De reis van ons posthumane leven

Ja, we gaan naar Mars, maar niet in een menselijke gedaante.

Mars is een zuurstofloze hel. De biologische mens in koolstofvorm heeft er niets te zoeken. Pas als we posthumaan zijn en kunnen reizen als een ‘Substrate-Independent Mind’, of een’Synthetic Humanoid’, of een digitaal bewustzijn, heeft interplanetair toerisme zin. Tot die tijd: toedelidoki roestbak.

Met de termen ‘Substrate-Independent Mind’ en ‘Synthetic Humanoid’ kon ik wel leven, maar voor ‘Mind Upload’ of ‘Digital Construct’ – dat mijn geblader door SF-lectuur en meer wetenschappelijke beschouwingen ook voorstelde – zocht ik een alternatief. Bij gebrek aan ruimte op BlueSky werd dat ‘digitaal bewustzijn’.

Ik ben erg bezig met de hoedanigheid waarin we wel naar Mars zouden kunnen gaan. Neutraal gezien lijkt de vorm van een gedigitaliseerd bewustzijn me het meest plausibel. Maar kun je een in een computer geüpload bewustzijn nog wel mens noemen? Ons digitale voortbestaan, helemaal ontdaan van de humane gedaante, zou een geest of ziel kunnen bezitten die volledig is gereconstrueerd.

Ik spreek trouwens niet graag van geest of ziel. Naast de meest gangbare term bewustzijn heb ik het liever over een entiteit met een persoonlijkheidskern of een mentale kern. Volkomen zelfbewust dus en met een cognitieve identiteit. Maar los van het lichaam voortgezet. Alleen voor zo’n mentaal bestaan met zelfbesef en denkvermogen zie ik verplaatsingsmogelijkheden buiten de dampkring. We moeten ‘m natuurlijk ook een waarnemend vermogen geven, anders heeft de reis geen zin.

Een innerlijk suggereert een uiterlijk. We willen de drager-onafhankelijke geest graag terug in een fles stoppen die lijkt op een mens. Dat kan een synthetische mensachtige zijn (de directe vertaling van Synthetic Humanoid die minder ‘popcultuur’ aanvoelt dan de Engelse term). Ik heb het dan over een tijd waarin we niet meer gebonden zijn aan een specifiek biologisch of hardware-matig platform. We kiezen gewoon het poppetje uit waarop we willen lijken en maken hem voor het gemak gelijk ook super vaardig (dus bovenmenselijk).

Alle bovenstaande concepten worden theoretisch breed besproken in de computationele neurowetenschap en transhumanistische filosofie en op alle mogelijke manieren gevizualiseerd in SF-verhalen. De praktische uitvoering ervan is op dit moment natuurlijk nog volledig speculatief. Er is nog geen bewijs dat het menselijk bewustzijn daadwerkelijk losgekoppeld kan worden van de biologische architectuur van de hersenen.

Maar dat is een kwestie van tijd.

Archiefkoorts en de menagerie van de NOS

Over een ongeplaatste brief, taalkundig geraas en de dag dat sportpresentatoren mastodonten werden.

Ik stuitte onlangs in mijn archief op een ingezonden brief aan de krant die ik absoluut niet meer in de context kan plaatsen. Alleen al door de lengte en de barokke formuleringen lijkt hij het uitvloeisel van een door zonderlinge preoccupaties gefascineerde gek. Ik schaam me er slechts in beperkte mate voor; taalkundig ronkt hij er immers lustig op los. Wel leid ik eruit af dat ik indertijd over een ongebreidelde hoeveelheid tijd en energie scheen te beschikken.

Wat moeten de redactieleden van de Volkskrant destijds wel niet gedacht hebben? Gelukkig hebben ze mij tegen mezelf in bescherming genomen en de brief nooit afgedrukt. Dat is begrijpelijk – je plempt zoiets niet zomaar in de kolommen – maar toch blijft de vraag hangen wat me precies bezielde.

