Smeltwater en zeewater in overvloed.

Maar ijspret zit er helaas niet meer in.

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen. Ik voeg er nog een ‘waterig’ gedicht aan toe, genaamd bezoeking. Omdat het winter is eindigt het in een wak.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Verdronken Land


Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

©Ronald van Noorden ©2015 Uitgeverij Cum Suis

Bezoeking


Kerstavond. De slaapzaal krijgt bezoek.
Vrienden brengen vrieskou binnen.

M. overkomt iets groots en blonds, iets met een
schamper lachje. Ze geeft hem sloffen.

Ze roert de kwestie van een lening aan;
in dialect dus niet te volgen.

Later, ze laat haar ogen rondgaan en wordt boos;
die ene plant kon hij nog niet verzorgen?

Op de gang draait ze joints en
gunt ons geen trekje. Als ze weg is…

waarom huil je M.? (Al zijn honden werden vals
en moesten worden weggebracht).

Ga nu zelf de kou in. Vanavond nog
hak ik een wak voor alle Friezen.


©Ronald van Noorden ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Waar het heilige vervloog

Laat het aardse het sacrale overal met zachte hand de deur uit begeleiden.

In een populaire, laagdrempelige vorm fungeert de bekendste heilige van Nederland – protagonist van de pakjesbezorging die daags voor zijn verjaardag nog overuren draait – als voorbeeld van hoe een goed, rechtvaardig of barmhartig leven eruit kan zien. De scheidslijn tussen religie en volksgeloof is altijd poreus geweest. In de hele geschiedenis liepen heiligenverering, legendevorming, volksverhalen en religieuze overtuigingen voortdurend door elkaar. Veel “echte” heiligen zijn doordrenkt van mythologische elementen, en veel volksfiguren vinden hun oorsprong in religieuze tradities. Sinterklaas is hiervan simpelweg een modern voorbeeld. Het kinderfeest heeft niet dezelfde sacrale status als heiligen die onderdeel zijn van liturgie en doctrine, maar dat zijn culturele scheidslijnen, geen wezenlijke. Zoals ieder weldenkend mens weet, berust het heilige op menselijke verbeelding, niet op bovennatuurlijk bewijs.

In alle gevallen draait het om de projectie van idealen. Zowel heiligen als de goedheiligman fungeren als dragers van goedheid, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en bescherming van zwakken. De een is ernstig verpakt, de ander feestelijk, maar de psychologie erachter – het verlangen naar belichaamde goedheid – is identiek. Het grote onderscheid dat gelovigen maken is cultureel en theologisch, niet historisch of psychologisch. De goedheiligman is een heilige in verhalende, verwereldlijkte vorm. De afstand zit vooral in de manier waarop we de figuur benaderen, niet in zijn oorsprong of functie. Uiteindelijk komt het heilige voort uit de mens zelf: zijn neiging tot verbeelding, tot zingeving, en – niet zelden – tot het creëren van symbolen die autoriteit en macht legitimeren.

Maar waarom begon ik hier eigenlijk over? Omdat ik zelf een postbezorger ben? Misschien omdat het thema van heiligheid — echt of verzonnen — de laatste tijd onverwacht vaak op mijn pad kwam. De afgelopen weken werd ik geconfronteerd met verschillende vormen van geloofsbeleving. Niet in een grote theologische discussie (want daartoe ben ik niet bij machte), maar in kleine, terloopse momenten: een opmerking, een ontmoeting, een tekst waarop mijn oog viel. De herinneringen die dat losmaakten bleven zich vermenigvuldigen. Ik moest denken aan zoekers die ik heb gekend, die geworsteld hebben met hun geloof, die houvast zochten, het vonden, het weer verloren, of zich er juist heel stevig aan vastklampten. Dat alles begon zich te roeren, alsof er een lade werd opengetrokken die ik lang geleden had dichtgeschoven.

En dus begon ik te schrijven. Fragmenten, losse gedachten, schetsen. Ik voelde dat het richting een essay ging en maakte daar ook esthetisch werk van; ik pretendeer tenslotte ook uitgever te zijn. De uiterlijke vormgeving liep vooruit op de inhoud, zoals dat meestal gaat bij mij. En toen, ergens halverwege, kwam ik vast te zitten. Mijn kennis van religie schoot tekort; ik voelde dat ik op drijfzand stond. Op dat moment leek het me verstandig om niet door te duwen, maar eerst grond te zoeken. Niet door mezelf nog meer woorden te laten produceren, maar juist door mijn woorden even te laten zwijgen. En dus greep ik naar een boek van een ander. Een stevig boek, een kritisch boek: The God Delusion van Richard Dawkins. Ik vond het tijd worden om het weer eens grondig te herlezen; om wat lucht, structuur en tegenwicht te vinden.

Vanuit die combinatie van confrontaties, herinneringen, zoeken en lezen, ontstond het thema van vandaag. Want ja, het is vrijdagmiddag. En op vrijdagmiddag vieren we VrijMiPo, onze Vrijdagmiddag Poëzie. Iedere week rond een ander thema, en het kon eigenlijk niet uitblijven dat ooit het geloof aan de beurt zou zijn. Dus welkom in dit denkbeeldige kerktheater, een plek die niet gewijd is en vrij kan ademen, waardoor er ruimte ontstaat voor lichtheid. Een ruimte waar de onwrikbare, soms benauwende ernst van een kerkbankverleden botst met de open, rumoerige levendigheid van een poëziepodium. Hier leken het heilige en het alledaagse elkaar heel even te dulden, tot het heilige tenslotte vervloog; en dat was eerlijk gezegd een bevrijding. Misschien zou het overal zo moeten gaan: dat het aardse het sacrale langzaam maar beslist naar de achtergrond dringt.

