Waar het heilige vervloog

Laat het aardse het sacrale overal met zachte hand de deur uit begeleiden.

In een populaire, laagdrempelige vorm fungeert de bekendste heilige van Nederland – protagonist van de pakjesbezorging die daags voor zijn verjaardag nog overuren draait – als voorbeeld van hoe een goed, rechtvaardig of barmhartig leven eruit kan zien. De scheidslijn tussen religie en volksgeloof is altijd poreus geweest. In de hele geschiedenis liepen heiligenverering, legendevorming, volksverhalen en religieuze overtuigingen voortdurend door elkaar. Veel “echte” heiligen zijn doordrenkt van mythologische elementen, en veel volksfiguren vinden hun oorsprong in religieuze tradities. Sinterklaas is hiervan simpelweg een modern voorbeeld. Het kinderfeest heeft niet dezelfde sacrale status als heiligen die onderdeel zijn van liturgie en doctrine, maar dat zijn culturele scheidslijnen, geen wezenlijke. Zoals ieder weldenkend mens weet, berust het heilige op menselijke verbeelding, niet op bovennatuurlijk bewijs.

In alle gevallen draait het om de projectie van idealen. Zowel heiligen als de goedheiligman fungeren als dragers van goedheid, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en bescherming van zwakken. De een is ernstig verpakt, de ander feestelijk, maar de psychologie erachter – het verlangen naar belichaamde goedheid – is identiek. Het grote onderscheid dat gelovigen maken is cultureel en theologisch, niet historisch of psychologisch. De goedheiligman is een heilige in verhalende, verwereldlijkte vorm. De afstand zit vooral in de manier waarop we de figuur benaderen, niet in zijn oorsprong of functie. Uiteindelijk komt het heilige voort uit de mens zelf: zijn neiging tot verbeelding, tot zingeving, en – niet zelden – tot het creëren van symbolen die autoriteit en macht legitimeren.

Maar waarom begon ik hier eigenlijk over? Omdat ik zelf een postbezorger ben? Misschien omdat het thema van heiligheid — echt of verzonnen — de laatste tijd onverwacht vaak op mijn pad kwam. De afgelopen weken werd ik geconfronteerd met verschillende vormen van geloofsbeleving. Niet in een grote theologische discussie (want daartoe ben ik niet bij machte), maar in kleine, terloopse momenten: een opmerking, een ontmoeting, een tekst waarop mijn oog viel. De herinneringen die dat losmaakten bleven zich vermenigvuldigen. Ik moest denken aan zoekers die ik heb gekend, die geworsteld hebben met hun geloof, die houvast zochten, het vonden, het weer verloren, of zich er juist heel stevig aan vastklampten. Dat alles begon zich te roeren, alsof er een lade werd opengetrokken die ik lang geleden had dichtgeschoven.

En dus begon ik te schrijven. Fragmenten, losse gedachten, schetsen. Ik voelde dat het richting een essay ging en maakte daar ook esthetisch werk van; ik pretendeer tenslotte ook uitgever te zijn. De uiterlijke vormgeving liep vooruit op de inhoud, zoals dat meestal gaat bij mij. En toen, ergens halverwege, kwam ik vast te zitten. Mijn kennis van religie schoot tekort; ik voelde dat ik op drijfzand stond. Op dat moment leek het me verstandig om niet door te duwen, maar eerst grond te zoeken. Niet door mezelf nog meer woorden te laten produceren, maar juist door mijn woorden even te laten zwijgen. En dus greep ik naar een boek van een ander. Een stevig boek, een kritisch boek: The God Delusion van Richard Dawkins. Ik vond het tijd worden om het weer eens grondig te herlezen; om wat lucht, structuur en tegenwicht te vinden.

