De perken te buiten?

Overgeleverd aan de overlevering wordt het pleit beslecht op de grens van percelen.

Een dagje wroeten in de voortuin bewijst maar weer eens dat een buurtgemeenschap onzichtbaar meekeurt. Die sociale controle deert me nauwelijks; ik kan de subtiele surveillance best hebben, zelfs als het verdict aanvankelijk riekt naar bemoeizucht. Het blijft echter fascinerend hoe vlot de tongen losraken en hoe vliegensvlug het oordeel – of vooruit, de roddel – van voordeur tot voordeur reist en zich richting mijn groen en mijn goede voornemens vreet.

Een mens zou in zijn eigen voortuin bijna vergeten dat hij deel uitmaakt van een groter ecosysteem, waarin de sociale cohesie steviger verankerd zit dan onverwoestbare hardhouten palen.

Je hoort mij niet zeggen dat ik louter applaus verwacht omdat ik als frisse buurman de wildernis tem, maar de reorganisatie die ik van plan ben door te voeren lijkt mij een flinke vooruitgang ten opzichte van de oude situatie; zeker als je bedenkt dat mijn voorganger zijn gazon hanteerde als hondentoilet om de wandeltocht naar het park te omzeilen (een historisch dieptepunt dat ik ook slechts via de tamtam vernam en dat dus niet per se waar hoeft te zijn).

Nu word ik in mijn rol van noeste tuinkabouter heus wel getolereerd, maar de wittebroodsfase blijkt voorbij. De ballotagecommissie begint zich langzaam te roeren. Mijn agrarische ambities omtrent het gazon blijken voor het gemiddelde jurylid net iets te frivool. Gezien de prehistorische hoogte van het gras speelde ik met het idee om een geit te adopteren; of desnoods een schaap te houden binnen een iets minder hoge omheining. Die ik dan natuurlijk wel eerst moest oprichten. De crux van het lokale onbehagen zit ’m in die gedroomde erfafscheiding.

Met dank aan de viervoeter van weleer heeft de buurvrouw de woningcorporatie zo ver gekregen om een heus defensiewerk op te trekken; een tactische buffer tussen haar huistijger en de toenmalige vechthond over de gehele lengte van de voortuin. Ik ben persoonlijk erg in mijn nopjes met deze geopolitieke erfenis. De palen reiken tot in de aardkern en zijn vervaardigd uit onverwoestbaar tropisch hardhout. Het geheel ademt een heerlijke onvergankelijkheid. Dit bracht mij op het idee om deze fortificatie op eigen kosten door te trekken langs de trottoirzijde. Daarvoor hoefde slechts een armetierig ijzeren restant met doorgezakt gaas en vermoeide dwarsverbindingen te wijken.

Gewapend met een haakse slijper ben ik gisteren dat dysfunctionele ijzerwerk te lijf gegaan. Het bleek een geluk bij een ongeluk dat mijn slijpschijven opraakten. Was dat niet gebeurd, dan waren de ijzeren palen – die zo mogelijk nog dieper ‘wortelen’ dan het reeds bezongen hardhout – ongetwijfeld ook ten prooi gevallen aan mijn saneringsdrang. Wat later fungeerde de buurvrouw als de ware noodrem. Zij appte mij met een ontwapenende vriendelijkheid: ‘[Iemand] vertelde dat de hekjes aan de voorkant van de tuin eigenlijk bij de huizen horen en dus niet weggehaald mogen worden!!! Ik zou het ff informeren voordat je hout e.d. gaat kopen.’

Een drievoudig uitroepteken als baken van corporatiewijsheid. De keten van de overlevering is sluitend. De ambtelijke molens draaien snel via het struikgewas. Tegen zoveel straatwijsheid kunnen mijn goede voornemens niet op. Wie de perken te buiten wil gaan, stuit vroeg of laat op een muur van huurregels. Mijn vernieuwingsdrift werd vakkundig ingedamd. Terwijl ik wacht op groen licht van de vastgoedbureaucratie, plaats ik visionaire plannen in de vriezer. Gehoorzaam heb ik mijn destructieve gereedschap in de schuur geparkeerd, in afwachting van een definitief besluit. Het zou immers zonde zijn als mijn hardhouten dromen sneuvelen op een paragraaf in een reglement.

Ik dank mijn soortgenoten voor hun waakzaamheid; het is een geruststellende gedachte dat, mocht ik ooit een geit huisvesten, belanghebbenden de omheining hebben goedgekeurd voordat ook het beest begint te mekkeren.

Tussen Ritueel en Overleving

Wat twee Himalaya‑documentaires onthullen over nomadisme, sentiment en de blik van de camera.

Ik heb zo’n vriend die, zodra ik hem enthousiast wijs op een documentaire die mij heeft geraakt, bijna automatisch laat weten dat hij óf die film al heeft gezien, óf het onderwerp allang kent. Daarna volgt steevast een kleine tirade over wat er volgens hem allemaal mis mee is, om vervolgens met een alternatief te komen. Zo ook toen ik hem vertelde over The Nomads of Dolpo, een film die me oprecht had ontroerd. Zijn reactie: ‘Die muziek en die voice-over waren zó irritant dat ik ben afgehaakt, maar het onderwerp is fascinerend. Ik meen me te herinneren dat ik jaren geleden een docu over de zoutmannetjes heb gezien.’ Even later stuurde hij me een link naar Die Salzmänner von Tibet.

Links de sacrale rust van Die Salzmänner von Tibet; rechts de rauwe werkelijkheid van The Nomads of Dolpo, waar een zoon het lichaam van zijn overleden vader op de rug neemt om hem naar de crematieplaats te brengen; een onverwacht onheil dat de karavaan vier dagen ophoudt en de familie extra kwetsbaar maakt voor de oprukkende winter. Een beeld dat het grote verschil in toon tussen beide films pijnlijk zichtbaar maakt. Toegegeven: ‘mijn’ film leunt meer op sentiment, maar ik zou dat geen effectbejag of gemakzuchtige emotie willen noemen.

