“Hoor wie het zegt,” zegt hij die iets zei, nu zelf.
De schaakwereld is in rouw. Het plotselinge verlies van Daniel Naroditsky hakt erin. Te midden van deze shock laat Magnus Carlsen zich van zijn beste kant zien. Zijn woorden over Danya’s dood zijn geen standaard eerbetoon. Ze klinken oprecht en dwingen ons om te erkennen hoe wantrouwen en vijandigheid de online schaakgemeenschap hebben doordrenkt.
De affaire rond Hans Niemann speelde zich af in 2022. Carlsen suggereerde na een onwaarschijnlijke nederlaag dat Niemann vals speelde. Hij trok zich terug uit het toernooi. Het grote verschil met Kramnik richting Daniel Naroditsky, is dat Carlsen niet bleef drammen met zijn beschuldigingen. De zaak leidde niettemin tot veel ophef. Er werd nooit overtuigend bewijs tegen Niemann gevonden. Door voortschrijdend inzicht durft Magnus zijn spijt en zijn schaamte inmiddels te omarmen. Dat blijkt ook in zijn rouwbetoon aan Danya.
“Wat ze met Danya deden, was vreselijk,” zegt Carlsen. Hij doelt op de eindeloze, ongefundeerde beschuldigingen van valsspelen, vooral gevoed door oud-wereldkampioen Vladimir Kramnik. Carlsen spreekt de woorden die velen willen horen: “Niemand geloofde echt dat Danya vals speelde.” Het is een late verdediging, maar een die aankomt. Danya, een grootmeester met een gouden hart en een commentator die schaakliefde deelde met duizenden, werd vermorzeld door een digitale heksenjacht. Het wantrouwen dreef hem in een hoek.
Wat Carlsen’s woorden geloofwaardig maakt, is zijn blijk van oprechte spijt. “Ik wou dat ik meer voor hem had gedaan,” zegt hij. Hij voelde al langer dat het niet goed zat, maar zweeg. Die stilte, geeft hij toe, was een fout. En dat komt hard binnen, juist omdat het van hem komt, de man die zelf een speler beschuldigde van valsspelen en daarvan de chaos meemaakte. Hij kende de pijn van zo’n publieke vernedering; niet als slachtoffer, maar als iemand die de verwoesting van dichtbij zag. Met de wijsheid van de terugblik toont hij berouw over wat hij toen onbedoeld teweeg heeft gebracht, maar ook om wat hij richting Danya heeft nagelaten.
Toen de rel rond Hans Niemann uitbrak, stond Carlsen zelf in het oog van de storm. Ook toen speelde twijfel een rol, maar met een andere lading, een andere context, en andere motieven. Magnus maakte geen heksenjacht van zijn vermoedens van valsspel. Toch liet het gevolg van zijn woorden en daden zien hoe dun de grens is tussen zorg om de zuiverheid van de sport en het risico iemand zonder opzet te beschadigen. Daarom begrijpt hij nu, met Danya’s lot nog vers in het geheugen, pas echt hoeveel gewicht een verdenking uit zijn mond kan hebben.
De suggestie wekken was genoeg. Magnus hield het indertijd bescheiden. Hij wilde geen hetze veroorzaken. Hij is er de man niet naar om dingen op te blazen. Maar een vedette hoeft maar iets te zeggen en de wereld pakt het op. De nummer één in de sport kon zelf de gevolgen niet reguleren van zijn zo voorzichtig mogelijk geuitte wantrouwen. Tijdens een partij aan het bord meende Magnus iets verdachts te constateren bij zijn tegenstander, wat hij later publiekelijk ter sprake bracht. Verdere insinuaties door anderen deden hun werk. De sensatiepers zag zijn kans schoon om er gewetenloos op los te gaan. Hans Niemann kreeg de volle lading.
