De valse triomf van goedgelovigheid

Een markt van troost vraagt om de prijs van zelfbedrog.

Natuurlijk is het gebruik van Ayurveda als bedrijfsnaam geen inbreuk op het merkenrecht. Rituals, dat de term voert in de The Ritual of Ayurveda-lijn, leek even te denken het alleenrecht op dat woord te kunnen claimen, maar trekt nu wijselijk haar keutel in. De aanduiding heeft echter wél een ander effect: iedereen die het woord inzet als kwaliteitslabel voor een therapie of geneesmiddel, roept bij mij onmiddellijk scepsis op. Om het neutraal te formuleren: het predicaat ‘ayurvedisch’ geeft aan dat we te maken hebben met een alternatieve behandelwijze. Je bent dus gewaarschuwd.

Het folderverhaal: ‘The Ritual of Ayurveda gift set herstelt de balans en is het perfecte cadeau voor een nieuwe balans, voor een vriend of familielid, of gewoon om jezelf te trakteren. Vind innerlijke balans met deze verzachtende en aromatische producten op basis van Indiase roos en zoete amandelolie. Het origami-ontwerp is geïnspireerd op de Japanse kunst van het geven. In de Japanse cultuur kan de cadeauverpakking even belangrijk zijn als het cadeau, waarbij het cadeau wordt gezien als een vorm van communicatie tussen de gever en de ontvanger.’ Wauw, driemaal ‘balans’ in slechts drie wervende zinnen. Je zit kennelijk snel om woorden verlegen als je onzin uitkraamt.

Het juridische eindoordeel over de merknaam laat zich eenvoudig samenvatten: ‘Ayurveda’ blijft een generieke soortnaam voor een traditionele Indiase gezondheidsleer en kan daarom door niemand als exclusief intellectueel eigendom worden geclaimd. Dat Rituals bakzeil haalt, getuigt vermoedelijk eerder van strategisch inzicht dan van intellectuele zindelijkheid. Ze hadden deze zaak vrijwel zeker verloren, waren ze haar daadwerkelijk aangegaan. Maar één ding blijft overeind staan: het etiket is geen keurmerk van kwaliteit, maar eerder een waarschuwingssignaal; een indicatie dat overtuiging het hier heeft gewonnen van empirische toetsing.

Een aanzienlijk deel van de markt voor alternatieve geneeswijzen drijft op een geraffineerd soort emotionele chantage. Het is een parallel universum waarin anekdotisch bewijs de status van universele waarheid krijgt en klinische trials worden weggezet als complotten van de farmaceutische industrie. Men koopt geen werkzaam bestanddeel; men koopt een narratief. Een warm bad van holistische empathie waarin kritisch denken langzaam wegspoelt.

Het tragische mechanisme achter deze wildgroei is onveranderd: de parasitaire symbiose tussen de charlatan en de wanhopige. Wanneer het reguliere medische circuit de harde waarheid spreekt – dat een aandoening chronisch is, of dat de wetenschap eenvoudigweg nog geen antwoord heeft – springt de alternatieve markt in het gat. Waar de wetenschap nuance en onzekerheid biedt, biedt de kwakzalver absolute zekerheid. Het is een verdienmodel dat floreert bij de gratie van menselijke kwetsbaarheid: hoe zwakker de patiënt, hoe sneller de bankrekening wordt geplunderd voor suikerpillen, trillingstherapieën of energetisch opgeladen bronwater.

In dit ‘post-truthlandschap’, waarin sociale media functioneren als een hogedrukspuit voor desinformatie, voelt de strijd tegen de onzin steeds vaker als dweilen met de kraan open. Wie probeert de ratio te verdedigen, staat al snel te boek als een kille dogmaticus zonder hart. Ik vraag me steeds vaker af hoe de Vereniging tegen de Kwakzalverij zich in deze storm staande houdt. Even controleren dus.

Het is met de vereniging zelf, historisch bezien, opvallend stabiel gesteld; ze doet nog precies waarvoor ze in 1881 werd opgericht. De oudste sceptische organisatie ter wereld opereert nog steeds zonder subsidie, gedragen door zo’n 1800 à 2000 hardnekkige leden die weigeren te buigen voor de waan van de dag. Onder leiding van voorzitter Freek van Sluijs blijft de vereniging met vlijmscherpe pen en juridische procedures de barricaden opgaan.

Hun actieradius is onverminderd breed en de munitie nog lang niet uitgeput. Hun jaarlijkse satirische schandpaal, de Meester Kackadorisprijs, blijft een effectief wapen. Onlangs nog verschenen instituten zoals Amsterdam UMC op de longlist vanwege het faciliteren van acupunctuuronderzoek bij kinderen; een pijnlijk bewijs dat zelfs de academische wereld de poorten voor pseudowetenschap soms wagenwijd openzet onder het mom van ‘complementaire zorg’.

De vereniging schroomt bovendien niet om door te pakken waar het gevaarlijk wordt. Zo eiste zij recent strafrechtelijke vervolging van een arts die op grote schaal onbewezen behandelingen met navelstrengbloed uitvoerde bij kinderen. De ironie is dat de VtdK in het huidige tijdsgewricht feller wordt aangevallen dan ooit. De gevestigde orde sust dergelijke ontwikkelingen graag met termen als ‘integrative medicine’; een eufemisme waarmee men probeert bewezen geneeskunde te vermengen met magisch denken; alsof je een glas helder water verbetert door er een lepel rioolwater in te roeren.