Ik zadel u op met drie gedichten die steeds iets anders aanraken van hetzelfde. De conclusie is in alle gevallen hoopvol, tenminste als je bereid bent geloof te zien voor wat het vaak is: een excuus, een aanjager en een dekmantel. Laat even los wat geloof voor u betekent, of juist niet betekent. Laat de middag binnenkomen. Laat de woorden hun eigen weg zoeken.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Een zondag in Lagorce

De kerk is uit, de boeren worden jagers, en schieten
offervaardig een rustdag aan flarden.

Verdreven vogels vluchten in de toren, maar de koster
houdt geen schuilkerk voor vluchtelingen.

Voor zijn late dienst hangt hij zelf in de touwen.
En zie: het regent lood.

De mannen hebben schik om wat hun voor
de loop komt van godswege.

©Ronald van Noorden in De Toverhazelaar | ©2011 Uitgeverij Augustus, ISBN: 9789045705385

Ondergraving

Onze spatels reiken dieper dan het slijk
waarnaar wij ketters ons begeven.
Wij leggen bloot: de toedracht rond een lijk;
dat wil de kerk ons niet vergeven.

Waarheid lag in brokstukken te wachten.
Weten wil vooruit en kent geen grens.
Ons spitwerk ondergroef de wens
die vader was van één gedachte.

Geleerden die ons leerden te wantrouwen,
verkozen weten boven beterweten,
en lieten ons dat bot voor bot herkauwen.

Je hoort ze aan, de bange exegeten,
die hun god de schepping toevertrouwen,
maar ondertussen ga je door met meten.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Novice de Chartres

In het om hem heen gebouwd theater
waar wierook brandde voor de sfeerverhoging
was hij die avond voor zijn gevoel
wel driemaal getrouwd en gescheiden.

Hij verlangde naar buiten. Neukte stiekem,
dus moeizaam en schrijnend, tussen
persoonlijk ontheiligd marmer, onverklaard
blijvende stigmata in zijn lamswollen pijen.

Steeds bevreesder dat z’n lul van z’n lichaam
zou vallen, werd het tijd voor een list
of een wonder; aldus verklaarde hij
zich op de valreep ongelovig.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Moerdijk moet nodig met de tijd mee

Café De Put is niet meer in zak en as; juist omdat het er niet meer is.

Mijn zwager is de CEO van een Opslag- en expeditiekantoor in Moerdijk. Bij die onderneming hoort een gigantische loods. Het ding bestond al toen de verdozing van Nederland nog niet als een onesthetische aanval op de omgeving werd gezien maar als een teken van welvaart. Het ging goed met zijn bedrijf met als gevolg dat de loods te klein werd. Daarom kwam er een tweede. Dat ding was vele malen groter. Toen je loods 1 naast loods 2 zag staan, begreep je pas hoe bescheiden mijn zwager was begonnen en met hoeveel succes hij het bedrijf naar de top had geleid. Dat werd alleen maar duidelijker bij iedere volgende uitbreiding.

Ik probeerde hier iets poëtisch over op papier te zetten voor op het jubileum; het bedrijf bestond 50 jaar. Er kwamen zinnen bij mij op als ‘matroesjka’s in het kwadraat’, ‘het grote omvademt het kleine’, ‘het kind dat blokkentorens omslaat’, ‘Hij zal gebouwen in gebouwen doen verdwijnen.’ Maar ik werd geukkig niet uitgenodigd. Mijn schrijfader slibte weer dicht; kust veilig.

Als mij in het bijzijn van iemand duidelijk wordt dat ik een onpraktische taalgebruiker ben, dan is het wel wanneer ik de praktijkgeschoolde kerel, die mijn zwager is, over 6.500 m2 hoogwaardige loodsruimte hoor spreken, of over zijn fantastische alarmsysteem, de bovenloopkranen met een capaciteit van 10.000 kg per stuk, de brede overheaddeuren, stellingen met ontelbare palletplaatsen, zijn AEO certificering, zijn ISO certificering, of de verwarmingskamer met een capaciteit van nog eens 60 pallets.

Niet dat mijn zwager en ik elkaar niet mogen, maar we zitten verschillend in de wedstrijd (zoals de uitdrukking luidt), en nu we het toch over sport hebben: hij sponsert de plaatselijke voetbalclub. Dat bedoel ik, hij betekent iets voor zijn omgeving, hij is zo’n ondernemer die anderen laat meeprofiteren van zijn welvaart. Dus is het niet eens omwille van de goede vrede dat ik onze verschillen niet benadruk als we elkaar ontmoeten. We kennen elkaars meningen bovendien al lang. Ik vind dat er in de wereld een steeds grotere ruimte wordt ingenomen door het kapitalisme, maar mij vergaat de lust om daarover te beginnen in zijn bijzijn. Hij heeft mensen uit het dorp toch maar mooi aan een baan geholpen.

Helaas moeten zij op een goed moment wel hun huizen verlaten. Zoals ik al zei: de zaken gaan goed in Moerdijk. Geen wonder dat het dorp te klein wordt voor bewoners. Het woord uitbreiding is gevallen en daarmee ook het doek voor de gewone burger. Het gehucht valt feitelijk uiteen in twee groepen: 1. zij die ondernemen en schaalvergroten, en 2: zij die mijmeren over gunstige uitkoopregelingen en alvast inpakken. Bij die terugtrekkende bewegingen wordt natuurlijk gefoeterd. Toch vind ik dat het dorp, gezien de situatie, opvallend weinig echt boze bewoners telt. Dat komt misschien omdat veel mensen die er woonachtig zijn ook werken voor een bedrijf aldaar. Want er is werk zat. En wiens brood men eet…

Niet alles wat zaken doet in Moerdijk heeft overigens kans gezien om te expanderen. Er was een café dat de Put heette. Daar viel het doek, ruim voordat de doem van uitbreidende industrieterreinen opdook. Ik vrees dat we hier gewoon moeten denken aan een geval van slecht ondernemerschap. Café de Put heet trouwens niet zo omdat zich hier een natuurlijke bron bevond, of een wonderput waaruit een mooie sage of legende kwam opborrelen. De naamgever was gewoon een vent die een kroeg begon en het een leuk idee vond dat bezoekers naar huis konden bellen met: “Schat, ik kom wat later, ik zit nog in De Put.” Wat dat betreft had de tent beter tot het laatste moment open kunnen blijven.