Danya’s dood is niet los te zien van deze schaduw. Magnus hoeft zich de gevolgen van zijn gedeelde verdenkingen richting Hans Niemann maar voor de geest te halen of hij begrijpt de hypocrisie in zijn beschuldiging aan het adres van de huidige kwaadsprekers. Hij en de rest van de schaakwereld staan voor een pijnlijke vraag: hebben wij dit niet zelf laten gebeuren? Als een onschuldige speler maandenlang wordt neergesabeld door geruchten, aangewakkerd door grote namen, is dat niet zomaar een rel, dat is een menselijke tragedie. Danya noemde Kramniks aanvallen “erger dan vuil”. Die woorden echoën nu harder dan ooit.
Danya was meer dan een schaker. Hij maakte schaak toegankelijk. Met zijn lach en zijn briljante geest bracht hij de top en de amateurs dichter bij elkaar. Zijn verlies is een schreeuw om verandering. De schaakwereld moet stoppen met wantrouwen, of althans: eerst het bewijs leveren voordat zich geruchten gaan verspreiden. Er staat veel op het spel in deze ernstige sport. Het is belangrijk dat men elkaar als mens blijft behandelen. Laat Carlsen’s spijt een wake-upcall zijn. Het is tijd voor een schaakwereld die niet alleen slim is, maar ook warm en eerlijk.
Daniel Naroditsky (Danya) was niet alleen een briljante grootmeester met een piek Elo-rating van 2647 en winnaar van het US Blitz Championship in 2025, maar vooral een ongelooflijk toegankelijke en inspirerende leraar. Zijn kracht lag in het uitleggen van complexe schaakdenkprocessen op een manier die beginners én gevorderden raakten; helder, geduldig en met humor.
De ‘reglementenfeeks’ droeg een fleece met letters op haar rug. Ze was een BEGELEIDER. Ik beschouwde haar als de ‘opperzeurkous’ aan de andere kant van de klapdeur. Ik weet dat bakfietsrijders daar niets te zoeken hebben. Het gebouw kent een eenvoudige indeling. Een muur deelt het enorme depot door de helft. De ene kant is gereserveerd voor de chauffeurs; hier halen zij hun postpakketten op. Vrachtwagens ‘docken’ aan een laadperron elders. De bestelbusbestuurders krijgen hun postpakketten op rolcontainers aangeleverd. Die rijden ze zelf in hun laadruimten. Doorgaans loopt alles op rolletjes. Het kan er daar ’s morgens ontzettend druk aan toe gaan.
Bij de chauffeurs gaat het er in de vroege ochtend hectischer aan toe dan in het ‘fietsenhok’ waar ik rond tienen mijn vervoermiddel kom inladen en ophalen.
Wij postbestellers aan de andere kant hebben het gemakkelijker wat laden betreft. Onze elektrische middelen staan in slagorde klaar. Als je zo rond tien uur ‘s ochtends op het depot komt, is het meeste voorwerk al gedaan. Dat betekent dat pallets met brievenbuspost vanaf de chauffeurskant door een heftruck zijn aangeleverd. ‘Depotmanagers’ hebben de post, rond die tijd, meestal al verder verdeeld. Het enige dat je zelf nog moet doen, is de zakken met handpost en brievenbuspakjes overzetten naar de fiets of de bakfiets die bestemd is voor de wijk waar je die dag moet bezorgen.
Elektrische aandrijving is een revelatie. In het dorp waar ik bezorgde, moest ik m’n eigen spierkracht en m’n eigen brik gebruiken. Nu rijd ik op die rammelkast alleen nog tussen m’n woning en het depot op en neer. Voor een postbode begint de zwaardere klus bij het bezorgen. Zeker wanneer je een nieuwe wijk loopt. In de eerste week stemde de hoeveelheid werk niet overeen met mijn contracturen. Ik kreeg meer op mijn bordje dan mij zinde. Met het inwerken alleen al was ik meer tijd kwijt. Dat had men niet goed ingeschat. Zonder een collega die je begeleidt – wat bij nieuwelingen eigenlijk altijd plaatsvindt – loop je in zo’n nieuwe wijk enorm te zieltogen. Bij mij waren ze er vanuit gegaan dat ik me wel zou redden. Ik had tenslotte elders al ervaring opgedaan.
