Aan de polymath in het park

Van wereldwijs en wetenswaardig naar wetmatig.

Ik verberg je voornaam achter deze kleine letter uit respect. De m staat voor massa als een extreem geconcentreerde vorm van energie; zij vormt het fundament van alles wat tastbaar is, terwijl de reflectie daarvan bepaalt wat wij uiteindelijk zien. Nadat ik onaangekondigd bij je had aangeklopt namen we plaats aan de tafel voor je huis. Steeds wanneer ons gesprek op een onderwerp uitkwam dat voortvloeide uit jouw belezenheid, bleek daar iets bij te horen; een dierbaar bezit dat je binnen bewaarde en naar buiten bracht. Zo toonde je me het horloge van wijlen je vader (of was het de Pontiac van je opa?). Je had het onlangs gekregen van je tante bij een bezoek aan Katwijk, waar een deel van je familie woont.

Ik schrijf je dit omdat onze ontmoeting, daar aan die tafel in het park, in mij bleef resoneren. Je bent voor mij de “entiteit met het grootste associërende vermogen” die ik persoonlijk ken. Ik heb je ook “een vulkaan in rommelende rust” genoemd, die, zodra de as van de dagelijkse stilte wordt weggeblazen, een magma aan kennis en anekdotes over de bezoeker uitstort. Ergens anders noemde ik je “een menselijke deeltjesversneller” bij wie de kleinste herinnering tot bijna lichtsnelheid wordt opgejaagd totdat deze botst met een nieuw inzicht. Dat is uiteraard beeldspraak, een stijlvorm die me eigenlijk niet past. Metaforen zijn meer jouw manier van naar de wereld kijken, van communiceren en de chaos ordenen.

Je sprak die middag over je “val uit de causaliteit” rond je achttiende; een breuklijn in je persoonlijke tijdsbeleving waaraan je onlangs werd herinnerd bij het zien van de film The Sound of Falling. Het was alsof je aan die rand van je volwassenheid de zwaartekracht van oorzaak en gevolg voor het eerst werkelijk voelde. Terwijl je me door je stereoscoop liet turen naar de driedimensionale diepte van Napels en Venetië – beelden waarin de ruimte tastbaar werd maar de tijd bevroor – strooide je met tijdsbegrippen die ik nog steeds probeer te ordenen. Het was precies daar, terwijl we vanuit eigen stilstand door die kijker naar statische werelden staarden, dat je met het begrip ‘interpassiviteit’ op de proppen kwam.

Ik begreep dat je hiermee aan Robert Pfaller of wellicht Slavoj Žižek refereerde; die vreemde paradox waarbij de handeling van het genieten of het ervaren wordt uitbesteed aan een object, waardoor wij zelf lethargisch kunnen blijven. Het turen door die lenzen en dia’s zou de ultieme metafoor kunnen zijn (misschien bedoelde jij dat ook zo): de kijker ‘ziet’ de diepte voor ons, wij consumeren slechts de illusie. Het is een fascinerende gedachte dat wij, in onze drang naar ervaring, steeds vaker apparaten laten dromen in onze plaats. In dit geval betrof het een heel ‘lief’ apparaat, want oud en vervaardigd met degelijke Duitse precisie.

Wat me werkelijk fascineert, zijn de Latijnse woorden die je op je huis hebt geschreven en in de bast van een boom hebt gekerfd. Aan de ene kant is er het Nunc Fluens, het stromende nu dat vluchtig wegglipt en de tijd creëert (‘nunc fluens facit tempus’). Maar jij raakt duidelijk meer in de ban van een kwaliteit die gedragen wordt door het Nunc Stans: het staande (onveranderlijke) nu. Je citeert graag het ‘nunc stans facit aeternitatem’ (het staande nu maakt de eeuwigheid). Voor Boëthius was dat de perfecte, gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven; een moment dat niet voorbijgaat maar alle tijd omvat. Het tijdloze heden bevat tegelijkertijd alle momenten.

Zoiets internaliseer ik misschien alleen maar met wietboter op mijn paasbroodje. Thuisgekomen voelde ik de dwingende behoefte aan ordening en een nuchter, maar geenszins ontnuchterend, tegenwicht. Want hoe eloquent je ook spreekt over die spirituele eeuwigheid, mijn visie op ‘ruimtetijd’ hecht meer aan kwantitatieve wetmatigheden en analytische bewijsvoering die ik op school en door latere zelfstudie heb geleerd. Ik zoek de eeuwigheid niet in drugsgerelateerde, metafysische of serendipitaire ervaringen, maar in de onveranderlijke natuurconstanten. Dat is mijn mathematische geraamte.

Ik moet bekennen dat ik het kwadrateren tot precies de tweede macht in E=mc² lang niet goed begreep. Ik dacht dat die ‘2‘ een soort kunstmatige ingreep was om de vergelijking in balans te houden. Maar ik ontdekte – ook zo rond mijn achtiende – dat het geen menselijke afspraak is, zoals de 100 graden waarbij water kookt. Die ‘2‘ vloeit voort uit de diepe symmetrie van ons universum. De lichtsnelheid c is niet zomaar een snelheid, maar de koppeling tussen afstand en tijd. Zodra we het ruimtetijd-interval berekenen (s² = (ct)² – x² – y² – z²), volgt de noodzaak om c te kwadrateren; alleen zo rijmt de tijdseenheid met de afstand.