De vereniging strijdt niet tegen spiritueel ingestelde mensen als individu, maar tegen de institutionalisering van volksverlakkerij. Hoewel de vereniging zelf springlevend is, ervaar ik in het publieke domein steeds vaker hoe eenzaam het rationele standpunt kan zijn. Dat lijkt mij het logische gevolg van een maatschappij die ‘gevoel’ heeft verheven tot ultieme graadmeter van de werkelijkheid. Zolang irrationaliteit zich als zorg blijft vermommen, is er sprake van een achterhoedegevecht; maar wel een noodzakelijk gevecht, uit respect voor de volksgezondheid én de intellectuele hygiëne.

Flaneren met Wittgenstein

Over mode-filosofie en de logica van het sadistische universum.

De Tractatus was zo’n boek waarmee ik vroeger liep te pronken zoals anderen met een Louis Vuitton of de Gazzetta dello Sport. De taalfilosoof draait zich nu misschien om in zijn graf vanwege mijn onzuivere woordgebruik. Pronken met een dure handtas behoort tot een andere categorie; daar draait alles om geld en status. En die beroemde roze sportkrant? Die trok weliswaar aandacht, maar dan van een publiek dat mij volkomen koud liet. Bovendien wordt alles in die krant door de lezer gespeld. Bij Wittgensteins beruchte werk lag dat anders. Ik kon de eerste zin citeren en kende ook de legendarische uitsmijter: “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.” Een prachtig ironisch credo voor iemand die het boek vooral gebruikte om indruk te maken. Steeds opnieuw probeerde ik het te begrijpen, maar mijn werkelijke kennis kwam uiteindelijk uit secundaire bronnen. Willem Frederik Hermans bewees als vertaler het wél volledig te hebben doorgrond. Door zijn lens werd de Tractatus Logico-Philosophicus bijna onaantastbaar.

Hermans had een broertje dood aan ‘gezwam’. In de Tractatus vond hij de ultieme munitie tegen de zweverige naoorlogse ethiek en religie. Voor hem was Wittgenstein een opruimdienst. De beroemde stelling 7 vertaalde Hermans als: “Houd je kop als je niet weet waar je het over hebt”. Het is ironisch dat ik het werk als mode-item gebruikte, terwijl Hermans het inzette als een vlijmscherp scalpel. In zijn essaybundel Het sadistische universum presenteert hij Wittgenstein als de enige die de wereld werkelijk durft te zien als een verzameling feiten, los van menselijke moraal. Wittgenstein vond dat de meeste mensen hem niet hadden begrepen. Zelfs Bertrand Russell kreeg er, afgaande op de inleiding tot de engelse vertaling, verbaal van langs. Dat ik enkel de eerste en laatste zin kende, maakte mij in zekere zin een eerlijker lezer dan degenen die deden alsof ze de logische proposities wisten te doorgronden.

Ik gebruikte de Tractatus niet alleen om indruk te maken, maar ook in de hoop de sleutel te vinden die Hermans erin leek te hebben ontdekt. Waar ik verdwaalde in de mist van logische proposities, gebruikte hij de Tractatus als een vlijmscherp scalpel. De beroemde slotzin van Wittgenstein hanteerde Hermans niet als een bescheiden advies, maar als een intellectueel executiepeloton. Alles wat naar metafysica, morele verheffing of spiritueel gezwets rook, werd door hem zonder pardon als gezwam terzijde geschoven.

In zijn essays hield hij Wittgenstein omhoog als een stopbord tegen vaagtaal. Wie begon over ‘de zin van het leven’ of ‘de schoonheid van de ziel’, maakte zich volgens hem schuldig aan intellectuele oplichting. Hermans was daardoor bijna ‘bulletproof’: hij verschanste zich achter een muur van logische onwrikbaarheid. De wereld bestond uit feiten, niet uit verborgen bedoelingen of goddelijke plannen. Voor iemand als ik, die allergisch is voor elke zweem van spirituele mistvorming, had dat wereldbeeld iets bevrijdends, al ging er ook een ijzige kilte van uit.

Die fascinatie sijpelde door in zijn romans. In Nooit meer slapen probeert Alfred Issendorf wanhopig de werkelijkheid met kennis, kaarten en metingen te bedwingen, maar juist daarin gaat hij ten onder. Hij struikelt niet alleen over stenen in Finnmark, maar ook over het onvermogen van taal en logica om de chaos van de werkelijkheid volledig vast te leggen. In De donkere kamer van Damokles wordt waarheid zelfs zo rekbaar dat feiten en interpretaties niet langer van elkaar te scheiden zijn. Alsof Hermans uiteindelijk moest erkennen dat Wittgensteins logische vestingwerk toch scheuren vertoonde zodra echte mensen, oorlogen en angsten het betraden.

De ironie blijft dat ik de Tractatus onder mijn arm klemde om erbij te horen, terwijl Hermans het gebruikte om anderen buiten te sluiten. Mijn eigen ‘mislukking’ – niet verder komen dan de eerste en laatste zin – is misschien wel de eerlijkste verhouding die ik ooit met het boek heb gehad. Wittgenstein schreef dat men de ladder moest wegwerpen nadat men haar had beklommen. Ik had die ladder nooit echt beklommen, maar ik poseerde er wel mee. Misschien schuilt juist daarin iets wezenlijk menselijks: de onbedwingbare neiging om de stilte toch weer met woorden te vullen, zelfs wanneer we diep vanbinnen weten dat we eigenlijk zouden moeten zwijgen.

Lezersreactie:
Ik denk eerlijk gezegd niet dat Hermans Wittgenstein echt heeft begrepen, maar dat hij de taalfilosoof vooral exploiteerde voor zijn eigen project: het ontmaskeren van de menselijke moraal als een verzameling misverstanden. Voor hem was de zwijgplicht uit de laatste zin van de Tractatus louter het ultieme wapen om de Nederlandse literatuur te zuiveren van wat hij ‘het vage, het ethische en het zalvende’ noemde.