Omdat het vandaag VrijMiPo is en ik mij ten doel heb gesteld om iedere week een of twee gedichten op te voeren in uw denkbeeldige café, laat ik u bij deze een gedicht horen over iemand  die zijn geboortewijk zo snel mogelijk wilde verlaten, en een gedicht over iemand die zo’n zelfde verlangen koesterde wat betreft produktie-arbeid.

Een laan op zuid

Kleumende telg uit een bakluchtbuurt
waar buikzieke wijven in hun raamkozijnen
gesmoorde vloeken uit hun kussens klopten.

Sleepnet over brakke grond sleurde zijn wijk
langs de aarde, wierf het vullis voor een drietal
kroegen, wat winkeltjes en woningen in rijen.

Weke wezens van de moddergrond, ontstaan
uit kikkerrit van huizen; om lucht snakkend
leven dat groeide naar de grootte van die bak.

Lijpe laan waar men hem leerde lopen, vluchtplan
van te late ouders. Eerste stap die daar
vandaan de verte van een thuis verlangde.

©Ronald van Noorden ©Cum Suis 2012

Non-stop

De werveling is ooit in gang gezet.
Miljoenenijver hield de zaak aan ’t draaien.
Overvloedige vingers slaan het alfabet.
Ontelbare handen die de band afgraaien.

Een dag, verhangen tussen prikklokslagen.
Drie pauzes, voor het leven gemarkeerd.
Wij fantaseren uit ons hoofd geleerd,
wat wij gaan doen met onze snipperdagen.

We weten wel wat goed is en wat slecht.
Het lichaam schreeuwt om zelfbeheer,
de vrijheid van een niemandsknecht!

Maar iedere dag komt op hetzelfde neer:
we staan hier straks en nu en morgen weer.
Wat komt van al ons later nog terecht?

©Ronald van Noorden ©Cum Suis 2012

Café de Put schijnt z’n eigen kuil te hebben gegraven, nog voordat de doem van uitbreiding van bedrijfsterreinen zich aankondigde. Het fijne weet ik er eerlijk gezegd niet van.

Als een Belgische filibuster

Veel te veel woorden en dan opeens doodstil.

Welkom op de tweede VrijMiPo, georganiseerd door eenmansuitgeverij Cum Suis. Vandaag presenteren we een gedicht over een man die veel woorden nodig had om tot een definitief stiltepunt te komen. Hij werd een zichzelf steeds nadrukkelijker manifesterende veelschrijver voor wie tenslotte het doek viel. Het leek mij goed om dit gedicht uit de mottenballen te halen toen ik las over de Belgische parlementariër Vincent Van Quickenborne die gedurende vijf vergadersessies zo lang mogelijk aan het woord probeerde te blijven. Door te filibusteren hoopte hij een wet over fraudeopsporing tegen te houden.

In het geval van Van Quickenborne werd hem de mond gesnoerd door de voorzitter die afgelopen woensdag ten einde raad, na 23 uur aaneengesloten luisteren, genoeg van hetzelfde had gehoord. Van Quickenbornes microfoon werd tot zijn eigen woede uitgezet. ‘U bent niet waardig’, riep Vincent richting de voorzitter. ‘U chanteert het parlement.’ Maar de voorzitter paste gewoon een regel toe: het kamerlid viel teveel in herhaling en dat is niet toegestaan. Nadat hij zelfs stambomen van collega’s had aangehaald om de tijd vol te praten, raakte zijn inspiratie op. Had hij maar origineel moeten blijven.

De ‘J.’ in het gedicht wordt het zwijgen opgelegd door de dood, waarvoor hij zelf heeft gekozen. Van Quickenborne voelde zich waarschijnlijk veel vitaler en dacht nog helemaal niet aan ophouden. Hij streed immers voor een goede zaak. Hij voerde zijn marathonspeech om een wetsvoorstel te blokkeren dat de overheid toegang zou geven tot ieders bankgegevens, waarna slimme algoritmes verdachte transacties uit die financiële berg kunnen opdiepen. Zo’n digitale speurhond vond hij een ernstige inbreuk op de privacy. En dus bleef hij praten. Heel lang. En tamelijk vol van zichzelf.

Ik vermoed dat ijdelheid bij langdradige toespraken een niet te onderschatten drijfveer is. De ‘J.’ in mijn gedicht is doordrenkt van diezelfde neiging tot opvallend aanwezig zijn; een soort van zelfvoldane profilering die uiteindelijk vooral potsierlijk blijkt. Zijn val komt voort uit dezelfde pronkzucht die hem overeind hield. Hij heeft in zijn leven weinig bereikt, maar kiest voor een afscheid dat groter is dan alles wat daaraan voorafging. Je zou bijna denken dat hij pas in het zelfopgelegde zwijgen beseft hoe overbodig hij eigenlijk was.

Het zal u niet verbazen: deze overpeinzingen richten zich uiteindelijk op mijzelf. Ook ik heb de neiging om te vervluchtigen in pathos. Ik verloor me jarenlang in gedichtjes die ik schreef vanuit een romantisch soort grootsheid die langzaam oploste in twijfel. Inmiddels ben ik op een leeftijd waarop ik weleens denk: had ik niet beter een echt vak kunnen leren? Overigens heb ik in m’n leven één beroep uitgeoefend dat me met enige trots vervulde. Ik was railverkeersleider voor Prorail. Je kunt dat worden door een interne opleiding van een maand of vier.