Dit kwadraat fungeert als een geometrische hoeksteen en definieert het vlak binnen de vierdimensionale ruimtetijd, vergelijkbaar met hoe de oppervlakte van een vierkant steevast ‘zijde kwadraat’ dicteert. Hier schuilt geen esoterisch gedoe achter, maar een pure wiskundige blauwdruk. Mocht dat kwadraat ook maar een fractie afwijken – zeg naar 2,00001 – dan zouden sterren weigeren te branden en de chemie die ons leven mogelijk maakt simpelweg niet bestaan. In de deeltjesversnellers van het CERN levert men dagelijks het bewijs voor deze onverbiddelijke precisie, tot ver achter de komma. Die ‘magie’ van de natuurwetenschap gaf mij een euforie die misschien wel lijkt op wat jij voelt bij je Nunc Stans.

Voor mij is de symmetrie in tijd (behoud van energie) en ruimte (behoud van impuls) de werkelijke ‘eeuwigheid’. Het universum is een uiterst efficiënte boekhouder; elke gram die verdwijnt, verschijnt elders als energie, precies volgens de regels van de calculus. Fysici als Erik Verlinde suggereren zelfs dat tijd een emergent verschijnsel is; een illusie die opborrelt uit een tijdloos heelal. Zij gebruiken een metafoor die jou moet aanspreken: het heelal als een roman. In een dichtgeslagen boek staan alle gebeurtenissen – onze jeugd en onze gesprekken aan de tafel – er al. Tegelijkertijd. Tussen de kaften is de tijd statisch.

Dat lijkt mijn wetenschappelijke vertaling van jouw ‘staande nu’ vriendschappelijk in jouw richting te bewegen. Ik schrijf je dit niet om je Latijnse begrippen of je liefde voor Tao of Jung onderuit te halen, maar om mijn observatie met je te delen dat de kil overkomende natuurkunde wellicht uitkomt bij iets dat verdacht veel weg heeft van jouw visie. We zijn blijkbaar allemaal onderdeel van het gedeelde geheugen van een informatieverwerkend universum. De tijd stroomt misschien wel, maar alleen omdat wij weigeren het boek dicht te slaan. En zolang het boek openligt, geniet ik van de voetnoten die jij eraan toevoegt.

Met een vriendschappelijke groet, Ronald

Van schaamteloos naar schaamrood

Op een demonstratie van hopeloze hofmakerij volgde een exposé van idiote inschikkelijkheid.

Wie had dat gedacht? In een verwoede poging de ‘lijnen open te houden’, mogen Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima logeren in het Witte Huis; een ‘eer’ die maar weinig buitenlandse staatshoofden te beurt valt. Premier Rob Jetten staat vierkant achter het plan, want, zo impliceerde hij met diplomatieke ernst, het is essentieel om in gesprek te blijven. Trump heeft ook al eens in Paleis Huis ten Bosch geslapen; volgens de diplomatieke etiquette kun je zo’n uitnodiging dan niet zomaar afslaan. Het is een kwestie van ‘geven en nemen’ (tit for tat); of in dit geval: ‘slapen en laten slapen’, waarbij Klaas Vaak kwistig zand in de ogen mag strooien.

De slijmerige smeermiddelen genaamd protocol, etiquette en loyaliteit zijn slechts verschillende tinten van eenzelfde kleur: het schaamteloos oranje.

Als republikein – en laat ik heel duidelijk zijn: we hebben het hier over de nobele leer van het antimonarchisme, niet over de Amerikaanse variant waar ik me met hand en tand tegen verzet – bekijk ik deze diplomatieke ongerijmdheden met afschuw. Het is een tragikomedie in optima forma: de Koninklijke familie, gevangen in een diplomatieke spagaat, genegen om de lijnen open te houden met een gek. Het is de ultieme paradox om openingen te willen creëren die inhoudloos blijven. In een staat zonder monarchie en een sterke regering zou een gezond gevoel van verlegenheid ontstaan met deze situatie.

Die zou zo’n karige knieval richting een ontspoorde autocraat onwenselijk achten en meteen een hotel boeken. Desnoods op onze kosten; als we daardoor op een normale manier met onze schaamte uit de voeten konden.

Mijn Valentijn, who bist du?

Wellicht surveilleert hij stiekem boven mijn huis.

Ik geloof dat ik vriend Peter ben verloren omdat ik hem plaagde met zijn Drone-cursus. Voor de studie en materiaalaanschaf gebruikte hij zijn Persoonlijk Ontwikkelbudget (POB). Daar mag iedere werknemer van Prorail uit putten voor opleidingen, trainingen, workshops of loopbaanactiviteiten. Je kunt dit binnen fiscale grenzen grotendeels zelf inzetten, zonder aparte toestemming vooraf. Het resterend budget mag worden meegenomen naar het volgende jaar. Peter had er vorig jaar geen beroep op gedaan; vandaar dat hij ditmaal tweemaal € 1.000 kon inzetten. De aanschaf van de drone en toebehoren werden als essentieel gezien om het vliegbrevet met goed gevolg te kunnen halen.

“Hé, ben je iets nuttigs gaan doen met je speeltje?”, schreef ik bij dit knipsel uit de Volkskrant dat niet over ‘mijn’ Peter gaat maar over dasseninspecteur Peter Klaver.

Mijn kritiek op die geldsmijterij is dat de kosten van zulke emolumenten tot stijgende prijzen van treinkaartjes en trajecttoeslagen leiden (die toch al niet mals zijn). Daar was hij het overigens mee eens. Maar ja, zijn tegenargument klonk ook niet onlogisch: de mogelijkheden bestonden nu eenmaal. Hij maakte daar dus gewoon maar gebruik van. Zou ik niet hetzelfde hebben gedaan als ik nog treindienstleider was?

Die vraag moet ik schuldig blijven. Ik maakte ooit een veiligheidsfout en verliet het bedrijf voortijdig. Misschien ben ik sindsdien gevoelig voor alles wat met verkeersleiding te maken heeft. Het is een feit dat ik het altijd als een deceptie heb ervaren dat ik daar zelf de hand in heb gehad. Niet alleen in het abrupte einde van mijn loopbaan, maar ook in de manier waarop ik sindsdien naar spoorzaken ben blijven kijken; alsof ik nog steeds langs de kant van het emplacement sta, terwijl de treinen zonder mij vertrekken.