Vanuit die combinatie van confrontaties, herinneringen, zoeken en lezen, ontstond het thema van vandaag. Want ja, het is vrijdagmiddag. En op vrijdagmiddag vieren we VrijMiPo, onze Vrijdagmiddag Poëzie. Iedere week rond een ander thema, en het kon eigenlijk niet uitblijven dat ooit het geloof aan de beurt zou zijn. Dus welkom in dit denkbeeldige kerktheater, een plek die niet gewijd is en vrij kan ademen, waardoor er ruimte ontstaat voor lichtheid. Een ruimte waar de onwrikbare, soms benauwende ernst van een kerkbankverleden botst met de open, rumoerige levendigheid van een poëziepodium. Hier leken het heilige en het alledaagse elkaar heel even te dulden, tot het heilige tenslotte vervloog; en dat was eerlijk gezegd een bevrijding. Misschien zou het overal zo moeten gaan: dat het aardse het sacrale langzaam maar beslist naar de achtergrond dringt.

Ik zadel u op met drie gedichten die steeds iets anders aanraken van hetzelfde. De conclusie is in alle gevallen hoopvol, tenminste als je bereid bent geloof te zien voor wat het vaak is: een excuus, een aanjager en een dekmantel. Laat even los wat geloof voor u betekent, of juist niet betekent. Laat de middag binnenkomen. Laat de woorden hun eigen weg zoeken.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Een zondag in Lagorce

De kerk is uit, de boeren worden jagers, en schieten
offervaardig een rustdag aan flarden.

Verdreven vogels vluchten in de toren, maar de koster
houdt geen schuilkerk voor vluchtelingen.

Voor zijn late dienst hangt hij zelf in de touwen.
En zie: het regent lood.

De mannen hebben schik om wat hun voor
de loop komt van godswege.

©Ronald van Noorden in De Toverhazelaar | ©2011 Uitgeverij Augustus, ISBN: 9789045705385

Ondergraving

Onze spatels reiken dieper dan het slijk
waarnaar wij ketters ons begeven.
Wij leggen bloot: de toedracht rond een lijk;
dat wil de kerk ons niet vergeven.

Waarheid lag in brokstukken te wachten.
Weten wil vooruit en kent geen grens.
Ons spitwerk ondergroef de wens
die vader was van één gedachte.

Geleerden die ons leerden te wantrouwen,
verkozen weten boven beterweten,
en lieten ons dat bot voor bot herkauwen.

Je hoort ze aan, de bange exegeten,
die hun god de schepping toevertrouwen,
maar ondertussen ga je door met meten.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Novice de Chartres

In het om hem heen gebouwd theater
waar wierook brandde voor de sfeerverhoging
was hij die avond voor zijn gevoel
wel driemaal getrouwd en gescheiden.

Hij verlangde naar buiten. Neukte stiekem,
dus moeizaam en schrijnend, tussen
persoonlijk ontheiligd marmer, onverklaard
blijvende stigmata in zijn lamswollen pijen.

Steeds bevreesder dat z’n lul van z’n lichaam
zou vallen, werd het tijd voor een list
of een wonder; aldus verklaarde hij
zich op de valreep ongelovig.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Veelzeggende verbanden

Kun je zo met feiten omgaan dat toeval niet lijkt te bestaan?

Of het nu gaat om historische feiten of andere vastgelegde gegevens, ik geloof dat het bijna altijd mogelijk is om informatie in een groter verband te plaatsen zodat die veelzeggend wordt en het lijkt alsof de wereld een beetje om jou draait. Dat gevoel is verleidelijk, omdat je automatisch vooral datgene opmerkt wat jouw persoonlijke verhaal bevestigt. Details die daar niet in passen verdwijnen gemakkelijk naar de achtergrond, terwijl de elementen die jouw idee ondersteunen des te helderder naar voren springen. Zo ontstaat het gevaar dat je patronen meent te zien die eigenlijk niets anders zijn dan het resultaat van je eigen behoefte aan betekenis en bevestiging. Wat je interpreteert als een groter verband, is vaak slechts een zorgvuldig geselecteerde afspiegeling van je bestaande overtuigingen; een spiegel die meer van jezelf laat zien dan van de werkelijkheid.

