Excuus aan de strenge gaatjesgemeenschap

Meccanopuristen krijgen jeuk waar de meer hybride bouwers juichen.

Het nieuwste kunstwerk in mijn huis zal niet bij iedere meccanobouwer in de smaak vallen. Binnen de gemeenschap van constructeurs van dit, van oorsprong voor jongetjes ontworpen, speelgoed, vind je krasse puristen die eisen dat elk minuscuul onderdeel authentiek is. Tot dat kamp behoor ik niet. Voor mij heiligt het doel de middelen; ik streef naar een esthetisch geheel waarin hybride elementen juist een verrijking vormen. Schroeven en moeren behoren in mijn ogen vooral solide te zijn, niet louter historisch verantwoord. Er bestaan genoeg eigentijdse aanpassingen die de nostalgische uitstraling van het beroemde gaatjesijzer uit Liverpool niet in de weg zitten, maar juist versterken.

Engeland bedacht het concept, Duitsland perfectioneerde het staal, en Frankrijk strijkt de esthetische eer op. Ikzelf pikte enkele restanten op van dit gezamenlijk project en werk nu noodgedwongen met de Franse slag.

Voor de bovenbedoelde creatie is de Märklin Metall jubileumset (Set 1019) uit de jaren negentig gebruikt, die een absoluut topstuk is onder de metalen constructiedozen (net als setnummer 1089 die nog veel eerder op de markt kwam). Kenners weten nu meteen waar het over gaat. De legendarische Eiffeltoren die uit al die, in een stevige houten kist ondergebrachte onderdelen, kan worden opgetrokken is een bouwwerk van jewelste. Hoewel Meccano de grondlegger was van het specifieke systeem van gaatjesstrips, nam het Duitse Märklin de licentie voor Centraal-Europa in het begin van de 20e eeuw over en perfectioneerde de productie.

Wat deze specifieke Eiffeltoren-set zo iconisch maakt, is de pure schaal en de geschiedenis ervan. In tegenstelling tot het latere speelgoed van kunststof, ademt dit object pure industriële nostalgie uit; onder andere vanwege het gebruik van staal, de typerende meccanokleuren en de messing bevestigingsmiddelen. Het volgroeide model (vaak gebruikt als indrukwekkend ‘Händlermodell’ om in de winkeletalages te pronken) telt honderden onderdelen en bereikt een hoogte van maar liefst 1 meter 85 op een voet van 60 bij 60 centimeter. De complete set in de originele, massieve kist weegt al snel een slordige 16 kilo.

Het is overigens een fascinerend stukje convergentie in de speelgoedhistorie dat het Britse Meccano-systeem en de verfijnde Duitse metaalbewerking van Märklin samenkwamen om een Frans architectonisch icoon te vereeuwigen. Kan het symbolischer? Engeland toonde zijn excentrieke pioniersgeest, Duitsland zijn dwingende precisie, en Frankrijk eigent zich, flanerend als altijd, de esthetische glorie toe. Het in elkaar zetten van het gevaarte is een beproeving voor je vingers en je geduld; een drift (uitlijnpen) vormt geen overbodige luxe om de tientallen overlappende laagjes metaal netjes voor de schroefgaatjes te krijgen.

Ik heb Set 1019 voor een leuk bedrag op de kop kunnen tikken. Nogmaals, het gaat om de jubileumeditie en dus om een heruitgave. Het origineel – de zeldzame, antieke vooroorlogse variant – heeft een veel serieuzere antiekwaarde, vooral als de originele krat en de antieke handleiding erbij zitten. Mijn modernere versie was helaas niet compleet. De verkoper omschreef het zo: ‘Originele Marklin opbergkist van de Marklin Metall Eiffeltoren, voorzien van al zijn kunststof bakken en deksels, en voor ongeveer 55% compleet wat betreft onderdelen. Een mooie kopie van de bouwbeschrijving is bijgesloten.’  

