De donkere kant van Kerstmis

Matteüs en Lucas spreken elkaar op cruciale punten tegen.

Fragment uit Terug naar de roeken van het stoppelveld

De kerstverhalen zoals die jaarlijks worden verteld of opgevoerd wekken de indruk van een harmonieus en troostrijk begin: een kind in een kribbe, engelengezang, herders, wijzen, een ster. Wie echter met historisch-kritische blik naar de geboorteverhalen van Jezus kijkt, ontdekt al snel dat deze verhalen geen neutrale beschrijvingen zijn van wat er werkelijk is gebeurd, maar zorgvuldig geconstrueerde narratieven met een uitgesproken theologische agenda. En wie die verhalen serieus neemt, kan moeilijk om hun duistere kanten heen.

Matteüs en Lucas hebben elkaar vrijwel zeker niet persoonlijk ontmoet. Lucas kende het evangelie van Matteüs niet. Beiden kenden wel het evangelie van Marcus. Matteüs en Lucas gebruikten Marcus en een gedeelde bron, meestal aangeduid als Q (van Quelle, “bron”). Waar Matteüs en Lucas van elkaar verschillen, corrigeren ze elkaar niet. Ze vertellen soms volledig tegenstrijdige verhalen (zoals de geboorteverhalen). Als ze elkaar hadden gelezen, zouden ze die tegenstrijdigheden vrijwel zeker hebben gladgestreken. Ze leven dus in dezelfde periode – na de verwoesting van Jeruzalem (70 n.Chr.) en 40–60 jaar na Jezus’ dood – maar niet in hetzelfde sociale of theologische universum. Het christendom is dan nog geen aparte religie, er zijn heftige conflicten tussen Joodse groepen en Jezusvolgelingen en er bestaat geen canon, geen Nieuw Testament. Bestonden Matteüs en Lucas überhaupt? Waarschijnlijk niet zoals de traditie ze voorstelt. De evangeliën zijn anoniem geschreven. De namen “Matteüs” en “Lucas” worden pas decennia later aan de teksten gekoppeld (2e eeuw). In de teksten zelf noemen de auteurs hun eigen naam niet en claimen ze geen ooggetuige te zijn.

De evangeliën van Matteüs en Lucas zijn de enige twee die een geboorteverhaal bevatten. Marcus begint zijn evangelie met Jezus’ volwassen optreden, Johannes met een kosmische proloog over het Woord dat vlees wordt. Dat alleen al is veelzeggend. De geboorteverhalen zijn geen vanzelfsprekend onderdeel van de vroegste christelijke verkondiging, maar een latere en specifieke manier om iets te zeggen over wie Jezus is.

De evangeliën worden vaak omschreven als een vorm van antieke biografie. Dat is op zichzelf juist, maar misleidend als men daar moderne verwachtingen aan koppelt. Antieke biografen beschikten niet over archieven, databanken of systematisch bronmateriaal. Zij schreven vanuit overlevering, interpretatie en overtuiging. Dat betekent niet noodzakelijk dat zij bewust fictie schreven, maar wel dat historische nauwkeurigheid niet hun primaire criterium was.

Wanneer de geboorteverhalen van Matteüs en Lucas naast elkaar worden gelegd, blijkt al snel dat zij niet alleen verschillen, maar elkaar op cruciale punten tegenspreken. Matteüs laat Jezus’ familie in Bethlehem wonen en vervolgens naar Egypte vluchten; Lucas laat hen in Nazareth wonen, tijdelijk naar Bethlehem reizen en kort daarna terugkeren. Beide verhalen kunnen onmogelijk tegelijk historisch correct zijn. Dat betekent niet per se dat de auteurs zelf dachten dat zij verzonnen, maar het betekent wel dat wij als lezers moeten erkennen dat deze teksten functioneren als theologische verhalen, niet als journalistieke verslaggeving.

Met name Matteüs is vrijwel obsessief bezig met de vervulling van oudtestamentische profetieën. Jezus moet in Bethlehem geboren worden omdat Micha dat heeft gezegd. Hij moet uit Egypte geroepen worden omdat Hosea daarover spreekt. Zelfs gebeurtenissen die moreel problematisch zijn, zoals de kindermoord in Bethlehem, worden door Matteüs expliciet gerechtvaardigd als noodzakelijke vervulling van profetie.

Dat roept ongemakkelijke vragen op. Waarom zou de komst van de Messias gepaard moeten gaan met de slachting van onschuldige kinderen? Waarom zou God een reddingsplan uitvoeren dat het leven van talloze gezinnen verwoest? In Matteüs’ verhaal ligt de nadruk niet op het lot van deze kinderen, maar op het feit dat Jezus ontsnapt. De focus ligt op de vervulling van Schrift, niet op het menselijk lijden dat daarmee gepaard gaat.