Laat één ding duidelijk zijn: hij doet dit niet om mij te treiteren. Hij weet zelf ook hoe irritant betweterigheid kan zijn. ‘Excuses dat ik altijd zo overdreven kritisch ben,’ schreef hij er daarom bij, ‘maar ja, je moet het maar doen met zo’n zeikerd van een vriend.’ Bij hem werkt het anders dan bij de meeste mensen: hij reageert niet uit superioriteit, maar uit een diepgewortelde gevoeligheid voor vorm en toon. Alles wat te sentimenteel, te nadrukkelijk of te glad is, schuurt bij hem onmiddellijk. En juist daardoor wijst hij me soms op iets dat ik anders nooit had ontdekt.

En eerlijk is eerlijk: in dit geval had hij een punt. Want als je The Nomads of Dolpo naast Die Salzmänner von Tibet legt, zie je dat het vooral het sentiment is dat de twee films van elkaar scheidt. De eerste is een emotioneel geladen familie‑epos, compleet met muziek die je bij de hand neemt en een voice‑over die je door het verhaal leidt. De tweede is juist bijna ascetisch: een rituele, verstilde observatie waarin geen ruimte is voor sentiment, alleen voor traditie, ritme en de heiligheid van arbeid. Waar Dolpo je raakt in het hart, raakt Salzmänner je in de ziel; en mijn vriend heeft nu eenmaal een ingebouwde allergie voor alles wat te nadrukkelijk aan dat eerste trekt. Juist daarom werd het interessant om beide films naast elkaar te leggen en te zien wat ze, ondanks hun totaal verschillende toon, onthullen over nomadisme in het Himalayagebied.

Juist in deze regio is de rondtrekkende traditie nog niet gereduceerd tot cultureel erfgoed; het is er simpelweg de enige manier om stand te houden. De hoogvlaktes van Tibet en de valleien van Dolpo in Nepal delen een eeuwenoude economie die draait om yaks, zout, gerst en de ritmiek van seizoenen die genadeloos zijn. Toch tonen deze twee documentaires dat nomadisme niet één verhaal is, maar een spanningsveld tussen ritueel en overleving, tussen traditie en verandering, tussen gemeenschap en individu. Hoewel ze dezelfde wereld betreden, doen ze dat met een totaal andere filmische blik, en juist dat verschil maakt zichtbaar hoe veelzijdig dit bestaan is; en hoe verschillend het kan worden verteld.

In Die Salzmänner von Tibet wordt de zoutkaravaan niet gepresenteerd als een economische activiteit, maar als een heilige choreografie. Vier mannen bereiden zich voor op een negentig dagen durende tocht naar het mythische Tsento‑meer, waar zout niet wordt gewonnen maar verzameld onder het toeziend oog van een godin. Alles is ritueel: het kiezen van een gunstige dag, het bereiden van offers, het spreken van een geheime taal, het naleven van voorbeeldig gedrag. De film toont nomadisme als een kosmisch contract: de mens beweegt door het landschap, maar het landschap beweegt ook door de mens.

In The Nomads of Dolpo is de zouttocht geen ritueel maar een familiale migratie. Karma Tshering leidt zijn vrouw, kinderen en yaks door bergpassen boven de vijfduizend meter. De tocht is niet sacraal, maar existentieel: als ze te laat vertrekken, sluit de winter de passen en sterft de kudde. Hier is het trekkersbestaan geen ceremonie maar een levenslijn; een traditie die wankelt onder armoededruk en de vraag of de kinderen dit leven nog willen of kunnen voortzetten. Waar Salzmänner een wereld toont die lijkt te bestaan buiten de tijd, toont Dolpo een wereld die tegen de tijd in probeert te blijven bestaan.

Die verschillen worden pas echt scherp zodra je ziet hoe beide filmmakers de lens hanteren. De camera van Salzmänner is stil, geduldig, bijna monastiek. Ze observeert, dringt zich niet op, bewaart afstand om nabijheid mogelijk te maken. Lange shots van yaks die zich door de vlakte bewegen, rituele handelingen die in real time worden getoond; het is een beeldtaal die doet denken aan klassieke etnografische cinema. De film laat je niet alleen zien wat er gebeurt, maar hoe het voelt om deel uit te maken van een traditie die ouder is dan het geheugen.

De camera van Dolpo is beweeglijker, menselijker, soms zelfs wankel; en dat is precies de bedoeling. Ze volgt de familie door sneeuw, rotspartijen en wind, registreert emoties: vermoeidheid, verdriet, doorzettingsvermogen. Close‑ups van kinderen die worstelen met de hoogte, shots die de gevaren van de passen voelbaar maken, een ritme dat de fysieke inspanning weerspiegelt. Waar Salzmänner contemplatief is, is Dolpo kinetisch. De camera ademt mee met de karavaan.

Ook narratief staan de films lijnrecht tegenover elkaar. Salzmänner vertelt geen verhaal in klassieke zin: geen conflict, geen dramatische boog, geen psychologische ontwikkeling. Het narratief is cyclisch, zoals de seizoenen. De mannen vertrekken, verzamelen zout, keren terug. Het drama zit niet in gebeurtenissen, maar in de betekenis ervan. De film is een mythe in documentairevorm. Dolpo daarentegen is een epos: de dreiging van de winter, de fysieke uitputting, het verlies van een familielid onderweg, de vraag of deze manier van leven toekomst heeft. Het narratief is lineair en emotioneel geladen, een reisverhaal dat de kijker meeneemt in de kwetsbaarheid van een familie die letterlijk tussen leven en dood navigeert.

Wanneer je deze films naast elkaar ziet, ontstaat een dieper begrip van nomadisme in het Himalayagebied. Het is zowel sacraal als praktisch, zowel collectief als familiaal, zowel tijdloos als bedreigd; het is zowel een kosmologie als een economische noodzaak. Samen vormen de documentaires een tweeluik dat laat zien hoe een eeuwenoude levenswijze zich staande probeert te houden in een wereld die steeds sneller verandert.

Misschien is dat wel de reden dat ik beide films koester, elk op hun eigen manier. De één herinnert me eraan dat tradities niet zomaar gebruiken zijn, maar dragers van betekenis. De ander laat zien dat achter elke traditie mensen schuilgaan die moeten leven, lijden, kiezen en doorgaan. Ergens tussen die twee polen – tussen ritueel en overleving – bevindt zich de ruimte waarin nomadisme nog altijd ademt. Misschien is dat ook de ruimte waarin wij, kijkers, iets kunnen leren over onze eigen manier van bewegen door de wereld.