Märklin heeft destijds bij de heruitgave van deze reusachtige Eiffeltoren bewust gekozen voor een historische knipoog. Niet naar hun eigen eerdere monochrome zwarte sets, maar naar de vroege, klassieke kleuren van het systeem uit de bloeitijd van het metaalspeelgoed. De blauwe omloopranden, de rode rasters en de specifieke tint groen horen exact bij die gelimiteerde Märklin-uitgave. Omdat dit een Märklin-product is (en bovendien een moderne heruitgave), is hier de standaard metrische M4-schroefdraad gebruikt. In tegenstelling tot het Engelse Meccano kun je hier bij eventueel verlies dus wél gewoon een niet in inch gemeten moertje of -boutje indraaien, al gebruikt Märklin natuurlijk wel hun eigen platte, karakteristieke zeskantmoertjes en sleufkopboutjes om het esthetisch consistent te houden.

Waar ik door de meegeleverde voorraad originele 1019-boutjes heen raakte, heb ik naar deze zelfde exemplaren met hun brede, diepe zaagsnede op Marktplaats en op andere internetbeurzen gezocht. Soms gebruikte ik ook boutjes met een vlakkere, rondere kop en een veel fijnere sleuf. Dit zijn metrische replica’s van een ander merk. Ik moest de boel tenslotte sluitend krijgen. Als je op sommige plekken naar de verticale groene dragers kijkt, zie je een klein contrast. Sommige groene strips glimmen alsof ze gisteren uit de fabriek zijn gerold (glanzend dennengroen); terwijl een paar andere strips net een fractie matter en geler van tint zijn. Een heel enkel deel is iets in de kleur gespoten. Er zijn oudere, verweerde of anderskleurige onderdelen gebruikt die naderhand groen zijn gelakt om het tekort in de originele set aan te vullen.

Het esthetische resultaat lijdt er nauwelijks onder, vind ik; je moet immers al met je neus op het metaal gaan hangen om dit te spotten; maar het bevestigt wel dat deze set een ‘werkset’ is geweest. Er is mee geleefd, men is onderweg iets verloren, en ik heb creatief geïmproviseerd om de top te bereiken. Vooral het topsegment van de toren levert het definitieve, onomstotelijke bewijs dat ik een behoorlijk staaltje mechanische improvisatie moest leveren om het gebouw te voltooien (je zou het mijn ‘Franse slag’ kunnen noemen). Onderaan zie je dus gepatineerde Märklin bouten met hun ietwat doffe, klassieke messing- of bronsachtige uitstraling die perfect past bij een oudere metaalset, maar dichter naar de spits glimmen moderne glansbouten van chroom en zink je tegemoet. Ik had hier simpelweg geen originele Märklin-hardware meer over en kon er ook niet zomaar aankomen.

Die vier rode poelies/wielvelgen op het blauwe platform zijn wel heel opvallend ‘vers’. Ze glanzen alsof ze gisteravond uit een gloednieuwe plastic verpakking zijn gehaald. Wat hier aan de hand is: de originele Märklin 1019-set hoort op die specifieke plek eigenlijk metalen schijven of poelies te hebben (vaak zwart of messing). Deze vuurrode, kunststof of strak gelakte varianten wijken qua textuur en glans volledig af van de rest van het historische metaalwerk. De originele onderdelen voor de top ontbraken en ik heb er een viertal moderne Meccano-wielen tegenaan gegooid om de koepelconstructie toch te kunnen dragen.

De toren is absoluut een imposante verschijning, maar het is constructief gezien een ‘restauratieproject’. Het blijft een prachtig architectonisch statement voor in mijn kamer. De jubileumkist is nu helemaal leeg. In tegenstelling tot de langwerpige houten kisten die Märklin in de vroege twintigste eeuw (en bij sommige andere grote bouwdozen) gebruikte, heeft deze jubileumkist voor set 1019 een zeer brede, nagenoeg vierkante basis. De zwarte kunststof inlay (de sorteerbak) is volledig heel en de schuimrubberen beschermlaag in het deksel vertoont geen verpulvering of vergeling. Dat is voor een set van zo’n dertig jaar oud echt een zeldzaamheid.