Historisch gezien is er bovendien geen enkel bewijs dat deze kindermoord daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De Joodse historicus Flavius Josephus, die uitvoerig schrijft over Herodes’ wreedheden, zwijgt hierover volledig. Dat maakt het aannemelijk dat dit verhaal een theologische constructie is, bedoeld om Jezus te presenteren als een nieuwe Mozes: ook Mozes ontsnapte aan een kindermoord.

Ook Lucas’ geboorteverhaal bevat duistere elementen die in kersttradities vaak worden gladgestreken. De beroemde reis naar Bethlehem vindt plaats omdat keizer Augustus een volkstelling zou hebben uitgeschreven waarbij iedereen zich moest laten inschrijven in de stad van zijn voorouders. Historisch gezien is zo’n wereldwijde volkstelling onwaarschijnlijk, laat staan een die mensen dwong honderden kilometers te reizen.

Binnen het verhaal betekent dit dat een hoogzwangere vrouw een zware tocht moet maken, zonder comfort, zonder zekerheid, om een administratieve reden. Dat Jezus vervolgens wordt geboren in omstandigheden van armoede – zonder plaats in een herberg, gelegd in een voederbak – is geen romantisch detail, maar onderdeel van Lucas’ theologische boodschap: Jezus komt als redder van de armen en gemarginaliseerden, en deelt vanaf zijn geboorte hun kwetsbaarheid.

Misschien wel het meest ongemakkelijke aspect van de kerstverhalen betreft Maria zelf. In Lucas krijgt zij bezoek van de engel Gabriël, die haar meedeelt dat zij zwanger zal worden door ingrijpen van de Heilige Geest. Haar antwoord luidt in het Grieks: idou hē doulē kyriou (“Zie, de slavin van de Heer.”)

Dat woord doulē betekent ondubbelzinnig “slaaf”. Veel moderne vertalingen verzachten dit tot “dienares” of “dienstmaagd”, maar dat doet geen recht aan de machtsverhouding die hier wordt geschetst. Een slaaf heeft geen autonomie. In de antieke wereld kon een meester het lichaam van een slaaf naar believen gebruiken.

Zelfs als men Maria’s woorden leest als instemming, blijft het problematisch: zij was vermoedelijk een meisje van dertien of veertien jaar, ongetrouwd, in een cultuur waarin zwangerschap buiten het huwelijk zware sociale gevolgen had en zelfs met de dood bestraft kon worden. Haar zwangerschap brengt schaamte, dreigende verstoting en existentieel gevaar met zich mee. Jozef overweegt haar te verlaten. Haar “uitverkiezing” betekent concreet lijden.

Lucas onderstreept dit zelf wanneer de oude Simeon bij de tempel voorspelt dat een zwaard Maria’s hart zal doorboren. De geboorte van Jezus is vanaf het begin verbonden met verlies en pijn.

Dat Marcus en Johannes geen geboorteverhalen kennen, is veelzeggend. Marcus laat Jezus’ familie hem zelfs voor krankzinnig verklaren tijdens zijn openbare optreden; iets wat moeilijk te rijmen is met het idee dat Maria al vanaf het begin wist dat haar zoon de Zoon van God was. Johannes daarentegen kent een geheel andere christologie: Jezus is daar een pre-existent goddelijk wezen dat vlees wordt, zonder maagdelijke conceptie.

Latere christelijke tradities hebben deze verschillende visies samengevoegd tot één harmonieus geheel, maar die harmonie bestaat niet in de teksten zelf. De ontwikkeling van de christologie – van Jezus als door God aangenomen zoon, via maagdelijke geboorte, tot eeuwig pre-existent Woord – laat een theologische evolutie zien, geen uniforme overtuiging vanaf het begin.

De donkere kant van Kerstmis is dus geen randverschijnsel, maar raakt aan de kern van deze verhalen. De geboorte van Jezus brengt geen onmiddellijke vrede, maar ontwrichting. Geen triomf, maar gevaar. Geen veilige idylle, maar armoede, vlucht, geweld en angst.

Wie deze verhalen serieus neemt, ziet dat de evangeliën niet beweren dat God het lijden simpelweg oplost. Integendeel: God komt het verhaal binnen via lijden. De komst van de Zoon van God gebeurt niet buiten de pijn van de wereld om, maar midden daarin en veroorzaakt haar in deze verhalen zelfs.