Die manier van bewegen blijft een strikt persoonlijke exercitie. Het verklaart waarom filmvoorkeuren onherroepelijk uiteenlopen. Mijn vriend, met zijn hypergevoelige antenne voor vorm en toon, laveert moeiteloos mee op de meditatieve golven van Salzmänner; hij ziet er een pure, onbevlekte esthetiek in die gevrijwaard blijft van goedkoop sentiment. Ik daarentegen krijg bij dat soort devotionalia al snel last van jeuk. De rauwe, aardse logica van Dolpo ligt mij van nature beter. Waar hij loutering vindt in een kosmos vol rituelen, kies ik voor de overlevingstocht van vlees en bloed.

Uiteindelijk heb ik weinig met esoterische abstracties, zoals mijn lezers inmiddels weten. Ik zie de menselijke conditie het liefst gereduceerd tot wat ze werkelijk is: een bittere, tastbare noodzaak om de winter voor te blijven. Met zo’n ‘zeikerd van een vriend’ wordt mijn blikveld ruimer maar houd ik ook scherp waar mijn nuchterheid ophoudt en zijn sacrale wereld vol vormesthetiek begint.

Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

Gorilla’s in de mist

Als knulligheid geld oplevert, geloven we straks dan helemaal niets meer?

Omdat ik weiger mijn avonden te laten dicteren door de lineaire treurigheid van de reguliere televisie, stel ik mijn eigen kijkavond samen. Een gecureerde bubbel, zou je kunnen zeggen; tot er gisteravond ongevraagd een AI-filmpje tussendoor sloop. Het algoritme schotelde mij een modern sprookje voor: een jongetje was in een gorillaverblijf beland. Maar in plaats van een herhaling van het Harambe-drama1, ontpopte de primaat zich tot een volleerd antropomorf wonder. Het beest overlaadde de kleuter met liefde en – alsof hij het concept ‘publieke opinie’ had bestudeerd – bracht hij het ventje tactisch naar de sluisdeur van de verzorgers, om vervolgens zelf galant afstand te nemen. Mowgli kwam zonder kleerscheuren terug bij de mensen. Disney was er niets bij.

Deze drie filmstills tonen de ‘mislukte magie’. Let op het kind: [Links] Donkere sportschoenen. [Midden] Blauwe sportschoenen. [Rechts] Bruine leren sandalen. Het gebrek aan objectpermanentie lijkt bewust te zijn doorgevoerd. Wat doet die rode pijl daar anders aan het begin van het filmpje? De maker hoeft helemaal geen perfect meesterwerk af te leveren om te scoren. Sterker nog, die wisselende schoenen zijn juist de goudmijn. Duizenden kijkers voelen de onweerstaanbare drang om in de reacties te reageren. Elk commentaar, hoe vurig de ergernis ook is, registreert het algoritme van YouTube als ‘engagement’. De AI-maker exploiteert zo onze menselijke drang om fouten te corrigeren. Het is geen mislukte kunst; het is succesvol lokaas. Welkom in de ‘Uncanny Valley’ (Griezelvallei).

Het had een ontroerend staaltje technologische magie kunnen zijn, ware het niet dat de software onderweg een klein detail was vergeten: objectpermanentie. In opeenvolgende shots droeg het jongetje verschillende schoenen. Het eerste gedeelte sportschoenen, het laatste sandalen. Een totale mislukking, zou je zeggen. Iedereen met een greintje esthetisch besef ergert zich groen en geel aan zulke overduidelijke knulligheid. De miljardenverslindende tech-industrie was weer eens gestruikelt; ditmaal over schoeisel.

Je vraagt je aanvankelijk af waarom een maker zoiets online zet zonder er alles aan te doen om het geloofwaardig te maken. Is het een ironische knippoog? Een bewuste parodie? Toen vielen de schellen plotseling van mijn ogen. De werkelijkheid is helaas prozaïser: die wisselende schoenen kunnen geen fout zijn; ze behoren natuurlijk tot het verdienmodel!

We leven in een interactie-economie waarin de goudmijn niet ligt in de perfectie, maar in de imperfectie. De maker heeft uw bewondering helemaal niet nodig; uw superieuriteitsgevoel en uw ergernis leveren veel meer op. Duizenden kijkers voelen de onbedwingbare drang om in de reacties te typen: “Fake! Kijk naar zijn schoenen op 0:12!” Elk vurig commentaar registreert het algoritme als ‘engagement’. Deze filmpjes worden niet gemaakt om een geloofwaardig verhaal te vertellen; ze zijn doelbewust ontworpen als lokaas voor onze menselijke neiging om fouten te willen corrigeren.

Je zou kunnen hopen dat deze knulligheid zichzelf reguleert. Als de content zo overduidelijk nep is, verliest het publiek vanzelf de zin om er nog naar te kijken, nietwaar?

De realiteit is helaas grimmiger. Het werkelijke gevaar van deze stroom aan AI-pulp is niet dat we massaal in de sentimentele gorilla trappen. Het gevaar zit in de cognitieve kater die volgt. Gisteren las ik ergens de treffende observatie dat deze stortvloed aan overduidelijke leugens de blik op de waarheid besmet. We worden collectief hyper-sceptisch.2

Wanneer de publieke ruimte verzadigd raakt met overduidelijke vervalsingen, treedt het mechanisme van de Liar’s Dividend in werking: we geloven de leugen niet meer, maar we geloven de waarheid straks ook niet meer. Als er morgen een authentieke, schokkende video van een reëel incident opduikt, zal het publiek laconiek de schouders ophalen en zeggen: “Zal wel AI zijn, kijk maar naar de schaduwen.”

De ironie is compleet. De technologische revolutie die ons alles had kunnen laten zien, zorgt er uiteindelijk voor dat ‘zien’ niet langer synoniem staat aan ‘geloven’. We stevenen in sneltreinvaart af op een samenleving waarin alles verdacht is, en waarin een paar verkeerd gegenereerde schoenen de weg plaveien voor de totale erosie van onze gedeelde werkelijkheid.

  1. Het Harambe-drama: Verwijzing naar het incident op 28 mei 2016 in de Cincinnati Zoo, waarbij een driejarig jongetje in het gorillaverblijf viel. De zeventienjarige zilverrug Harambe sleepte het kind met brute kracht door het water. Uit angst voor het leven van de kleuter besloot het dierentuinpersoneel de gorilla dood te schieten. Het voorval leidde wereldwijd tot felle ethische discussies over de veiligheid in dierentuinen, de omgang met wilde dieren in gevangenschap en het optreden van de verzorgers. ↩︎
  2. https://www.volkskrant.nl/cs-bbab76fe ↩︎

De valse triomf van goedgelovigheid

Een markt van troost vraagt om de prijs van zelfbedrog.