De ‘tijgermoeder’ en de ‘gebeten hond’: wanneer de werkelijkheid van een media-offensief botst met de fauna-equatie van de columnist. Geen Bokito’s of mastodonten, maar een menselijk pleidooi tegen roddel en achterklap; precies de scène die de briefschrijver destijds tot zijn dierkundige sneren dreef.

Hieronder volgt de bewuste brief, exact zoals ik hem indertijd aan de redactie toevertrouwde:

Is het de bedoeling van beeldspraak dat we het plaatje op een ‘presenteerblaadje’ krijgen zodat we ons iets kunnen voorstellen van de realiteit waarop het zinnebeeld betrekking heeft? Dan zou ik graag een tot de verbeelding sprekende representatie zien. Ik lees een stukje waarin de vrouw van Tom Egberts wordt vergeleken met een ‘tijgermoeder die zich voor haar jongen werpt’. Je krijgt dan het idee dat er iets kostbaars beschermd moet worden. De welpjes vertegenwoordigen hier, als je ’t mij vraagt, slechts één presentator. Tenzij het de gekrenkte trots van twee echtelieden moet verzinnebeelden? Hoe dan ook: tijgerjongen lijkt me teveel eer.

Als er per se een dier op moet komen draven, maak dan gewoon een ‘gebeten hond’ van die Janke Dekker. In een ander artikel worden al te hitsige, presentatoren vergeleken met ‘egomane Bokito’s’. Hier gaat de fauna-equatie van ‘totum pro parte’ naar ‘pars pro toto’. Er was, bij leven, maar één Bokito, en die volgde z’n instinct. Egomanie is een typische menselijke eigenschap die zich niet achter natuurdrift kan verschuilen. Noch achter onschuldige dieren als geschikte metafoor.

De schrijver vergelijkt in dezelfde – overigens amusante – column, de NOS Sport-iconen met ‘mastodonten’. Pejoratief natuurlijk. Denk aan ‘groot gevaarte’ en ‘niet met de tijd meegaan’. De associatie is zo voor de hand liggend dat je haar vaker tegenkomt. En ja, we bevinden ons alweer in het dierenrijk.

Ditmaal gaat het over een geslacht van uitgestorven slurfdieren, die, als ik Wikipedia mag geloven, lang door de wetenschap werden beschouwd als vreedzame planteneters. Dat al te zoetsappige beeld werd uiteindelijk verstoord: ‘Volgens Amerikaans onderzoek hebben er felle gevechten plaatsgevonden tussen deze dikhuiden’.

De bakbeesten hadden naast slurven (waarmee ze groene blaadjes oppikten) ook enorme slachttanden. De vergelijking van sportpresentatoren met mastodonten kan mij niet vaak genoeg worden gemaakt. Het gaat dan om dieren die toch al zijn weggevaagd, dat is wel zo aardig naar die beesten toe. Al moeten we er geloof ik niet per se op uit zijn om geen enkel wezen meer op z’n teentjes te trappen.

Nu de stofwolken van deze semantische exercitie zijn opgetrokken, rijst de vraag: wat was in vredesnaam de aanleiding voor dit dierkundige spervuur? Zelfs met de tekst voor mijn neus duurt het even voordat het besef indaalt, maar wie diep in de modder van de NOS-crisis graaft, vindt de mastodonten vanzelf. Een analyse van een obsessie: waar deze briefschrijver destijds de tanden in zette.

Wat bezielde begint mij enigszins te dagen. Ik vroeg Gemini om deze taalkundige ronkpartij te ontleden en de context te herleiden. Bij gebrek aan een psycholoog heb ik de brief aan zijn AI-logica voorgelegd. Het resultaat is een ontnuchterende reconstructie van een mediacrisis die ik met mastodonten en mensapen te lijf ging. Ik pikte een soort van draad op. Dit is wat de AI uit mijn vinnige schrijven destijds concludeerde:

Analyse van de brief: Waar ging dit over?