Helaas kwam aan die carrière van ‘treindienstleider’ op een zeker moment een einde door een veiligheidsfout. Dat falen heb ik verwerkt, maar sindsdien voelde ik me in geen enkele functie nog echt van nut. Het schrijven was een merkwaardige uitweg: een pure drang tot literaire aanwezigheid. In manische tijden schreef ik mezelf voorbij; in depressieve kwam er vrijwel niets van terecht. Uiteindelijk blijkt: er bestaan praktischer vormen van communicatie dan eindeloze speeches of gedichten die niemand leest. Hier volgt niettemin het gedicht ‘Waarom’, dat te vinden is op bladzijde 19 van de bundel ‘Het Eenmansimperium’.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Waarom


Waarom J. moesten je zinnen opeens weer praalwagens zijn
in onze nietsvermoedende straten?
Waarom dat amalgaam van beeldenbrouw op onze
doordeweekse magen?
Wij waren het toch eens geworden dat het Poëtisch Tijdperk
voorbij was?

Hadden wij niet hartelijk gelachen op die avondjes
(waar we toch maar heengingen)
om de vijftiger halvegaren,
de tachtiger adjectieven-adventisten
en al die kleine stuiptrekkende stormlopers
daartussen en daarna?

Roerend eens wij – toch? – dat het warrige,
dat poëzie zo duister maakt,
en zo mooi voor sommigen,
niet meer was dan effectieve onduidelijkheid.
Dat je met boterzacht dichten geen beleid kon maken.
Dat het eigenlijk maar een vreemde en ook wat domme leer is
van hoe je dingen anders zegt?

Waren olla vogala niet volkomen doodgebroed?
Geen krachtig medium nee. Ons niet gezien. Voorbij.
Meer iets voor brave mensen.
Ik hoopte dat we dat hadden afgerond.

Maar nee hoor, net toen wij dachten dat je een woord
kon loslaten op het moment dat je
een woord moest loslaten
liet je jezelf los,

nadat je, ook weer zo pathetisch,
wel een half uur aan het randje had staan schreeuwen
dat er een briefje voor ons klaarlag
(dat eigenlijk geen brief was
maar een soort gedicht).

Wat een boodschap was dat.
Je had toch ook gewoon die pen kunnen wegsmijten
i.p.v. jezelf?

©Ronald van Noorden, ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Gisteren is VrijMiPo begonnen

De stille introductie van een nu al achterhaalde traditie.

Voor het gedicht dat u zo gaat lezen wilde ik een aanleiding creëren die geworteld was in een geschiedenis die nooit echt tot rust is gekomen. Daarbij dacht ik terug aan iemand die ik werkelijk heb gekend: Richard, een journalist die zijn sporen vooral heeft verdiend in het Midden- en Zuid-Amerika van de jaren tachtig en negentig. Richard schreef altijd vanuit een diep gevoel voor rechtvaardigheid. Hij verslond de nieuwsberichten over El Salvador, Guatemala en Nicaragua. Over boeren, studenten en arbeiders die opstonden tegen dictators die, met stille of openlijke steun van de Verenigde Staten, in het zadel werden gehouden. Hij koos steevast de kant van de onderdrukten, de verdrevenen, de gemartelden. Hij schreef voor linkse bladen, met een felheid die hem niet alleen siert, maar die zijn stukken ook een morele helderheid gaf die destijds weinig journalisten wisten te bereiken.

Maar er was één domein waarop die helderheid wegviel, waarop de nuance zoekraakte: dat van zijn eigen familiegeschiedenis. Richard was de zoon van repatrianten die de Bersiap aan den lijve – of liever: in de nabijheid van hun eigen ouders, vriendengroepen, en afbrokkelende gemeenschappen – hadden gevoeld. Het ging om mensen die beschadigd uit Indonesië waren teruggekeerd, en dat verdriet had zich in Richard vastgezet als een oude splinter die nooit helemaal werd verwijderd of kon uitzweren.

Over het lot van studenten in San Salvador sprak hij met grote empathie en militante solidariteit. Maar zodra het over Indonesië ging, over de onafhankelijkheidsstrijd, de politionele acties, de pemoeda’s, en de complexe verstrengeling van daderschap en slachtofferschap, veranderde zijn toon. Daar kon hij niet meer de journalist zijn die afstand bewaart. Zijn betrokkenheid werd familiair, zijn oordelen hard, zijn redeneringen scheefgetrokken door een loyaliteit die hij niet kon of wilde afleggen.

Voor mijn gedicht besloot ik van die spanning gebruik te maken, maar dan in een fictieve vorm. Ik verzon een oud-journalist (deels geïnspireerd door Richard, deels door de verhalen van andere kinderen van oud-Indiëgangers, KNIL-militairen, Molukkers en Indische Nederlanders) die aan het einde van zijn carrière een boekje publiceert over de Bersiap. In dat boek probeert hij te verklaren waarom dit deel van de geschiedenis volgens hem nooit eerlijk is verteld. Hij bekritiseert de Indonesische zwijgzaamheid over geweld tegen niet-inlanders, maar veracht het idee dat Nederland überhaupt iets te verwijten valt.

Zijn toon is die van iemand die geen rust vindt in het verleden dat hij heeft geërfd. De trauma’s van zijn ouders worden de argumenten van zijn boek; hun angst wordt zijn rechtvaardiging. Hij schrijft niet zozeer om recht te doen aan de geschiedenis, maar om recht te doen aan hen, aan hun pijn, aan wat ze hebben doorstaan; of wat hij meent dat zij hebben doorstaan.

Er gaat een zekere tragiek van uit, juist omdat ik Richard kende: hoe iemand die zo scherp, zo eerlijk, zo moedig kon schrijven over andere wereldconflicten, toch een blinde vlek bewaart voor het koloniale verleden waarvan hij zelf een erfgenaam is. Hoe jammer zou het geweest zijn als mijn vriend die kleine kronkel in een boekje had geperst, alsof hij daarmee niet alleen zijn ouders, maar ook zichzelf wilde vrijpleiten. Gelukkig heeft hij dat gelaten, maar in zijn nalatenschap zijn wel aanzetten tot zo’n poging gevonden.