Mijn antwoord:
Tja, we zullen nooit weten of Wittgenstein W.F. Hermans niet ook had bekritiseerd als de taalfilosoof het werk, de uitspraken en de vertaling van de Nederlandse schrijver had gekend. Hermans heeft in een interview alle filosofie als een vorm van bellettrie bestempeld. Dat was niet vlijend bedoeld en het is niet duidelijk of die kwalificatie ook voor de Tractatus gold. In ieder geval maakte hij dankbaar gebruik van de reputatie van Wittgenstein en diens boek; namelijk dat zij onaantastbaar autoritair waren.
Waar tijdgenoten zich overgaven aan psychologische duidingen of morele verheffing, sneed Hermans alles weg wat niet aan de strikte eisen van de logica voldeed. Hij vond dat wie de taal misbruikte om over onbewijsbare zaken te spreken, zich schuldig maakte aan intellectuele oplichting. Het maakte hem tot de meest gevreesde polemist van zijn tijd. Hermans’ wereldbeeld was dat van de technocraat en de geoloog: de natuur is er, de feiten liggen vast, en elke menselijke poging om daar een hogere betekenis aan te geven is gedoemd te mislukken.
Wetenschappelijk gezien is de Tractatus een poging om de taal te zuiveren tot een instrument dat enkel nog de werkelijkheid spiegelt. Voor Hermans was dat de enige legitieme vorm van schrijven. Omdat mensen niet kunnen zwijgen over zaken waarover ze niets weten, ontstaat er een ‘sadistisch universum’ waarin iedereen elkaar met woorden bedriegt. Hermans bewees daarmee dat Wittgenstein weliswaar gelijk had dat we moesten zwijgen, maar dat de menselijke natuur te ijdel en te angstig is om dat ook daadwerkelijk te doen. Hij dreef de spot met die onbedwingbare drang om de stilte te vullen met onzin; een drang waar ik, met mijn boek onder de arm op zoek naar status, me ook een beetje schuldig aan maakte.
Het maakt mij eerlijk gezegd niet zoveel uit of Hermans Wittgenstein helemaal bevatte. De filosoof heeft hem in ieder geval uitgedaagd om de uiterste consequentie van de feitelijkheid op te zoeken. Waar anderen de leegte tussen de feiten opvullen met spiritueel cement of morele troost, dreef Hermans de spot met die vluchtwegen. Hij eiste, net als Wittgenstein, dat we de wereld onder ogen zagen zoals ze is: een verzameling feiten die onze taal weliswaar kan spiegelen, maar die zich verder niets van ons aantrekt.
Voor Hermans was die begrenzing van de taal geen beperking, maar een morele plicht. Hij wilde dat we stopten met het uitwisselen van ‘gezwam’ en terugkeerden naar een verstandige, zuivere uitwisseling over datgene wat wél vaststaat. Of hij de logische formules nu tot in de finesses doorgrondde of niet; hij begreep de provocatie van de Tractatus als geen ander: durf te zwijgen over wat je niet weet, zodat wat je wél zegt, eindelijk weer gewicht krijgt. In die zin was hij geen nihilist, maar een radicale realist die de ladder van Wittgenstein beklom om het uitzicht op de kale, onversierde waarheid te kunnen verdedigen.

Verplaatsing bij eenparige beweging

Natuurkundeformules → Mechanica → Kinetica → Verplaatsing bij eenparige beweging.

Niet lang geleden begaf ik mij onder de kunstzinnige elite. De ‘opperstalmeester’, alsook de tentoongestelde werken, ontketenden breedvoerige reflecties aangaande de tegenstelling tussen immobiliteit en dynamiek; een discours waarin abstracte stellingen de feitelijke bewijslast overschaduwden. Als rationele tegenhanger van deze metaforische bespiegelingen presenteer ik een mathematische vergelijking die de mechanische werkelijkheid ontsluit. Zie het als een oproep met een knipoog om de poëtische vrijheden even terzijde te schuiven. Hieronder worden de principes van de kinematica uiteengezet. Deze impliceren logischerwijs ook de hoedanigheid van rust; stilstand is per slot van rekening slechts een verplaatsing met een snelheidswaarde \boldsymbol{v = 0}. Na onze eerdere focus op de meest basale bouwsteen – de verplaatsing op zichzelf – richt de onderstaande formule zich op de afstand bij een constante snelheid.

Nadat we de basis van verplaatsing (displacement) hebben gelegd, kijken we nu naar de meest eenvoudige vorm van beweging binnen de kinetica: de eenparige beweging (uniform motion). Hierbij is de snelheid constant (v = constant); er is dus geen versnelling.

Op Nederlandse middelbare scholen wordt \huge\boldsymbol{s(t) = vt} toegepast (zie de Binas er maar op na), maar in ISO-standaardtaal gebruiken we:

\huge\boldsymbol{\Delta x = v \cdot t}

(Uitspraak: Delta x equals v times t)

Specificatie van de variabelen binnen de vergelijking:

  • \boldsymbol{\Delta x} (Displacement): De verandering in positie (meter, m).
  • \boldsymbol{v} (Velocity): De constante snelheid in een specifieke richting (meter per seconde, m/s).
  • \boldsymbol{t} (Time interval): De verstreken tijd (seconde, s).

Bij een uniform motion (eenparige beweging) legt een object in gelijke tijdsintervallen gelijke afstanden af. Wetenschappelijk gezien is dit een lineair verband. Als je deze formule ombouwt naar \huge\boldsymbol{v = \frac{\Delta x}{t}}, zie je dat de snelheid niets anders is dan de hellingshoek (gradient) van de positie-tijdfunctie.

In de Binas-notatie zie je \huge\boldsymbol{s}, maar door vast te houden aan \huge\Delta \boldsymbol{x} valt meteen op dat we werken binnen een coördinatenstelsel. Dit is essentieel zodra we objecten gaan bestuderen die niet bij de oorsprong (\boldsymbol{0}) beginnen.

