Christian Atheism (Hfst 1 en 2)

1: Let a Religion Deplete Itself, 2: Why Lacan is not a Buddhist.

De bekende Sloveense filosoof Slavoj Žižek, is als hij Engels spreekt bijna niet te verstaan zonder ondertiteling. Toch wordt hij vaak uitgenodigd op de meest prestigieuze internationale podia en intellectuele festivals. Iedereen daar lijkt er namelijk van overtuigd dat hij iets zinnigs te zeggen heeft. Hij behoort inmiddels tot de zeldzame categorie van ‘superster-filosofen’ met een wereldwijd publiek. Ik ben ervan overtuigd dat niemand precies kan navertellen wat Žižek nu precies wilde zeggen, maar men koestert de wijsgerige flits die wel doorkomt; een glimp van inzicht die suggereert dat je zojuist iets fundamenteels over de wereld hebt begrepen. De intelligentsia erkent zijn ‘genialiteit’, en voelt zich daardoor gerechtigd om zijn complexiteit te accepteren als een teken van zijn diepgang.

Ook als hij schrijft komt Žižek volkomen abstract en hermetisch op mij over (wat mijn eufemisme is voor moeilijk toegankelijk). Zijn laatste boek, Christian Atheism: How To Be A Real Materialist bleek nauwelijks te lezen zonder voorkennis van zijn intellectuele bronnen (Hegel, Marx, Lacan) of een gespecialiseerde gids. Dat was jammer want de kernboodschap wordt in commentaren ‘provocerend en filosofisch cruciaal’ genoemd. Het centrale idee is dat men pas een ware materialist en radicale atheïst kan zijn door eerst de Christelijke ervaring te doorlopen en van binnenuit te ontmantelen. ​Žižek betoogt dat het oppervlakkige atheïsme dat het bestaan van God eenvoudigweg ontkent, niet ver genoeg gaat. De enige weg naar een echt, radicaal materialisme is via de christelijke symboliek, en met name het moment van de Kruisiging.

Waaat? Dat klinkt te interessant om het boek, dat ik vers had gedownload, nu al links te laten liggen. Zo vlak voor kerst zal ik dan toch maar proberen om mezelf er doorheen te worstelen. Wel met behulp van zoveel mogelijk externe hulpbronnen. Dus als ik soms te studieus klink, het zij zo, de lezer is gewaarschuwd.

Hoofdstuk 1 – “Let a Religion Deplete itself”

Slavoj Žižek behandelt in dit eerste hoofdstuk getiteld Laat een religie zichzelf uitputten”, zijn centrale en meest controversiële stelling: dat waar (oprecht) atheïsme alleen kan worden bereikt door het christendom heen.

Dit hoofdstuk dient als de fundamentele bepaling van wat hij verstaat onder ‘Christelijk Atheïsme’.

Žižek begint dit hoofdstuk met het stellen van een radicale vraag: wat als ware, radicale materialisten niet het bestaan van God simpelweg ontkennen, maar beginnen met het religieuze bouwwerk zelf om het vervolgens van binnenuit te ondermijnen?

1. Het Falen van het Liberale Atheïsme

Žižek bekritiseert wat hij het oppervlakkige atheïsme of het ‘liberale atheïsme’ noemt. Dit type atheïst beweert dat God niet bestaat, maar valt onbewust in de val om de transcendente God te vervangen door een andere ‘Grote Ander’, een Lacaniaans concept voor de symbolische orde of een externe garant (“The Big Other”).

  • De Verplaatsing: Veel moderne atheïsten verplaatsen hun geloof in een hogere instantie naar concepten als de Natuurlijke Noodzakelijkheid, de Kosmische Balans, de Wetenschap of de Markt. Dit zijn nieuwe, onbewuste ‘Goden’ die nog steeds dienen als een metafysische garantie of een alomvattende orde die de chaos van het bestaan verzacht.
  • De paradox van het verbod: Žižek herhaalt hier zijn eerdere citaat: “Als God niet bestaat, is alles verboden.” De moderne atheïst denkt dat hij vrij is, maar zijn onbewuste wordt vaak gedomineerd door morele verboden en schuldgevoelens – de overblijfselen van de ‘Grote Ander’ – die zijn genot saboteren.

2. De Kern: De Zelf-Uitputting van God

De enige manier om aan deze val te ontsnappen en een ware materialist te worden, is door het cruciale moment van het christendom te doorlopen: de kruisiging.