Wie opgroeit met ouders die verwond zijn, zoekt soms de rest van zijn leven naar een vorm van rechtvaardiging die die wonden verzacht. De fictieve oud-journalist in mijn tekst draagt dat verlangen met zich mee. Niet als een politiek standpunt, maar als een morele erfenis. Uit die spanning, uit dat verlangen naar rechtvaardiging en dat misplaatste morele zelfvertrouwen, ontstond een (gelukkig) nooit geplubliceerd boek alsook het gedicht dat u zo gaat lezen. De ‘je’ die daarin wordt aangesproken is geen werkelijk bestaande persoon, maar een samenstelling van stemmen uit die generatie; een echo van Richard, maar ook van vele anderen.

Misschien, als ik heel eerlijk ben, richt het gedicht zich niet alleen tot die verzonnen man, gebaseerd op een journalist die ik echt heb gekend, maar ook tot een bepaalde versie van mijzelf. Een denkbeeldige ik die óók had kunnen eindigen met een boekje dat eigenlijk meer een verdediging is dan een verhaal. Een ik die krampachtig probeert te bewijzen dat zijn verleden, zijn standpunten, zijn twijfels allemaal een sluitende logica volgen. Zo’n ik die, in zijn pogingen tot rechtvaardiging, alleen maar weerstand oproept en onbedoeld laat zien waar zijn rafelrandjes zitten.

Daartegenover zou dan het andere deel van mij moeten staan: de blogberichtenschrijver van wie u hier een stukje leest, en het parmantige, ouderwets aandoende dichtertje dat ik soms ook ben. Hopelijk zijn dat figuren die geen gelijk hoeven te krijgen. Ik weet niet of dat hier gelukt is. Ik kan mijn andere ikken goed met schamperheid beschrijven, dat wel. Het zou mooi zijn als ik ooit verlost raakte van de hardnekkige drang om iemand – inclusief mezelf – te overtuigen, zodat ik niet steeds wegzink in de modder van goedpraterij en ander zelfbedrog, maar me eenvoudig kan beperken tot het ontmaskeren van waarheden, hoe ongemakkelijk die ook zijn.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

De kommaneukers van Cedille

Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.

Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.

Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.

Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.

Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.

Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!

Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?

Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:

Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).

Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’

En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De ş zit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.

Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.

Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.

Postscriptum:

Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.

Ze leken zo ‘Lucky’ samen

Een Haags powerduo bewees dat het kon: een bestuurlijke chemie van politieke tegenpolen.

In 2012, na de val van Rutte I, kwamen VVD en PvdA als winnaars uit de verkiezingen. De politieke noodzaak dwong hen tot samenwerking in wat de pers al snel het ‘huwelijk van de tegenpolen’ noemde. Toch groeide er iets wat verder ging dan pure coalitie-logica. Tijdens de onderhandelingen bleken Rutte en Samsom elkaar opvallend goed te begrijpen. Waar eerdere formaties verzandden in wantrouwen, wisten zij met humor, intellectuele scherpte en realpolitik een brug te slaan. Journalisten beschreven hun gesprekken als ‘bijna vriendschappelijk’ en ‘met een zekere bewondering voor elkaars kunde’.

Mark Rutte, de eeuwige glimlach in maatpak, een man die elke crisis kon reduceren tot een gezellig gesprekje bij de koffieautomaat. Diederik Samsom, een voormalig kernfysicus die zijn idealen als meetinstrumenten hanteerde. Tussen de rekenkundige ernst van de sociaaldemocraat en de vrolijke soepelheid van de liberaal ontsproot iets wat men, met Haagse ironie, een bromance ging noemen. Waar anderen ruzieden over procentpunten, spraken zij over vertrouwen. Hun samenwerking werd een verstandshuwelijk met momenten van tederheid. Rutte bewonderde Samsoms gedrevenheid, Samsom Rutte’s grenzeloze optimisme.

Rutte waardeerde Samsoms rationele aanpak en wetenschappelijke denkwijze; Samsom bewonderde Ruttes politieke lenigheid en optimisme. Ze konden het fel oneens zijn, maar hadden een soort ondertoon van: we doen dit samen, want we zijn de enigen die dit kunnen. In de media werden ze al snel neergezet als een soort ‘Haags powerduo’. Er stonden koppen in de krant als ‘Rutte en Samsom: het verstandshuwelijk dat liefde werd’, er circuleerden zelfs spotprenten waarop ze als een getrouwd stel werden afgebeeld, wandelend door de regen met één paraplu. De publieke perceptie van hun warme band werd onlosmakelijk verbonden met de humor van buitenaf.

De definitieve verbeelding van de ‘bromance’ kwam van LuckyTV, de satirische rubriek van Sander van de Pavert die dagelijks te zien was in De Wereld Draait Door. Van de Pavert transformeerde de politieke samenwerking in een soapachtige relatie. Het hoogtepunt was de persiflage die volgde op hun gezamenlijke optreden bij Pauw & Witteman, waar de twee leiders opvallend warm en eensgezind over hun regeerakkoord spraken. LuckyTV gebruikte de beelden van hun serieuze gesprek aan tafel, monteerde ze opnieuw, en legde de heren hilarische, gefingeerde dialogen in de mond over hun ‘geheime’ relatie. In de meest besproken scene vertelde Diederik Samson aan de interviewers: “En ik herinner me de eerste avond, dat we tegenover elkaar zaten met een enorme stijve.” De politieke overwinning werd zo een zwoele, intieme bekentenis.

Ik zat destijds met bijna plaatsvervangende schaamte naar de LuckyTV-beelden te kijken. Die geforceerde intimiteit, die blikken over de talkshowtafel, en dan die uitspraak over de “enorme stijve”. Het was zó over de top, zó expliciet, dat ik me even afvroeg of dit wel kon. Toch was het juist deze hilarische, brutale grensverlegging die het fragment zo memorabel maakte. Achteraf beschouwd, markeerde dit moment misschien ook wel een hoogtepunt in de geschiedenis van wat er in humor op de Nederlandse televisie mocht worden gezegd. Ik vraag me weleens af of zo’n persiflage vandaag nog met dezelfde onschuld zou worden ontvangen. De maatschappij lijkt sindsdien op sommige vlakken preutser en gevoeliger geworden.

