevol. De vriendin in Utrecht had inmiddels een knoop doorgehakt; ze stuurde een foto van haar aankoop. Ik kon niet zeggen dat ik haar keuze reuze vond. Te hoge hakken misschien. Maar geen probleem uiteraard. Als zij ze aan had, zou alles goedkomen. In die schoenfase zaten we nog.