Een extra moeilijkheidsfactor van die eerste dagen in Arnhem, was dat mij ‘impopulaire’ buurten waren toegewezen. Zo gaat dat nu eenmaal; langer in dienst zijnde collega’s verruilen wijken die ze onprettig vinden voor bezorglocaties die hun voorkeur hebben. Dat mag, daar stemmen teamleiders in toe, maar het is een langzaam proces; je moet wachten tot degenen die daar standaard bezorgen, plaats voor je maken. Verhuizing, ziekte-uitval, sabbatical, pensioen, baanwisseling, sterfte of ontslag, het zijn geen gebeurtenissen die zich dagelijks voordoen. Uiteindelijk val je op je plaats en wordt alles aangenamer. Ik nam de mij toegewezen bezorgwijk voor lief – ik kan goed leven met de heersende mores – maar naast de gebruikelijke inwerkvertraging, liep ik ook tegen wat specifiekere problemen aan.
Het Broek is een wijk die wordt gekenmerkt door een bijzondere mix van bewoners, achtergronden en verhalen. De hoge mate van diversiteit geeft de buurt kleur, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Veel mensen leven er in huurwoningen en hebben te maken met krappe financiële omstandigheden, wat soms leidt tot stress en een gevoel van beperkte perspectieven. Het Broek is een wijk waar warmte en rauwheid hand in hand gaan. Je kunt er een prettig gesprek hebben met iemand die voor haar woning zit met een kop koffie, en daarna worden onderbroken door een man die je toebijt dat je niet moet praten met “dat kankerwijf” (dat overkwam mij in die eerste week). Zulke momenten laten zien hoe dun de scheidslijn hier soms is tussen gemoedelijkheid en agressie. Voor iemand die dagelijks door de wijk beweegt, wordt dat contrast steeds zichtbaarder: de vriendelijke glimlach van de een, tegenover de vijandige uitval van de ander.
Dat wat betreft die wijk, waarvan een groot deel, na renovatiewerkzaamheden, trouwens prachtig in de verf staat. Dan is er nog Remisestraat 2, dat ook tot mijn bezorgdistrict behoort en z’n eigen zorgen kent. Iriszorg, dat zich daar bevindt, is een instelling die opvang en ondersteuning biedt aan mensen die worstelen met verslaving, vaak in combinatie met psychische of sociale problemen. Het is een plek waar bewoners structuur, zorg en een vorm van stabiliteit proberen te vinden, met steun van begeleiders die hen stap voor stap bijstaan. Voor mij roept zo’n instelling gemengde gevoelens op: ik weet dat er kwetsbare mensen verblijven, maar de nabijheid van verslavingsproblematiek maakt de omgeving ook onvoorspelbaar.
Eigenlijk deed zich daar een heel lief incident voor, dat precies die dubbelheid samenvat. Terwijl ik de post afleverde, bood een bewoner spontaan aan om het stapeltje post van me over te nemen en binnen af te geven bij de begeleiders. Dat was oprecht bedoeld, en ik geloofde hem ook. Toch voelde ik de spanning: ik droeg een verantwoordelijkheid, en het idee om een hele bundel post zomaar aan hem mee te geven, zat me niet lekker. Bovendien was ik zelf nog op zoek naar de juiste houding. De wijk was nieuw voor me. Ik had net hectiek meegemaakt in Het Broek. Als dorpsbezorger te Dieren werd het me snel te veel. Ik zei dat ik de post wel wilde overhandigen, maar dan graag samen naar binnen wilde lopen om de begeleiders persoonlijk te leren kennen en de post rechtstreeks bij hen af te geven. Zo vond ik een middenweg: zijn goede bedoelingen erkennen, maar ook mijn eigen verantwoordelijkheid waarmaken.