De LuckyTV-bromance van Rutte en Samsom staat daarmee niet alleen als een politieke grap recht overeind (ja, ik weet het, sorry), maar lijkt me ook als tijdsbeeld voer voor sociologen, communicatiewetenschappers en wie al niet. Ik schrijf dat hier terwijl ik normaal helemaal niet houd van filmpjes waarin men mensen woorden in de mond legt. De effectiviteit van video-editing en voice-overs als framingtechniek is zo groot dat satire de politieke framing ook op een hele foute manier kan beïnvloeden. Daar bestaan talloze voorbeelden van. Dit ‘materiaal’ raakt echter aan politiek, media, humor en de publieke opinie op een manier waardoor het, volgens mij, zoals gezegd, zeer geschikt is voor een analyse door diverse wetenschappelijke disciplines.

Na verloop van tijd begon de coalitie overigens te piepen en te kraken. De PvdA betaalde electorale schade voor de compromissen die Samsom moest sluiten, en zijn partij keerde zich tegen hem. Rutte bleef, Samsom viel, maar volgens insiders hield Rutte tot het laatst respect voor hem. Er wordt zelfs gezegd dat Rutte na Samsoms vertrek “oprecht teleurgesteld” was, omdat hij zelden met iemand zo goed had kunnen samenwerken. De bromance leeft voort in de Haagse overlevering als symbool van een zeldzame samenwerking tussen verstand en gevoel, tussen liberaal en sociaaldemocraat; een korte periode waarin ideologische verschillen even leken te vervagen onder persoonlijke chemie.

Dus Jetten, Yesilgöz, als jullie meelezen…

Het meest berucht werd het filmpje van de twee, gemaakt door LuckyTV. De kracht van deze videopersiflage lag in de knappe montage. Door de gezichten van Rutte en Samsom tijdens hun serieuze interview strak te kaderen en hun lachjes en blikken te isoleren, wist LuckyTV de politieke ernst volledig te ondermijnen. Zo werd het veel meer dan alleen een grap; het is een sociocultureel document. In werkelijkheid konden de twee het uitstekend met elkaar vinden tot het bittere einde. Het was uiteindelijk de kiezer die besloot dat het sprookje geen tweede deel verdiende. Toen het stof neerdaalde, bleef Rutte overeind als de lachende liberaal terwijl Samsom verdween in de mist van zijn eigen achterban, verslonden als hij werd door de twijfel en de teleurstelling die zijn partij van binnenuit verteerde. Maar nogmaals: de LuckyTV-montage is een microkosmos van maatschappelijke dynamieken, waardoor het een uitstekend studieobject is voor elke geleerde die zich bezighoudt met de snijvlakken van politiek, media en cultuur.

Veelzeggende verbanden

Kun je zo met feiten omgaan dat toeval niet lijkt te bestaan?

Of het nu gaat om historische feiten of andere vastgelegde gegevens, ik geloof dat het bijna altijd mogelijk is om informatie in een groter verband te plaatsen zodat die veelzeggend wordt en het lijkt alsof de wereld een beetje om jou draait. Dat gevoel is verleidelijk, omdat je automatisch vooral datgene opmerkt wat jouw persoonlijke verhaal bevestigt. Details die daar niet in passen verdwijnen gemakkelijk naar de achtergrond, terwijl de elementen die jouw idee ondersteunen des te helderder naar voren springen. Zo ontstaat het gevaar dat je patronen meent te zien die eigenlijk niets anders zijn dan het resultaat van je eigen behoefte aan betekenis en bevestiging. Wat je interpreteert als een groter verband, is vaak slechts een zorgvuldig geselecteerde afspiegeling van je bestaande overtuigingen; een spiegel die meer van jezelf laat zien dan van de werkelijkheid.

De afstand tot de ‘Sint Joseph’ in Arnhem en Rotterdam.

Toch is het in de praktijk vaak ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we naar toevalligheden kijken in ons dagelijks leven. Confirmation bias – het fenomeen waarbij we vooral letten op informatie die onze verwachtingen ondersteunt – lijkt altijd op de loer te liggen. Maar soms voldoen de gebeurtenissen die onze aandacht trekken niet helemaal aan de strikte definitie van dit verschijnsel. Er kan sprake zijn van een kleine samenloop van omstandigheden, van interesse of nieuwsgierigheid, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een systematische bevooroordeling van feiten. Met andere woorden: niet alles wat zich laat duiden als ‘versterking van mijn narratief’ (gatver) is een zuiver voorbeeld van een bevestigingsvooroordeel; soms is het gewoon een toevallige combinatie van details die je interessant vindt.

Laat ik een voorbeeld geven: iemand doet mij een boekje cadeau over de geschiedenis van de St. Josephkerk in Arnhem, aan de voet waarvan ik nu woonachtig ben. Ik begin me hierdoor voor het eerst serieus in die kerk te verdiepen en kom erachter dat de architect de Rotterdammer Hendrikus Cornelis Marie van Beers is (op 14 maart 1929 vond de consecratie plaats). Omdat wij stadsgenoten zijn wil ik weten of er in mijn geboorteplaats niet minstens een gebouw op naam van dezelfde Van Beers staat. Dat is inderdaad het geval. Er bevindt zich ten minste één project in Rotterdam dat aan Hendrikus Cornelis Marie van Beers wordt toegeschreven: het ontwerp voor de R.K. Ambachtsschool ‘St. Joseph’ aan de Walenburgerweg uit 1931. Dit gebouw heette ook ‘St. Joseph’ en ik woonde er, net als bij het gebouw in Arnhem met die naam, op loopafstand vandaan.

Toch eens kijken, dacht ik, hoeveel meters het van deur tot deur was in beide gevallen. En wat denk je? Van mijn woning in de Lumeystraat in Rotterdam naar de Sint Joseph ambachtschool te Rotterdam is het 270 meter. Van mijn woning in de Beatrixstraat in Arnhem naar de hoofdingang van de Sint Josephkerk in de Rosendaalseweg 700 te Arnhem is het 270 meter! Dat is een bizarre ontdekking.