Verplaatsing (displacement)

Natuurkundeformules (vergelijkingen, equations) → mechanica (mechanics) → kinematica (kinematics) → verplaatsing (displacement).

Onlangs verkeerde ik in een kring van creatievelingen. Tijdens de finissage ontspon zich een discussie omtrent de dualiteit van rust en dynamiek; daarbij overtrof de retoriek niet zelden de feitelijke onderbouwing. Als nuchter tegengewicht voor deze subjectieve interpretaties presenteer ik (met schaamteloze arrogantie) een mathematisch model dat de wetten van de fysica verduidelijkt. Hieronder staan de grondbeginselen van de kinetica beschreven. Deze bevatten onvermijdelijk ook een omschrijving van inertie; immobiliteit is tenslotte niets anders dan een verplaatsing waarbij de snelheid \boldsymbol{v=0} bedraagt. Mijn eerdere uiteenzetting over de ‘eenparig versnelde beweging vanuit stilstand’ leidde tot verzoeken om toelichting. Dat lijkt me billijk. Wellicht was het beter geweest om te starten bij de meest elementaire hoeksteen van de mechanica: de verplaatsing op zich. Ik ga ervan uit dat de nu volgende formule voor eenieder volkomen transparant is.

In de mechanica is de meest fundamentele bouwsteen het bepalen van de positieverandering van een object. We noemen dit de verplaatsing (displacement). In tegenstelling tot de afgelegde weg (distance), houdt displacement rekening met de richting; het is een vectorgrootheid.

\huge\boldsymbol{\Delta x = x_f - x_i}

(Uitspraak: “Delta x equals x sub f minus x sub i.”)

Specificatie van de variabelen van de formule:

  • \boldsymbol{\Delta x} (Displacement): De netto verandering van positie (uitgedrukt in meters, m).
  • \boldsymbol{x_f} (Final position): De eindpositie van het object ten opzichte van de oorsprong.
  • \boldsymbol{x_i} (Initial position): De beginpositie van het object ten opzichte van de oorsprong.

De vergelijking voor displacement is de essentie van de rechtlijnige beweging. Het symbool \boldsymbol{\Delta} (de Griekse hoofdletter Delta) staat in de wetenschap altijd voor ‘verandering’.

Het cruciale verschil tussen distance en displacement is dat de displacement negatief kan zijn. Als een deeltje begint op \boldsymbol{x = 10} en eindigt op \boldsymbol{ x = 2}, dan is de displacement:

\huge \boldsymbol{2 - 10 = -8}

Dit negatieve getal vertelt ons niet alleen hoe ver het object is bewogen, maar ook dat het in de negatieve richting op de x-as is gegaan. Dit onderscheid is essentieel voor de verdere berekening van de velocity (snelheid met richting).

Aan de polymath in het park

Van wereldwijs en wetenswaardig naar wetmatig.

Ik verberg je voornaam achter deze kleine letter uit respect. De m staat voor massa als een extreem geconcentreerde vorm van energie; zij vormt het fundament van alles wat tastbaar is, terwijl de reflectie daarvan bepaalt wat wij uiteindelijk zien. Nadat ik onaangekondigd bij je had aangeklopt namen we plaats aan de tafel voor je huis. Steeds wanneer ons gesprek op een onderwerp uitkwam dat voortvloeide uit jouw belezenheid, bleek daar iets bij te horen; een dierbaar bezit dat je binnen bewaarde en naar buiten bracht. Zo toonde je me het horloge van wijlen je vader (of was het de Pontiac van je opa?). Je had het onlangs gekregen van je tante bij een bezoek aan Katwijk, waar een deel van je familie woont.

Ik schrijf je dit omdat onze ontmoeting, daar aan die tafel in het park, in mij bleef resoneren. Je bent voor mij de “entiteit met het grootste associërende vermogen” die ik persoonlijk ken. Ik heb je ook “een vulkaan in rommelende rust” genoemd, die, zodra de as van de dagelijkse stilte wordt weggeblazen, een magma aan kennis en anekdotes over de bezoeker uitstort. Ergens anders noemde ik je “een menselijke deeltjesversneller” bij wie de kleinste herinnering tot bijna lichtsnelheid wordt opgejaagd totdat deze botst met een nieuw inzicht. Dat is uiteraard beeldspraak, een stijlvorm die me eigenlijk niet past. Metaforen zijn meer jouw manier van naar de wereld kijken, van communiceren en de chaos ordenen.

Je sprak die middag over je “val uit de causaliteit” rond je achttiende; een breuklijn in je persoonlijke tijdsbeleving waaraan je onlangs werd herinnerd bij het zien van de film The Sound of Falling. Het was alsof je aan die rand van je volwassenheid de zwaartekracht van oorzaak en gevolg voor het eerst werkelijk voelde. Terwijl je me door je stereoscoop liet turen naar de driedimensionale diepte van Napels en Venetië – beelden waarin de ruimte tastbaar werd maar de tijd bevroor – strooide je met tijdsbegrippen die ik nog steeds probeer te ordenen. Het was precies daar, terwijl we vanuit eigen stilstand door die kijker naar statische werelden staarden, dat je met het begrip ‘interpassiviteit’ op de proppen kwam.

Ik begreep dat je hiermee aan Robert Pfaller of wellicht Slavoj Žižek refereerde; die vreemde paradox waarbij de handeling van het genieten of het ervaren wordt uitbesteed aan een object, waardoor wij zelf lethargisch kunnen blijven. Het turen door die lenzen en dia’s zou de ultieme metafoor kunnen zijn (misschien bedoelde jij dat ook zo): de kijker ‘ziet’ de diepte voor ons, wij consumeren slechts de illusie. Het is een fascinerende gedachte dat wij, in onze drang naar ervaring, steeds vaker apparaten laten dromen in onze plaats. In dit geval betrof het een heel ‘lief’ apparaat, want oud en vervaardigd met degelijke Duitse precisie.

