Tribale sentimenten van saamhorigheid

In echte wijken maken bewoners elkaar van alles wijs.

“Jij weet dat natuurlijk wel hè,” vraag ik aan een oude schoolvriend, “dat Angerenstein als wijk alleen in de verbeelding bestaat?”
“Volgens de gemeente wel ja. Maar verbeelding is precies waar buurten groot van worden,” antwoordt hij luider dan nodig (ik vermoed omdat hij weet dat zijn vrouw, en met name haar boekenclubvriendin, meeluisteren in de kamer en suite).

Conversaties tussen gearriveerde babyboomers kunnen plaatsvinden in perfecte harmonie. De kans hierop is groter onder lotgenoten en/of zielsverwanten; dan gaat het om gelijkgestemden in uiterlijk, opvattingen en levensstijl. (Foto gegenereerd door AI)

Hij is ambtenaar in mijn nieuwe woonplaats. Door anciënniteit, leegloop en interne opleidingen werkt hij nu als Adjunct-directeur bij de afdeling Beleidsontwikkeling Wonen & Leefomgeving. We hebben samen (een jaartje) Chinese taal- en letterkunde gestudeerd in Maastricht. Daarna zijn we elkaar door verhuizingen en verschillen in levensstijl uit het oog verloren. Nu we weer bij elkaar in de buurt wonen, dacht ik: kom…

We zitten inmiddels met ons vieren in de serre van zijn prachtige jaren-twintighuis aan de rand van het park, dat met zijn vijvers en bronbeekjes het blauwgroene hart van de buurt vormt. In het bijzijn van de romanlezeressen laat hij zich graag nog wat uit over het thema werkelijkheid en fictie.

“Officieel hebben we geen wijk, inderdaad, maar een buurt; met zijn tabellen en gemiddelden. Wie denkt dat administratieve indeling de werkelijkheid bepaalt, gelooft waarschijnlijk ook dat een leefgemeenschap te vangen valt met meetinstrumenten, tevredenheidsenquêtes, checklisten en formulieren.”

“Zo werkt het niet natuurlijk”, val ik hem bij. “Neem de hoerenwijken waar ook ter wereld: nergens officieel erkend, nergens op stadskaarten te localiseren en toch weet iedereen waar ze zich bevinden en waar hij zijn geld in moet stoppen.”
Het blijft ongemakkelijk stil.
“Ik weet niet of die vergelijking opgaat”, reageert de vriendin van de gastvrouw tenslotte.

Ik lanceer het andere voorbeeld waarover ik heb nagedacht.
“Of dat Gallische dorpje dat we onderhand zo goed kennen; waar striphelden met wilde zwijnen, toverdrank en één gemeenschappelijke vijand meer teamgeest creëren dan een gemeente met een voorbeeldig gemeentebeleid. Het gaat om het wij-gevoel, de warme schoot van saamhorigheid. Wat werkelijk telt zijn de mooie sprookjes die men elkaar rond het kampvuur kan vertellen. Tegenwoordig is dat de barbecue.”

Ze blijken geen van drieën ooit een Asterix en Obelix te hebben gelezen.

Angerenstein mag dan een voetnoot zijn in het ambtelijke woordenboek, zo bedoelde ik te zeggen, voor zijn bewoners is het een ‘dorp-in-de-stad’, compleet met z’n eigen mythologie. Dat laatste vormt natuurlijk de grootste verbindingsfactor. De gemeente Arnhem kan nog zo driftig schikken en indelen, zodat Angerenstein als buurt te boek staat en niet als wijk, maar uiteindelijk is het niet de spreadsheet die eenheid schept. Het zijn de mensen die, wars van nomenclatuur, hun eigen aanduidingen met overtuiging blijven gebruiken en elkaar van alles wijs maken. De ambtenaar telt huizen; de bewoner vertelt verhalen. Dat laatste werkt beter.

Een verbindend verhaal hebben is alles, bedenk ik me, als ik weer buiten sta; maar dan moet het wel een pakkend verhaal zijn.

Een vitaal kloppend orgaan

Geluk slaat z’n slag in het hart van Angerenstein.