Er speelde nog meer mee. Kort daarvoor had ik in de Gelderlander gelezen dat er in datzelfde pand sprake was van open tbc. Dat gegeven knaagde ergens in mijn achterhoofd. Onwennigheid, voorzichtigheid en een vleug van wantrouwen mengden zich met de wens om het goed te doen. Ik was me er bewust van dat ik gespannen overkwam. De ervaring ging niet in mijn koude kleren zitten, maar liet me ook zien hoe complex de werkelijkheid is in een wijk als deze: achter de gevels spelen verhalen vol moeite en strijd, maar ook onverwachte momenten van menselijkheid en goedheid.
Na deze belevingen reed ik met mijn leegbezorgde bakfiets terug naar het depot. Daar wachtte me, alsof de dag nog niet genoeg verrassingen had gebracht, een laatste uitdaging. Ik bezat nog geen pasje om via de gebruikelijke ingang naar binnen te kunnen. De teamleider had me daarom gewezen op een omweg die ik, bij wijze van uitzondering, mocht gebruiken: aan de chauffeurskant kon ik naar binnen om via de eerder genoemde dubbele deur alsnog in de fietsgarage te belanden. Wat de teamleider er niet bij had verteld – waarschijnlijk omdat hij het zo vanzelfsprekend vond – was dat ik die route lopend moest afleggen.
De bedoeling was dat ik mijn bakfiets bij de normale ingang zou achterlaten, vervolgens zelf de omweg zou nemen, om de fiets daarna van binnenuit op te halen. Ik begreep dat anders, en nam de omweg met bakfiets. Aan toevallig aanwezige chauffeurs vroeg ik, of ik kon doorrijden. Zij staken hun duim wat plichtmatig omhoog; ze konden me eigenlijk geen uitsluitsel geven. Uiteindelijk liep ik tegen de eerder genoemde begeleidster aan die wel verantwoordelijk was en dat nadrukkelijk liet blijken. Ze maakte me op strenge toon duidelijk dat wat ik deed absoluut niet was toegestaan.
De spanning van alles wat ik die dag had meegemaakt zat nog diep in mijn lijf toen ik oog in oog kwam te staan met de strenge begeleidster. Haar toon en houding – onbuigzaam en scherp – voelden op dat moment verstikkend; ik had geen ruimte meer om met dergelijke serieusheid om te kunnen gaan. Voor even werd het me te veel; alle protocollen, regels en waarschuwingen drukten op me alsof ik ze niet meer kon bevatten. In mijn frustratie, die ik achteraf als ongepast en ondoordacht beschouw, ontglipte mij een reeks geïmproviseerde, spottende benamingen; stuk voor stuk woorden die in de hitte van het moment mijn oplopende stress probeerden te verwoorden.
Achteraf voel ik spijt over mijn uitbarsting. Deze collega deed gewoon haar werk en handhaafde regels die essentieel zijn voor de veiligheid en het ordentelijk functioneren van het depot. Mijn reactie was onterecht en toonde onvoldoende begrip voor haar positie en de verantwoordelijkheden die zij draagt.
In echte wijken maken bewoners elkaar van alles wijs.
“Jij weet dat natuurlijk wel hè,” vraag ik aan een oude schoolvriend, “dat Angerenstein als wijk alleen in de verbeelding bestaat?” “Volgens de gemeente wel ja. Maar verbeelding is precies waar buurten groot van worden,” antwoordt hij luider dan nodig (ik vermoed omdat hij weet dat zijn vrouw, en met name haar boekenclubvriendin, meeluisteren in de kamer en suite).