Natuurlijk is het gebruik van Ayurveda als bedrijfsnaam geen inbreuk op het merkenrecht. Rituals, dat de term voert in haar The Ritual of Ayurveda-lijn, leek even te denken het alleenrecht op dat woord te kunnen claimen, maar trekt nu wijselijk zijn keutel in. De aanduiding heeft echter wél een ander effect: iedereen die het woord inzet als kwaliteitslabel voor een therapie of geneesmiddel, roept bij mij onmiddellijk scepsis op. Om het neutraal te formuleren: het predicaat ‘ayurvedisch’ geeft aan dat we te maken hebben met een alternatieve behandelwijze. Je bent dus gewaarschuwd.

Het folderverhaal: ‘The Ritual of Ayurveda gift set herstelt de balans en is het perfecte cadeau voor een nieuwe balans, voor een vriend of familielid, of gewoon om jezelf te trakteren. Vind innerlijke balans met deze verzachtende en aromatische producten op basis van Indiase roos en zoete amandelolie. Het origami-ontwerp is geïnspireerd op de Japanse kunst van het geven. In de Japanse cultuur kan de cadeauverpakking even belangrijk zijn als het cadeau, waarbij het cadeau wordt gezien als een vorm van communicatie tussen de gever en de ontvanger.’

Het juridische eindoordeel over de merknaam laat zich eenvoudig samenvatten: ‘Ayurveda’ blijft een generieke soortnaam voor een traditionele Indiase gezondheidsleer en kan daarom door niemand als exclusief intellectueel eigendom worden geclaimd. Dat Rituals bakzeil haalt, getuigt vermoedelijk eerder van strategisch inzicht dan van intellectuele zindelijkheid. Ze hadden deze zaak vrijwel zeker verloren, waren ze haar daadwerkelijk aangegaan. Maar één ding blijft overeind staan: het etiket is geen keurmerk van kwaliteit, maar eerder een waarschuwingssignaal; een indicatie dat overtuiging het hier heeft gewonnen van empirische toetsing.

Een aanzienlijk deel van de markt voor alternatieve geneeswijzen drijft op een geraffineerd soort emotionele chantage. Het is een parallel universum waarin anekdotisch bewijs de status van universele waarheid krijgt en klinische trials worden weggezet als complotten van de farmaceutische industrie. Men koopt geen werkzaam bestanddeel; men koopt een narratief. Een warm bad van holistische empathie waarin kritisch denken langzaam wegspoelt.

Het tragische mechanisme achter deze wildgroei is onveranderd: de parasitaire symbiose tussen de charlatan en de wanhopige. Wanneer het reguliere medische circuit de harde waarheid spreekt – dat een aandoening chronisch is, of dat de wetenschap eenvoudigweg nog geen antwoord heeft – springt de alternatieve markt in het gat. Waar de wetenschap nuance en onzekerheid biedt, biedt de kwakzalver absolute zekerheid. Het is een verdienmodel dat floreert bij de gratie van menselijke kwetsbaarheid: hoe zwakker de patiënt, hoe sneller de bankrekening wordt geplunderd voor suikerpillen, trillingstherapieën of energetisch opgeladen bronwater.

In dit ‘post-truthlandschap’, waarin sociale media functioneren als een hogedrukspuit voor desinformatie, voelt de strijd tegen de onzin steeds vaker als dweilen met de kraan open. Wie probeert de ratio te verdedigen, staat al snel te boek als een kille dogmaticus zonder hart. Ik vraag me steeds vaker af hoe de Vereniging tegen de Kwakzalverij zich in deze storm staande houdt. Even controleren dus.

Het is met de vereniging zelf, historisch bezien, opvallend stabiel gesteld; ze doet nog precies waarvoor ze in 1881 werd opgericht. De oudste sceptische organisatie ter wereld opereert nog steeds zonder subsidie, gedragen door zo’n 1800 à 2000 hardnekkige leden die weigeren te buigen voor de waan van de dag. Onder leiding van voorzitter Freek van Sluijs blijft de vereniging met vlijmscherpe pen en juridische procedures de barricaden opgaan.

Hun actieradius is onverminderd breed en de munitie nog lang niet uitgeput. Hun jaarlijkse satirische schandpaal, de Meester Kackadorisprijs, blijft een effectief wapen. Onlangs nog verschenen instituten zoals Amsterdam UMC op de longlist vanwege het faciliteren van acupunctuuronderzoek bij kinderen; een pijnlijk bewijs dat zelfs de academische wereld de poorten voor pseudowetenschap soms wagenwijd openzet onder het mom van ‘complementaire zorg’.

De vereniging schroomt bovendien niet om door te pakken waar het gevaarlijk wordt. Zo eiste zij recent strafrechtelijke vervolging van een arts die op grote schaal onbewezen behandelingen met navelstrengbloed uitvoerde bij kinderen. De ironie is dat de VtdK in het huidige tijdsgewricht feller wordt aangevallen dan ooit. De gevestigde orde sust dergelijke ontwikkelingen graag met termen als ‘integrative medicine’; een eufemisme waarmee men probeert bewezen geneeskunde te vermengen met magisch denken; alsof je een glas helder water verbetert door er een lepel rioolwater in te roeren.

De vereniging strijdt niet tegen spiritueel ingestelde mensen als individu, maar tegen de institutionalisering van volksverlakkerij. Hoewel de vereniging zelf springlevend is, ervaar ik in het publieke domein steeds vaker hoe eenzaam het rationele standpunt kan zijn. Dat lijkt mij het logische gevolg van een maatschappij die ‘gevoel’ heeft verheven tot ultieme graadmeter van de werkelijkheid. Zolang irrationaliteit zich als zorg blijft vermommen, is er sprake van een achterhoedegevecht; maar wel een noodzakelijk gevecht, uit respect voor de volksgezondheid én de intellectuele hygiëne.

Semantiek als schild

Hoe één voorzetsel het verschil maakt tussen een meeloper en een master.