Het bewonersfeestje Hart voor Angerenstein kan met recht een succes worden genoemd, al was het alleen maar omdat de zon vandaag volop wilde schijnen en de koffie kwam uit een filterapparaat. De geavanceerde espressomachines zijn een beetje op hun retour, las ik onlangs; het bakkie pleur mag weer pruttelen op een plaatje. Hier werd de troost vanuit een sociaalvriendelijke thermoskan in papieren bekertjes gegoten. Als je massa’s wilt bedienen, dan telt vooral de doorstroming.

De opkomst bleek groter dan ik had verwacht op het afgezette veldje in het park waar de bijeenkomst werd gehouden. Alleen het rollend materieel leek iets achter te blijven bij de prognoses. Ik had de oproep van Tom in de groepsapp serieus genomen: “Meerdere bewoners van Driegasthuizen willen ook graag komen. Er zijn extra handen nodig om mensen in een rolstoel te begeleiden.” Tot mijn tevredenheid zag ik dat aan elk handvat een vrijwilliger was geklonken. Daarmee verdween ook mijn schuldgevoel dat ik me niet had aangemeld.

De drank bleef non-alcoholisch, de toastjes strikt biologisch. Er klonken nergens valse noten. Hoe vaak ontsporen buurtfeestjes niet zodra de meegebrachte wijn de tongen losmaakt? Hier bleef men nuchter en beleefd. Iemand informeerde zelfs – oprecht geïnteresseerd! – naar mijn eerste indrukken als nieuwe bewoner. Ik had van alles kunnen noemen, maar tot mijn eigen verbazing begon ik over de vele onbekende vlaggen die ik aan gevels zag wapperen.

Een lichtblauwe Pegasus op een kastanjebruine achtergrond. Ik had die niet direct geassocieerd met soldaten van de Eerste Airborne Divisie, die dit insigne als brigadelogo droegen toen zij hier in september 1944 tijdens de Slag om Arnhem voor onze vrijheid vochten. De jaarlijkse Airborne-herdenkingen waren aan mij voorbijgegaan; ik had voornamelijk met verhuisdozen lopen sjouwen. Natuurlijk waren de vele vliegtuigen boven mijn hoofd me niet ontgaan. Wat heet: ik kon hun landingsgestel zowat aanraken. Ik realiseer me nu dat in Arnhem herdenken geen bijkomstigheid is maar een wezenlijk onderdeel van het leven.

“Maar waarvoor dacht je dan dat we die vlaggen hadden opgehangen?”
“Ik weet het niet,” zei ik eerlijk. “Misschien bracht ik ze in verband met rechtsradicale sentimenten van regionale populisten. Sorry, ik heb niets met vlaggen.”
“Provincialisme is erger dan nationalisme” beweerde de enige man die deze middag vaker voor zijn beurt sprak dan ik. “Maar” voegde hij eraan toe, “regionalisme is een gradatie benepener.” Ik had niet meteen door dat er aan deze zwerfgast iets niet klopte in de fijnafstemming.

Ik wilde nog tegenwicht bieden. Ik vertelde dat ik, als import-Hollander in Dieren, weleens het pontje over de IJssel had genomen, waar naar men zei de Achterhoek begon, maar dat ik daar nooit iets van misplaatst chauvinisme of vreemdelingenhaat had ervaren.
“Om de oosterlingen een beetje op hun plek te houden hebben we in Arnhem de A12,” beweerde de party crasher. “Op hun eigen grond zijn ze goed te pruimen.”

De kunst van het bijwonen van feestjes met onbekenden is dat je jezelf op tijd losmaakt van stroeve momenten met mensen die je niet verder helpen. Gelukkig raakte ik later in gesprek met een redacteur van de Wijkkrant Angerenstein. Dat periodiek kende ik: ik had het al tweemaal in de bus gekregen. Voor iets dat zich wijkkrant noemt, bezit het een bijna glossy-achtige uitstraling. Tot mijn schaamte moest ik bekennen dat ik het slechts vluchtig had doorgebladerd.

“Wordt dit nog een artikel?” vroeg ik hem.
“Het probleem met terugkerende evenementen is dat ook het verslag zich telkens herhaalt,” klaagde de schrijver. “Buurtkoren, livebandjes, voorleessessies, barbecues, buffetten, springkussens, schminken, spelletjes, speurtochten, knutseltafels, rommelmarkten, boekenbeursjes, plantenruil, kunst- en ambachtsdemonstraties… het is natuurlijk allemaal al eens eerder langsgekomen en vastgelegd. Maar Hart voor Angerenstein is tenminste in naam iets nieuws en gaat, geloof ik, uit van een ander concept.”