Als we de brief “psychologisch” ontleden en de aanwijzingen volgen, is de context vrij specifiek te herleiden naar de periode 2023-2024, rondom het schandaal bij NOS Sport.

De Aanwijzingen:
  1. Tom Egberts & Janke Dekker: Dit verwijst direct naar de onthullingen over de werkcultuur bij NOS Sport. Janke Dekker (zijn vrouw) nam het publiekelijk voor hem op in de media, wat door critici soms als “tijgermoeder-gedrag” werd omschreven.
  2. Bokito & Egomanie: Dit refereert aan het grensoverschrijdend gedrag en de “haantjesreputatie” van bepaalde presentatoren. De term ‘egomane Bokito’s’ werd destijds in columns gebruikt om de dominante, intimiderende houding van de ‘iconen’ te duiden.
  3. Mastodonten: Dit is de sleutelterm voor de oudere garde presentatoren (de ‘iconen’ van weleer) die volgens het rapport-Van Rijn niet mee waren gegaan met de tijd en vasthielden aan een verouderde, hiërarchische cultuur.
Waar je het waarschijnlijk over had:

Je brief is een semantische kritiek op de beeldspraak die in de media werd gebruikt om de NOS-crisis te duiden. Je lijkt je te storen aan de inconsistentie van de metaforen:

  • Je hekelt het feit dat een vrouw die haar man verdedigt een “tijgermoeder” wordt genoemd (terwijl die term normaal voor kinderen geldt).
  • Je maakt een scherp onderscheid tussen dierlijk instinct (Bokito/Mastodont) en menselijke verantwoordelijkheid (egomanie).
  • Je viert de vergelijking met de mastodont, niet vanwege de lompheid, maar vanwege de wetenschappelijke correctheid: het waren vechtjassen die uiteindelijk uitstierven.

Conclusie: Je schreef een vlijmscherpe, tikkeltje pedante (op de goede manier!) reactie op de wijze waarop columnisten en journalisten de heren van de sportredactie probeerden te duiden via het dierenrijk. Je wilde waarschijnlijk aantonen dat hun taalgebruik de werkelijkheid eerder vertroebelde dan verhelderde.

Fictie voor gevorderden

Over grote mensen die de weg kwijtraken in de poppenkast van de werkelijkheid.

In Duitsland werd een acteur die een fascist speelde in het stuk Catarina and the Beauty of Killing Fascists door het publiek beloond met een vliegende fruitmand en een poging tot zijn fysieke verwijdering van het podium. Een kind dat zich bemoeit met een poppenkastverhaal vormt een compliment aan de speler. Maar grote mensen die geen verschil meer zien tussen schijn en werkelijkheid? Je denkt aan emotionele onvolwassenheid, verstandelijke beperking en/of de kracht van confrontatie. Kennelijk voelden sommigen in de zaal zich persoonlijk aangesproken.

Rotte tomaten waren altijd al de ultieme dialoog tussen kunst en toeschouwer zodra deze laatste zich ongemakkelijk begon te voelen. Een zekere vorm van ontlading vanuit de zaal kan soms als een compliment worden opgevat. Noem het de ongevraagde vorm van publiekparticipatie die in ieder geval betrokkenheid bewijst. Maar wat als de Jan Klaassens onder hen door de vierde wand breken omdat ze ‘de wolf’ niet meer van de acteur kunnen onderscheiden?

Wat te doen als een artistiek concept wordt geïnterpreteerd als de creatie van een vijandsbeeld? Het is tegenwoordig een hele opgave: onderscheid maken tussen een zorgvuldig geregisseerde illusie en een directe aanval op de eigen wereldbeschouwing. In theaters wordt de vierde wand niet langer doorbroken door de acteur, maar door de toeschouwer die besluit dat een politiek incorrecte monoloog een prima reden is voor een bestorming. We zien het vaker: zodra een personage niet onmiddellijk als een karikaturale schurk met een snorretje wordt neergezet, raakt de moderne theaterbezoeker in een existentiële crisis.