De afstand tot de ‘Sint Joseph’ in Arnhem en Rotterdam.

Toch is het in de praktijk vaak ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we naar toevalligheden kijken in ons dagelijks leven. Confirmation bias – het fenomeen waarbij we vooral letten op informatie die onze verwachtingen ondersteunt – lijkt altijd op de loer te liggen. Maar soms voldoen de gebeurtenissen die onze aandacht trekken niet helemaal aan de strikte definitie van dit verschijnsel. Er kan sprake zijn van een kleine samenloop van omstandigheden, van interesse of nieuwsgierigheid, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een systematische bevooroordeling van feiten. Met andere woorden: niet alles wat zich laat duiden als ‘versterking van mijn narratief’ (gatver) is een zuiver voorbeeld van een bevestigingsvooroordeel; soms is het gewoon een toevallige combinatie van details die je interessant vindt.

Laat ik een voorbeeld geven: iemand doet mij een boekje cadeau over de geschiedenis van de St. Josephkerk in Arnhem, aan de voet waarvan ik nu woonachtig ben. Ik begin me hierdoor voor het eerst serieus in die kerk te verdiepen en kom erachter dat de architect de Rotterdammer Hendrikus Cornelis Marie van Beers is (op 14 maart 1929 vond de consecratie plaats). Omdat wij stadsgenoten zijn wil ik weten of er in mijn geboorteplaats niet minstens een gebouw op naam van dezelfde Van Beers staat. Dat is inderdaad het geval. Er bevindt zich ten minste één project in Rotterdam dat aan Hendrikus Cornelis Marie van Beers wordt toegeschreven: het ontwerp voor de R.K. Ambachtsschool ‘St. Joseph’ aan de Walenburgerweg uit 1931. Dit gebouw heette ook ‘St. Joseph’ en ik woonde er, net als bij het gebouw in Arnhem met die naam, op loopafstand vandaan.

Toch eens kijken, dacht ik, hoeveel meters het van deur tot deur was in beide gevallen. En wat denk je? Van mijn woning in de Lumeystraat in Rotterdam naar de Sint Joseph ambachtschool te Rotterdam is het 270 meter. Van mijn woning in de Beatrixstraat in Arnhem naar de hoofdingang van de Sint Josephkerk in de Rosendaalseweg 700 te Arnhem is het 270 meter! Dat is een bizarre ontdekking.

Ik lees dat de genoemde architect de zoon is van een architect, namelijk Francis Jacobus Cornelis Josephus van Beers. Deze man werd op 16 november 1865 geboren. In officiële bronnen wordt hij aangeduid als architect-bouwkundige. Hij liet een minder bekend oeuvre na dan zijn zoon. Hij was verder ook niet beroemd. Maar als Rotterdamse architect van zijn tijd bleek hij toch relevant. Er wordt op een blog vermeld dat hij verantwoordelijk is voor de woningen aan de Mathenesser­laan 183 tot 199, die in 1898 werden gerealiseerd.

Valt daar soms ook een toevalligheid te ‘scoren’? Ja hoor: mijn opa en oma van vaderszijde woonden op de ’s Gravendijkwal. Die ligt om de hoek van de Mathenesserlaan. Ze bevonden zich dus ook op loopafstand van een gebouw ‘van’ een Van Beers. Zou het mogelijk zijn dat Van Noorden senior (mijn opa) op zo’n zelfde afstand tot een ontwerp van Van Beers senior heeft gewoond, als Van Noorden Junior (dat ben ik) tot twee van de ontwerpen van Van Beers junior? Helaas, zoveel toeval had het lot niet in petto. Hij en mijn oma woonden op ’s Gravendijkwal 8 en dat, aldus google maps, is een afstand van zo’n 550 meter tot Mathenesserlaan 189 (de middelste van het rijtje gebouwen aldaar).

De afstand tot een rijtje met ontwerpen van de architect Van Beers senior vanaf het huis van mijn grootouders in Rotterdam.