Er was hoop. Iedereen heeft een banale kant, troostte ik mezelf, toen ik naar huis liep. Omdat men zijn wederwaardigheden wil navertellen, schijnt men daarnaast toch groots en meeslepend te willen leven. Ook al biggelt er een traan over Carmiggelt, de verslagen van een eenvoudig, zich herhalend bestaan sneuvelen misschien wel als eerste. En dat terwijl ik zelf juist van plan was meer in te zoomen op mijn eigen alledaagse banaliteiten; een gebied waarin ik moeiteloos kan grossieren.

Ik moest nog getuigen, vond ik, van mijn bedenkelijke bijdragen aan de straatapp. Daar was ik onlangs toegelaten op voorspraak van iemand die inmiddels spijt had van haar aanbeveling. Ik had me er al tweemaal vergalopeerd met een voorbarige opmerking over een vermeende oplichter waarvoor men elkaar probeerde te behoeden. De toon daar bleek vooral lief en zorgzaam; cynisme als stijlfiguur hoorde duidelijk niet tot het arsenaal.

Of dat stukje er ooit nog van komt? Ik weet het niet.


Tussen verliefd zijn of bevriend

Niet de melodie die ik in gedachten had, maar toch.

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Wie weet waartoe de liefde dient?
Wie weet voortdurend wat hij wil?

Als dan wat tederheid ontstaat
tussen van schuld doordrongen lijven.
Als ik je strikt platonisch streel
maar wij de liefde haast bedrijven.

Staart dan verliefd zijn of bevriend
niet door dezelfde roze bril?
Zeg me, verliefd zijn of bevriend,
wat is nog eigenlijk het verschil?

Al heb je… mijn liefde…verdiend,
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.

Tussen verliefd zijn of bevriend
heeft men de grenzen aangegeven.
Onze gevoelens, uitgekiend,
’t wordt allemaal precies omschreven.

Zo hou je van je man, zo van je hond,
we worden in ’t nauw gedreven.
Jij bent een homo, jij bent bie,
dus wil je daar dan ook naar leven?

Of wij verliefd zijn of bevriend
houd dat maar liever even stil.
Zeg me, verliefd zijn of bevriend,
wat is nog eigenlijk het verschil.

Al heb je… mijn liefde…verdiend,
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.

Met dat verliefd zijn of bevriend
voelden wij ons vaak verlegen.
Je werd gezien, je werd gescreend,
je had de hele wereld tegen.

Door dik en dun, wij met z’n twee,
je kon ons niet meer zomaar scheiden.
Wij vlogen op de wolken mee,
er kwam geen ander tussenbeiden.

Of je bevriend bent of verliefd,
daar staat een kind nog niet bij stil.
Tussen verliefd zijn of bevriend,
ligt heus geen wereld van verschil.

Al heb je… mijn liefde…verdiend,
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.

(Tekst: Ronald van Noorden)

De eerste strofe stelde mij meteen voor een probleem. In het begin had ik dit:

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Een simpel bed, onaangediend
vraagt het verlangen wat het wil.

Maar AI – die ik voor het vinden van een melodie gebruik – kon niet uit de weg met het woord ‘onaangediend’. Luister maar:

Toen verzon ik:

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Ik heb je lichaam niet verdiend
maar waar een weg is, is een wil.

Dat vond ik weer te lichamelijk. Bovendien komt het woord ‘verdiend’ ook al voor in het refrein.

Een speciaal probleem vormde het gebruik van het woord ‘gescreend’ in de zevende strofe. In een nederlandstalig lied, maakt de zanger daar ‘geskréénd’ van. Luister maar:

Dat probleem bleek snel te verhelpen door in de geprompte tekst ‘geskrient’ in te vullen.

Daarna ging ik alweer te moeilijk doen in die vermaledijde eerste strofe met een paar onmogelijke zinnen:

Tussen verliefd zijn of bevriend
ligt heus geen wereld van verschil.

Wij weten waartoe liefde dient
maar ook wat het verlangen wil.

‘Wij weten waartoe liefde dient’. Huh? Juist niet, dacht ik. En ook niet wat het verlangen of de begeerte wil. Die strofe werd dus ook geschrapt.