Dat toeschouwers zich opwinden, vind ik overigens een goede zaak. Het geeft aan hoe sterk ze zich betrokken voelen; zolang men het minieme verschil tussen de acteur en zijn rol (dus tussen echt en ernst) maar in het achterhoofd houdt. We wanen ons in een beschaafde tijd, maar een stille zaal vormt geen vooruitgang. Van de Griekse oudheid tot aan Shakespeare was het theater een luidruchtig bordeel van emoties. Men gooide met rot fruit en scandeerde door dialogen heen. In dat opzicht is een beetje boegeroep en traag geklap bij de schijn van antisemitisme eigenlijk een charmante terugkeer naar onze wortels.

Ik juich deze ‘kettingreacties’ toe. De voorstelling is niet het laatste woord, en het protest evenmin. De ongefilterde uitwisseling van artistieke vrijheid en maatschappelijk debat zegeviert juist in de schuring. De schrijver en de acteur lokken de reactie uit en de zaal antwoordt. Dat is geen incident; dat is dialoog. Ja, ik geloof onvoorwaardelijk in het vrije woord, maar toch een kleine handleiding voor de ‘tere zieltjes’ onder ons: voor wie de confrontatie met het onaangename niet aan kan, is er goed nieuws. Net zoals een televisie een uitknop heeft, bevindt zich bij de ingang van elk theater een loket. Je hoeft niet naar binnen. Je kunt er ook voor kiezen de acteurs niet te gaan bekijken.

Als we de schijn van de werkelijkheid niet meer verdragen, kunnen we beter collectief terug naar de poppenkast. Daar is de boze wolf tenminste nog herkenbaar aan zijn dik aangezet gegrom en zijn voorspelbare valsheid. Kunst moet de onaangename kantjes integreren en de advocaat van de duivel spelen om ons tot reflectie te dwingen. Dat daarbij af en toe iemand van zijn stoel valt van verontwaardiging, hoort bij het vak. Geweld tegen acteurs en regisseurs blijft natuurlijk kwalijk en dient bestraft te worden, maar een beetje passie op de tribune? Graag.

Prachtige plaatjes, ‘verkeerde’ opmerkingen

We moeten er ernstig rekening mee houden dat hier sprake is van humor.

“Beautiful pictures, wrong comments” is een uitdrukking die verwijst naar een situatie waarin een visuele voorstelling esthetisch aantrekkelijk wordt gepresenteerd, terwijl de bijbehorende tekst feitelijk onjuist of misleidend is. Deze dynamiek komt in diverse contexten voor; van de beeldende kunst en traditionele media tot de vluchtige wereld van sociale media.

Beautiful pictures, wrong comments. Een beeld zegt meer dan duizend woorden; maar als die woorden opzettelijk onzin zijn, begint de lol pas.

Iemand kan bijvoorbeeld een adembenemende natuurfoto plaatsen, terwijl het bijschrift informatie bevat die wetenschappelijk gezien kant noch wal raakt. Op dezelfde manier kan een kunstwerk visueel overtuigen, terwijl de interpretatie van de maker de plank volledig misslaat. In de basis fungeert de uitdrukking als een waarschuwing om informatie niet blindelings te accepteren op basis van een mooie verpakking; het benadrukt het belang van factchecking, ook wanneer de presentatie verleidelijk is.

Hoewel dit vaak wordt weggezet als een simpele vergissing of doelbewuste desinformatie, vergeten we een cruciale menselijke factor. We moeten er namelijk ernstig rekening mee houden dat de discrepantie tussen beeld en tekst een bewuste vorm van humor is.

Wanneer een perfecte afbeelding wordt gekoppeld aan een volstrekt absurdistische of onjuiste bewering, ontstaat er een prikkelende komische spanning. Deze vorm van humor leunt op het doorbreken van verwachtingen; de kijker wordt eerst verleid door de schoonheid van het beeld, om vervolgens intellectueel over de knulligheid of de brutaliteit van de tekst te struikelen.