Ik was ook nooit de beste verkeersleider, moet ik eerlijk zeggen. Ik ging altijd wat nerveus naar het werk. Anderen leken het overzicht moeiteloos te bewaren; zij spraken over het omzetten van wissels, het vrijgeven van rijwegen en het uitschakelen van bovenleidingen alsof het schaakzetten waren. Bij mij zat er altijd een fractie twijfel tussen waarnemen en handelen. Niets dramatisch, meestal niet eens zichtbaar voor collega’s, maar genoeg om je eigen vertrouwen langzaam uit te hollen. Die ene veiligheidsfout was misschien onvermijdelijk. Achteraf voelt hij bijna logisch, alsof hij al jaren onderweg was.

Misschien kijk ik daarom zo scherp naar alles wat met het spoor te maken heeft. Niet uit superioriteit; eerder uit een mengeling van spijt en nostalgie. Jaloezie speelt waarschijnlijk ook mee. Peter staat nog midden in het bedrijf, tussen de dienstregelingen en het koffieautomaat, waar het gesprek altijd ergens over storingen, collega’s of reorganisaties gaat. Hij hoort daar nog bij. Ik niet meer.

Dat persoonlijk ontwikkelbudget is trouwens ooit door de vakbond binnengehaald, althans zo gaat het verhaal. Een verworven recht, bedoeld om werknemers wendbaar te houden in een sector die voortdurend verandert. Nieuwe technieken, digitalisering, drones blijkbaar ook. In theorie een prachtig idee: mensen de kans geven zichzelf opnieuw uit te vinden zonder meteen afhankelijk te zijn van leidinggevenden of budgetrondes. In de praktijk betekent het soms dat iemand met twee keer duizend euro aan opgespaard budget thuiskomt met een drone die meer kost dan mijn eerste auto.

En daar begon dus het plagen. Bovenop mijn eerste kritiek stapelde ik wat kleine opmerkingen richting Peter (zie afbeeldingen). Aanvankelijk was het onschuldig. Een opmerking hier, een krantenknipsel daar. Ik vond het geestig; precies scherp genoeg om grappig te zijn, zo dacht ik. Maar Peter reageerde niet. Humor werkt uitstekend zolang beide partijen weten dat het een grap is. Maar ergens onderweg verloor ik misschien dat kompas. Misschien omdat ik eigenlijk niet met hem sprak, maar met mezelf, met de versie van mij die ooit ook recht had gehad op cursussen, certificaten en nieuwe kansen.

Sindsdien is het stil. Ik ben inmiddels benieuwd naar die dronefilmpjes. Waar vliegt hij zoal heen als vreemde vogel en wat brengt hij in beeld? Ik kijk steevast naar boven als ik mijn huis verlaat.

Mijn begeleidend commentaar bij dit knipsel uit de NRC luidde: “Jij haalt de krant wel vaak, de laatste tijd.” Het ging overigens om een interview met de opiniepeiler Peter Kanne.

I Have Tried in My Way To Be Free

Op zoek naar niet-competitieve excellentie.

In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.

Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.

De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.

De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.

Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.

Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.

De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.

I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.

Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.

De kommaneukers van Cedille

Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.

Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.

Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.

Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.

Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.

Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!

Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?

Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:

Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).

Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’

En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De ş zit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.

Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.

Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.

Postscriptum:

Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.

Ze leken zo ‘Lucky’ samen

Een Haags powerduo bewees dat het kon: een bestuurlijke chemie van politieke tegenpolen.

In 2012, na de val van Rutte I, kwamen VVD en PvdA als winnaars uit de verkiezingen. De politieke noodzaak dwong hen tot samenwerking in wat de pers al snel het ‘huwelijk van de tegenpolen’ noemde. Toch groeide er iets wat verder ging dan pure coalitie-logica. Tijdens de onderhandelingen bleken Rutte en Samsom elkaar opvallend goed te begrijpen. Waar eerdere formaties verzandden in wantrouwen, wisten zij met humor, intellectuele scherpte en realpolitik een brug te slaan. Journalisten beschreven hun gesprekken als ‘bijna vriendschappelijk’ en ‘met een zekere bewondering voor elkaars kunde’.

Mark Rutte, de eeuwige glimlach in maatpak, een man die elke crisis kon reduceren tot een gezellig gesprekje bij de koffieautomaat. Diederik Samsom, een voormalig kernfysicus die zijn idealen als meetinstrumenten hanteerde. Tussen de rekenkundige ernst van de sociaaldemocraat en de vrolijke soepelheid van de liberaal ontsproot iets wat men, met Haagse ironie, een bromance ging noemen. Waar anderen ruzieden over procentpunten, spraken zij over vertrouwen. Hun samenwerking werd een verstandshuwelijk met momenten van tederheid. Rutte bewonderde Samsoms gedrevenheid, Samsom Rutte’s grenzeloze optimisme.

Rutte waardeerde Samsoms rationele aanpak en wetenschappelijke denkwijze; Samsom bewonderde Ruttes politieke lenigheid en optimisme. Ze konden het fel oneens zijn, maar hadden een soort ondertoon van: we doen dit samen, want we zijn de enigen die dit kunnen. In de media werden ze al snel neergezet als een soort ‘Haags powerduo’. Er stonden koppen in de krant als ‘Rutte en Samsom: het verstandshuwelijk dat liefde werd’, er circuleerden zelfs spotprenten waarop ze als een getrouwd stel werden afgebeeld, wandelend door de regen met één paraplu. De publieke perceptie van hun warme band werd onlosmakelijk verbonden met de humor van buitenaf.