Ik lees dat de genoemde architect de zoon is van een architect, namelijk Francis Jacobus Cornelis Josephus van Beers. Deze man werd op 16 november 1865 geboren. In officiële bronnen wordt hij aangeduid als architect-bouwkundige. Hij liet een minder bekend oeuvre na dan zijn zoon. Hij was verder ook niet beroemd. Maar als Rotterdamse architect van zijn tijd bleek hij toch relevant. Er wordt op een blog vermeld dat hij verantwoordelijk is voor de woningen aan de Mathenesser­laan 183 tot 199, die in 1898 werden gerealiseerd.

Valt daar soms ook een toevalligheid te ‘scoren’? Ja hoor: mijn opa en oma van vaderszijde woonden op de ’s Gravendijkwal. Die ligt om de hoek van de Mathenesserlaan. Ze bevonden zich dus ook op loopafstand van een gebouw ‘van’ een Van Beers. Zou het mogelijk zijn dat Van Noorden senior (mijn opa) op zo’n zelfde afstand tot een ontwerp van Van Beers senior heeft gewoond, als Van Noorden Junior (dat ben ik) tot twee van de ontwerpen van Van Beers junior? Helaas, zoveel toeval had het lot niet in petto. Hij en mijn oma woonden op ’s Gravendijkwal 8 en dat, aldus google maps, is een afstand van zo’n 550 meter tot Mathenesserlaan 189 (de middelste van het rijtje gebouwen aldaar).

De afstand tot een rijtje met ontwerpen van de architect Van Beers senior vanaf het huis van mijn grootouders in Rotterdam.

Doelgericht zoeken naar verbanden levert niet altijd de verbanden op die je zoekt, maar met een beetje aanpassing en een tikkeltje omdenken kom je vaak een heel eind. Het brein is nu eenmaal vindingrijk genoeg om losse elementen in een passend patroon te schuiven, of het nu gaat om getalssymboliek, historische toevalligheden of andere vormen van resultaatgericht zoeken. Zo ontstaat er al snel een verhaal dat vooral overtuigend is voor degene die het construeert. Afijn, over confirmation bias sprak ik hierboven al.

Heeft iemand behoefte aan een uitsmijter? Ik vond nog een piepkleine gelijkenis: beide architecten voerden als tweede doopnaam Cornelis. Mijn opa heette ook Cornelis. Lekker belangrijk. Niet dus. Ik geloof dat ik deze laatste overeenkomst als een toevalligheid kan kwalificeren die absoluut geen naam mag hebben. En gelukkig maar.

En we noemen hen: FUSIE

De enig denkbare, nieuwe naam voor GroenLinks/PvdA.

Taalbureau Taaljongen.nl stond voor een klassiek keuzeprobleem: hoe noem je iets dat zichzelf nog niet kent? De fusie van GroenLinks en PvdA vroeg om een naam die zowel historisch als toekomstbestendig was, zonder dat hij zich vastbeet in ideologische grond. Een naam die niet rood, groen of progressief hoefde te heten, maar wél klonk als iets waar iedereen – zelfs de twijfelaar – zich kortstondig in kon herkennen. Taaljongen.nl besloot het simpel te houden. Zo simpel, dat het bijna brutaal werd: FUSIE. Geen slagzin, geen symbool, geen kleur. Alleen het feit zelf.

Er is die mysterieuze ruimte tussen wat gezegd wordt en wat bedoeld is. FUSIE belichaamt die ruimte: een naam die ademt, zweeft, zich vormt en weer oplost. Omdat woorden niet alleen iets betekenen, maar vaak ook iets verbergen. FUSIE is een naam die zichzelf ontkent en daardoor overeind blijft; die niets verklaart, maar alles suggereert. Een politieke wolk die uiteenvalt in letters, om zich daarna weer moeiteloos te herschikken tot iets nieuws.

Dat lijkt banaal, maar is het niet. In een tijd waarin politieke partijen zich verdringen om het meest moreel klinkende label, koos Taaljongen.nl juist voor de lege doos en maakte die leegte tot kracht. FUSIE zegt niets over waar men voor staat, maar alles over waar men vandaan komt: een samenvoeging van twee entiteiten die ooit dachten dat hun verschillen belangrijk waren.

Het bureau weigerde bewust woorden als links, sociaal, progressief, groen of solidair. Zulke termen, zegt Taaljongen.nl, ‘functioneren als seizoensgebonden parfums; aangenaam bij lancering, bedenkelijk bij hergebruik.’ Een naam, daarentegen, moet kunnen overleven wanneer idealen weer verschuiven, standpunten afbrokkelen en partijprogramma’s herschreven worden.

En dat is precies wat FUSIE doet. Of de partij over vijf jaar samengaat met Volt, met D66, of met een paar overgelopen liberalen, het maakt niet uit. De naam blijft actueel. FUSIE is toekomstbestendig, want ze beschrijft geen toestand, maar een beweging. Taaljongen.nl noemt het ‘de enige naam die zichzelf in stand houdt door voortdurend van samenstelling te veranderen.’ Een politieke paradox, verpakt als merkstrategie.

Taaljongen.nl onderzoekt de grillen en de gratie van taal: hoe woorden zowel onthullen als verhullen. FUSIE is daarvan het schoolvoorbeeld; een naam die weigert partij te kiezen, en juist daardoor de essentie raakt. Ze zegt niets, maar roept alles op: beweging, vermenging, compromis. Een woord dat niet vastlegt, maar loslaat. Taaljongen.nl weet dat woorden soms meer macht hebben als ze níet te veel willen zeggen. FUSIE is een naam die elke inhoud overleeft.

Hitchslaps forever

Zo gezien is er een lang leven voor Maarten van Rossem weggelegd.