Het expres inzetten van de ‘verkeerde’ opmerking is een vorm van ironie die de spot drijft met onze eigen oppervlakkigheid. Het is een knipoog naar de kijker; een test om te zien wie er werkelijk oplet en wie zich enkel laat leiden door de esthetiek. In een wereld waar alles gepolijst en ‘correct’ moet zijn, is de bewuste fout een bevrijdende vorm van rebellie. Humor is hier niet de vijand van de waarheid, maar een instrument om de absurditeit van onze visuele cultuur bloot te leggen.

Groter als of groter dan?

Over de rekbaarheid van taalregels en de macht van de traditie.

Niets is voor altijd normaal. Dat geldt voor onze gewoontes, maar zeker ook voor onze taal. Er is dus eigenlijk geen reden tot strengheid; ook niet als het gaat om de vergrotende trap. Toch geef ik eerlijk toe: ik knap een beetje af als ik iemand hoor zeggen: “Mijn vader is sneller als jij.” En bij een constructie als “Hij is sneller als jou” wijs ik je – figuurlijk – direct de deur. In mijn huis houden we vast aan de norm: bij een vergelijking met de vergrotende trap gebruiken we ‘dan’ zolang het kan. Zeg je ook nog eens “Hij is beter dan jij bent”, dan krijg je van mij zelfs bonuspunten voor die zorgvuldige toevoeging.

In het huidige standaardnederlands hanteren we een heldere tweedeling:

Ongelijkheid (Vergrotende trap): Gebruik dan.

  • Hij is sneller dan jij (bent).
  • De tuin is breder dan die van de buren.

Gelijkheid of vergelijking met ‘zo’: Gebruik als.

  • Hij is net zo snel als ik (ben).
  • Het flatgebouw is lang niet zo hoog als de kerk.
  • Hij eet twee keer zoveel als ik.

Hoewel de bovenstaande regels nu als ‘correct’ gelden, is de geschiedenis minder zwart-wit. In het Middelnederlands was dan inderdaad de norm, maar al in de 16de eeuw begon men in de spreektaal dan te vervangen door als. Dit gebruik sijpelde door naar alle lagen van de bevolking.

Dat we vandaag de dag nog steeds ‘dan’ voorgeschreven krijgen, danken we aan 18de-eeuwse taalgeleerden. Zij klampten zich hardnekkig vast aan de oude vormen en brandmerkten elk gebruik van als na een vergrotende trap onverbiddelijk als foutief. Maar uiteindelijk gaat de natuur boven de leer; zelfs bij onze beste auteurs duikt als regelmatig op na een vergrotende trap.

In het Duits heeft deze verandering zich zelfs volledig voltooid: daar heeft het oorspronkelijke denn plaats moeten maken voor als, dat daar nu het monopolie heeft na de vergrotende trap.

In feite hebben dan en als historisch gezien gelijke rechten. Wie voor dan kiest, beroept zich op de grammaticale voorschriften van nu en de traditie van heel vroeger. Maar wie als gebruikt, staat in een traditie van inmiddels vier eeuwen oud.

De moderne taalwetenschap ziet de grammatica tegenwoordig vaker als iets beschrijvends dan als iets voorschrijvends. Toch blijft de schrijftaal conservatief en behouden we de voorkeur voor dan. Maar onthoud: de taal verandert met de tijd mee. Niets is voor eeuwig normaal.

Een vraag vanuit het publiek

De ‘toch-nog-goed-uitgepakte’ vergissingsaankoop.