De definitieve verbeelding van de ‘bromance’ kwam van LuckyTV, de satirische rubriek van Sander van de Pavert die dagelijks te zien was in De Wereld Draait Door. Van de Pavert transformeerde de politieke samenwerking in een soapachtige relatie. Het hoogtepunt was de persiflage die volgde op hun gezamenlijke optreden bij Pauw & Witteman, waar de twee leiders opvallend warm en eensgezind over hun regeerakkoord spraken. LuckyTV gebruikte de beelden van hun serieuze gesprek aan tafel, monteerde ze opnieuw, en legde de heren hilarische, gefingeerde dialogen in de mond over hun ‘geheime’ relatie. In de meest besproken scene vertelde Diederik Samson aan de interviewers: “En ik herinner me de eerste avond, dat we tegenover elkaar zaten met een enorme stijve.” De politieke overwinning werd zo een zwoele, intieme bekentenis.

Ik zat destijds met bijna plaatsvervangende schaamte naar de LuckyTV-beelden te kijken. Die geforceerde intimiteit, die blikken over de talkshowtafel, en dan die uitspraak over de “enorme stijve”. Het was zó over de top, zó expliciet, dat ik me even afvroeg of dit wel kon. Toch was het juist deze hilarische, brutale grensverlegging die het fragment zo memorabel maakte. Achteraf beschouwd, markeerde dit moment misschien ook wel een hoogtepunt in de geschiedenis van wat er in humor op de Nederlandse televisie mocht worden gezegd. Ik vraag me weleens af of zo’n persiflage vandaag nog met dezelfde onschuld zou worden ontvangen. De maatschappij lijkt sindsdien op sommige vlakken preutser en gevoeliger geworden.

De LuckyTV-bromance van Rutte en Samsom staat daarmee niet alleen als een politieke grap recht overeind (ja, ik weet het, sorry), maar lijkt me ook als tijdsbeeld voer voor sociologen, communicatiewetenschappers en wie al niet. Ik schrijf dat hier terwijl ik normaal helemaal niet houd van filmpjes waarin men mensen woorden in de mond legt. De effectiviteit van video-editing en voice-overs als framingtechniek is zo groot dat satire de politieke framing ook op een hele foute manier kan beïnvloeden. Daar bestaan talloze voorbeelden van. Dit ‘materiaal’ raakt echter aan politiek, media, humor en de publieke opinie op een manier waardoor het, volgens mij, zoals gezegd, zeer geschikt is voor een analyse door diverse wetenschappelijke disciplines.

Na verloop van tijd begon de coalitie overigens te piepen en te kraken. De PvdA betaalde electorale schade voor de compromissen die Samsom moest sluiten, en zijn partij keerde zich tegen hem. Rutte bleef, Samsom viel, maar volgens insiders hield Rutte tot het laatst respect voor hem. Er wordt zelfs gezegd dat Rutte na Samsoms vertrek “oprecht teleurgesteld” was, omdat hij zelden met iemand zo goed had kunnen samenwerken. De bromance leeft voort in de Haagse overlevering als symbool van een zeldzame samenwerking tussen verstand en gevoel, tussen liberaal en sociaaldemocraat; een korte periode waarin ideologische verschillen even leken te vervagen onder persoonlijke chemie.

Dus Jetten, Yesilgöz, als jullie meelezen…

Het meest berucht werd het filmpje van de twee, gemaakt door LuckyTV. De kracht van deze videopersiflage lag in de knappe montage. Door de gezichten van Rutte en Samsom tijdens hun serieuze interview strak te kaderen en hun lachjes en blikken te isoleren, wist LuckyTV de politieke ernst volledig te ondermijnen. Zo werd het veel meer dan alleen een grap; het is een sociocultureel document. In werkelijkheid konden de twee het uitstekend met elkaar vinden tot het bittere einde. Het was uiteindelijk de kiezer die besloot dat het sprookje geen tweede deel verdiende. Toen het stof neerdaalde, bleef Rutte overeind als de lachende liberaal terwijl Samsom verdween in de mist van zijn eigen achterban, verslonden als hij werd door de twijfel en de teleurstelling die zijn partij van binnenuit verteerde. Maar nogmaals: de LuckyTV-montage is een microkosmos van maatschappelijke dynamieken, waardoor het een uitstekend studieobject is voor elke geleerde die zich bezighoudt met de snijvlakken van politiek, media en cultuur.

Ook deze storm komt zij te boven

Ouwehand moet zich alwéér buigen over een mensenonderwerp.

Een leiderschapsconflict heeft de driekoppige Eerste Kamerfractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) verscheurd. De fractie is gespleten in twee kampen, die beiden beweren de ware vertegenwoordigers van de Partij voor de Dieren te zijn. Het partijbestuur heeft de leden per mail geïnformeerd dat alleen fractievoorzitter Ingrid Visseren-Hamakers namens de partij doorgaat. De senatoren Niko Koffeman en Peter Nicolaï betwisten dit en stellen dat zij degenen zijn die de Partij voor de Dieren zullen vertegenwoordigen.

V.l.n.r.: Guppy Visseren-Hamakers zwemt zenuwachtig rond, belaagd als zij wordt door twee Trojaanse paarden: de zebravissen Nicolaï en Koffeman die beren op de weg zien. Esther Ouwehand gelooft dat zij te maken heeft met de muizenissen van eendagsvliegen.

De vraag blijft waarom Koffeman – die dieren centraal wilde stellen en vond dat de PvdD te ver van haar kernopdracht afdreef – uitgerekend vlak voor de verkiezingen zijn lidmaatschap opzegde. Daarmee toonde hij dat hem niets kleinmenselijks vreemd is. De strategische timing ondermijnde de interne cohesie en joeg kiezers weg. Dank u wel meneer Koffeman; al eens van de tactiek van de verschroeide aarde gehoord? Idealen worden niet alleen verraden door tegenstanders, maar soms ook door hun eigen predikers; wanneer de zuiverheid van het principe zwaarder gaat wegen dan het voortbestaan van de beweging die het moest dragen.