Beste Stéphanie en Janneke,

In een van jullie laatste podcastuitzendingen van De Shitshow ventileren jullie de ergernis aan mensen die een sweater dragen met het logo van Harvard, terwijl ze nooit aan die universiteit hebben gestudeerd. Als voorbeeld valt de naam van Humberto Tan.

In de laatste uitzending van de podcast Dit is Amerika wil presentator Michiel Vos, die naar jullie heeft geluisterd, van zijn gesprekspartner weten hoe het nou zit: “Heb je op Harvard gezeten of niet?”

De beroemde voetballer Tonny Harvard en zijn Ziggo-fans.

Het is grappig om te horen hoe Humberto hier semantiek gebruikt om toch te kunnen suggereren dat hij daar onderwijs heeft genoten. Hij bezigt namelijk consequent de formulering: “Ik heb bij Harvard gezeten.”

Dat is een prachtig staaltje taalkundige gymnastiek. Het echte antwoord op de vraag van Vos is even simpel als ontnuchterend: nee, hij heeft daar geen reguliere academische graad behaald. De presentator is gewoon in de rechten afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn specifieke woordkeuze spreekt hij technisch gezien overigens wel de waarheid; zijn achterwerk heeft daadwerkelijk contact gemaakt met het meubilair op de campus in Cambridge.

In 2016 volgde hij daar namelijk een kortstondige masterclass aan de Harvard Business School. Het betrof de collegereeks The Business of Entertainment, Media, and Sports, gedoceerd door de Nederlandse professor Anita Elberse. Zo’n intensief ‘executive’ traject duurt doorgaans geen jaren, maar slechts een dag of vier. Het is een prestigieuze netwerkcursus waar vermogende prominenten aanschuiven; Tan deelde de collegebanken destijds met onder anderen acteur Channing Tatum en rapper LL Cool J.

Zijn zorgvuldig gekozen bewoordingen functioneren als een schild. Het voorkomt de valse claim van een volwaardige master of PhD, terwijl de elitaire associatie met het instituut subtiel overeind blijft. Een even slimme als ironische strategie om status te cultiveren.

Aangezien beide podcasten onder de vleugels van Tonny Media vallen, vermoed ik dat ik jullie hiermee geen schokkend nieuws breng en dat de onderlinge ergernissen op de kantoorvloer niet al te hoog oplopen. Maar toch; de anekdote is te vermakelijk om onbenoemd te laten.

Met vriendelijke groet,

Ronald

Lezersreactie:
Laat het ontdekken van de dubbele bodem in het onderschrift van die afbeelding maar aan de scherpte van de lezer over. De klankovereenkomst met ‘sycophants’ is volkomen duidelijk.

Antwoord:
Dank je. Bij deze geschrapt.

Haha, hij heeft daar dus niet regulier in de boeken gezeten. Toch vind ik het eigenlijk wel een meesterlijk staaltje verbale acrobatiek. Met die formulering zoekt hij exact de grens op tussen een feitelijke herinnering en pure status, wat maar weer eens bewijst dat de man retorisch ijzersterk is. Wat mij betreft hoeft hij hierom niet direct genadeloos aan de schandpaal; je moet hem de sportiviteit van de woordspeling bijna nageven.
Bram_V

Dat hij bij elke anekdote over zijn ‘Harvard-tijd’ direct de namen van Channing Tatum en LL Cool J laat vallen, maakt het er nou niet bepaald geloofwaardiger op. Als je met Hollywoodsterren en rappers in de collegebanken zit, weet je eigenlijk al dat je niet bezig bent met een gortdroge studie macro-economie, maar met een peperduur netwerkfeestje voor prominenten. Juist de behoefte om die namen te noemen, verraadt de drang naar status.
Eline, Haarlem

De laatste colporteurs van het zondebesef

Over zeldzaam wordende zielverkopers die dachten dat ook koppensnellers behoefte hadden aan scholastiek.

Totdat documentairemaker Jan Maarten Deurvorst zich ging verdiepen in het leven en werk van de laatste Franciscanen in Nieuw-Guinea, scheen hij ongeveer dezelfde gedachte over missie- en zendingswerk te hebben gehad als ik: dat het in wezen neerkwam op een mengeling van religieus imperialisme, cultureel vandalisme en goedbedoeld paternalisme, uitgevoerd door mannen op sandalen die vonden dat de bewoners van de jungle dringend behoefte hadden aan Europese schuldgevoelens, catechismussen en het correcte gebruik van westers bestek.

‘De kloosterorde der Franciscanen is een bedelorde. Niemand heeft bezit. Daarmee betoont de orde haar solidariteit met de armen […], wat misschien haar populariteit verklaart. [De broeders en zusters] werden ver de binnenlanden [van West-Papoea] ingestuurd. De Franciscanen […] legden het gebied dus min of meer open. Opvallend was dat ze zich daarbij nogal anti-institutioneel gedroegen. […] Ook al omdat ze weinig bagage hadden om mee te nemen.’ (radiofragment)

Misschien moet ik verder alleen voor mezelf praten: ik vond dat religieuze verspreidingsarbeid vooral neerkwam op het vervangen van lokale mythen door westerse, met als twijfelachtige bonus een kerkgebouw, een schoolbord en een permanent gevoel van beschavingssuperioriteit. De missionarissen van “Papoealand” – zoals zij het ook wel noemden – waren in essentie spirituele koloniale ambtenaren. Wereldvreemde mannen Gods die koppensnellers kwamen vertellen dat kannibalisme verkeerd was, maar ondertussen wel een complete cultuur archiveerden, herschreven en gedeeltelijk ontmantelden.

Ziezo, dat vooroordeel is opgetuigd. Maar de radiodocumentaire De laatste der Franciscanen, uitgezonden door het geschiedenisprogramma OVT van de VPRO, maakt het beeld aanzienlijk ingewikkelder. Zij heeft de hinderlijke eigenschap mijn atheïstische wereldbeeld te ontregelen.

Wat deze documentaire bijzonder maakt, is dat zij niet alleen gaat over missionering in koloniale context, maar vooral over de onverwachte wederzijdse beïnvloeding tussen missionarissen en Papoeastammen zoals de Asmat en de Marind. In Nederlandse koloniale verhalen stonden die groepen lang bekend als koppensnellers en kannibalen; een beeld dat sensationeel was. De documentaire onderzoekt wat er werkelijk gebeurde toen Franciscanen zich daar na de Tweede Wereldoorlog op grotere schaal vestigden.

