Allemaal een dak boven ons hoofd

Hoe verschillende vormen van geluk stilletjes renderen in 42 huizen.

Ik woon in een straat met voornamelijk koopwoningen; 41 om precies te zijn en als we sociaal zijn 42, want een belangrijke kant van een hoekwoning op nummer 1 in een straat met een andere naam, inclusief een groot deel van de tuin van die woning, kan ook tot mijn straat worden gerekend. Het aantal huurwoningen bedraagt 14. Ik behoor tot de minderheid.

Koop mislukt, verhuur geregeld. En omgekeerd. Zoek de verschillen. Die zijn er wel, maar ook weer niet; het hangt af van je levensvisie. Ik zeg: het kan verkeren. Het debat over huren of eigendom gaat minder over rancune en meer over de vanzelfsprekende verschillen die het systeem creëert. Soms volstaat het om dat met een knipoog vast te stellen, zonder dat er een conflict van hoeft te komen.

Een huurder, ergens in Nederland, schreef een brief naar een krant, en opperde daarin de vraag waarom huren elk jaar stijgen, terwijl eigenwoningbezitters mogen rekenen op stabiele maandlasten. De huiseigenaar die daarop reageerde, somde een aantal, steekhoudend ogende, argumenten op, maar leek zijn punt uiteindelijk te missen.

Dat vakmensen duurder worden en een huis onderhoud vraagt, klopt, maar dat is geen huurverhoging. Het zijn kosten die de eigenaar zelf bepaalt: wanneer er wordt geschilderd, of die keuken nog even meegaat, en hoeveel hij voor een vakman wil betalen. Een huurder heeft die luxe niet; die betaalt jaarlijks meer, onderhoud of geen onderhoud. Bovendien doet de genoemde eigenaar alsof huurders geen bijdrage leveren aan onderhoud, terwijl die kosten uiteraard allang zijn verrekend in de huurprijs. De verhuurder betaalt ze niet uit eigen zak.

Wie vrijwillig het eigenaarschap op zich neemt, draagt het onderhoud doorgaans met liefde. Zoals dat met liefde wel vaker gaat: ze kost wat, maar dat weet men doorgaans van tevoren. Een huurder zal nooit de voldoening van het eigenaarschap ervaren. Zijn liefde is gemankeerd, en bovendien wordt dat huren ieder jaar verhoogd. Daar is geen goede verklaring voor.

Uit de toon van beide brieven kon ik afleiden dat de schrijvers geen ruziemakers zijn. Ze verheffen hun stem niet, maar brengen rustig hun argumenten naar voren. Als ze dichter bij elkaar in de buurt woonden, zouden ze waarschijnlijk makkelijk door één deur kunnen.

Ik vermoed dat de huiseigenaren in mijn straat zich niet echt storen aan de huurders, zelfs niet aan de scheve verhoudingen die het systeem met zich meebrengt. Hun stenen werken in stilte voor hen, terwijl de huurders hun geld de deur uit zien lopen; een verschil dat je met enige zelfspot kunt verdragen, zolang het leven verder redelijk verdeeld lijkt.

Zo bezien draait het gesprek over huren en eigendom minder om afgunst dan om de vanzelfsprekendheid waarmee die ongelijkheid wordt geaccepteerd. De één bouwt vermogen op, de ander betaalt eraan mee; beide partijen lijken zich daar opmerkelijk goed bij neer te leggen.

Als er dan toch wrijving moet ontstaan, laat het dan over iets wezenlijks gaan; iets dat meer waard is dan de waarde van een huis.