Oh, oh, wat zijn de egogedreven mannetjes belangrijk!

Moest hij de partij persé op dit moment laten voelen hoezeer ze van de bron was afgedwaald? Zijn vertrek leek minder op een daad van moreel verzet dan op een berekende explosie. Na zulke acties blijft meestal weinig meer over dan as, en een verwarring die kiezers afschrikt. Dat is wat er gebeurt wanneer idealisten te lang tussen politiek en moraal balanceren: wat ze niet meer kunnen zuiveren, willen ze vernietigen. Een oude, menselijke reflex, ook als het om dieren gaat, die ze dan voor het gemak maar even links laten liggen.

Het ontzielde voertuig

Eenmaal boven water liet ik Beke’s amfibieboot snel weer varen.

Er zijn van die momenten die je doen beseffen hoe schimmig tijd en herinnering soms samenwerken. Neem een berichtje op de ‘Bea-app’, de online stoep van onze straat, cq ons digitale buurthuis, waar prangende vragen worden gesteld. Plotseling dook daar een naam op: een hoofdpersonage uit iemands jeugd, dat ik óók kende. Dat wil zeggen: ik kende de hoofdpersoon, maar zo vaag, dat ik die nooit als vergeten zou hebben bestempeld.

De hulpvraag op de straatapp van de één en het antwoord van de ander greep de pastoor aan om te illustreren hoe menselijke goedheid altijd boven komt drijven. Hij sprak van het voertuig van de ziel waarmee soms ook onze verbeelding zich verplaatst. Terwijl ik alleen een amfibievoertuig wilde zien waarover werd gesproken. Pastoors weten dat zodra het mysterie wordt ontrafeld en het prozaïsch blijkt te zijn, de magie wegebt. Van dergelijke ontnuchteringen raakt het geloof in verval.

Het ging de zoeker trouwens om meer dan alleen maar een naam van een detective. Er hoorde ook een vervoermiddel bij. Hij formuleerde zijn zoekvraag zo:

Ik meen me te herinneren dat ik in mijn jeugd (eind jaren zestig moet dat zijn geweest), een detectiveserie heb gelezen die zich afspeelde aan de Veluwezoom. En als ik mij goed herinner, had de hoofdpersoon een amfibievoertuig. Doet dit misschien bij iemand een belletje rinkelen? Ik ben op internet aan het zoeken geweest, maar het resultaat daar is precies nul.

Een andere straatgenoot vond het antwoord. Zij noemde De schrik van de Imbosch van Carel Beke. Hierin speelt Pim Pandoer de hoofdrol. Voor mij was het verhaal net begonnen – namelijk met de zoektocht van de één – en nog lang niet geëindigd met de hulpvaardigheid van de ander, die een afbeelding van de voorkant van het boek deelde. Ik wilde die kaft meteen omslaan en beginnen met lezen. Dat amfibievoertuig moest ik zien. Ik wist op dat moment zeker dat ik niet verder kon voordat ik dat voertuig onder ogen had gekregen.

Tegelijkertijd begon er in mijn hoofd een stem te preken. Dat gebeurt wel vaker, maakt u zich geen zorgen. Het was pastoor Pim Pandoer. Hij sprak vanuit het buurthuis, dat opeens in een kerkje was veranderd.

“Wat hier gebeurde,” zei hij, “was iets heel bijzonders. Het gaat mij niet om het boek zelf, hoewel dat natuurlijk een schat aan jeugdsentiment herbergt: een detectiveverhaal dat zich afspeelt tussen de bossen en heuvels van de Veluwezoom, een amfibievoertuig dat door de modder ploegt alsof het een tijdmachine is. Het gaat mij om de hulpvaardigheid; de simpele, onvoorwaardelijke bereidheid van een medemens om te helpen.”

Dat kan wel zijn, wilde ik antwoorden, maar ik ben nu op een spoor gezet dat voor mij veel concreter is. Een twee-elementenvoertuig om een beetje filosofisch te doen, een terra-aqua-wagen om mij wat Latijnser uit te drukken, een land-en-waterkar om het luchtig te houden. Het mocht niet baten. De pastoor had het woord genomen en wilde het niet meer afgeven. Zijn kerkje was een heuse kathedraal op een heuvel geworden. Hij sprak alsof hij op de kansel stond en had, voor zijn gevoel, een geweldig thema te pakken:

Denk ook aan het contrast. De zoeker heeft gezocht, misschien met veel te veel trefwoorden op internet, hopeloos verdwijnend in de zee van digitale data. En ineens, zonder enige beloning behalve de voldoening van een goed geheugen en een groot hart, komt er iemand langs die zegt: “Oh, dat is dit boek.” Klaar. Eenvoudig. Rechtstreeks. Een beetje zoals een oude speurneus die een verdwenen aanwijzing vindt die niemand anders zag.

En er zit iets ontroerends in dit soort momenten. Want wie had ooit gedacht dat de Veluwezoom en een amfibievoertuig uit de late jaren zestig, zo’n naïeve jeugdverwondering, op een digitale app in 2025 weer tot leven zouden komen? Ergens tussen emoji’s en korte zinnetjes, gebeurt iets dat je doet glimlachen. Het herinnert je eraan dat menselijke connectie geen leeftijd kent, dat herinnering collectief kan worden gedeeld, dat het plezier van een gevonden antwoord even warm kan zijn als het plezier van het originele verhaal zelf.