  • De Dood van de Transcendente God: Voor Žižek (volgens zijn Hegeliaanse lezing) is de kruisiging niet de dood van een profeet of Gods aardse vertegenwoordiger, maar de dood van God zelf; de ‘God van Gene Zijde’. De uitroep van Christus: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ is het ultieme moment van atheïsme, waarin God Zijn geloof in Zichzelf als transcendente Garant opgeeft en daarmee Zijn eigen soevereiniteit ter discussie stelt.
  • Het Gat in de Realiteit: Dit evenement ‘put’ de religie uit. God sterft en laat een radicale leegte achter in de symbolische orde. Er is geen hogere macht meer die de touwtjes in handen heeft, er is geen Goddelijk Plan. Žižek stelt dat dit “God die zichzelf uit het plaatje wist” is, en dit is de ultieme daad van het verlenen van vrijheid.

3. De Heilige Geest als Emancipatoire Gemeenschap

Wat blijft er over na de dood van God? De Heilige Geest. Žižek de-spiritualiseert dit theologische concept radicaal:

  • Het ware Materialisme: De Heilige Geest is geen spiritueel wezen en heeft niets met mystiek te maken. Het is de egalitaire gemeenschap van degenen die door het radicale besef zijn gegaan dat ze er alleen voor staan, zonder goddelijke garantie. Dit is een collectief dat uit noodzaak en gedeelde verantwoordelijkheid handelt.
  • De Ethische Revolutie: Deze gemeenschap is radicaal vrij omdat ze aan zichzelf is overgeleverd. De ethische oproep is niet om een God te dienen, maar om de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen voor haar politieke en ethische handelen in een goddeloos universum. Dit is Žižeks definitie van de ware materialistische positie.

4. Conclusie van het Hoofdstuk

Het hoofdstuk concludeert dat ware atheïstische subjectiviteit, die de leegte en contingentie van het bestaan volledig accepteert, alleen kan ontstaan door de unieke dialectische breuk die het christendom met de traditionele (theïstische) religie maakte. Door God van binnenuit te vernietigen, wordt de weg geopend voor een atheïstische ethiek en emancipatoire politiek die niet afhankelijk is van enig metafysisch fundament.

Contingentie in de context van “de contingentie van het bestaan” betekent dat het bestaan niet noodzakelijk, ongefundeerd en willekeurig is. Het is een fundamenteel filosofisch begrip (vooral in de ontologie en het existentialisme) dat tegenovergestelde is van noodzakelijkheid (necessity).

In deze context heeft contingentie drie kernbetekenissen:

1. Gebrek aan Noodzakelijkheid

Contingentie betekent dat iets niet noodzakelijk is; het had evengoed niet kunnen bestaan, of het had anders kunnen zijn.

  • Als het bestaan noodzakelijk zou zijn, zou er een ultieme, eeuwige, logische of goddelijke reden zijn waarom het universum en wijzelf bestaan.
  • De erkenning van contingentie betekent dat er geen ultieme reden of Externe Garant (zoals God) is die ons bestaan vereist of rechtvaardigt. Het is er gewoon, zonder verplichte fundering.

2. Ongegrondheid

Het bestaan is ongegrond of willekeurig. Het is een feit (facticity), niet een uitkomst van een logische formule of een Goddelijk Plan.

  • Een boom, een mens, of het universum als geheel is niet gebaseerd op een intrinsieke essentie die eerst kwam. De existentie is er, en de essentie (wat het is) volgt. Dit is het beroemde existentialistische idee: “existentie gaat vooraf aan essentie.”

3. De Erkenning van het Absurde

Wanneer men de contingentie van het bestaan ten volle erkent, confronteert men de fundamentele absurditeit van het leven.

  • Onze diepste vragen – Waarom zijn we hier? Wat is de betekenis van alles? – hebben geen transcendente, vooraf bepaalde antwoorden. Het is aan de mens om zelf de betekenis te scheppen, precies omdat het bestaan contingent is en “aan zichzelf is overgeleverd” (zoals in de eerdere analyse over Žižek).

Voorbeeld: Een tafel is contingent. Hij bestaat, maar hij had er niet hoeven zijn, en hij had er in een andere vorm kunnen zijn. Er is geen kosmische wet die vereist dat deze specifieke tafel bestaat. Het bestaan van de mens en de kosmos wordt op dezelfde manier beschouwd: als een grootschalige, onverklaarbare toevalligheid.