Doelgericht zoeken naar verbanden levert niet altijd de verbanden op die je zoekt, maar met een beetje aanpassing en een tikkeltje omdenken kom je vaak een heel eind. Het brein is nu eenmaal vindingrijk genoeg om losse elementen in een passend patroon te schuiven, of het nu gaat om getalssymboliek, historische toevalligheden of andere vormen van resultaatgericht zoeken. Zo ontstaat er al snel een verhaal dat vooral overtuigend is voor degene die het construeert. Afijn, over confirmation bias sprak ik hierboven al.

Heeft iemand behoefte aan een uitsmijter? Ik vond nog een piepkleine gelijkenis: beide architecten voerden als tweede doopnaam Cornelis. Mijn opa heette ook Cornelis. Lekker belangrijk. Niet dus. Ik geloof dat ik deze laatste overeenkomst als een toevalligheid kan kwalificeren die absoluut geen naam mag hebben. En gelukkig maar.

Verdwenen bedoelingen

Heiligdommetjes die hoogbejaarden moesten huisvesten?

We kunnen het helaas nog niet over de eerste bewoner van mijn huis hebben. Terwijl dat toch het leukere verhaal is. Het bleek een kerkmeester te zijn. Hij moest toezicht houden op de orde tijdens de mis. Dat vond men een serieuze taak en hij manifesteerde zich dan ook als een ernstige, om niet te zeggen strenge man. In de buurt van meneer Koetsier – want zo heette hij – moest je je koest houden. Sloeg hij koorknaapjes? Dat kan ik niet zeggen. We moeten ons eerst storten op het huis waar hij woonde; het huis dat nu mijn huis is en een aantal vragen oproept. Het spijt me dat dit stukje niet over een potentiële sadist gaat maar over een onschuldig stulpje.

Niet ieder bouwsel in Nederland vermag zich in gelijke mate te verheugen in de zegen, dan wel in de vehoogde aandacht of speciale attentie, van de Paus.

Het adres waar ik woon maakt onderdeel uit van een blokje van serievormige katholieke ‘keurslijfjes’ die in de jaren veertig in gebruik werden genomen. De Roomse kerk mocht zich eigenaar en opdrachtgever noemen, maar natuurlijk heeft er in Vaticaanstad nooit ook maar een penningmeester (laatstaande een paus) naar getaald. De Woningbouwvereniging St. Joseph was nauw betrokken bij de ontwikkeling. Ze werden gerealiseerd als onderdeel van het uitbreidingsplan voor de stad. Ze moesten voorzien in de groeiende behoefte aan een plek voor paapsgezinden: een mooie processie van aan elkaar geplakte doorsneewoningen die misschien net iets meer allure bezaten dan de zoveelste rijtjeshuizen omdat ze bedoeld waren als onderdeel van een hofje.

Als we deze woningen met de nummers 35 t/m 61 denkbeeldig op de lange zijde van een L plaatsen, dan zou er nog een bejaardentehuis worden gerealiseerd op de korte zijde van die letter, en wel het dichtst in de buurt van de St. Josephkerk. Dat is echter niet doorgegaan omdat er toen – welk een tijd – nog te weinig katholieke bejaarden waren! Het vreemde is dat ergens wordt vermeld dat aan de Beatrixstraat in 1940 twee blokken ‘bejaardenwoningen’ werden opgeleverd met de naam ‘Meihof’. De vermelding zegt: ‘Voor de realisatie hiervan had pastoor Van der Loo van de Sint Jozefkerk zich erg ingespannen. De naam en het jaartal 1940 staan op een sluitsteen boven in het verbindingspoortje tussen de twee blokken.’