Wat me werkelijk fascineert, zijn de Latijnse woorden die je op je huis hebt geschreven en in de bast van een boom hebt gekerfd. Aan de ene kant is er het Nunc Fluens, het stromende nu dat vluchtig wegglipt en de tijd creëert (‘nunc fluens facit tempus’). Maar jij raakt duidelijk meer in de ban van een kwaliteit die gedragen wordt door het Nunc Stans: het staande (onveranderlijke) nu. Je citeert graag het ‘nunc stans facit aeternitatem’ (het staande nu maakt de eeuwigheid). Voor Boëthius was dat de perfecte, gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven; een moment dat niet voorbijgaat maar alle tijd omvat. Het tijdloze heden bevat tegelijkertijd alle momenten.

Zoiets internaliseer ik misschien alleen maar met wietboter op mijn paasbroodje. Thuisgekomen voelde ik de dwingende behoefte aan ordening en een nuchter, maar geenszins ontnuchterend, tegenwicht. Want hoe eloquent je ook spreekt over die spirituele eeuwigheid, mijn visie op ‘ruimtetijd’ hecht meer aan kwantitatieve wetmatigheden en analytische bewijsvoering die ik op school en door latere zelfstudie heb geleerd. Ik zoek de eeuwigheid niet in drugsgerelateerde, metafysische of serendipitaire ervaringen, maar in de onveranderlijke natuurconstanten. Dat is mijn mathematische geraamte.

Ik moet bekennen dat ik het kwadrateren tot precies de tweede macht in E=mc² lang niet goed begreep. Ik dacht dat die ‘2‘ een soort kunstmatige ingreep was om de vergelijking in balans te houden. Maar ik ontdekte – ook zo rond mijn achtiende – dat het geen menselijke afspraak is, zoals de 100 graden waarbij water kookt. Die ‘2‘ vloeit voort uit de diepe symmetrie van ons universum. De lichtsnelheid c is niet zomaar een snelheid, maar de koppeling tussen afstand en tijd. Zodra we het ruimtetijd-interval berekenen (s² = (ct)² – x² – y² – z²), volgt de noodzaak om c te kwadrateren; alleen zo rijmt de tijdseenheid met de afstand.

Dit kwadraat fungeert als een geometrische hoeksteen en definieert het vlak binnen de vierdimensionale ruimtetijd, vergelijkbaar met hoe de oppervlakte van een vierkant steevast ‘zijde kwadraat’ dicteert. Hier schuilt geen esoterisch gedoe achter, maar een pure wiskundige blauwdruk. Mocht dat kwadraat ook maar een fractie afwijken – zeg naar 2,00001 – dan zouden sterren weigeren te branden en de chemie die ons leven mogelijk maakt simpelweg niet bestaan. In de deeltjesversnellers van het CERN levert men dagelijks het bewijs voor deze onverbiddelijke precisie, tot ver achter de komma. Die ‘magie’ van de natuurwetenschap gaf mij een euforie die misschien wel lijkt op wat jij voelt bij je Nunc Stans.

Voor mij is de symmetrie in tijd (behoud van energie) en ruimte (behoud van impuls) de werkelijke ‘eeuwigheid’. Het universum is een uiterst efficiënte boekhouder; elke gram die verdwijnt, verschijnt elders als energie, precies volgens de regels van de calculus. Fysici als Erik Verlinde suggereren zelfs dat tijd een emergent verschijnsel is; een illusie die opborrelt uit een tijdloos heelal. Zij gebruiken een metafoor die jou moet aanspreken: het heelal als een roman. In een dichtgeslagen boek staan alle gebeurtenissen – onze jeugd en onze gesprekken aan de tafel – er al. Tegelijkertijd. Tussen de kaften is de tijd statisch.

Dat lijkt mijn wetenschappelijke vertaling van jouw ‘staande nu’ vriendschappelijk in jouw richting te bewegen. Ik schrijf je dit niet om je Latijnse begrippen of je liefde voor Tao of Jung onderuit te halen, maar om mijn observatie met je te delen dat de kil overkomende natuurkunde wellicht uitkomt bij iets dat verdacht veel weg heeft van jouw visie. We zijn blijkbaar allemaal onderdeel van het gedeelde geheugen van een informatieverwerkend universum. De tijd stroomt misschien wel, maar alleen omdat wij weigeren het boek dicht te slaan. En zolang het boek openligt, geniet ik van de voetnoten die jij eraan toevoegt.

Met een vriendschappelijke groet, Ronald

Grab ‘Em by the Frontal Lobe

About The Trivialization of Psychiatry

Toen Jeffrey Lieberman in 2015 zijn veelgeprezen werk Shrinks: The Untold Story of Psychiatry publiceerde, vierde hij de triomf van de rede. De psychiatrie was volgens hem eindelijk ontsnapt aan de schaduw van de pseudowetenschap en stevig verankerd in de medische biologie. Nu, ruim tien jaar later, concludeert Ronda Nolan Vernon in haar provocerende nieuwe boek dat die overwinning van korte duur was. In Grab ‘Em by the Frontal Lobe beschrijft zij hoe de moderne psychiatrie niet alleen wordt bedreigd door kwakzalvers, maar zelfs door een heel politiek regime dat de biologische fundamenten van het menselijk handelen banaliseert.