Conversaties tussen gearriveerde babyboomers kunnen plaatsvinden in perfecte harmonie. De kans hierop is groter onder lotgenoten en/of zielsverwanten; dan gaat het om gelijkgestemden in uiterlijk, opvattingen en levensstijl. (Foto gegenereerd door AI)
Hij is ambtenaar in mijn nieuwe woonplaats. Door anciënniteit, leegloop en interne opleidingen werkt hij nu als Adjunct-directeur bij de afdeling Beleidsontwikkeling Wonen & Leefomgeving. We hebben samen (een jaartje) Chinese taal- en letterkunde gestudeerd in Maastricht. Daarna zijn we elkaar door verhuizingen en verschillen in levensstijl uit het oog verloren. Nu we weer bij elkaar in de buurt wonen, dacht ik: kom…
We zitten inmiddels met ons vieren in de serre van zijn prachtige jaren-twintighuis aan de rand van het park, dat met zijn vijvers en bronbeekjes het blauwgroene hart van de buurt vormt. In het bijzijn van de romanlezeressen laat hij zich graag nog wat uit over het thema werkelijkheid en fictie.
“Officieel hebben we geen wijk, inderdaad, maar een buurt; met zijn tabellen en gemiddelden. Wie denkt dat administratieve indeling de werkelijkheid bepaalt, gelooft waarschijnlijk ook dat een leefgemeenschap te vangen valt met meetinstrumenten, tevredenheidsenquêtes, checklisten en formulieren.”
“Zo werkt het niet natuurlijk”, val ik hem bij. “Neem de hoerenwijken waar ook ter wereld: nergens officieel erkend, nergens op stadskaarten te localiseren en toch weet iedereen waar ze zich bevinden en waar hij zijn geld in moet stoppen.” Het blijft ongemakkelijk stil. “Ik weet niet of die vergelijking opgaat”, reageert de vriendin van de gastvrouw tenslotte.
Ik lanceer het andere voorbeeld waarover ik heb nagedacht. “Of dat Gallische dorpje dat we onderhand zo goed kennen; waar striphelden met wilde zwijnen, toverdrank en één gemeenschappelijke vijand meer teamgeest creëren dan een gemeente met een voorbeeldig gemeentebeleid. Het gaat om het wij-gevoel, de warme schoot van saamhorigheid. Wat werkelijk telt zijn de mooie sprookjes die men elkaar rond het kampvuur kan vertellen. Tegenwoordig is dat de barbecue.”
Ze blijken geen van drieën ooit een Asterix en Obelix te hebben gelezen.
Angerenstein mag dan een voetnoot zijn in het ambtelijke woordenboek, zo bedoelde ik te zeggen, voor zijn bewoners is het een ‘dorp-in-de-stad’, compleet met z’n eigen mythologie. Dat laatste vormt natuurlijk de grootste verbindingsfactor. De gemeente Arnhem kan nog zo driftig schikken en indelen, zodat Angerenstein als buurt te boek staat en niet als wijk, maar uiteindelijk is het niet de spreadsheet die eenheid schept. Het zijn de mensen die, wars van nomenclatuur, hun eigen aanduidingen met overtuiging blijven gebruiken en elkaar van alles wijs maken. De ambtenaar telt huizen; de bewoner vertelt verhalen. Dat laatste werkt beter.
Een verbindend verhaal hebben is alles, bedenk ik me, als ik weer buiten sta; maar dan moet het wel een pakkend verhaal zijn.
Geluk slaat z’n slag in het hart van Angerenstein.
Het bewonersfeestje Hart voor Angerenstein kan met recht een succes worden genoemd, al was het alleen maar omdat de zon vandaag volop wilde schijnen en de koffie kwam uit een filterapparaat. De geavanceerde espressomachines zijn een beetje op hun retour, las ik onlangs; het bakkie pleur mag weer pruttelen op een plaatje. Hier werd de troost vanuit een sociaalvriendelijke thermoskan in papieren bekertjes gegoten. Als je massa’s wilt bedienen, dan telt vooral de doorstroming.