Dat is waar, die sluitsteen bevindt zich daar. Maar dit zou betekenen dat het blokkencomplex met de naam ‘Meihof’, waarin ik woon, in de analen als ‘bejaardenwoningen’ werden aangeduid. Als dit waar is, waarom werd er dan ook nog over het realiseren van een bejaardenhuis gerept? Ik heb naar het antwoord gezocht. Misschien vormt dit een verklaring: in de katholieke woningbouw uit die tijd werd de term ‘bejaardenwoning’ niet gebruikt in de moderne zin van kleine seniorenwoningen. Men bedoelde vaak: woningen ‘voor ouderen of echtparen op leeftijd’ die nog zelfstandig woonden, maar een zekere rust en nabijheid tot de kerk of hun gemeenschap zochten. Met andere woorden: ‘bejaardenwoningen’ konden toen best redelijk ruime eensgezinswoningen zijn, alleen bedoeld voor een wat oudere doelgroep.

Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke plan inderdaad in een hofje met bejaardenwoningen en eengezinswoningen voorzag, maar dat dit plan is versoberd of samengevoegd. Een bejaardenhuis (in collectieve zin, dus met voorzieningen) werd nooit gebouwd. In plaats daarvan heeft men wellicht de hele reeks huizen als gewone gezinswoningen uitgevoerd, met behoud van de naam ‘Meihof’ als herinnering aan het oorspronkelijke plan. Dat zou verklaren waarom deze wel gerealiseerde woningen ruimer zijn dan ‘bejaardenwoningen’; ze zijn technisch gewoon gezinswoningen, maar historisch ontstaan uit een parochiaal, later losgelaten, plan waarin ouderenzorg en huisvesting verweven waren.

Kijk, dat is nou het rotte van historische werkelijkheden: ze weigeren zich te schikken naar een goed verhaal over een schijnbare schoft. Je wilt iets spannends schrijven over de eerste bewoner van je huis, en belandt in een kluwen van onvolledige archieven en tegenstrijdige bronnen. Ik voel me een halve archivaris nu. Ik moet het stof uit m’n haren kloppen. Waar is de wijn, de geur van wierook, het flakkerende kaarslicht, de kerkmuziek en het hemelse gezang tegen de achtergrond waarvan ik een verhaal over een mogelijke smeerlap kan ontvouwen? Ik zit opeens vast in een moeras van onduidelijkheden, vermoedens en onvolledige bouwplannen uit 1940 en het wordt nergens spannend.

Ik denk dat ik Conclave uit de kast trek van Robert Harris en vandaag vroeg naar bed ga. Het boek schijnt nog beter te zijn dan de film. Nee wacht; maak daar Betrayal van, samengesteld door een journalistenteam van The Boston Globe (en ook al verfilmd; zie Spotlight).

Een lezer schreef: ‘Koetsier was een prima sympathieke man. Het hele gezin trouwens.’

Ik weet niets meer van Koetsier dan wat ik hierboven over hem heb opgeschreven. Dat de kerkmeester streng was en dat je als kind een beetje zenuwachtig werd als hij zich in je buurt bevond, houd ik voor waar. Die informatie komt namelijk van dezelfde lezer. Maar ik moet toegeven dat tussen strengheid en wreedheid veel verschil zit.

Het stukje dat ik aangaf liever te hebben geschreven dan wat ik hier uit de doeken doe over mijn huis, zal er nooit van komen. Ik gaf een denkbeeldige situatie weer: namelijk die van een valse kerkmeester, of erger. Ik zou het veel leuker vinden om daarover door te gaan omdat zoiets nu eenmaal een plot verschaft en het een zeker vooroordeel zou bevestigen dat ik over kerkmeesters koester (en over het katholicisme in z’n geheel).

Maar of de heer Koetsier ook daadwerkelijk een sadist was, laat ik in het midden door er het bijvoeglijk naamwoord ‘potentiële’ voor te zetten. Later ben ik even voorzichtig als ik het woord ‘smeerlap’ gebruik; daar plaats ik namelijk het woord ‘schijnbare’ voor. De lezer geeft aan dat Koetsier niets kwaads over zich had; hij kan dat absoluut beter weten dan ik.