Vernon gebruikt Liebermans geschiedenis van de psychiatrie als een pijnlijk contrastmiddel. Waar Lieberman beschreef hoe we leerden de hersenen te begrijpen, beschrijft Vernon hoe we die kennis nu doelbewust laten verwateren. De titel is een vlijmscherpe knipoog naar de beruchte uitspraak van Donald Trump, maar Vernon geeft er een neurologische draai aan: de huidige machthebbers hebben niet alleen de sociale omgangsvormen gegrepen, ze hebben een greep gedaan naar de frontaalkwab van de natie.

Het centrale argument van Vernon is dat de banalisering van de psychiatrie onder het regime van Trump en zijn ministerie van Gezondheidszorg een systematische aanval is op de functies van de prefrontale cortex. Zij stelt dat de “onkundige benadering” van de overheid de psychiatrie heeft gereduceerd tot een triviaal instrument:

  • De normalisering van ontremming: De frontaalkwab is de zetel van onze inhibitie en impulsbeheersing. Vernon betoogt dat wanneer de hoogste leider van een land pathologische ontremming etaleert, de psychiatrie voor een onmogelijke keuze komt te staan: diagnosticeren we dit gedrag, of normaliseren we het? Door te kiezen voor het laatste, is de psychiatrie als medisch specialisme in een vrije val geraakt.
  • Wetenschappelijke uitholling: Vernon geeft ontluisterende voorbeelden van hoe het ministerie van Gezondheidszorg psychiatrische expertise negeert ten gunste van populistische retoriek. De complexe biologie van de frontaalkwab — verantwoordelijk voor planning en moraliteit — wordt door de overheid weggezet als “elitaire wetenschap”. Hiermee wordt de psychiatrie teruggeduwd in de hoek van de subjectieve mening, precies waar Lieberman het vakgebied uit wilde trekken.
  • De banalisering van pathologie: Wanneer klinische termen als “narcisme” of “cognitieve dissonantie” dagelijks op Twitter worden rondgeslingerd door onkundige politici, verliezen ze hun medische gewicht. Vernon toont aan dat dit leidt tot een tragische devaluatie van de zorg voor de patiënten die Lieberman voor ogen had: de mensen met werkelijke, invaliderende neurologische aandoeningen.

Grab ‘Em by the Frontal Lobe is een vlammend pleidooi voor de bescherming van de ratio. Vernon laat zien dat de psychiatrie niet kan overleven in een politiek klimaat dat de functies van de frontaalkwab — logica, empathie en zelfbeheersing — actief ondermijnt. Het is een boek dat de lezer dwingt om opnieuw naar de hersenen te kijken: niet alleen als een verzameling cellen, maar als het laatste bastion tegen een regime dat de waarheid banaliseert.

Zoals Lieberman de opkomst van de psychiatrie beschreef, zo beschrijft Vernon de belegering ervan. Het resultaat is even briljant als verontrustend.

Vernon, R. D. (2026). Grab ‘em by the frontal lobe: About the trivialization of psychiatry. Cum Suis Publishers.

Waar het heilige vervloog

Laat het aardse het sacrale overal met zachte hand de deur uit begeleiden.

In een populaire, laagdrempelige vorm fungeert de bekendste heilige van Nederland – protagonist van de pakjesbezorging die daags voor zijn verjaardag nog overuren draait – als voorbeeld van hoe een goed, rechtvaardig of barmhartig leven eruit kan zien. De scheidslijn tussen religie en volksgeloof is altijd poreus geweest. In de hele geschiedenis liepen heiligenverering, legendevorming, volksverhalen en religieuze overtuigingen voortdurend door elkaar. Veel “echte” heiligen zijn doordrenkt van mythologische elementen, en veel volksfiguren vinden hun oorsprong in religieuze tradities. Sinterklaas is hiervan simpelweg een modern voorbeeld. Het kinderfeest heeft niet dezelfde sacrale status als heiligen die onderdeel zijn van liturgie en doctrine, maar dat zijn culturele scheidslijnen, geen wezenlijke. Zoals ieder weldenkend mens weet, berust het heilige op menselijke verbeelding, niet op bovennatuurlijk bewijs.

In alle gevallen draait het om de projectie van idealen. Zowel heiligen als de goedheiligman fungeren als dragers van goedheid, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en bescherming van zwakken. De een is ernstig verpakt, de ander feestelijk, maar de psychologie erachter – het verlangen naar belichaamde goedheid – is identiek. Het grote onderscheid dat gelovigen maken is cultureel en theologisch, niet historisch of psychologisch. De goedheiligman is een heilige in verhalende, verwereldlijkte vorm. De afstand zit vooral in de manier waarop we de figuur benaderen, niet in zijn oorsprong of functie. Uiteindelijk komt het heilige voort uit de mens zelf: zijn neiging tot verbeelding, tot zingeving, en – niet zelden – tot het creëren van symbolen die autoriteit en macht legitimeren.

Maar waarom begon ik hier eigenlijk over? Omdat ik zelf een postbezorger ben? Misschien omdat het thema van heiligheid — echt of verzonnen — de laatste tijd onverwacht vaak op mijn pad kwam. De afgelopen weken werd ik geconfronteerd met verschillende vormen van geloofsbeleving. Niet in een grote theologische discussie (want daartoe ben ik niet bij machte), maar in kleine, terloopse momenten: een opmerking, een ontmoeting, een tekst waarop mijn oog viel. De herinneringen die dat losmaakten bleven zich vermenigvuldigen. Ik moest denken aan zoekers die ik heb gekend, die geworsteld hebben met hun geloof, die houvast zochten, het vonden, het weer verloren, of zich er juist heel stevig aan vastklampten. Dat alles begon zich te roeren, alsof er een lade werd opengetrokken die ik lang geleden had dichtgeschoven.