De opkomst bleek groter dan ik had verwacht op het afgezette veldje in het park waar de bijeenkomst werd gehouden. Alleen het rollend materieel leek iets achter te blijven bij de prognoses. Ik had de oproep van Tom in de groepsapp serieus genomen: “Meerdere bewoners van Driegasthuizen willen ook graag komen. Er zijn extra handen nodig om mensen in een rolstoel te begeleiden.” Tot mijn tevredenheid zag ik dat aan elk handvat een vrijwilliger was geklonken. Daarmee verdween ook mijn schuldgevoel dat ik me niet had aangemeld.
De drank bleef non-alcoholisch, de toastjes strikt biologisch. Er klonken nergens valse noten. Hoe vaak ontsporen buurtfeestjes niet zodra de meegebrachte wijn de tongen losmaakt? Hier bleef men nuchter en beleefd. Iemand informeerde zelfs – oprecht geïnteresseerd! – naar mijn eerste indrukken als nieuwe bewoner. Ik had van alles kunnen noemen, maar tot mijn eigen verbazing begon ik over de vele onbekende vlaggen die ik aan gevels zag wapperen.
Een lichtblauwe Pegasus op een kastanjebruine achtergrond. Ik had die niet direct geassocieerd met soldaten van de Eerste Airborne Divisie, die dit insigne als brigadelogo droegen toen zij hier in september 1944 tijdens de Slag om Arnhem voor onze vrijheid vochten. De jaarlijkse Airborne-herdenkingen waren aan mij voorbijgegaan; ik had voornamelijk met verhuisdozen lopen sjouwen. Natuurlijk waren de vele vliegtuigen boven mijn hoofd me niet ontgaan. Wat heet: ik kon hun landingsgestel zowat aanraken. Ik realiseer me nu dat in Arnhem herdenken geen bijkomstigheid is maar een wezenlijk onderdeel van het leven.
“Maar waarvoor dacht je dan dat we die vlaggen hadden opgehangen?” “Ik weet het niet,” zei ik eerlijk. “Misschien bracht ik ze in verband met rechtsradicale sentimenten van regionale populisten. Sorry, ik heb niets met vlaggen.” “Provincialisme is erger dan nationalisme” beweerde de enige man die deze middag vaker voor zijn beurt sprak dan ik. “Maar” voegde hij eraan toe, “regionalisme is een gradatie benepener.” Ik had niet meteen door dat er aan deze zwerfgast iets niet klopte in de fijnafstemming.
Ik wilde nog tegenwicht bieden. Ik vertelde dat ik, als import-Hollander in Dieren, weleens het pontje over de IJssel had genomen, waar naar men zei de Achterhoek begon, maar dat ik daar nooit iets van misplaatst chauvinisme of vreemdelingenhaat had ervaren. “Om de oosterlingen een beetje op hun plek te houden hebben we in Arnhem de A12,” beweerde de party crasher. “Op hun eigen grond zijn ze goed te pruimen.”
De kunst van het bijwonen van feestjes met onbekenden is dat je jezelf op tijd losmaakt van stroeve momenten met mensen die je niet verder helpen. Gelukkig raakte ik later in gesprek met een redacteur van de Wijkkrant Angerenstein. Dat periodiek kende ik: ik had het al tweemaal in de bus gekregen. Voor iets dat zich wijkkrant noemt, bezit het een bijna glossy-achtige uitstraling. Tot mijn schaamte moest ik bekennen dat ik het slechts vluchtig had doorgebladerd.
“Wordt dit nog een artikel?” vroeg ik hem. “Het probleem met terugkerende evenementen is dat ook het verslag zich telkens herhaalt,” klaagde de schrijver. “Buurtkoren, livebandjes, voorleessessies, barbecues, buffetten, springkussens, schminken, spelletjes, speurtochten, knutseltafels, rommelmarkten, boekenbeursjes, plantenruil, kunst- en ambachtsdemonstraties… het is natuurlijk allemaal al eens eerder langsgekomen en vastgelegd. Maar Hart voor Angerenstein is tenminste in naam iets nieuws en gaat, geloof ik, uit van een ander concept.”