Op is op. En toen de rest nog. improviseren. Grote klus.

Lezersreactie:
Ja verdomd: Engeland toont zijn inventiviteit, Duitsland zijn efficiency, en Frankrijk flaneert met het eindresultaat. Alweer zo’n teken dat de noordelijke landen zich moeten afscheiden van Europa en ook een eigen munt moeten hebben (te weten de neuro). Of draaf ik nu door?
(Johan, Sneek)

Mijn antwoord:
Ietwat Johan, maar het is niet onprettig om te merken dat mijn brave werkstukjes (ik doel hier zowel op de Meccano-toren als mijn blogbericht) zulke heftige emoties kunnen opwekken.

De reconstructie van een debacle

Teruggeworpen in de tijd door een foto van een viertal tepels.

Van alle vakantiekiekjes die mij in deze periode bereikten is de foto die vriend Hans mij stuurde misschien wel het meest saillant, ook vanwege de veelzeggende tekst. Hij schreef: Groeten uit Normandië. Wat wij zien is geen ansichtkaart van de Mont Saint-Michel, noch de kliffen van Étretat. Hij stuurde de rauwe, ongefilterde essentie. Een macro-opname van een uier, zo monumentaal in beeld gebracht dat de rest van het rund fungeert als louter baldakijn. Dit is de motor achter het land van de camembert, de calvados en de vette roomsaus. Tussen de harige draaghemel door zien we een soortgenoot ontspannen aan een nieuwe lading zuivel werken. Hoe is het om uitgevleid in je eigen voedsel te mogen vegeteren tot je lebmagen wit zien van romige weelde? Om simpelweg te bestaan in een oneindige cyclus van grazen, herkauwen en produceren, zonder de intellectuele ballast van een naderend echec?

Gezien de kleur van de vacht hebben we hier vermoedelijk te maken met de Normande, het trotse ras dat eigenmachtig de basis legt voor elke ‘Vache qui rit’ die van de bekende verpakking staart. Er gaat een dwingende, haast klinische esthetiek uit van dit inzoomen. Zo’n zwellende uier is de ultieme reductie van een vakantieregio tot zijn puurste, meest veelzeggende textuur. En juist dat triggert een even scherpe herinnering. Want bij het zien van zoveel biologische spanningsopbouw schiet ik direct terug naar mijn eigen, destijds volstrekt gemankeerde vakantie in diezelfde regio; een reis waarin de gisting van mijn op hol geslagen hormonen en mijn ziedende jaloezie de omvang aannamen van een permanent, luidruchtig psychologisch drama.

Een reis die destijds al gedoemd was te mislukken op het perron, waar ik verscheen met het fysieke symbool van mijn toenmalige onvolwassenheid: een topzware, pretentieuze valise met houten baleinen. Een koffer die geen bagage ademde, maar pure, theatrale overdrijving. Ik zag Nicole er ter plekke op afknappen. We waren met z’n vieren; naast mijn genoemde liefje nog twee van haar schoolvrienden die ik amper kende. De Franse spoorwegen hadden de ultieme metafoor voor onze naderende breuk al op de rails gezet; de trein bestond uit twee fysiek gescheiden delen. Geen tussendeur, geen doorgang mogelijk. Nicole orkestreerde de logistiek met de koelbloedigheid van een strateeg. Zij glipte met een zekere Hans het voorste rijtuig in, terwijl haar vriendin zich opofferde om mij in het achterste deel te chaperonneren. Zij en het lot zorgden ervoor dat we gesegregeerd bleven tot aan Parijs.