Christopher Hitchens was, naar mijn overtuiging, een van de scherpzinnigste en meest moedige denkers van de moderne tijd. Zijn vermogen om hypocrisie te ontmaskeren, zijn eloquentie, en zijn compromisloze toewijding aan rede en intellectuele eerlijkheid maakten hem tot een zeldzaam licht in een vaak troebele wereld van opinie en ideologie. Ik heb altijd grote bewondering gehad voor zijn geest, zijn scherpzinnige humor, en de manier waarop hij met een mengeling van elegantie en verontwaardiging kon spreken over zowel religieuze dogma’s als politieke dwaasheden.

Helaas stierf hij veel te vroeg, en met zijn dood leek ook een bepaalde vorm van onverschrokken intellectuele moed te verdwijnen. Toch, dankzij de hedendaagse AI-technieken, lijkt zijn geest even te worden opgeroepen; niet letterlijk natuurlijk, maar in de geest van zijn retorische stijl en zijn onvermoeibare zoektocht naar waarheid.

In deze virtuele heropleving zien we een animatie waarin Hitchens’ kenmerkende toon en redenering tot leven worden gebracht. Hij spreekt, als het ware, vanuit het hiernamaals over Trump’s vulgariteit, scènes die hij zonder twijfel als exemplarisch zou hebben beschouwd voor de decadentie en morele leegte van onze tijd. De begeleidende tekst van de video is helder en scherp; ze vat precies die geest van kritische verontwaardiging samen waar Hitchens zelf om bekend stond.

De tekst onder de video’s is eerlijk genoeg:

‘In deze analyse wekken we de geest van Christopher Hitchens tot leven om de diepe schande van Donald Trump’s ‘Gatsby’-feest te bespreken. Men zou bijna bewondering kunnen hebben voor de pure, onvervalste branie om een ‘Great Gatsby’-themafeest te organiseren – een roman die juist de leegheid en oppervlakkigheid van rijkdom ontleedt – op een moment dat het beleid van de regering rond voedselhulp voor de armsten van het land onderwerp is van felle publieke discussie.

Dit is niet zomaar smakeloosheid; het is een berekende verklaring van minachting. Dit spektakel onthult de kern van de hypocrisie van het Trump-fenomeen en legt zijn ‘populisme’ bloot als een goedkope oplichterij. We ontleden hoe dit evenement, en het kruiperige gedrag van figuren als Marco Rubio, een perfecte manifestatie vormt van een nieuw sektarisme dat een republiek heeft uitgehold tot een vergulde, intellectueel failliete persoonscultus.

Deze video is een satirische parodie en een intellectuele verkenning in de geest van Christopher Hitchens. Ze wordt niet onderschreven door de nalatenschap van Hitchens, noch door enige instelling of door Donald Trump. Alle argumenten worden gepresenteerd met het oog op debat en kritische analyse, in de stijl van een Oxfordse provocatie.’


Het verdient vermelding dat de video opent met een duidelijke disclaimer. Dat vind ik discreet en gepast: het getuigt van respect voor Hitchens’ nalatenschap en van transparantie tegenover de kijker. Daarmee wordt meteen duidelijk dat het hier om een satirische reconstructie in zijn geest gaat, niet om een poging om zijn stem letterlijk te doen herleven.

‘DISCLAIMER: Dit is een parodie en een door fans gemaakte inhoud. Het is niet verbonden met of goedgekeurd door Christopher Hitchens of zijn erfgenamen/familie. De video’s zijn geïnspireerd op zijn publieke uitspraken en ideeën, bedoeld voor educatieve, vermakelijke en satirische doeleinden, en gebruiken een gesynthetiseerde stem (AI-parodie) die niet aan Christopher Hitchens toebehoort. We gebruiken visuele lip-sync en nagesynchroniseerde vertelling om nieuwe, hypothetische dialogen en gedachte-experimenten te creëren.

Deze inhoud is NIET ECHT en bedoeld als karikatuur/satire om complexe ideeën toegankelijker en boeiender te maken voor kijkers. Ons doel is om intellectuele ideeën op een respectvolle manier te verkennen, zonder de intentie om iemand te misleiden tot het geloven dat deze inhoud authentiek is.

Deze AI-gegeneerde parodie van Christopher Hitchens is gemaakt voor educatieve discussie en culturele analyse. Ze bevat geen haat, geweld of enige vorm van echte politieke steun.’

En om af te sluiten: na de virtuele evocatie van Hitchens is het goed om nog even de echte stem van de man zelf te horen. Onderstaande video, getiteld “The Best of the Hitchslap”, is een compilatie van enkele van zijn scherpste momenten; verbaal, intellectueel en moreel. Wie Hitchens nog niet kent, zal in deze fragmenten zien wat hem tot zo’n uitzonderlijk denker maakte: zijn combinatie van belezenheid, ironie, morele ernst en een haast klassieke beheersing van de rede.

De term ‘Hitchslap’ is een speelse samentrekking van Hitchens en slap (klap), en verwijst naar de manier waarop hij zijn tegenstanders – met argument, geestigheid en precisie – van repliek diende. Het is geen fysieke klap, maar een retorische tik die meestal werd uitgedeeld met een glimlach en een onontkoombare logica.

P.S.
De AI-bewerkingen deden me even glimlachen bij de gedachte hoe geestig het zou zijn om onze Maarten van Rossem op vergelijkbare wijze te vereeuwigen. Zowel Hitchens als Van Rossem zijn uiteraard de laatsten die zoiets zelf ooit nodig of wenselijk zouden achten, maar als het met intelligentie, smaak en humor gebeurt, wat zou er dan op tegen zijn? Het risico blijft natuurlijk dat men zulke figuren woorden in de mond legt die niet de hunne zijn. Dat is precies waar respect en nuance het verschil maken tussen een eerbetoon en een karikatuur. Gelukkig kunnen we van Maarten van Rossem nog in levenden lijve genieten; zijn droogkomische scepsis behoeft (nog) geen digitale wederopstanding.