En dus begon ik te schrijven. Fragmenten, losse gedachten, schetsen. Ik voelde dat het richting een essay ging en maakte daar ook esthetisch werk van; ik pretendeer tenslotte ook uitgever te zijn. De uiterlijke vormgeving liep vooruit op de inhoud, zoals dat meestal gaat bij mij. En toen, ergens halverwege, kwam ik vast te zitten. Mijn kennis van religie schoot tekort; ik voelde dat ik op drijfzand stond. Op dat moment leek het me verstandig om niet door te duwen, maar eerst grond te zoeken. Niet door mezelf nog meer woorden te laten produceren, maar juist door mijn woorden even te laten zwijgen. En dus greep ik naar een boek van een ander. Een stevig boek, een kritisch boek: The God Delusion van Richard Dawkins. Ik vond het tijd worden om het weer eens grondig te herlezen; om wat lucht, structuur en tegenwicht te vinden.

Vanuit die combinatie van confrontaties, herinneringen, zoeken en lezen, ontstond het thema van vandaag. Want ja, het is vrijdagmiddag. En op vrijdagmiddag vieren we VrijMiPo, onze Vrijdagmiddag Poëzie. Iedere week rond een ander thema, en het kon eigenlijk niet uitblijven dat ooit het geloof aan de beurt zou zijn. Dus welkom in dit denkbeeldige kerktheater, een plek die niet gewijd is en vrij kan ademen, waardoor er ruimte ontstaat voor lichtheid. Een ruimte waar de onwrikbare, soms benauwende ernst van een kerkbankverleden botst met de open, rumoerige levendigheid van een poëziepodium. Hier leken het heilige en het alledaagse elkaar heel even te dulden, tot het heilige tenslotte vervloog; en dat was eerlijk gezegd een bevrijding. Misschien zou het overal zo moeten gaan: dat het aardse het sacrale langzaam maar beslist naar de achtergrond dringt.

Ik zadel u op met drie gedichten die steeds iets anders aanraken van hetzelfde. De conclusie is in alle gevallen hoopvol, tenminste als je bereid bent geloof te zien voor wat het vaak is: een excuus, een aanjager en een dekmantel. Laat even los wat geloof voor u betekent, of juist niet betekent. Laat de middag binnenkomen. Laat de woorden hun eigen weg zoeken.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Een zondag in Lagorce

De kerk is uit, de boeren worden jagers, en schieten
offervaardig een rustdag aan flarden.

Verdreven vogels vluchten in de toren, maar de koster
houdt geen schuilkerk voor vluchtelingen.

Voor zijn late dienst hangt hij zelf in de touwen.
En zie: het regent lood.

De mannen hebben schik om wat hun voor
de loop komt van godswege.

©Ronald van Noorden in De Toverhazelaar | ©2011 Uitgeverij Augustus, ISBN: 9789045705385

Ondergraving

Onze spatels reiken dieper dan het slijk
waarnaar wij ketters ons begeven.
Wij leggen bloot: de toedracht rond een lijk;
dat wil de kerk ons niet vergeven.

Waarheid lag in brokstukken te wachten.
Weten wil vooruit en kent geen grens.
Ons spitwerk ondergroef de wens
die vader was van één gedachte.

Geleerden die ons leerden te wantrouwen,
verkozen weten boven beterweten,
en lieten ons dat bot voor bot herkauwen.

Je hoort ze aan, de bange exegeten,
die hun god de schepping toevertrouwen,
maar ondertussen ga je door met meten.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Novice de Chartres

In het om hem heen gebouwd theater
waar wierook brandde voor de sfeerverhoging
was hij die avond voor zijn gevoel
wel driemaal getrouwd en gescheiden.

Hij verlangde naar buiten. Neukte stiekem,
dus moeizaam en schrijnend, tussen
persoonlijk ontheiligd marmer, onverklaard
blijvende stigmata in zijn lamswollen pijen.

Steeds bevreesder dat z’n lul van z’n lichaam
zou vallen, werd het tijd voor een list
of een wonder; aldus verklaarde hij
zich op de valreep ongelovig.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Conny Braam sprak

Maar over één ding was zij niet te spreken.

En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.

Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”

Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.

Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.

Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.

Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.

Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.

Het ontzielde voertuig

Eenmaal boven water liet ik Beke’s amfibieboot snel weer varen.

Er zijn van die momenten die je doen beseffen hoe schimmig tijd en herinnering soms samenwerken. Neem een berichtje op de ‘Bea-app’, de online stoep van onze straat, cq ons digitale buurthuis, waar prangende vragen worden gesteld. Plotseling dook daar een naam op: een hoofdpersonage uit iemands jeugd, dat ik óók kende. Dat wil zeggen: ik kende de hoofdpersoon, maar zo vaag, dat ik die nooit als vergeten zou hebben bestempeld.

De hulpvraag op de straatapp van de één en het antwoord van de ander greep de pastoor aan om te illustreren hoe menselijke goedheid altijd boven komt drijven. Hij sprak van het voertuig van de ziel waarmee soms ook onze verbeelding zich verplaatst. Terwijl ik alleen een amfibievoertuig wilde zien waarover werd gesproken. Pastoors weten dat zodra het mysterie wordt ontrafeld en het prozaïsch blijkt te zijn, de magie wegebt. Van dergelijke ontnuchteringen raakt het geloof in verval.

Het ging de zoeker trouwens om meer dan alleen maar een naam van een detective. Er hoorde ook een vervoermiddel bij. Hij formuleerde zijn zoekvraag zo:

Ik meen me te herinneren dat ik in mijn jeugd (eind jaren zestig moet dat zijn geweest), een detectiveserie heb gelezen die zich afspeelde aan de Veluwezoom. En als ik mij goed herinner, had de hoofdpersoon een amfibievoertuig. Doet dit misschien bij iemand een belletje rinkelen? Ik ben op internet aan het zoeken geweest, maar het resultaat daar is precies nul.