Jeugdsentimenten zijn een apart soort magie. Ze zijn verstopt in geuren, in geluiden, in boeken die je als kind verslond. En soms, heel soms, komen ze terug via een ander, via een onbekende helper, en voel je je even weer die tienjarige die met ingehouden adem de pagina’s omsloeg van een detective waarvan hij elk detail koesterde. Het mooie van dit alles is dat het niet gaat om snelheid of efficiëntie. Het gaat om aandacht. Om het besef: iemand leest, iemand herinnert, iemand deelt. Dat is hulpvaardigheid in haar puurste vorm. Het soort hulpvaardigheid dat niet opschept, dat niet iets terugvraagt, maar simpelweg de wereld een beetje completer maakt.

Misschien is dat wel de moraal van het verhaal: dat de wereld, zelfs in digitale vorm, soms net zo magisch kan zijn als de amfibievoertuigen van Pim Pandoer. Dat kleine gebaren, een naam, een hint, een herinnering, een correctie, een suggestie, de wereld een beetje rijker maken; en dat ze de tijd overbruggen, van de jaren zestig tot nu, van jeugd tot volwassenheid, van een vergeten avontuur tot een gevonden glimlach. En wie weet: misschien was dat boek zelf nooit zo belangrijk geweest, als het niet had geleid tot dit moment van onverwachte, eenvoudige vriendelijkheid.

Terwijl de pastoor deze woorden sprak – op de voor hem zo gezalfde wijze – had de oorspronkelijke vrager niet stilgezeten. Hij was meteen gaan zoeken op de aangereikte trefwoorden Carel Beke, De schrik van de Imbosch, Pim Pandoer en amfibievoertuig. Hij vond op Wikipedia alles wat er te weten viel. Het werd eindelijk stil in mijn hoofd. De pastoor had zijn punt gemaakt: de zegen van onderlinge hulpvaardigheid was weer eens aangetoond.

Ik las over de schrijver en zijn antagonist. Ik kreeg de voorkanten van zijn boeken te zien. Er dook een gefragmenteerd beeld op van het amfibievoertuig. In korte tijd werd alles veel prozaïscher dan ik hoopte. Zolang iets in nevelen gehuld blijft, is de aantrekkingskracht groot, de interesse gewekt, de zoektocht in volle gang. Maar wanneer de ontsluiering komt en het geheim alledaags blijkt, vervliegt de betovering. Ik was weer snel over mijn hoogtepunt heen.

De pastoor vertrouwde veel meer dan ik op de mensheid.

De schaduw van het mededogen

“Hoor wie het zegt,” zegt hij die iets zei, nu zelf.

De schaakwereld is in rouw. Het plotselinge verlies van Daniel Naroditsky hakt erin. Te midden van deze shock laat Magnus Carlsen zich van zijn beste kant zien. Zijn woorden over Danya’s dood zijn geen standaard eerbetoon. Ze klinken oprecht en dwingen ons om te erkennen hoe wantrouwen en vijandigheid de online schaakgemeenschap hebben doordrenkt.

De affaire rond Hans Niemann speelde zich af in 2022. Carlsen suggereerde na een onwaarschijnlijke nederlaag dat Niemann vals speelde. Hij trok zich terug uit het toernooi. Het grote verschil met Kramnik richting Daniel Naroditsky, is dat Carlsen niet bleef drammen met zijn beschuldigingen. De zaak leidde niettemin tot veel ophef. Er werd nooit overtuigend bewijs tegen Niemann gevonden. Door voortschrijdend inzicht durft Magnus zijn spijt en zijn schaamte inmiddels te omarmen. Dat blijkt ook in zijn rouwbetoon aan Danya.

“Wat ze met Danya deden, was vreselijk,” zegt Carlsen. Hij doelt op de eindeloze, ongefundeerde beschuldigingen van valsspelen, vooral gevoed door oud-wereldkampioen Vladimir Kramnik. Carlsen spreekt de woorden die velen willen horen: “Niemand geloofde echt dat Danya vals speelde.” Het is een late verdediging, maar een die aankomt. Danya, een grootmeester met een gouden hart en een commentator die schaakliefde deelde met duizenden, werd vermorzeld door een digitale heksenjacht. Het wantrouwen dreef hem in een hoek.

Wat Carlsen’s woorden geloofwaardig maakt, is zijn blijk van oprechte spijt. “Ik wou dat ik meer voor hem had gedaan,” zegt hij. Hij voelde al langer dat het niet goed zat, maar zweeg. Die stilte, geeft hij toe, was een fout. En dat komt hard binnen, juist omdat het van hem komt, de man die zelf een speler beschuldigde van valsspelen en daarvan de chaos meemaakte. Hij kende de pijn van zo’n publieke vernedering; niet als slachtoffer, maar als iemand die de verwoesting van dichtbij zag. Met de wijsheid van de terugblik toont hij berouw over wat hij toen onbedoeld teweeg heeft gebracht, maar ook om wat hij richting Danya heeft nagelaten.

Toen de rel rond Hans Niemann uitbrak, stond Carlsen zelf in het oog van de storm. Ook toen speelde twijfel een rol, maar met een andere lading, een andere context, en andere motieven. Magnus maakte geen heksenjacht van zijn vermoedens van valsspel. Toch liet het gevolg van zijn woorden en daden zien hoe dun de grens is tussen zorg om de zuiverheid van de sport en het risico iemand zonder opzet te beschadigen. Daarom begrijpt hij nu, met Danya’s lot nog vers in het geheugen, pas echt hoeveel gewicht een verdenking uit zijn mond kan hebben.