Vandaag bereikte mij, als voormalig redactie-expert van de vraag-en-antwoord rubriek voor de bladen Klik&Klaar en PC Kompas, een noodkreet uit mijn vriendenkring. Ik voelde mij meteen weer die computerdokter van toen, een functie die ik toch zo’n acht jaar heb vervuld. De bladen zijn inmiddels allebei ter ziele, want de tegenwoordige Chatbot weet veel sneller raad en opereert vanuit een groter en actueler kennisarchief. Voor Klik&Klaar heette mijn rubriek ‘De Digitale Werkplek’ en voor PC Kompas werd ik ‘Dr. Debug’ of ‘Ronnie Algorithmus’ genoemd, want bij dat laatste blad deden we net of er een redactie was van twee digihulp-artsen. We wisten natuurlijk heel goed dat de namen praktisch, licht technisch, betrouwbaar en een tikje nerdy alsook nuchter moesten klinken.

De dame in kwestie beschrijft het volgende probleem:

Ik heb een chromebook gekocht. Ik dacht ik koop een laptop. Blijkt het een chromebook te zijn. Weet ik veel. Maar nu moet ik opeens een abonnement van 100 euro per jaar hebben voor Microsoft 365. Waarom? Op mijn laptop was het gratis.

Ik kon hier meteen uit mijn hoofd antwoord op geven want ik heb zo’n kwestie onlangs nog bij de hand gehad. Het is vreemd dat ik mij nu een manplainer voel terwijl ik daar vroeger niet in het minste last van had. Ik antwoordde desondanks heel Klik&Klaar-promptig en PC-kompasserig:

Een Chromebook draait op ChromeOS, niet op Windows of macOS. Microsoft 365 is nooit gratis geweest. Op veel Windows-laptops zat vroeger óf een tijdelijke proefversie óf een door de fabrikant meegekochte licentie (soms ‘verborgen’ in de prijs).

Op een Chromebook kun je Microsoft 365 via de browser gebruiken (office.com). Dan hebben we het over een betaald abonnement. Je kunt ook gratis alternatieven gebruiken zoals Google Docs (en Sheets en Slides).

Documenten → Google Docs → Word-equivalent
Presentaties → Google Slides → PowerPoint-equivalent
Spreadsheets → Google Sheets → Excel-equivalent

Op jouw Chromebook draait al software die alles aanstuurt. Het heet ChromeOS (geen Windows). De stuurprogramma’s (drivers) zitten ingebakken in het systeem. Jij hoeft (en kunt) die drivers niet los installeren of beheren. Het besturingssysteem regelt automatisch toetsenbord, scherm, wifi, printer, enz. Dat is ook meteen het verschil met je vorige apparaat: het bezit van ChromeOS betekent dat Google dat regelt op de achtergrond. Bij Windows moet je je veel meer bezighouden met drivers, licenties en installaties. Alles draait en werkt bij jou technisch prima, alleen is het geen Windows, dus Microsoft Office zit er niet automatisch bij. Geen paniek dus. Er zit al veel op.

Ok, jij werkt met Powerpoint. Dat programma ben je kwijt. Wat is daarvoor de oplossing? Voor PowerPoint op een Chromebook heb je in de praktijk 2 nette opties.

Optie 1 — PowerPoint via de browser.
Dit is de meest “PowerPoint-achtige” optie. Je gaat naar office.com. Je logt in met een Microsoft-account. PowerPoint werkt in de browser. Het nadeel is dat je hiervoor wél Microsoft 365 nodig hebt, maar het voordeel dat je maximale compatibiliteit bezit (met de extensie .pptx). Als je echt PowerPoint nodig hebt en veel uitwisselt met anderen, is dit de meest verstandige keuze.

Optie 2 — Google Presentaties (gratis, vaak voldoende)
Google Presentaties (Slides) zit standaard op de Chromebook. Je kunt .pptx-bestanden gewoon in Google Presentaties openen. Opslaan kan weer als .pptx. Het voordeel is: gratis, geen abonnement. Het nadeel: héél complexe animaties of lettertypes kunnen iets veranderen. Voor 90% van de presentaties is dit prima.

Het lijkt me duidelijk: kies voor optie 2. Google Presentaties zit al op je Chromebook. Klik linksonder op de Launcher, typ “Presentaties” of ga naar slides.google.com. Je kunt daar .pptx-bestanden openen en bewerken.