De Franciscaanse aanwezigheid in Nederlands Nieuw-Guinea begon al in 1937. Nederlandse minderbroeders werkten in gebieden rond Merauke, Mimika en later ook in het Asmatgebied. Hun werk beperkte zich niet tot religie: zij hielden zich bezig met onderwijs, gezondheidszorg, taalstudie en infrastructuur. Opvallend is dat Franciscaanse missionarissen relatief veel belangstelling hadden voor lokale rituelen en culturen, in tegenstelling tot meer paternalistische missiebenaderingen elders.

Interessant is de bredere historische achtergrond. West-Papoea werd tot 1962 bestuurd als Nederlands Nieuw-Guinea. Daarna kwam het gebied onder Indonesisch bestuur, wat leidde tot langdurige spanningen en onafhankelijkheidsbewegingen. Sommige missionarissen gingen zich later nadrukkelijk uitspreken over mensenrechten en geweld tegen Papoea’s. De uitzending blijkt sowieso niet alleen een verhaal over religie te zijn, maar ook over identiteit, antropologie, culturele ontmoeting, kolonialisme en het verdwijnen van een Nederlandse wereld in de Pacific.

In de documentaire speelt dat – het verdwijnen van een tijdperk – een grote rol. Juist daar krijgt het verhaal een menselijke scheur die verhelderend licht doorlaat. Vrijwel alle Nederlandse missionarissen zijn inmiddels vertrokken of overleden. De titel De laatste der Franciscanen verwijst naar de laatste nog aanwezige Nederlandse pater in het gebied, die Deurvorst heeft geïnterviewd. Dat geeft het programma een melancholische laag: het einde van een Nederlands-katholieke aanwezigheid in Papoea die bijna negentig jaar heeft geduurd.

Het is niet dat Theo van der Broek van zijn geloof viel; hij zou graag zijn doorgegaan als drager van het kruis, bemiddelaar tussen Rome en het moeras, vertegenwoordiger van de hemelse hoofdvestiging. Als traditionele leverancier van zondebesef bleek hij echter niet geschikt. Uiteindelijk toonde deze vertegenwoordiger van de eeuwigheid zich vatbaar voor iets aards. De minderbroeder ontmoette zijn min. Jawel, de pater werd verliefd op een vrouw. Daarmee verloor de kerk een missionaris, maar kreeg de documentaire haar ontroerendste detail. Hij werd verbannen en door zijn geloofsgenoten met de nek aangekeken.

Op een enkeling na; iemand die begreep dat medemenselijkheid pas geloofwaardig wordt zodra zij ophoudt een investering in het hiernamaals te zijn.1 Met andere woorden: iemand die uiteindelijk de mens belangrijker vond dan het systeem waarin hij had leren geloven.

  1. Aanvankelijk stond hier: “iemand die de ware implicaties van het geloof had begrepen.” Maar juist daarin schuilt voor mij een probleem. Religieuze moraal blijft moeilijk los te zien van het idee dat goede daden uiteindelijk plaatsvinden binnen een verhouding tot God; als onderdeel van een morele boekhouding van zonde, schuld en verlossing. Dat roept de vraag op in hoeverre christelijke naastenliefde volledig belangeloos kan zijn wanneer zij tegelijk verbonden blijft aan eeuwige consequenties voor degene die haar verricht. Misschien waren het daarom eerder humanistische impulsen die die ene oud-collega van de verbannen pater volgde: een direct moreel besef, los van de gedachte dat een goede daad tevens een investering kan zijn in hemel, verlossing of goddelijke goedkeuring. ↩︎

Sterk geschreven, maar je reduceert religieuze naastenliefde wel erg gemakkelijk tot een soort kosmische bonusregeling. Alsof ongelovigen nooit handelen uit ijdelheid of behoefte aan erkenning, of – je raadt het al – ware compassie.
— Marianne, Nijmegen

Die zin over ‘spirituele koloniale ambtenaren’ is hard, maar niet onterecht. Missionering was vaak gewoon imperialisme met een bijbel onder de arm.
— Peter, Groningen

Interessant stuk juist omdat het weigert eenvoudig anti-katholiek te worden. Dat maakt het ongemakkelijker en dus eerlijker.
— Anoniem

Als antropoloog mis ik wel nuance over de Asmat. Het woord ‘koppensnellers’ blijft toch een koloniale categorie, zelfs wanneer je uitlegt dat het een historisch beeld betreft.
— Drs. H. van Leeuwen

Die arme pater. Negentig jaar in het moeras voor Rome gewerkt en uiteindelijk alsnog ingewisseld vanwege bureaucratische kuisheid.
— Theo, Breda

Ik ben gelovig en toch herken ik die ‘hemelse boekhouding’ waar je over schrijft. Juist daarom vond ik de noot sterker dan het essay zelf.
— Els, Antwerpen

De ironie druipt er soms iets te dik bovenop. Alsof iedere missionaris automatisch een koloniale karikatuur was. Maar goed, misschien is dat juist je stijlmiddel.
— Johan

OVT blijft fantastisch in het oproepen van dat melancholische gevoel van verdwenen Nederlandse werelden. Je ruikt in die documentaire bijna het schimmelende missiekantoor.
— Karel

Een breuk in het script

Wanneer het leven de vlogger inhaalt.

Bij het openslaan van een roman of het starten van een Netflix-serie sluiten we een stilzwijgend pact met de maker; we accepteren de chaos op het scherm, simpelweg omdat we weten dat er achter de schermen een scenarist waakt over de rode draad. Hoe grillig de plot ook mag lijken, het is een geconstrueerde ononderbrokenheid die ons onvermijdelijk naar een doordacht slot voert. Maar wie zich begeeft in de wereld van de avontuurlijke vlogger, stapt in een verhaal zonder vangnet. Hier is geen sprake van een regisseur die ‘cut’ roept als de realiteit te rauw wordt; hier kan het leven met een botte bijl inhakken op de verhaallijn. Het is de ultieme kwetsbaarheid van de ‘unscripted’ mens: de droom die niet eindigt met een geplande apotheose, maar met een technisch debacle dat geen enkele scriptschrijver had durven indienen bij zijn producent.