De suggestie wekken was genoeg. Magnus hield het indertijd bescheiden. Hij wilde geen hetze veroorzaken. Hij is er de man niet naar om dingen op te blazen. Maar een vedette hoeft maar iets te zeggen en de wereld pakt het op. De nummer één in de sport kon zelf de gevolgen niet reguleren van zijn zo voorzichtig mogelijk geuitte wantrouwen. Tijdens een partij aan het bord meende Magnus iets verdachts te constateren bij zijn tegenstander, wat hij later publiekelijk ter sprake bracht. Verdere insinuaties door anderen deden hun werk. De sensatiepers zag zijn kans schoon om er gewetenloos op los te gaan. Hans Niemann kreeg de volle lading.

Danya’s dood is niet los te zien van deze schaduw. Magnus hoeft zich de gevolgen van zijn gedeelde verdenkingen richting Hans Niemann maar voor de geest te halen of hij begrijpt de hypocrisie in zijn beschuldiging aan het adres van de huidige kwaadsprekers. Hij en de rest van de schaakwereld staan voor een pijnlijke vraag: hebben wij dit niet zelf laten gebeuren? Als een onschuldige speler maandenlang wordt neergesabeld door geruchten, aangewakkerd door grote namen, is dat niet zomaar een rel, dat is een menselijke tragedie. Danya noemde Kramniks aanvallen “erger dan vuil”. Die woorden echoën nu harder dan ooit.

Danya was meer dan een schaker. Hij maakte schaak toegankelijk. Met zijn lach en zijn briljante geest bracht hij de top en de amateurs dichter bij elkaar. Zijn verlies is een schreeuw om verandering. De schaakwereld moet stoppen met wantrouwen, of althans: eerst het bewijs leveren voordat zich geruchten gaan verspreiden. Er staat veel op het spel in deze ernstige sport. Het is belangrijk dat men elkaar als mens blijft behandelen. Laat Carlsen’s spijt een wake-upcall zijn. Het is tijd voor een schaakwereld die niet alleen slim is, maar ook warm en eerlijk.

Daniel Naroditsky (Danya) was niet alleen een briljante grootmeester met een piek Elo-rating van 2647 en winnaar van het US Blitz Championship in 2025, maar vooral een ongelooflijk toegankelijke en inspirerende leraar. Zijn kracht lag in het uitleggen van complexe schaakdenkprocessen op een manier die beginners én gevorderden raakten; helder, geduldig en met humor.
Daar zat ‘m dus de kneep van Kramniks’ venijn.

Teveel gezien, teveel gezegd

Soms breng je een verkeerde boodschap over.

De ‘reglementenfeeks’ droeg een fleece met letters op haar rug. Ze was een BEGELEIDER. Ik beschouwde haar als de ‘opperzeurkous’ aan de andere kant van de klapdeur. Ik weet dat bakfietsrijders daar niets te zoeken hebben. Het gebouw kent een eenvoudige indeling. Een muur deelt het enorme depot door de helft. De ene kant is gereserveerd voor de chauffeurs; hier halen zij hun postpakketten op. Vrachtwagens ‘docken’ aan een laadperron elders. De bestelbusbestuurders krijgen hun postpakketten op rolcontainers aangeleverd. Die rijden ze zelf in hun laadruimten. Doorgaans loopt alles op rolletjes. Het kan er daar ’s morgens ontzettend druk aan toe gaan.

Bij de chauffeurs gaat het er in de vroege ochtend hectischer aan toe dan in het ‘fietsenhok’ waar ik rond tienen mijn vervoermiddel kom inladen en ophalen.

Wij postbestellers aan de andere kant hebben het gemakkelijker wat laden betreft. Onze elektrische middelen staan in slagorde klaar. Als je zo rond tien uur ‘s ochtends op het depot komt, is het meeste voorwerk al gedaan. Dat betekent dat pallets met brievenbuspost vanaf de chauffeurskant door een heftruck zijn aangeleverd. ‘Depotmanagers’ hebben de post, rond die tijd, meestal al verder verdeeld. Het enige dat je zelf nog moet doen, is de zakken met handpost en brievenbuspakjes overzetten naar de fiets of de bakfiets die bestemd is voor de wijk waar je die dag moet bezorgen.

Elektrische aandrijving is een revelatie. In het dorp waar ik bezorgde, moest ik m’n eigen spierkracht en m’n eigen brik gebruiken. Nu rijd ik op die rammelkast alleen nog tussen m’n woning en het depot op en neer. Voor een postbode begint de zwaardere klus bij het bezorgen. Zeker wanneer je een nieuwe wijk loopt. In de eerste week stemde de hoeveelheid werk niet overeen met mijn contracturen. Ik kreeg meer op mijn bordje dan mij zinde. Met het inwerken alleen al was ik meer tijd kwijt. Dat had men niet goed ingeschat. Zonder een collega die je begeleidt – wat bij nieuwelingen eigenlijk altijd plaatsvindt – loop je in zo’n nieuwe wijk enorm te zieltogen. Bij mij waren ze er vanuit gegaan dat ik me wel zou redden. Ik had tenslotte elders al ervaring opgedaan.

Een extra moeilijkheidsfactor van die eerste dagen in Arnhem, was dat mij ‘impopulaire’ buurten waren toegewezen. Zo gaat dat nu eenmaal; langer in dienst zijnde collega’s verruilen wijken die ze onprettig vinden voor bezorglocaties die hun voorkeur hebben. Dat mag, daar stemmen teamleiders in toe, maar het is een langzaam proces; je moet wachten tot degenen die daar standaard bezorgen, plaats voor je maken. Verhuizing, ziekte-uitval, sabbatical, pensioen, baanwisseling, sterfte of ontslag, het zijn geen gebeurtenissen die zich dagelijks voordoen. Uiteindelijk val je op je plaats en wordt alles aangenamer. Ik nam de mij toegewezen bezorgwijk voor lief – ik kan goed leven met de heersende mores – maar naast de gebruikelijke inwerkvertraging, liep ik ook tegen wat specifiekere problemen aan.