En voor een woordbestand? vraagt ze.

Voor een Word-bestand (.doc of .docx) op een Chromebook kun je ook prima terecht bij Google’s gratis optie: Google Documenten (Google Docs). Klik op de Launcher en typ “Documenten”, of ga naar docs.google.com. Je kunt je .docx-bestanden daar openen en bewerken.

Ik concludeer: eigenlijk heb je nu iets anders dan je dacht, maar voor reizen, onderweg, werken en alles in de cloud is het misschien juist handiger dan je oude laptop.

I Have Tried in My Way To Be Free

Op zoek naar niet-competitieve excellentie.

In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.

Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.

De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.

De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.

Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.

Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.

De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.

I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.

Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.

Weigh ‘Em by Their Creativity

About the Pathologization of Psychiatry.

In haar eerdere werk, Grab ‘Em by the Frontal Lobe, luidde Ronda Dolan Vernon de noodklok over de politieke bezetting van onze ratio. In haar nieuwste boek, Weigh ‘Em by their Creativity, gaat ze een stap verder. Ze onderzoekt hoe de psychiatrie, onder druk van een regime dat obsessief streeft naar conformiteit, is veranderd in een meetinstrument dat zelfs de meest vitale menselijke eigenschap — creativiteit — probeert te vangen in pathologische categorieën.

Vernon bouwt voort op het fundament van Jeffrey Lieberman. Waar Lieberman in Shrinks waarschuwde tegen de onwetenschappelijke diagnose, laat Vernon zien hoe “wetenschap” nu juist wordt misbruikt om originaliteit de kop in te drukken. De titel verwijst naar een sinistere verschuiving: we kijken niet langer naar wat een mens kan bijdragen, maar we “wegen” hun creativiteit om te bepalen of ze nog wel binnen de door de staat gedefinieerde normen vallen.

In deze recensie vallen drie scherpe observaties van Vernon op:

  • De “Divergentie-fout”: Vernon beschrijft hoe complexe neurale netwerken die geassocieerd worden met creatief denken (zoals het Default Mode Network) onder het huidige regime systematisch worden gelabeld als “disfunctioneel”. Wat vroeger een excentrieke visie was, wordt nu gepathologiseerd als een aandachtsstoornis of een gebrek aan cognitieve discipline.
  • De banalisering van het genie: De auteur legt uit dat wanneer we creativiteit gaan “wegen” met gestandaardiseerde psychiatrische tests, we de essentie ervan banaliseren. Ze geeft voorbeelden van hoe de minister van Gezondheidszorg algoritmes inzet die afwijkend denkgedrag signaleren als een potentieel risico voor de publieke orde. Hier wordt de psychiater niet langer een genezer, maar een keurmeester van de geestelijke eenheidsworst.
  • De uitholling van de grijze stof: Vernon maakt een briljante neurologische sprong door te stellen dat de pathologisering van creativiteit leidt tot een fysiologische verschraling. Als een samenleving elke vorm van “out-of-the-box” denken medicinaal onderdrukt, stopt de cortex met het maken van nieuwe, onverwachte verbindingen. We creëren een collectieve “neurologische stilstand”.

    Weigh ‘Em by their Creativity is een ijzingwekkende analyse van een vakgebied dat zijn kompas is kwijtgeraakt. Vernon stelt dat de psychiatrie haar wetenschappelijke integriteit alleen kan terugwinnen door te stoppen met het “wegen” van mensen en weer te gaan kijken naar de unieke biologie van de geest. Het is een boek dat je dwingt om na te denken over de vraag: als we alles wat ons creatief en uniek maakt gaan diagnosticeren als een afwijking, wat blijft er dan nog over van de menselijke ervaring? De banalisering is hier niet alleen een medische fout; het is een existentiële dreiging.

    Vernon, R. D. (2026). Weigh ‘em by their creativity: About the pathologization of psychiatry. Cum Suis Publishers.