Maak kennis met Molly, een jonge vrouw die met haar kanaal Molly’s Sea Stories (mollysseastories op Instagram) de belichaming was van de moderne ontsnappingsdrang. Haar metgezel? De Kyeema, een stalen dame die haar de ultieme vrijheid beloofde. Het kanaal ademde die typische, aanstekelijke naïviteit van de vroege ontdekkingsreiziger: de oceaan als decor voor een eindeloze zoektocht naar zelfstandigheid en verre horizonten.

Al snel bleek dat de Kyeema niet alleen een schip was, maar een gulzige verzameling mechanische uitdagingen. Wat begon als een romantisch epos, veranderde langzaam in een kroniek van defecte alternatoren, slippende v-snaren en accu’s die de geest gaven. Het avontuur werd een uitputtingsslag waarbij de horizon steeds vaker werd geblokkeerd door een geopende motorkap.

Het centrale motief van dit epos is tevens de meest wrange verklaring voor het uiteindelijke falen: de paradox van de onafhankelijkheid. In de moderne beeldvorming wordt zeilen vaak gepresenteerd als de ultieme ontsnapping aan de maatschappelijke systemen; een leven op eigen kracht, gedreven door de wind. De realiteit is echter dat een zeiljacht een drijvende micro-kosmos is van complexe techniek.

Wie de oceaan opzoekt zonder fundamentele technische vaardigheid, creëert onbedoeld de meest extreme vorm van afhankelijkheid die denkbaar is. In plaats van vrij te zijn, word je een gijzelaar van het toeval. Elke hapering van de motor of elk defect aan de elektronica verandert de kapitein in een toeschouwer van haar eigen ondergang. Het gebrek aan ‘wetenschappelijke soundness’ – de nuchtere kennis van hoe krachten, corrosie en verbranding op elkaar inwerken – zorgt ervoor dat de droom niet wordt gestuurd door de koers van het roer, maar door de grillen van externe redders. Deze technische onmacht fungeert als een onzichtbaar anker dat, ongeacht de goede bedoelingen, elke voortgang uiteindelijk onmogelijk maakt.

Midden in deze mechanische gijzeling verscheen Tom, de drijvende kracht achter het kanaal What In The World. Hij was de personificatie van de ontbrekende schakel: de man die niet alleen de horizon zag, maar ook begreep hoe je daar moest komen als de wind wegviel. Tom bracht een broodnodige medische interventie voor de Kyeema. Hij reviseerde lieren, verving v-snaren en bracht een kalmte aan boord die alleen voortkomt uit het beheersen van de materie. Voor de kijker was hij de ‘deus ex machina’ die de verhaallijn behoedde voor een voortijdig einde.

Toch was het niet alleen de techniek die de kijkers aan het scherm gekluisterd hield. Er ontstond een onmiskenbare synergie tussen Tom en Molly die de video’s een diepere, bijna literaire laag gaf. We kijken immers liever naar een hart dat klopt dan naar een motor die draait. De tederheid in de interactie en de gedeelde kwetsbaarheid tijdens zware oversteken voedden de hoop op een groter verhaal. Of er nu sprake was van een klassieke romance of een diepe verbondenheid door gedeelde nood; het element van menselijke genegenheid was de lijm die de brokkelige verhaallijn tijdelijk weer tot een eenheid smeedde. Het maakte de reis voor het publiek persoonlijk; de boot werd een thuis, en de tweekoppige bemanning een belofte.

Uiteindelijk bleek de realiteit echter een onverbiddelijke scenarist. In de gedenkwaardige aflevering 100 zagen we hoe de wetten van de fysica en de genadeloze logica van de economie het laatste woord opeisten. De Kyeema was simpelweg “op”. De structurele gebreken en de financiële uitputting dwongen hen tot een besluit dat even onbaatzuchtig als hartverscheurend was: de boot moest worden weggegeven.

Het is het definitieve einde van een verhaallijn die niet bezweek onder een gebrek aan passie, maar onder het gewicht van zijn eigen paradoxen. De droom van vrijheid eindigde in een haven waar de sleutels werden overgedragen; een herinnering achterlatend aan een reis die ons leerde dat je de wereld kunt bevaren op hoop, maar dat je alleen thuiskomt met een werkende dynamo.

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






Brief aan een curriculum-cipier

Een pleidooi om nog onverschrokkener buiten de lijntjes te kleuren van de landelijke leerstof.

Beste k,

Dat ik jouw naam hier vervang door het symbool voor de constante van Boltzmann heeft weinig met zijn beroemde vergelijking te maken. Ik wilde vooral dezelfde vorm van abstraheren toepassen als bij m; niet in de laatste plaats omdat je zo enthousiast reageerde op mijn brief aan hem.

Je vroeg me of ik wat uitgebreider wilde ingaan op dat euforische moment dat ik beschreef: het ogenblik waarop de noodzaak van het kwadraat in bijvoorbeeld E = mc² plotseling tot me doordrong. Dat dit inzicht zich pas rond mijn achttiende aandiende, zou in jouw praktijk als docent natuurkunde betekenen dat een leerling pas ná het eindexamen een fundamenteel begrip bereikt. Jij hoopt – begrijpelijk – dat een zorgvuldig opgebouwd curriculum dat vóór kan zijn.

Toch zie jij in je klaslokalen iets anders gebeuren. Leerlingen bewegen zich plichtmatig door de stof, volgen de gebaande paden, en komen pas later – als het cijfer al vastligt – tot enig werkelijk inzicht. Voor velen blijft het bij een zesje met de hakken over de sloot, waarna natuurkunde voorgoed wordt ingeruild voor iets dat minder weerstand biedt. Je vindt dat zonde. Soms zelfs reden tot zelfkritiek: ben je niet te veel een ‘syllabus-satraap’, zoals je het zelf eens noemde? Regeer je niet te strikt volgens het examenprogramma, als een in permanente tijdnood verkerende ‘eindtermen-executeur’, met een precisie waar een Zwitsers uurwerk jaloers op zou zijn, maar waar leerlingen weinig aan hebben?

Laat ik je eerst geruststellen. Ik ken je niet als iemand die een gesprek afkapt zodra het interessant dreigt te worden omdat het buiten de stof valt. Integendeel: toen wij elkaar leerden kennen – ik was inmiddels de dertig gepasseerd – bleek je juist opvallend bereid om terug te keren naar onderwerpen die ik ooit half had begrepen. Ik heb nooit een les van je bijgewoond, maar niets aan jou doet vermoeden dat je slechts de instructies van bovenaf volgt.