Het was een meesterlijke coup, want de kaarten waren allang geschud. Vijand Hans – de herinneringshans die in niets leek op mijn gulle vriend Hans van de grazers – bezat een onmiskenbare Nick Cave-achtige uitstraling; een melancholische, duistere coolness waar mijn houten koffer en ik onmogelijk tegenop konden. Dat mijn reisgenoten vrienden waren van Nicole en niet van mij, hielp ook niet mee. Het drietal had samen het volwassenonderwijs in Breda doorlopen; zo’n instituut waar je strandde als je op de reguliere middelbare school was vastgelopen, maar waar zij dat jaar wel mooi hun VWO-diploma behaalden. Ze waren zoveel verder dan ik. Mijn eigen schoolcarrière was evenmin gladjes verlopen, maar mijn stapelproces van havo naar het atheneum had mij louter theoretisch gevormd en was bovendien meer het gevolg geweest van een uiterst langzame rijping. Zij waren gekneed door hun eigen hobbels, die hen gaandeweg wijzer hadden gemaakt; ik vertrouwde blind op boekenkennis en zeulde altijd met te grote, verkeerde bagage. Nicole was de eclectische reiziger die later kunstgeschiedenis zou gaan studeren in Amsterdam; ik bleef de achterblijver in het verkeerde deel van een trein.

Vanaf dat moment was het pleit beslecht. Ik wist dat ik het grandioos verloren had van vijand Hans. De rest van de reis werd een exercitie in collectief ongemak. Alles wat ik deed en zei in ‘ons’ huisje aan de Normandische zee was geforceerd. Ik zadelde mijn reisgenoten op met een geestelijk onrijpe, lichamelijk onvolgroeide adolescent vol zelfmedelijden. Een toxische cocktail die Nicole er logischerwijs toe bewoog mij zoveel mogelijk te mijden. Terwijl zij en Nick Cave de Normandische romantiek cultiveerden, hield hun vriendin zich met mij onledig. Het moet een immense, bijna bovenmenselijke opoffering voor haar zijn geweest om die afgesproken separatie vol te houden.

Het meest bizarre, het meest pijnlijke achteraf, is mijn verblindheid. Het feit dat ik maar niet inzag dat ze mij in de verste verte niet meer zag zitten. Dat ik er beter aan had gedaan om haar te ontlasten, mijn houten koffer te pakken en nog iets van eer aan mezelf te houden. Zelfs na die dramatische reis, die mij toch overduidelijk het einde van de relatie inpeperde, ben ik blijven proberen om contact met haar te onderhouden. De wanstaltigheid van dat gedrag bezorgt me nu, decennia later, nog steeds een intense schaamte. En het is niet eens ‘plaatsvervangende’ schaamte, want de jongen die destijds zijn uitvergroting van het persoonlijke lijden aan de anderen opdrong als een permanent verwijt, heeft nog altijd de neiging om de hele wereld te bestraffen voor zijn persoonlijke sores.

Ik toonde mij die vakantie pas nobel als ik mij losmaakte uit de verstikkende groepsdynamiek en in mijn eentje lange, zwijgzame wandelingen ging maken langs de grijze Normandische kust. Die eerste vakantie met ‘vrienden’ heeft mij, dwars door de jaloezie en het zelfmedelijden heen, het nut van de eenzaamheid geleerd, of liever de ‘solitude’ zoals iemand anders, die ik later ontmoette, die kunst van het alleen zijn noemde. Separatie niet langer als een straf van de afwijzing, maar als mijn eigen reddingsmechanisme.

De foto van vriend Hans is daarmee meer dan een groet uit Normandië. Het is, net als toen, een haarscherpe uitsnede van een realiteit die geen franje duldt. Een herinnering aan de dag dat ik leerde dat sommige treinen nu eenmaal uit twee delen bestaan die nooit met elkaar verbonden zullen worden; en dat de ene Hans de andere niet is.

Lezersreactie:

Wat een prachtige overdenking, Ronald. Die houten koffer is een sterke metafoor voor je neiging tot exuberantie.
(Hans, Arnhem)