Hoofdstuk 2 – “Why Lacan is not a Buddhist”

Korte samenvatting van de hoofdstelling

Žižek verdedigt dat Lacans psychoanalyse fundamenteel verschilt van wat westerse lezingen van het boeddhisme aanbieden: waar boeddhisme volgens sommige lezers streeft naar het uitdoven of overstijgen van verlangen (nirvāṇa / ontsnapping aan samsāra), blijft Lacan gefocust op het politieke en structurele karakter van het verlangen, de onuitroeibaarheid van het subject en de rol van de symbolische orde. Žižek betoogt dat het lezen van Lacan als «Buddhist» (dubbele Franse aanhalingstekens zijn van Žižek) leidt tot het missen van politieke en ethische consequenties die juist centraal staan in Lacans en Žižeks eigen denken.

Het hoofdstuk werkt als een onderdeel van Žižeks poging om het christendom, en religie in het algemeen, serieus te nemen als een conceptuele machine die atheïstisch moet worden doorgewerkt. Tegelijk laat hij daarmee zijn afkeer zien van spiritualiteiten die politieke inertie bevorderen. Door Lacan niet-Buddhist te noemen, markeert Žižek het belang van politiek-theoretische consequenties boven therapeutische verlichting.

Stap-voor-stap analyse van Žižeks argumentatie

  1. Definitieproblemen: wat men onder ‘Buddhist’ verstaat
    Žižek begint door te tonen dat veel hedendaagse vergelijkingen Lacan–Buddhisme voortkomen uit een versimpelde, vaak therapeutische lezing van het boeddhisme (gericht op innerlijke vrede of ego-ontmanteling). Hij waarschuwt dat zo’n lezing de morele/politieke dimensie van Lacans ideeën over subjectiviteit verwaarloost. Met andere woorden: je kunt Lacan only-as-therapy lezen, of Lacan als filosofisch-politicus; Žižek kiest bewust de tweede optie.
  2. De theoretische botsing: verlangen versus ontspanning/snuffing-out
    Centraal staat het verschil tussen (a) boeddhistische doelstellingen die vaak geïnterpreteerd worden als het beëindigen of neutraliseren van begeerte, en (b) Lacans visie waarin verlangen structureel is — het subject is verdeeld in en door dat verlangen (het onbewuste, het tekort). Voor Žižek is het idee van ’ontsnappen’ problematisch: het doet alsof er een buiten-positie bestaat ten opzichte van de symbolische structuren die subjectiviteit mogelijk maken. Lacan kent geen eenvoudige uitweg; daarom is hij volgens Žižek geen Buddhistische denker.
  3. De politieke consequenties: passiviteit vs. engagement
    Žižek benadrukt dat bepaalde vormen van boeddhistische non-attachment (zoals in populaire westerse interpretaties) de neiging hebben politieke passiviteit te legitimeren; een houding van innerlijke afstand waardoor structurele onrechtvaardigheden blijven bestaan. Lacan (en Žižek zelf) verwerpen die apolitieke neutraliteit: de ethiek die uit Lacan voortvloeit veronderstelt een engagement met de politieke ordening van het verlangen en van de ander. Žižek neemt expliciet afstand van elk spiritueel escapisme dat politieke strijd verzwakt.
  4. Lacans concept van het ‘Real’ en de onvermijdelijkheid van antagonisme
    Žižek gebruikt Lacans register-schema (Imaginary / Symbolic / Real) om te argumenteren dat het ‘Real’ (dat wat niet symboliseerbaar is) telkens terugkeert juist wanneer men denkt het spel van verlangens te kunnen overstijgen. Boeddhistische narratieven van ultieme rust negeren, volgens Žižek, die structurele terugkeer, en daarmee de noodzaak om politiek en sociaal te werken aan de condities die het lijden en de ongelijkheid produceren.
  5. Hermeneutische kritiek op westerse ‘Buddhist appropriation’
    Het hoofdstuk fungeert ook als een polemiek tegen westerse intellectuelen die Lacan en boeddhistische concepten losjes naast elkaar leggen zonder voldoende historisch-tekstuele precisie. Žižek signaleert (en beantwoordt) kritiek van boeddhistische lezers die vinden dat hij de traditie niet voldoende eer aandoet. Hij reageert met de claim dat zijn kritiek niet neerkomt op afwijzing van alle boeddhistische inzichten, maar op het weerleggen van een leeswijze die politiek-ethische implicaties miskent.