Er was hoop. Iedereen heeft een banale kant, troostte ik mezelf, toen ik naar huis liep. Omdat men zijn wederwaardigheden wil navertellen, schijnt men daarnaast toch groots en meeslepend te willen leven. Ook al biggelt er een traan over Carmiggelt, de verslagen van een eenvoudig, zich herhalend bestaan sneuvelen misschien wel als eerste. En dat terwijl ik zelf juist van plan was meer in te zoomen op mijn eigen alledaagse banaliteiten; een gebied waarin ik moeiteloos kan grossieren.
Ik moest nog getuigen, vond ik, van mijn bedenkelijke bijdragen aan de straatapp. Daar was ik onlangs toegelaten op voorspraak van iemand die inmiddels spijt had van haar aanbeveling. Ik had me er al tweemaal vergalopeerd met een voorbarige opmerking over een vermeende oplichter waarvoor men elkaar probeerde te behoeden. De toon daar bleek vooral lief en zorgzaam; cynisme als stijlfiguur hoorde duidelijk niet tot het arsenaal.
Of dat stukje er ooit nog van komt? Ik weet het niet.
Niet de melodie die ik in gedachten had, maar toch.
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Wie weet waartoe de liefde dient? Wie weet voortdurend wat hij wil?
Als dan wat tederheid ontstaat tussen van schuld doordrongen lijven. Als ik je strikt platonisch streel maar wij de liefde haast bedrijven.
Staart dan verliefd zijn of bevriend niet door dezelfde roze bril? Zeg me, verliefd zijn of bevriend, wat is nog eigenlijk het verschil?
Al heb je… mijn liefde…verdiend, blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.
Tussen verliefd zijn of bevriend heeft men de grenzen aangegeven. Onze gevoelens, uitgekiend, ’t wordt allemaal precies omschreven.
Zo hou je van je man, zo van je hond, we worden in ’t nauw gedreven. Jij bent een homo, jij bent bie, dus wil je daar dan ook naar leven?
Of wij verliefd zijn of bevriend houd dat maar liever even stil. Zeg me, verliefd zijn of bevriend, wat is nog eigenlijk het verschil.
Al heb je… mijn liefde…verdiend, blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.
Met dat verliefd zijn of bevriend voelden wij ons vaak verlegen. Je werd gezien, je werd gescreend, je had de hele wereld tegen.
Door dik en dun, wij met z’n twee, je kon ons niet meer zomaar scheiden. Wij vlogen op de wolken mee, er kwam geen ander tussenbeiden.
Of je bevriend bent of verliefd, daar staat een kind nog niet bij stil. Tussen verliefd zijn of bevriend, ligt heus geen wereld van verschil.
Al heb je… mijn liefde…verdiend, blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.
(Tekst: Ronald van Noorden)
De eerste strofe stelde mij meteen voor een probleem. In het begin had ik dit:
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Een simpel bed, onaangediend vraagt het verlangen wat het wil.
Maar AI – die ik voor het vinden van een melodie gebruik – kon niet uit de weg met het woord ‘onaangediend’. Luister maar:
Toen verzon ik:
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Ik heb je lichaam niet verdiend maar waar een weg is, is een wil.
Dat vond ik weer te lichamelijk. Bovendien komt het woord ‘verdiend’ ook al voor in het refrein.
Een speciaal probleem vormde het gebruik van het woord ‘gescreend’ in de zevende strofe. In een nederlandstalig lied, maakt de zanger daar ‘geskréénd’ van. Luister maar:
Dat probleem bleek snel te verhelpen door in de geprompte tekst ‘geskrient’ in te vullen.
Daarna ging ik alweer te moeilijk doen in die vermaledijde eerste strofe met een paar onmogelijke zinnen:
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Wij weten waartoe liefde dient maar ook wat het verlangen wil.
‘Wij weten waartoe liefde dient’. Huh? Juist niet, dacht ik. En ook niet wat het verlangen of de begeerte wil. Die strofe werd dus ook geschrapt.