Het Broek is een wijk die wordt gekenmerkt door een bijzondere mix van bewoners, achtergronden en verhalen. De hoge mate van diversiteit geeft de buurt kleur, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Veel mensen leven er in huurwoningen en hebben te maken met krappe financiële omstandigheden, wat soms leidt tot stress en een gevoel van beperkte perspectieven. Het Broek is een wijk waar warmte en rauwheid hand in hand gaan. Je kunt er een prettig gesprek hebben met iemand die voor haar woning zit met een kop koffie, en daarna worden onderbroken door een man die je toebijt dat je niet moet praten met “dat kankerwijf” (dat overkwam mij in die eerste week). Zulke momenten laten zien hoe dun de scheidslijn hier soms is tussen gemoedelijkheid en agressie. Voor iemand die dagelijks door de wijk beweegt, wordt dat contrast steeds zichtbaarder: de vriendelijke glimlach van de een, tegenover de vijandige uitval van de ander.

Dat wat betreft die wijk, waarvan een groot deel, na renovatiewerkzaamheden, trouwens prachtig in de verf staat. Dan is er nog Remisestraat 2, dat ook tot mijn bezorgdistrict behoort en z’n eigen zorgen kent. Iriszorg, dat zich daar bevindt, is een instelling die opvang en ondersteuning biedt aan mensen die worstelen met verslaving, vaak in combinatie met psychische of sociale problemen. Het is een plek waar bewoners structuur, zorg en een vorm van stabiliteit proberen te vinden, met steun van begeleiders die hen stap voor stap bijstaan. Voor mij roept zo’n instelling gemengde gevoelens op: ik weet dat er kwetsbare mensen verblijven, maar de nabijheid van verslavingsproblematiek maakt de omgeving ook onvoorspelbaar.

Eigenlijk deed zich daar een heel lief incident voor, dat precies die dubbelheid samenvat. Terwijl ik de post afleverde, bood een bewoner spontaan aan om het stapeltje post van me over te nemen en binnen af te geven bij de begeleiders. Dat was oprecht bedoeld, en ik geloofde hem ook. Toch voelde ik de spanning: ik droeg een verantwoordelijkheid, en het idee om een hele bundel post zomaar aan hem mee te geven, zat me niet lekker. Bovendien was ik zelf nog op zoek naar de juiste houding. De wijk was nieuw voor me. Ik had net hectiek meegemaakt in Het Broek. Als dorpsbezorger te Dieren werd het me snel te veel. Ik zei dat ik de post wel wilde overhandigen, maar dan graag samen naar binnen wilde lopen om de begeleiders persoonlijk te leren kennen en de post rechtstreeks bij hen af te geven. Zo vond ik een middenweg: zijn goede bedoelingen erkennen, maar ook mijn eigen verantwoordelijkheid waarmaken.

Er speelde nog meer mee. Kort daarvoor had ik in de Gelderlander gelezen dat er in datzelfde pand sprake was van open tbc. Dat gegeven knaagde ergens in mijn achterhoofd. Onwennigheid, voorzichtigheid en een vleug van wantrouwen mengden zich met de wens om het goed te doen. Ik was me er bewust van dat ik gespannen overkwam. De ervaring ging niet in mijn koude kleren zitten, maar liet me ook zien hoe complex de werkelijkheid is in een wijk als deze: achter de gevels spelen verhalen vol moeite en strijd, maar ook onverwachte momenten van menselijkheid en goedheid.

Na deze belevingen reed ik met mijn leegbezorgde bakfiets terug naar het depot. Daar wachtte me, alsof de dag nog niet genoeg verrassingen had gebracht, een laatste uitdaging. Ik bezat nog geen pasje om via de gebruikelijke ingang naar binnen te kunnen. De teamleider had me daarom gewezen op een omweg die ik, bij wijze van uitzondering, mocht gebruiken: aan de chauffeurskant kon ik naar binnen om via de eerder genoemde dubbele deur alsnog in de fietsgarage te belanden. Wat de teamleider er niet bij had verteld – waarschijnlijk omdat hij het zo vanzelfsprekend vond – was dat ik die route lopend moest afleggen.

De bedoeling was dat ik mijn bakfiets bij de normale ingang zou achterlaten, vervolgens zelf de omweg zou nemen, om de fiets daarna van binnenuit op te halen. Ik begreep dat anders, en nam de omweg met bakfiets. Aan toevallig aanwezige chauffeurs vroeg ik, of ik kon doorrijden. Zij staken hun duim wat plichtmatig omhoog; ze konden me eigenlijk geen uitsluitsel geven. Uiteindelijk liep ik tegen de eerder genoemde begeleidster aan die wel verantwoordelijk was en dat nadrukkelijk liet blijken. Ze maakte me op strenge toon duidelijk dat wat ik deed absoluut niet was toegestaan.

De spanning van alles wat ik die dag had meegemaakt zat nog diep in mijn lijf toen ik oog in oog kwam te staan met de strenge begeleidster. Haar toon en houding – onbuigzaam en scherp – voelden op dat moment verstikkend; ik had geen ruimte meer om met dergelijke serieusheid om te kunnen gaan. Voor even werd het me te veel; alle protocollen, regels en waarschuwingen drukten op me alsof ik ze niet meer kon bevatten. In mijn frustratie, die ik achteraf als ongepast en ondoordacht beschouw, ontglipte mij een reeks geïmproviseerde, spottende benamingen; stuk voor stuk woorden die in de hitte van het moment mijn oplopende stress probeerden te verwoorden.

Achteraf voel ik spijt over mijn uitbarsting. Deze collega deed gewoon haar werk en handhaafde regels die essentieel zijn voor de veiligheid en het ordentelijk functioneren van het depot. Mijn reactie was onterecht en toonde onvoldoende begrip voor haar positie en de verantwoordelijkheden die zij draagt.