Misschien moeten we een ongemakkelijker mogelijkheid onder ogen zien: dat inzicht zich niet laat afdwingen. Dat exacte vakken voor velen eenvoudigweg te veel denkkracht vereisen op een moment in het leven waarop andere zaken – urgenter, diffuser – de aandacht opeisen. De pre-volwassenheid is mogelijk niet de fase waarin de meeste mensen ontvankelijk zijn voor het zo precies mogelijk in kaart brengen van de werkelijkheid.

Voor mij bleek er nog hoop. Misschien omdat andere afleidingen nog even uitbleven en er ruimte ontstond voor iets dat, achteraf bezien, verrassend helder was. Er kwam namelijk logica bij kijken; en niets anders dan dat.

Iemand wees mij er ooit nadrukkelijk op dat je geen appels met peren kunt vergelijken. Dat je grootheden eerst naar een gemeenschappelijk niveau moet tillen voordat je er een is-gelijk-teken tussen mag zetten. Dat vermoeden had ik al, maar ik had het verkeerd geïnterpreteerd. Ik dacht dat het kwadrateren van de lichtsnelheid een soort boekhoudkundige ingreep was: als je aan de ene kant iets ‘verzwaart’, moet de andere kant mee.

Maar zo werkt het niet. Het kwadraat van c is geen kunstgreep om de vergelijking in balans te brengen; het volgt noodzakelijk uit de manier waarop massa en energie in de relativiteitstheorie met elkaar verbonden zijn.

Dat werd mij pas echt duidelijk toen ik nog eens stil stond bij de verschillende eenheden:

  • Snelheid heeft de dimensie meter per seconde (m/s).
  • Energie wordt gemeten in Joule (kg·m²/s²).
  • Massa in kilogram (kg).

Om van massa naar energie te gaan, heb je dus een factor nodig met de dimensie (m/s)². En dat is precies wat levert. Het is geen willekeurige keuze, maar een mathematisch onvermijdelijke brug tussen twee grootheden die op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen hebben.

Tegenwoordig zou zo’n inzicht zich waarschijnlijk sneller aandienen. Niet omdat de leerling slimmer is geworden, maar omdat de uitleg zich kan aanpassen. Wat mij toen ontbrak, bestaat nu wel: een systeem dat net zo lang andere formuleringen probeert tot het aansluit bij het begripsvermogen van de vragensteller. Ik moest het doen met toevalligheden; een boek, een passage, een moment waarop iets eindelijk viel.

Jij had, als ik je eerder had ontmoet, misschien degene kunnen zijn die dat moment naar voren haalde. Want mijn intuïtie zat niet eens zo ver naast de waarheid. Er was alleen niemand die zei: “Je bent er bijna, maar hier zit de denkfout.”

Het boek dat me uiteindelijk hielp vond ik tijdens een vakantie in Griekenland, in een Duitse uitgave die ik half begreep en half aanvoelde. Ik schreef passages over in een schrift, afgewisseld met indrukken van zee, hitte en een merkwaardig gevoel van helderheid. Het boek zelf ben ik kwijtgeraakt, maar één gedachte is blijven hangen:

De in E = mc² werkt als een gigantisch vergrootglas. Omdat de lichtsnelheid ongeveer 300.000.000 m/s bedraagt, is een astronomisch getal (≈ 9 × 10¹⁶). Dat betekent dat een minuscuul beetje massa overeenkomt met een enorme hoeveelheid energie. Niet als overdrijving, maar als exacte verhouding, vastgelegd in de structuur van het universum zelf.

Misschien maakt dat op jou minder indruk dan op mij. Misschien bevestigt het alleen maar dat je je werk naar behoren doet. Maar ik vermoed dat het werkelijke verschil ergens anders ligt.

Niet in de stof, en ook niet in de volgorde waarin die wordt aangeboden, maar in het moment waarop inzicht landt. Dat zeldzame ogenblik waarop losse flarden kennis, intuïtie en halfbegrepen regels plotseling samenvallen tot een geheel dat zichzelf verklaart. Alsof je niet iets nieuws leert, maar eindelijk begrijpt wat je al die tijd al wist.

En misschien is dat precies waar geen curriculum grip op krijgt.

P.S. richting blogberichtlezer
In tegenstelling tot spirituele claims over ‘vibratie’ of ‘universele energie’ is E = mc² een van de best geteste principes uit de moderne fysica. Het verklaart waarom de zon schijnt en hoe kernenergie werkt. Elke keer dat massa in energie wordt omgezet, verschijnt die factor weer; consequent, meetbaar en zonder mystiek. Het universum blijkt, in dat opzicht, een opmerkelijk precieze boekhouder.

Lezersreactie:

Ik zie die Joule niet meer terug in de haakjes daarachter. Snelheid is meter per seconde; ok, dat begrijp ik. Massa wordt gemeten in kilogrammen; check! Maar nadat je beweerd hebt dat energie in Joule wordt gemeten, zie ik je die eenheid niet meer gebruiken!

Reactie:

Een scherpe observatie. Laten we de conversie nader bestuderen. Om van massa naar energie te gaan, vermenigvuldigen we de massa met het kwadraat van de snelheid. De eenheid wordt dan:

\text{kg} \times (\text{m/s})^2 = \text{kg} \cdot \text{m}^2/\text{s}^2 = \text{Joule}

Zie je hoe we hier uitkomen? De eenheid aan de rechterkant van het is-gelijk-teken is exact hetzelfde. Zo zorgen we ervoor dat we uitsluitend met vergelijkbare grootheden werken, oftewel: we vergelijken geen appels met peren. Dit maakt duidelijk dat c^2 geen willekeurige ingreep is, maar een onvermijdelijke factor om de dimensies in evenwicht te brengen.”

De SI-eenheid van energie (de Joule) is inderdaad exact gelijk aan \text{kg} \cdot \text{m}^2/\text{s}^2. De factor c^2 fungeert op deze manier als de noodzakelijke dimensie-overbrugging om van massa (kg) naar energie te gaan.

Zodra de eenheden aan weerszijden van het is-gelijk-teken met elkaar in overeenstemming zijn gebracht, ontstaat er een valide vergelijking. We vergelijken dan immers niet langer appels met peren.