Een andere straatgenoot vond het antwoord. Zij noemde De schrik van de Imbosch van Carel Beke. Hierin speelt Pim Pandoer de hoofdrol. Voor mij was het verhaal net begonnen – namelijk met de zoektocht van de één – en nog lang niet geëindigd met de hulpvaardigheid van de ander, die een afbeelding van de voorkant van het boek deelde. Ik wilde die kaft meteen omslaan en beginnen met lezen. Dat amfibievoertuig moest ik zien. Ik wist op dat moment zeker dat ik niet verder kon voordat ik dat voertuig onder ogen had gekregen.

Tegelijkertijd begon er in mijn hoofd een stem te preken. Dat gebeurt wel vaker, maakt u zich geen zorgen. Het was pastoor Pim Pandoer. Hij sprak vanuit het buurthuis, dat opeens in een kerkje was veranderd.

“Wat hier gebeurde,” zei hij, “was iets heel bijzonders. Het gaat mij niet om het boek zelf, hoewel dat natuurlijk een schat aan jeugdsentiment herbergt: een detectiveverhaal dat zich afspeelt tussen de bossen en heuvels van de Veluwezoom, een amfibievoertuig dat door de modder ploegt alsof het een tijdmachine is. Het gaat mij om de hulpvaardigheid; de simpele, onvoorwaardelijke bereidheid van een medemens om te helpen.”

Dat kan wel zijn, wilde ik antwoorden, maar ik ben nu op een spoor gezet dat voor mij veel concreter is. Een twee-elementenvoertuig om een beetje filosofisch te doen, een terra-aqua-wagen om mij wat Latijnser uit te drukken, een land-en-waterkar om het luchtig te houden. Het mocht niet baten. De pastoor had het woord genomen en wilde het niet meer afgeven. Zijn kerkje was een heuse kathedraal op een heuvel geworden. Hij sprak alsof hij op de kansel stond en had, voor zijn gevoel, een geweldig thema te pakken:

Denk ook aan het contrast. De zoeker heeft gezocht, misschien met veel te veel trefwoorden op internet, hopeloos verdwijnend in de zee van digitale data. En ineens, zonder enige beloning behalve de voldoening van een goed geheugen en een groot hart, komt er iemand langs die zegt: “Oh, dat is dit boek.” Klaar. Eenvoudig. Rechtstreeks. Een beetje zoals een oude speurneus die een verdwenen aanwijzing vindt die niemand anders zag.

En er zit iets ontroerends in dit soort momenten. Want wie had ooit gedacht dat de Veluwezoom en een amfibievoertuig uit de late jaren zestig, zo’n naïeve jeugdverwondering, op een digitale app in 2025 weer tot leven zouden komen? Ergens tussen emoji’s en korte zinnetjes, gebeurt iets dat je doet glimlachen. Het herinnert je eraan dat menselijke connectie geen leeftijd kent, dat herinnering collectief kan worden gedeeld, dat het plezier van een gevonden antwoord even warm kan zijn als het plezier van het originele verhaal zelf.

Jeugdsentimenten zijn een apart soort magie. Ze zijn verstopt in geuren, in geluiden, in boeken die je als kind verslond. En soms, heel soms, komen ze terug via een ander, via een onbekende helper, en voel je je even weer die tienjarige die met ingehouden adem de pagina’s omsloeg van een detective waarvan hij elk detail koesterde. Het mooie van dit alles is dat het niet gaat om snelheid of efficiëntie. Het gaat om aandacht. Om het besef: iemand leest, iemand herinnert, iemand deelt. Dat is hulpvaardigheid in haar puurste vorm. Het soort hulpvaardigheid dat niet opschept, dat niet iets terugvraagt, maar simpelweg de wereld een beetje completer maakt.

Misschien is dat wel de moraal van het verhaal: dat de wereld, zelfs in digitale vorm, soms net zo magisch kan zijn als de amfibievoertuigen van Pim Pandoer. Dat kleine gebaren, een naam, een hint, een herinnering, een correctie, een suggestie, de wereld een beetje rijker maken; en dat ze de tijd overbruggen, van de jaren zestig tot nu, van jeugd tot volwassenheid, van een vergeten avontuur tot een gevonden glimlach. En wie weet: misschien was dat boek zelf nooit zo belangrijk geweest, als het niet had geleid tot dit moment van onverwachte, eenvoudige vriendelijkheid.

Terwijl de pastoor deze woorden sprak – op de voor hem zo gezalfde wijze – had de oorspronkelijke vrager niet stilgezeten. Hij was meteen gaan zoeken op de aangereikte trefwoorden Carel Beke, De schrik van de Imbosch, Pim Pandoer en amfibievoertuig. Hij vond op Wikipedia alles wat er te weten viel. Het werd eindelijk stil in mijn hoofd. De pastoor had zijn punt gemaakt: de zegen van onderlinge hulpvaardigheid was weer eens aangetoond.

Ik las over de schrijver en zijn antagonist. Ik kreeg de voorkanten van zijn boeken te zien. Er dook een gefragmenteerd beeld op van het amfibievoertuig. In korte tijd werd alles veel prozaïscher dan ik hoopte. Zolang iets in nevelen gehuld blijft, is de aantrekkingskracht groot, de interesse gewekt, de zoektocht in volle gang. Maar wanneer de ontsluiering komt en het geheim alledaags blijkt, vervliegt de betovering. Ik was weer snel over mijn hoogtepunt heen.

De pastoor vertrouwde veel meer dan ik op de mensheid.

Hoe staat Sam Harris hierin?

Een kompas dat werkte in alle streken.

Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.

Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.

Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.

Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.

Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.

Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.

Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.

Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.

Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.

Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.

Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.

Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.

Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.